L’Histoire de la Science Hellène

Boekbinden, in het bijzonder het restaureren van boeken, is voor mij een hobby, geen beroep. Zo af en toe moet ik wat herstelwerk verrichten aan boeken die wij ter verkoop aanbieden, maar voor de rest beoefen ik de hobby als tijdverdrijf, of als ik er iets moois van wil maken, of om de vaardigheid niet te verliezen. Soms echter beginnen mijn handen echt te jeuken, zoals bij nevenstaand boek dat zo deerlijk uit elkaar lag dat ik het niet langer kon aanzien. En geholpen door mijn gedwongen huisisolement, dat hier gewoon confinement heet, maakte ik er een projectje van. Een summier verslag, dat ik ook wel “l’Histoire de la Science de Reliure” kan noemen.

Ik heb het dan over het boek van Paul Tannery, Pour l’Histoire de la Science Hellène, uitgegeven in 1930 door Gauthier-Villars & Cie te Parijs. Een vrij fors boek van 26×16½x4 cm, XXIV+436 bladzijden en een gewicht van ruim 1100 gram. Het bindwerk van de Parijse uitgever was daarop niet berekend, zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt.

Restauratiewerk steunt op twee uitgangspunten: wat wil je ervan maken en wat kun je ervan maken. Het eerste legt de bovengrens vast, het tweede de ondergrens.

De planning
Wat ik in dit geval wilde: de binding herstellen en vooral verstevigen, en de papieren omslag vervangen door een iets steviger kartonnen omslag. Laten we dat eerst nader puntsgewijs beschouwen.
(NB: Alle foto’s zijn aanklikbaar voor een groter formaat op een nieuw tabblad.)

(1) Al meteen bleek dat de binding volstrekt ontoereikend was en om die reden ook deels was gebroken.
In alle katernen zaten twee gaatjes waardoorheen een dun stukje garen was genaaid om de zaak (vergeefs) bij elkaar te houden. Zie bij de rode pijltjes hiernaast.
Het was dus zaak alle bestaande binding te verwijderen, in de katernen meer gaatjes te prikken en ze met iets steviger garen opnieuw aaneen te naaien. In feite was dit de hoogstnoodzakelijke ingreep.

(2) Een ander manco was dat de papieren rug aan de katernen vastgeplakt was (geweest) en dientengevolge bij het openslaan van het boek onherstelbaar was gescheurd en zelfs voor de helft ontbrak. Zie rechts op de foto. Die moest dus helaas als verloren worden beschouwd.


(3) Vervelend was de constatering dat de pagina voorin met titel en impressum voor eenderde deel helemaal was afgescheurd; het losse restant was nog wel aanwezig, zodat een poging de twee delen weer aan elkaar te bevestigen tot de opties behoorde.

(4) Verder vermeldde de voorlaatste pagina van het boek, onderaan de inhoudsopgave, dat er zich een Planche, Portrait de Paul Tannery in het boek bevond. Mijn vermoeden was dat het hier ging, zoals niet ongebruikelijk, om een linker pagina tegenover de titelbladzijde, het zogeheten frontispice. Maar daar zat geen portret en ook was niet zichtbaar of dat er ooit had gezeten. Evenmin zat er elders in het boek een pagina met afbeelding, noch dans le texte, noch hors texte. Maar mij leek het wel mogelijk in die lacune te gaan voorzien.

(5) Het papieren voor- en achterplat waren nog wel aanwezig, maar rondom nogal beschadigd. Zie de foto helemaal bovenaan dit artikel. Het leek me wel doenlijk die bij te snijden en op de aan te brengen kartonnen platten opnieuw te bevestigen.

Tot zover de werkzaamheden die ik in de planning opnam.

De beschikbare materialen
Wat ik ervan feitelijk kon maken, werd beperkt door de mogelijkheden en mijn vaardigheid. Tijd was daarbij geen factor, want onder het gegeven corona-isolement was die in ruime mate voorhanden. Wel hield ik vast aan mijn gewoonte om in principe alleen materialen te gebruiken die ik al in huis had. Dat is een soort van zuinigheid, maar ook van mijn houding dat alles een tweede of derde kans op hergebruik verdient. Fransen bewaren alles en weggooien kan altijd nog. Ik had die attitude al, en die is in de loop der jaren hier alleen maar versterkt. Ik kan nu al zeggen dat ik voor de hele restauratie ook niets heb moeten kopen: alles was in huis, al zou ik het wat mooier hebben kunnen maken door nog een en ander nieuw bij te kopen. Zo had ik bijvoorbeeld liever een bruin of blauw leeslint willen aanbrengen, maar ik had alleen maar rood en geel liggen. Soit.

Hetzelfde gold voor de attributen die bij een boekrestauratie onontbeerlijk zijn. Naast de artikelen op bijgaande foto, waarop nog het strookje gaas voor de rug ontbreekt en een pak stijfsel/behangplak alsmede de kartonnen platten, had ik al langer de beschkking over een naaibankje, een prikblok, een zogenaamd ‘derde handje’ en een drietal boekpersen. Zij komen verderop nog wel in beeld. Daarmee moest ik het doen en leek het mij ook doenlijk.

De werkzaamheden
(1) Het verwijderen van de oude binding, dus het lostrekken van alle garen en het lospeuteren van de restanten van de rug was een fluitje van een cent. Daarmee kwamen het voor- en achterplat los te liggen en waren alle katernen van elkaar gescheiden.
Vervolgens  prikte ik met behulp van een kartonnen malletje met vier gemarkeerde posities, op het prikblok katern voor katern in elke vouw nog vier gaatjes bij, twee links en twee rechts van de bestaande gaatjes (rode pijltjes) om een steviger naaiing te kunnen gaan aanbrengen.

