Aran en Titvs

In oktober 1987 verwierf ik het tot nu toe oudste werk in mijn collectie boeken: Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak, een treurspel uit 1641 van de Amsterdamse dichter Jan Vos. Voor een luttele ƒ 11,= kocht ik daarvan de vijfde druk uit 1656. In het kader van de bespreking van boekrestauraties zijn de verschillen met de eerder besproken Apocryphe Boecken enorm, al is de uiteindelijke conclusie precies dezelfde: afblijven!

 

Jan Vos (1610-1667) was een glazenier, glazenmaker, ruitenzetter, die zich ontpopte als kunstig dichter van gedichten en toneelstukken. Hij wist zich in 1647 op te werken tot regent van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de toenmalige Schouwburg van Van Campen. Anders dan veel van zijn tijd- en vakgenoten las hij geen Latijn of Grieks, alleen Nederlands. Ook wijzigde hij zijn naam niet in Vossius (de Vossius die wij kennen is Gerard Vossius), zoals Van Baerle zich Barlæus ging noemen. Die Barlæus was overigens volstrekt idolaat van Jan Vos’ “hooghdravend Treurspel“, net zoals Hooft, Vondel en Huygens er lyrisch over waren.
Van Baerle noteerde in zijn fraaie hexametrische lofdicht op Aran en Titvs:

Siet hier de kunst op ’t hooghst,//de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst,//de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aloud//tooneel met meer gespooks,
Noyt sachmen by de Griek//meer bloedgespat noch rooks.

en verderop:

Die noyt gezeten heeft//aen Grieks of Roomsche disch,
[dus: die geen Latijn of Grieks kent]
Wijst nu de weerelt aen,//wat dat een Treurspel is.

Inderdaad was Aran en Titvs, gebaseerd op Shakespeares Titus Adronicus, een spektakelstuk zonder weerga, wat de regisseur en toneelmedewerkers tot uiterste inspanningen moet hebben gedreven.
Niet voor niets was de lijfspreuk van Jan Vos: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld kan daarvan meepraten, evenals etalages in het algemeen.
Voor wie hiedoor is geboeid, is er onder meer een Volkskrantartikel uit 1997. En verder is er natuurlijk internet.
Wie nog in het bezit is van het vierdelige Handboek der geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, het standaardwerk van Knuvelder, leze in deel 2, blz. 273-278 (vierde druk) de uitvoerige bespreking van Jan Vos onder het motto “van dik hout zaagt men planken“. Ook de behandeling van Vos’ werken door Anton van Duinkerken in zijn Het tweede plan ut 1945 is alleszins lezenswaardig.

Ik geloof dat ik een beetje afdrijf van het eigenlijke onderwerp van dit artikel: de boekuitgave en de eventuele restauratie. Maar Jan Vos boeit mij meer dan Vondel, Hooft en Huygens bij elkaar.
Het is bevreemdend dat ik maar ƒ 11,= hoefde neer te tellen voor dit boekje. Wie op internet rondzoekt, treft al jarenlang bijna nergens een originele 17e-eeuwse uitgave van Aran en Titvs aan, waardoor het mij voorkomt dat mijn exemplaar tot de zeldzaamheden behoort, althans in de antiquarische handel; bibliotheken hebben er wel nogal wat drukken van liggen. Misschien had de verkoper in 1987 niet genoeg verstand van zaken. Ook prima.
Voeg daarbij dat de tekst, ook in facsimile-uitgave gratis op internet is te raadplegen, en dat in 1975 W.J.C. Buitendijk het lijvige standaardwerk publiceerde Jan Vos : toneelwerken (Van Gorcum, Assen/Amsterdam), Van Gorcum’s literaire bibliotheek nr.28. Wie dat boek leest, weet alles over Jan Vos’ toneelproductie, ook zonder een origneel ter hand te nemen. Maar dan blijft het toch een bibliofiele uitgave.
Die lage prijs schrijf ik ook toe aan een direct waarneembaar feit: het boekblok is weliswaar authentiek uit 1656, maar het is nog niet zo heel lang geleden opnieuw ingebonden. Dat is vakkundig, professioneel gedaan, met blauw beplakte platten voor en achter, een (pseudo-)perkamenten rug en verstevigingshoekjes en nieuwe schutbladen, toegevoegd aan de oorspronkelijke schutbladen. Dat impliceert enerzijds dat het boek dus niet meer een origineel exemplaar is, en dientengevolge in marktwaarde daalt, maar ook dat het er nu gelikt uitziet en tegen een stootje kan. Een boekje dat nog geen 200 gram weegt en zo strak in de band met kneep zit, gaat honderden jaren mee. Het betekent dat er ook werkelijk niks aan te restaureren of te verbeteren valt – ik laat het dus in de voorliggende staat.
Anders dan bij De Apocryphe Boecken het geval is, waar voor mij de inhoud ondergeschikt was aan de bibliofiele waarde en de ouderdom, wordt voor mij de waarde van deze Aran en Titvs in hoofdzaak bepaald door de inhoud, de tekst waarvan ik zo kan genieten. De degelijke uitvoering ervan na restauratie is voor mij slechts toegevoegde waarde.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.