Met alle katernen in de goede volgorde en richting weer op elkaar liggend en geklemd in het derde handje, markeerde ik die volgorde met diagonale viltstiftlijnen, zoals je dat ook bij machinaal gebonden boeken wel eens ziet. Dat is bepaald geen overbodige luxe; sterker nog, het behoort tot de basisvoorschriften voor boekbinders. Ik weet het als geen ander: ooit heb ik eens een boek ingebonden dat nota bene over boekbinden gaat, en legde ik per ongeluk twee katernen op hun kop op de stapel, de bovenkant dus haar onderen. Bij het doorbladeren moet je dus voortaan halverwege het boek omkeren om verder te kunnen lezen. Het gebeurt mij nu geen tweede keer meer.
Overigens kun je op de foto goed zien dat de oorspronkelijke gaatjes, de twee dus in het midden, in 1930 ook maar zo’n beetje met de Franse slag waren geprikt; ze zitten niet bepaald in lijn. Dat is niet echt erg voor het binden, maar het ziet er niet uit. ‘Mijn’ vier rijtjes gaatjes aligneren een stuk beter en dat is prettig voor het aanbrengen van de verstevigingsbandjes in de volgende fase.

Het naaibankje dient om katern voor katern op elkaar te kunnen naaien, te beginnen met het achterste katern. Dan is het verder een geduldwerkje: met naald en draad rechts van buitenaf insteken, door het naastliggende linker gaatje weer naar buiten, om het verstevingsbandje heen weer naar binnen door gaatje drie en dan door het linker gaatje weer naar buiten. Even goed straktrekken. Volgende katern erop en in omgekeerde volgorde de draad weer naar rechts toe rijgen. Even goed straktrekken. Derde katern erop en dan weer naar links.
Daar aangekomen moet je een kettingsteek maken om te voorkomen dat de katernen onderling gaan verschuiven. Je haalt de naald, die nu links uit het derde katern is gekomen, tussen het eerste en tweede katern door en ‘pakt’ daarmee de steek tussen die twee katernen. Even goed straktrekken. Daarna prik je de naald door het linker gat van het vierde katern en zitten de katernen 2, 3 en 4 aan de linker kant gekettingd. Dat doe je vervolgens iedere keer rechts en links voor je een nieuw katern gaat bevestigen.

Een paar uur later heb je de in dit geval 16 katernen van 32 bladzijden aan elkaar genaaid. Dan, in het derde handje, goed insmeren met boekbinderslijm, de kapjes, het leeslint en de strook gaas ter versteviging erop drukken, en het boekblok is in feite klaar.
Had ik de beschikking gehad over een industriële papiersnijmachine, dan had ik (vóór het aanbrengen van de kapjes en het leeslint natuurlijk) het boekblok eerst rondom schoongesneden. Maar zo’n doodeng apparaat heb ik jammer genoeg niet in huis.

(3) (De volgorde van de feitelijke werkzaamheden correspondeert niet helemaal met de voorgenomen orde der dingen, maar kwam zo toch beter uit.)
Een verhaal apart was namelijk de afgescheurde pagina voorin. Natuurlijk kun je met Aslan (foutief ook bestempeld als ‘onzichtbaar plakband’) de zaak weer aan elkaar plakken, maar fraai is dat niet en bovendien was de scheurlijn niet recht, maar sterk gebogen. Eerst probeerde ik de snijvlakken met boekbinderslijm in te smeren en dan tegen elkaar te plakken, maar dat gaf na droging een doorzichtige naad. Toen probeerde ik die lijm te vermengen met fijn zaagsel om er wat kleur aan te geven, maar ook dat leverde geen geweldig resultaat op. De situatie is nu dat weliswaar de pagina weer één geheel vormt, maar het blijft een lelijk gezicht. Het is mijn vak niet, en in het werken met Japans papier, zoals wordt aanbevolen in dergelijke situaties, heb ik geen ervaring. Operatie dus grotendeels mislukt.

(2) Met het genaaide en gelijmde boekblok een nachtje in de pers was het zaak aan de band te beginnen. Gelukkig heb ik nog genoeg karton in allerhande formaten en diktes in huis. Ik koos voor 1 mm dik karton; het hoeft ook geen altaarmissaal te worden met houten platten. Met bekleding buitenop en schutblad binnenin komt dat dan op ±2½ mm dikte uit.
Ik gebruik, zoals gezegd, graag wat ik nog in huis heb, en zo kwam ik op het idee om een rug te snijden uit wat bij ons thuis het Siamkoffer heet. Dat is, zo vertelt de overlevering, het koffer waarmee mijn moeder met alle kinderen in begin 1946 repatrieerde van Bangkok naar Oss. Dat lederen koffer lag al tientallen jaren bij mij op zolder en was inmiddels van ellende uit elkaar gevallen doordat het stiksel was verweerd. Ik heb dat toen ooit eens van zijn beleg ontdaan en de nog bruikbare stukken leer afgesneden en die op een stapeltje opgeslagen. Zo kon het boek nog een familiair-emotionele band krijgen, letterlijk en figuurlijk. Uit pure luxe besloot ik er ook nog vier verstevigingshoekjes van te snijden. Zie de afbeelding hierboven bij De beschikbare materialen. Voor de bekleding van de platten koos ik voor zwart bukram (soort kunstleer). Net echt.
Het inhangen van het boekblok in de band bestaat uit twee stappen: het op maat snijden van de schutbladen, die uiteindelijk band en boekblok bij elkaar houden, en dan het lijmen van die schutbladen aan enerzijds de band en anderzijds het boekblok. Dat gaat bij mij altijd mis. Als het schutblad al niet gaat bobbelen, of vouwen gaat vertonen, komt het altijd wat scheef te zitten en eenmaal wat aangedrukt krijg je het met geen onmogelijkheid weer mooi los om het recht en haaks te bevestigen. Of het lijkt goed te zitten, maar bij het openen van het boek gaat het trekken en zelfs scheuren.
Dit keer viel dat echter reuze mee, behalve het mooi naadloos afsnijden langs de verstevigingshoekjes. Noem het dan maar ‘ambachtelijk bereid’.
Wat dan ook nog een heikel punt is: aan de rugzijde moet de onderlinge afstand tussen de platten corresponderen met de dikte van het boekblok, zowel in geopende als gesloten toestand van het boek. En dat komt op de milimeter nauwkeurig. Zitten de platten te ver uit elkaar, dan heeft het boek ‘een te grote broek aan’ en dat ziet er niet uit; zitten de platten te krap op elkaar, dan gaan de platten aan de buitenkant wijken en ook dat is geen aanbeveling. Natuurlijk meet je een en ander tevoren goed uit, maar steeds is het maar afwachten of het ook klopt.
In dit geval had het in zoverre wat speling dat de vrij slappe, lederen rug zelf niet aan het boekblok was geplakt, zoals dat oorspronkelijk met de papieren rug wel het geval was. Daardoor kan de rug nu vrijelijk wat meer open en dicht plooien.

Restte nog het vervaardigen van het vervangende portret van Paul Tannery op het frontispice. Van hem circuleert op internet een goed bruikbare foto. Die heb ik met een ‘naamplaatje’ op gladder papier geprint en samen met een beschermend doorzichtig schutblad (tegen het doordukken van de inkt) apart op de bestemde plek voorin ingelijmd. Dat leverde verder weinig problemen op.

De voorlaatste stap was het persen van het ingebonden boekwerk, ditmaal in de grote, zware pers en meer dan 24 uur.
Alles aan de keukentafel, want de keuken is hier ’s winters der mensen habitat. Dan kun je ook de cuisinière tijdig bijvullen en is het er lekker warm.

Tijd dus om nu eens heel andere dingen te gaan doen, te eten, te gaan slapen, of wat dan ook.

(5) Met opzet had ik gewacht met het bijsnijden en opplakken van de oorspronkelijke voor- en achterkant van het boek. Immers, mocht het zo zijn dat er nog iets aan de platten of bekleding ervan moest gebeuren, dan kon ik die papieren pagina’s er niet meer eerst vanaf halen.
Maar dat bleek niet nodig, en zo kon het vele werk worden afgerond met een min of meer originele voor- en achterkant en achtte ik de hele operatie voor zeker 75% goed geslaagd. Nobody is perfect.

Corsini Institutiones

In 1743 publiceerde Eduardo (of Odoardo) Corsini een zesdelige reeks Institutiones Philosophicæ ac Mathematicæ, waarvan ik het zesde deel in handen kreeg. Uitgegeven in Venetië en geheel in het Latijn gesteld. Aan dit exemplaar zitten nogal wat bijzonderheden vast, die ik eerst maar zal bespreken voor het over de staat van het boek en eventuele restauratie te gaan hebben.

 

Het schutblad voorin is al ‘opgesierd’ met enkele inscripties: enkele nummers die vermoedelijk verwijzen naar een bibliotheeksignatuur en ter verduidelijking een ‘samenvatting van de inhoud’, handgeschreven door een voormalige eigenaar van het boek: Sextus Tomus Complectitur Cognitionem Geometricam, oftewel: Deel zes bevattende de kennis der meetkunde.
Dat blijkt ook overduidelijk uit de acht prachtige, uitvouwbare bladen achterin met geometrische figuren, zowel van de vlakke meetkunde als van de stereometrie.

Op de bladspiegel van de titelpagina zien we links, in hetzelfde handschrift als op de pagina ervoor, een interessante mededeling: Fr. Barnabas Cronfeld acquisivit a N.V.P. Andrea ab esse A° 1760, d.w.z.: Fr[ater] Barnabas Cronfeld verwierf [dit boek] van N.V.P. Andrea in het jaar 1760.
Dat roept meteen drie vragen op:
1. Wie is Barnabas Cronfeld?
2. Wie is de genoemde Andrea?
3. Wat betekent N.V.P.?

Een vierde vraag volgt uit het stempeltje rechts onder op het titelblad, waarvoor we beter even kunnen omslaan. Dan zien we bijgaande tekst.
Nu is Hongaars, met Fins en Ests, lid van een taalgroep die ik allerminst beheers, maar ik zag wel dat het Hongaars moest wezen. Omdat zelfs Google mij niet kon helpen, ging ik te rade bij de Nationale Staatsbibliotheek in Boedapest, zeg maar de Hongaarse KB.
Zes dagen later kreeg ik uitvoerig antwoord waaruit in elke geval bleek dat de Népkönyvtári Központ (“Volks Boekencentrale“) niet echt een bibliotheek was, maar een opslagplaats voor boekwerken waarin zich van 1954-2000 boeken bevonden die afkomstig waren uit “the private collections of noble families and other collections (e.g. ecclesiastic)“.
Népkönyvtári Központtol, zoals de stempel vermeldt, betekent: “[Eigendom] van de Volksboekencentrale”, want het Hongaars kent geen voorzetsels zoals wij, maar gebruikt daarvoor affixen die achter het bijbehorende woord worden geplakt.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar het moet hier gaan om onteigend bezit van rijke families en kerkelijke instanties die na de oprichting van de communistische Volksrepubliek Hongarije in 1945 hun bezittingen genaast zagen. In de loop der jaren werden die boeken verdeeld over diverse staatsbibliotheken in het land en wat ze niet op die manier kwijt konden, ging naar antiquariaten die het kregen of opkochten. Zo zal dit zesde deel van Corsini wel bij een tweedehands boekwinkel in Boedapest terecht zijn gekomen en daar door een van mijn familieleden in 1987 zijn aangeschaft.

Maar dan vraag 1, 2 en 3.
1. Goed dat we internet hebben, al lost dat niet alle vragen op.
Barnabas Cronfeld (ook wel Kronfeld geschreven) was een Franciscaner monnik, geboren in Tirol in 1730 die in een klooster in Boeda[pest] terecht kwam en van daaruit als leraar zuidwaarts trok, tot zeker 300 km onder Boedapest, waar hij les gaf in de Franciscaner kloosterschool van Vukovar (Kroatië); vermoedelijk ook nog in het iets noordelijker gelegen Sombor, in het huidige Servië. Uiteindelijk stierf hij op 13 september 1788 in een nabijgelegen Franciscaner klooster in Mohács, Hongarije. Alle genoemde plaatsen liggen aan de Donau, dus hij kon het per boot af.
Ik houd het maar kort, want per slot van rekening gaat dit artikel over Corsini, of liever gezegd, over een boek van Corsini. Maar Cronfelds omzwervingen zeggen wel iets over de Centraal-Europese geschiedenis en geografische verhoudingen van de 18e eeuw, en neem ik aan dat het boek na de Tweede Wereldoorlog vanuit Mohács in communistische staatshanden te Boedapest terecht is gekomen. Ik zal nog een apart artikel aan hem wijden als ik meer informatie heb weten te vergaren.

2. Over Andrea kan ik kort zijn. Ik weet het (nog) niet. Vermoedelijk een collega-monnik/priester die hij in een van de kloosters ontmoette en hem het boek verkocht of na zijn dood naliet. Ik hoop ook over hem, net als over Cronfeld, op termijn meer te weten te komen.

3. De toevoeging N.V.P. kan daarover wellicht meer vertellen, maar ook dat is voor mij vooralsnog een duistere melding. Ik kom niet verder dan iets als “Nostro Venerissimo Pater” (“Onze eerwaarde vader“), maar ik zuig dat uit mijn duim.

Aan degene die mij aan een verantwoorde verklaring van
deze afkorting N.V.P. kan helpen, verleen ik 300 dagen
aflaat (met aftrek van voorarrest).
Ook is een hint welkom als ik niet
goed heb gekeken,
en er niet N.V.P. staat, maar iets anders.
Deze kwestie is inmiddels opgelost. Ik zal er een vervolgartikel aan wijden;
dat geldt ook voor de vragen 1 en 2.

Komen we dan eindelijk toe aan het boekje zelf.
Eerst aan de inhoudelijke kant. Wat mij als bèta frappeert is dat het de gehele (Euclidische) vlakke meetkunde en de stereometrie behandelt, zoals die mij voortreffelijk is onderwezen van klas Gym-I (Pater Minderop!) tot en met klas Gym-VIß (Toon Pels!). Dat alles in lange, Latijnse volzinnen en met heldere afbeeldingen achterin op acht uitvouwbare bladen. Boeiend en getuigend van hoge kwaliteit. Maar wat moeten die Venetiaanse Wiskundestudenten (12-18 jaar?) er wel niet voor over hebben gehad, allereerst door vloeiend Latijn te moeten kunnen lezen, en dan ook nog eens zich door ellenlange zinnen te moeten worstelen.
Ik citeer maar even de allereerste zin van het voorbericht aan de Geometris Adolescentibus, de Wiskundejeugd. Daar lezen we:

Geometris adolescentibus.
Etsi pro rei dignitate, sive recepto jam more plura de Mathematicæ facultatis origine, partibus, præstantia, ac methodo qua vel a ceteris pertracta, vel adornata a me fuerit, paullo inferius præfari decreverim, juverit tamen aliqua vel obiter hic admonere, ut clarior vobis, atque facilior aditus, Geometræ Adolescentes, ad hæc elementa aperiatur, atque ut alacrius etiam ad hoc amplissimæ, præstantissimæque disciplinæ studium vester animus incendatur.

Het lukt mij niet eens daarvan een verantwoorde Nederlandse vertaling te geven, en Google Translate komt helaas niet verder dan deze schamele poging:

Geometris jongeren. Hoewel ik beschouw het als speciale waardigheid van, of is ontvangen, het is meer een aantal van de wiskunde van de faculteit naar de oorsprong, de partijen, is het opvallend veel, en de wijze waarop en uit de andere het voor uw goed is, of opgewerkt van mij, dan, een beetje later bij wijze van inleiding heb ik besloten om juverit echter dat sommige of door de manier waarop, is hier om ons eraan te herinneren, toen het ook je geworden, en gemakkelijker te krijgen, voor wiskundigen en de jonge, de elementen kunnen worden geopend om deze dingen te doen, en dat hij zou met de meer enthousiasme, zelfs voor deze meest eerzame mensen, en excellentie zal toenemen tot de studie van de discipline wordt in brand gestoken.

Fi donc! Daar schieten we dus niks mee op, maar of het Venetiaanse pubers werkelijk in studiezin heeft doen ontvlammen, kan ik niet bevestigen.


Wie mij aan een verantwoorde Nederlandse vertaling van die zin kan helpen, dingt mee naar een enkele reis naar de top van de Olympus, samen met Floortje en Erica-op-reis
.

Voortreffelijk boek, ondanks alles. En voortreffelijk onderwijs moet het zijn geweest zo rond 1743 in Noordoost Italië en omstreken.
Dan de buitenkant van het boek en de toestand waarin het zich althans bevindt.
Het is in feite een goedkoop uitgevoerd schoolboekje. Leerlingen zaten niet te wachten op onbetaalbare luxe edities, in perkament gebonden en in meerkleurendruk uitgevoerde boekbanden. Vergelijk het liever met eenvoudige pocketjes, Aula’s, Livres de Poche, met een slappe kartonnen omslag die met twee touwen aan het boekblok zijn bevestigd en waarvan de katernen, uiteraard handgeschept papier, maar zonder zichtbaar watermerk, met vier dunne steken aan elkaar zijn genaaid. De binding is desondanks nog steeds acceptabel, soms een beetje wijkend, maar dat is onvoldoende reden om het geheel uit elkaar te helen en opnieuw te binden. Houtwormen hadden er, begrijpelijk, geen trek in: slechts twee minuscule gaatjes aan de rand van het voorplat zijn er te ontwaren. Voor een zo simpel uitgevoerd pocketje ziet het er nog na ruim 275 jaar en een omzwerving van Venetië, via Vukovar naar Boedapest, vandaar naar Eindhoven, Boxmeer en Rosoy-sur-Amance nog opvallend fris en aantrekkelijk uit.
Van de oorspronkelijke Venetiaanse oplage is mij niets bekend, maar gezien het feit dat het op internet nauwelijks te koop wordt aangeboden, en er voor de complete reeks van zes delen grif tussen de € 600 en € 1.200 wordt gevraagd, gaat het intussen om een zeldzaam boekwerkje, dat bij verkoop van alleen deel 6 zeker ruim € 100 moet opbrengen. Naast een bibliografisch oninteressante herdruk uit 2012 (ISBN 978-1273773822) zul je er maar met moeite aan kunnen komen.

Mijn besluit: niets aan restaureren, het gewoon laten in de staat waarin het zich bevindt met alle interessante inscripties van dien. Iets om te koesteren.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Aran en Titvs

In oktober 1987 verwierf ik het tot nu toe oudste werk in mijn collectie boeken: Aran en Titvs, of Wraak en Weerwraak, een treurspel uit 1641 van de Amsterdamse dichter Jan Vos. Voor een luttele ƒ 11,= kocht ik daarvan de vijfde druk uit 1656. In het kader van de bespreking van boekrestauraties zijn de verschillen met de eerder besproken Apocryphe Boecken enorm, al is de uiteindelijke conclusie precies dezelfde: afblijven!

 

Jan Vos (1610-1667) was een glazenier, glazenmaker, ruitenzetter, die zich ontpopte als kunstig dichter van gedichten en toneelstukken. Hij wist zich in 1647 op te werken tot regent van de Amsterdamse Stadsschouwburg, de toenmalige Schouwburg van Van Campen. Anders dan veel van zijn tijd- en vakgenoten las hij geen Latijn of Grieks, alleen Nederlands. Ook wijzigde hij zijn naam niet in Vossius (de Vossius die wij kennen is Gerard Vossius), zoals Van Baerle zich Barlæus ging noemen. Die Barlæus was overigens volstrekt idolaat van Jan Vos’ “hooghdravend Treurspel“, net zoals Hooft, Vondel en Huygens er lyrisch over waren.
Van Baerle noteerde in zijn fraaie hexametrische lofdicht op Aran en Titvs:

Siet hier de kunst op ’t hooghst,//de Schouburgh op zijn top,
Het Treurspel op zijn wreedst,//de wraeklust vol van krop.
Noyt daverd het aloud//tooneel met meer gespooks,
Noyt sachmen by de Griek//meer bloedgespat noch rooks.

en verderop:

Die noyt gezeten heeft//aen Grieks of Roomsche disch,
[dus: die geen Latijn of Grieks kent]
Wijst nu de weerelt aen,//wat dat een Treurspel is.

Inderdaad was Aran en Titvs, gebaseerd op Shakespeares Titus Adronicus, een spektakelstuk zonder weerga, wat de regisseur en toneelmedewerkers tot uiterste inspanningen moet hebben gedreven.
Niet voor niets was de lijfspreuk van Jan Vos: Het zien gaat voor het zeggen. Onze hedendaagse reclamewereld kan daarvan meepraten, evenals etalages in het algemeen.
Voor wie hiedoor is geboeid, is er onder meer een Volkskrantartikel uit 1997. En verder is er natuurlijk internet.
Wie nog in het bezit is van het vierdelige Handboek der geschiedenis der Nederlandse Letterkunde, het standaardwerk van Knuvelder, leze in deel 2, blz. 273-278 (vierde druk) de uitvoerige bespreking van Jan Vos onder het motto “van dik hout zaagt men planken“. Ook de behandeling van Vos’ werken door Anton van Duinkerken in zijn Het tweede plan ut 1945 is alleszins lezenswaardig.

Ik geloof dat ik een beetje afdrijf van het eigenlijke onderwerp van dit artikel: de boekuitgave en de eventuele restauratie. Maar Jan Vos boeit mij meer dan Vondel, Hooft en Huygens bij elkaar.
Het is bevreemdend dat ik maar ƒ 11,= hoefde neer te tellen voor dit boekje. Wie op internet rondzoekt, treft al jarenlang bijna nergens een originele 17e-eeuwse uitgave van Aran en Titvs aan, waardoor het mij voorkomt dat mijn exemplaar tot de zeldzaamheden behoort, althans in de antiquarische handel; bibliotheken hebben er wel nogal wat drukken van liggen. Misschien had de verkoper in 1987 niet genoeg verstand van zaken. Ook prima.
Voeg daarbij dat de tekst, ook in facsimile-uitgave gratis op internet is te raadplegen, en dat in 1975 W.J.C. Buitendijk het lijvige standaardwerk publiceerde Jan Vos : toneelwerken (Van Gorcum, Assen/Amsterdam), Van Gorcum’s literaire bibliotheek nr.28. Wie dat boek leest, weet alles over Jan Vos’ toneelproductie, ook zonder een origneel ter hand te nemen. Maar dan blijft het toch een bibliofiele uitgave.
Die lage prijs schrijf ik ook toe aan een direct waarneembaar feit: het boekblok is weliswaar authentiek uit 1656, maar het is nog niet zo heel lang geleden opnieuw ingebonden. Dat is vakkundig, professioneel gedaan, met blauw beplakte platten voor en achter, een (pseudo-)perkamenten rug en verstevigingshoekjes en nieuwe schutbladen, toegevoegd aan de oorspronkelijke schutbladen. Dat impliceert enerzijds dat het boek dus niet meer een origineel exemplaar is, en dientengevolge in marktwaarde daalt, maar ook dat het er nu gelikt uitziet en tegen een stootje kan. Een boekje dat nog geen 200 gram weegt en zo strak in de band met kneep zit, gaat honderden jaren mee. Het betekent dat er ook werkelijk niks aan te restaureren of te verbeteren valt – ik laat het dus in de voorliggende staat.
Anders dan bij De Apocryphe Boecken het geval is, waar voor mij de inhoud ondergeschikt was aan de bibliofiele waarde en de ouderdom, wordt voor mij de waarde van deze Aran en Titvs in hoofdzaak bepaald door de inhoud, de tekst waarvan ik zo kan genieten. De degelijke uitvoering ervan na restauratie is voor mij slechts toegevoegde waarde.

__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

De Apocryphe Boecken

Aan het begin van mijn tweede studiejaar, in augustus 1969, kocht ik, zoals zo vaak slenterend langs de boekenstalletjes onder de Oudemanhuispoort, een boekje dat mij totaal niet interesseerde. Althans, de inhoud niet.
Maar ter bevrediging van mijn verzamelwoede ruim binnen mijn vakgebied was ik dolblij voor slechts ƒ 15,= het oudste boekje in mijn collectie te kunnen aanschaffen, namelijk uit 1670.

Ik had nog nooit van de Apocryphe boeken gehoord en helemaal fris zag het werkje er ook al niet uit.
Een nogal gevlekte, maar op zich mooi gestempelde perkamenten band (nooit perkament proberen schoon te maken!), het onderste derde deel van de rug ontbrak, het zat niet meer helemaal stevig in de band en d’een of d’andere onverlaat had er voor hem/haar interessante passages in zitten onderstrepen of zelfs nog in de marge zitten toelichten.

Niet dat dat alles de leesbaarheid verminderde, want de tekst was toch al niet leesbaar: een driepunts Gotisch lettertje in 17e-eeuws gedrukte taal over een onderwerp buiten mijn vakgebied. Bovendien vertoonde het aan de onderkant nogal nadrukkelijk vlekken van vochtoptrek en was één houtworm erin geslaagd zich van achteren half doorheen het boek te wurmen om er zijn bijbelkennis mee te verhogen; de letterlijke boekenwurm. Maar mij kon dat volstrekt niks schelen. Ik had een 17e-eeuws boek bemachtigd voor weinig geld en ik koesterde het, tot in 1987 met de aanschaf van een boek uit 1656 Jan Vos de koppositie overnam.

Restauratie van dit boekje zou wellicht te overwegen zijn. Maar waartoe diende dat? De perkamenten rug, waarvan het onderste derde deel ontbrak, kreeg ik toch niet mooi hersteld, en om de binding te verstevigen zou ik het hele boekblok uit elkaar moeten halen, daarna opnieuw de katernen aan elkaar naaien en vervolgens het geheel weer stevig in de band moeten proberen te hangen met nieuwe, niet originele schutbladen.

Al die verbeteringen beschouw ik als verslechteringen, omdat ik ermee de originaliteit van het boek ga aantasten. En omdat het toch geen dagelijks gebruiksvoorwerp is, en ik allerminst van plan ben het te gaan verkopen, kan ik het maar beter in de kast laten staan in het besef iets in huis te hebben wat ècht 350 jaar oud is.
__________________________________________________________________________
Dit artikel is een voorbeschouwing van mijn restauratieverslag van het boek van Paul Tannery: Pour l’histoire de la science hellène.

Tannery restauratie-inleiding

Wat moet je anders in deze weken van confinement, bijna absolute opsluiting in huis, waarbij je alleen maar met een speciaal formulier op zak eventjes de deur uit mag om boodschappen te doen of naar de dokter te gaan, op straffe van een subiete boete van €135 voor het niet bij je hebben van dat formulier of om een niet-geldige reden?

Ik verveel me nooit, en vooralsnog denk ik dat goed vol te kunnen houden.

 

Onlangs kreeg ik een verzameling oude wetenschappelijke boeken in handen ter beschrijving en eventuele verkoop. Toen ik daarmee zo goed als klaar was, resteerden er nog drie die in te slechte staat verkeerden om ze te koop aan te bieden. Ik besloot toen een van die exemplaren grondig te gaan restaureren en dat proces hier met een aantal artikelen te begeleiden.

Het gaat om de tweede druk van een werk van de Franse wetenschapper Paul Tannery (1843-1904): Pour l’histoire de la science hellène uit 1930; oorspronkelijke druk 1887. Het boek lag zowat helemaal uit de band, voor- en achterplat lagen los, van rug en rugtekst was hoegenaamd niets meer over, het beloofde portret op het frontispice ontbrak en links en rechts waren er zo nog wel meer beschadigingen. En omdat het werk antiquarisch een bescheiden handelswaarde heeft van hooguit enkele tientjes, vond ik het wel verantwoord mijn boekbindkunde eraan te wijden. Het boek is bovendien in een facsimile-herdruk in 1990 heruitgegeven en het is integraal digitaal gratis beschikbaar.
Ook in bibliofiel opzicht is het weinig uitzonderlijk: de onderhavige editie is geen eerste druk, en daarbovenop tamelijk goedkoop bezorgd, waardoor met name de sobere bindwijze niet bleek opgewassen tegen het volume en gewicht van het werk: 24x17x4 cm en 1010 gram zwaar.
Voordat ik echter die restauratie ga beschrijven, wil ik eerst wat opmerkingen kwijt over oude boeken, hun waarde en hun eventuele restauratie.

Je kunt een boek waarderen om zijn inhoud, los van de staat van het werk; de inhoudelijke waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn uiterlijke kwaliteit, zowel van de band als van de vormgeving van het boekblok; de bilbliofiele waarde. Je kunt een boek waarderen om zijn kostbaarheid, evt. verhandelbaarheid; de economische waarde. En vaak is je waardering een combinatie van genoemde waarden.

Om dat te illustreren, wijd ik de komende tijd eerst een drietal artikelen aan andere oude boeken in mijn bezit waaruit blijkt welke afwegingen voor mij de doorslag geven om wel of vaak ook niet tot restauratie te willen overgaan. Klik op de titels voor die betreffende artikelen. Het betreft, van links naar rechts, De Boecken Genaemt Apocryphe uit 1670, Aran en Titvs van Jan Vos uit 1656 en de Institutiones mathematicæ van Eduard Corsini uit 1743.
Daarna kom ik ter zake met de restauratie van bovengenoemd werk van Paul Tannery.

Door het oog van de naald

Het was meer list dan baraet waarmee het ons is gelukt mijn Reinaertlezing van 11 maart in de bibliotheek van Boxmeer doorgang te hebben kunnen laten vinden. Immers, alle activiteiten daar waren die ochtend nog voor onbepaalde tijd opgeschort of geannuleerd, maar door vakkundig gesoebat van de betrokken organisatie maakte de bieb voor deze keer nog eenmaal een uitzondering. Niet meer dan 20 mensen en een meter uit elkaar en daarvoor en daarna maar goed handen wassen (en zeker niet schudden).
Bijkomend voordeel was dat ik mijn verhaal niet hoefde af te raffelen, want de geplande erop volgende activiteit was geschrapt. Dus kon ik wat meer details melden en was er voldoende tijd voor vragen en antwoorden na afloop.

Zoals ik een week daarvoor HIER al had aangekondigd spitste ik het verhaal toe op twee vragen: wanneer en om welke reden werd de Vlaamse Van den vos Reynaerde eigenlijk geschreven, en de vraag hoe het mogelijk is dat dit dierenepos nu al zeker 750 jaar binnen en buiten Vlaanderen en Nederland populair blijft en steeds weer wordt aangepast aan de gevoelens en behoeften van de tijd en het publiek.

Wij weten niet van de hoed en de rand als het gaat over de omstandigheden waaronder Willem zijn Reinaert schreef (ik schrijf zelf steeds Reinaert; anderen prefereren Reynaert of Reynaerde; maakt niet uit). We weten wel dat hij putte uit de 12e-eeuwse Franse Roman de Renart, een compilatie van op zich staande branches, verhalen, die op hun beurt weer bewerkingen zijn van nog veel oudere dierverhalen en fabels. In die zin kun je het vergelijken met de Arabische Vertellingen van 1001-nacht. Dat Willem die Franse bron hanteerde, blijkt overduidelijk uit de inhoud met passages en motieven die ook in de Franse voorloper staan, maar ook uit het feit dat al in regel 8 van zowel het Comburgse als het Dyksche handschrift klip en klaar staat dat deze Dietsche tekst uit de Walsche (=Franse) bron afkomstig is.

Het grote verschil is, dat ‘onze’ Reinaert vele malen scherper, cynischer, satirischer is dan eerdere vossenverhalen, waaruit ik afleid dat er iets moet hebben gespeeld waarmee de tekst de draak steekt, de vloer aanveegt, geëngageerd is. Maar wat en wie precies op de hak wordt genomen blijft vooralsnog een raadsel.

Hebben we het over de tweede vraag dan valt er een en ander in het oog.
Wat Van den vos Reynaerde met Multatuli’s Max Havelaar gemeen heeft, is niet alleen dat deze twee werken tot de absolute top van de Nederlandse literatuur behoren, maar ook dat het juist deze twee zijn, en geen andere voor zover ik weet, die een buitentekstuele uitzaai hebben beleefd. Aan de Max Havelaar hebben wij de Max-Havelaarkoffie overgehouden, welk keurmerk later nog is uitgebreid met de toevoeging FairTrade, waardoor je nu bijvoorbeeld in Nederland Max Havelaar kinderbananen kunt kopen, en ik onlangs in Langres bij de fruitafdeling Max Havelaar bananen zag liggen uit Ivoorkust.

Rond de Reinaert is de buitentekstuele doorwerking nog veelzijdiger: toeristische routes, Reynaertbier, Reynaertgebak en -bonbons (waarvan ik er een stel daags tevoren in Sint-Niklaas was gaan ophalen), standbeelden, glas-in-loodramen, grafische kunst, banken, bomen, horecagelegenheden, winkelcentra, campings, alles met verwijzingen naar het overbekende verhaal, vooral in het Waasland, zeg maar binnen de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen.

Blijven we binnen de tekst, dan wil ik de vergelijking maken met een zevensnarige viool of gitaar. Daarop kun je ontelbare en zeer verschillende composities ten gehore brengen door de ‘melodie’, het accent te leggen op een of meer van de andere snaren, of door een of meer snaren juist NIET te bespelen. Zo zal een Roomsch-Katholieke Reinaertbewerking minder antiklerikaal zijn en al helemaal minder erotisch, wat natuurlijk ook speelt in bewerkingen voor kinderen.

De bovenste, rode snaar is de verhaallijn. Die moet altijd aanwezig zijn, in welke bewerking dan ook. Een soort basso continuo, maar dan anders. Van de overige snaren geldt: bespeel precies die snaren waarmee je het publiek het beste kunt bespelen, want ieder tijdperk en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient; ik kan het niet vaak genoeg zeggen.

In mijn 11-maartlezing maakte ik dat in extremis duidelijk door na de pauze de uitzonderlijke, maar technisch voortreffelijke kleurenanimatiefilm Van den Vos Reynaerde uit 1943 te berde te brengen naar het gelijknamige boek van Robert van Genechten uit 1941 met zijn antisemitische inslag, gepersonifieerd door Jodocus het neushoorndier, en daarna, per saldo niet minder grimmig, de Suske en Wiske De rebelse Reinaert uit 1998 met zijn ondertoon van de kwestie Marc Dutroux. Daarvoor moet je wel goed zijn ingevoerd in de Belgische ministeriële en justitiële perikelen eind jaren-’90, en moet je goed in de gaten hebben dat die strip verscheen nog voor het grote proces-Dutroux plaatsvond (2004), maar nadat hij voor eerdere vergrijpen gevangen had gezeten maar vervroegd was vrijgekomen (1992). Zo nauw luistert het dus bij de datering van een literair werk.

Wat beide Reinaertbewerkingen gemeen hebben, is dat het sterk geëngageerde werken zijn en dat Reinaert op de een of andere manier naar voren komt als de volksheld, de patriot die het gezag tart en schoon schip wil maken met (al dan niet vermeende) misstanden.

Een paar dagen geleden sprak ik hier in de buurt een hoofd der school (die nu dus ook een paar weken verplicht verlof heeft) die me vertelde nog nooit van de Roman de Renart te hebben gehoord. Hij was de eerste Fransman die ik dat hoorde zeggen. Soit.

Voor alle Nederlanders en Vlamingen geldt: laat je de kans niet ontnemen door de Reinaert tot je persoonlijke standaaruitrusting te maken, in welke bewerking dan ook. Boekbewerkingen zijn er genoeg, en als je toch gedwongen thuis zit, struin internet dan maar eens erover af.

 

Reinaertlezing 11 maart

Op woensdag 11 maart houd ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing over Van den vos Reynaerde. Iedereen weet van dat verhaal wel iets, maar niemand weet er alles van. De officiële aankondiging van Biblioplus staat hiernaast afgebeeld.
De verwijzing daarin naar een virusbesmetting dateert van voor de uitbraak van Covid19, en berust dus op louter toeval.

De ware oorzaak van mijn Reinaertvirus ligt uitsluitend in de bevlogen colleges die ik als tweedejaars student in Amsterdam volgde van Frank Lulofs, een van de prominentste Reinaert-onderzoekers. Nadien is mijn grote interesse voor dit literaire werk alleen maar toegenomen. Samen met de Max Havelaar beschouw ik het als het beste wat de Nederlandse literatuur ooit heeft voortgebracht, en dat, in het geval van de Reinaert, al ruim 750 jaar lang.

De kracht van de Reinaert zit hem niet alleen in de literaire kwaliteit, maar ook op het vlak van Middelnederlandse taalkunde, op sociaal, moreel, juridisch en religieus vlak opent hij de ogen. En dat geldt niet alleen voor de ‘oorspronkelijke’ tekst, die we nog niet eens bezitten, maar ook voor de vele honderden bewerkingen die ervan zijn verschenen in binnen- en buitenland tussen medio 13e eeuw en vandaag de dag. Daarin zien we steeds de waardering van de vos zich aanpassen aan de tijdgeest en de geografische en sociale omgeving, zoals Niels Schalley dat in 2018 omschreef: “Schalkse deugniet, charmante losbol, nationalistische volksheld en hypocriet liegebeest. Reinaert is het allemaal (geweest)”. Kortom:

Ieder tijdsgewricht en ieder publiek krijgt de Reinaert die het verdient.

Ik passeer in die lezing met nadruk ook de NSB-animatiefilm uit 1943 en de Suske-en-Wiske strip De rebelse Reinaert (Dutroux!) om wat uitersten in de Reinaertevolutie van de afgelopen eeuw te demonstreren. En om de invloed van de Reinaert buiten de literatuur om te accentueren heb ik het ook nog over het onvolprezen Reinaertbier en kunnen deelnemers zich tegoed doen aan de befaamde Reynaertbonbons.

Bezoekers van de lezing krijgen vooraf de volgende achtergrondinformatie uitgereikt:

Vooraf aanmelden is prettig vanwege de benodigde voorbereidingen, maar niet strikt noodzakelijk. Als het niet te hard regent, ligt de bibliotheek op loopafstand van NS-station Boxmeer. Welkom dus en komt dat horen.