Fluchtpunkt

In de teken-, schilder- en filmkunst en in de fotografie is het begrip perspectief een der meest essentiële, tevens meest lastige elementen. Het reduceren van een driedimensionele werkelijkheid tot een tweedimensionale weergave op een plat vlak vraagt immers om een hoge mate van abstractie om de illusie van de realiteit te creëren.
Ik ben geen tekenleraar, maar voor het hoofdonderwerp van dit bericht heb ik even wat basale gegevens nodig. Voor professionele ondersteuning zie bijvoorbeeld https://www.kunstacademiehaarlem.nl/perspectief.html
.

Vraag een kind een tekening te maken van een trein op spoorrails. Dikke kans dat dat kind komt aanzetten met een tekening waarbij de rails meer lijken op een rechtopstaande ladder, of vaker nog op een dwarsliggende opstaande ladder.
Net als taalvermogen is bij ons mensen ook abstractievermogen weliswaar aangeboren, maar dat vermogen moet nog helemaal worden ontwikkeld, en dat kost vele jaren. Deels heet dat ‘opvoeding’, deels ‘waarneming’, deels ‘ervaring’.

Toch zal dat kind mijn foto van een dubbele spoorbaan van Parijs naar Basel bij Chaudenay (52 Haute-Marne) ‘begrijpen’ en herkennen en als zodanig ook accepteren, al zal de nu volgende uitleg aan het kind voorbijgaan.

Op die foto zie je dat de spoorstaven van de linker baan in de verte elkaar raken. Voor de rechter baan geldt dat ook. Het geldt zelfs voor de twee middelste rails. En toch is het zo dat die rails tot in Basel nergens dichter bij elkaar komen, en dus is de foto een optische illusie. Geen trompe l’œil, want dat is wat anders, blijkt onderaan dit artikel.

Het punt waar die vier rails samen lijken te komen noemen wij het verdwijnpunt. Duitsers spreken van een Fluchtpunkt, Fransen van point de fuite, maar al die termen duiden niet precies de essentie van de weergave aan. Noch het samenstel van rails, noch dat punt van samenkomst ‘verdwijnt’, laat staan dat het is ‘gevlucht’. Ik heb de foto uit de heup geschoten en daarmee de lengte van de weergegeven rails bepaald. Had ik gefotografeerd van boven mijn hoofd, dan was er, zeker in dit vlakke stuk terrein, een langer stuk rails te zien; had ik de camera op de grond gelegd tussen de rails, dan was er nauwelijks nog lengte zichtbaar geweest. Het kind van de rechtopstaande ladder heeft in zoverre gelijk, dat het meest verweg gelegen stuk rails op het platte vlak hoger ligt (ik bedoel: dichter bij de bovenrand van het papier) dan de rails die vlakbij de camera ligt, maar het kind beseft niet dat dat een kwestie is van de camerapositie, van de kijkhoek. Het kind suggereert in vogelvlucht recht boven de rails te hangen; ik stond gewoon op de grond. Mijn foto is perfect, maar het is niet de realiteit, alleen maar een suggestie, een illusionaire weergave van iets wat ik driedimensionaal heb waargenomen.

Tot zover dit minilesje perspectieftekenen.
Waar het mij om is te doen, is het Sebastiaanschilderij van Antonello da Messina (±1478) dat in de Gemäldegalerie Alte Meister te Dresden hangt. Ik heb het werk in mijn serie Acht op Sebastiaan al eerder ter sprake gebracht, namelijk in:

https://nardloonen.nl/2012/11/26/acht-op-sebastiaan-48/ (over entourages)
https://nardloonen.nl/2012/11/25/acht-op-sebastiaan-58/ (over kleding)
https://nardloonen.nl/2012/11/23/acht-op-sebastiaan-78/ (over houdingen), en in
https://nardloonen.nl/2012/11/23/sebastiaan-als-schijnheilige/

Over dit werk, en in het bijzonder over de restauratie ervan tussen 1999 en 2002, is in 2005 een zeer uitgebreide en gedegen beschrijving verschenen:

Henning, Andreas & Günther Ohlhoff, Antonello da Messina : Der heilige Sebastian.
Dresden : Michel Sandstein Verlag und Staatliche Kunstsammlungen Dresden 2005. ISBN 3-937 602-49-6.
92 blzz.; 27×24 cm. € 17,50.

Ik kreeg kort geleden dit boek ter beschikking en dat is ook de aanleiding geweest voor dit artikel, en waarschijnlijk ook nog voor een vervolgartikel. Ik wil me nu immers beperken tot het element ‘perspectief’, een van de vele onderwerpen die Henning ter sprake brengt.

Zo wijst hij onder meer op het verdwijnpunt, der Fluchtpunkt dus, van het schilderij. Bij de restauratie was al gebleken dat Antonello hulplijntjes had getrokken om de voegen van het marmeren plaveisel in goed perspectief te kunnen schilderen. Een compositie als deze teken je niet zo maar uit de losse pols. Maar bij nadere beschouwing blijkt de hele entourage te zijn ingericht naar één enkel verwdijnpunt. Ik kon aan de hand van zijn beschrijving bijgaande schets maken, waarop de rode en gele perspectieflijnen samenkomen in één punt: het linker scheenbeen van Sebastiaan. Dat lijkt vreemd, maar logisch is het wel.

Natuurlijk ligt het verdwijnpunt niet op zijn scheenbeen, maar ergens in de verte, en dat ter hoogte van de horizon, ver weg, aan het water. Of je nu lijnen trekt van het plaveisel (de rode lijnen) of van de gevels, zelfs aan hun bovenzijde (de gele lijnen), je komt steeds weer op dat ene punt uit. Het maakt, ik beaam Hennings opvatting, dat dit schilderij een absoluut meesterwerk van de Renaissance-schilderkunst vormt. De enorme dieptewerking die Antonello heeft gecreëerd getuigt van grote klasse. Merk daarbij op dat het verdwijnpunt, en dus ook de horizon, op 20% van onderen ligt, terwijl meestal bij landschapschilderijen een horizon op 30% van boven wordt gepropageerd, anders krijg je te veel lucht boven je objecten.

Vanuit die optiek is er echter naar mijn mening op het schilderij één storend element: dat is Sebastiaan zelve. Ik licht dat toe.

De kijkhoek, zeg maar de camerapositie, is opvallend laag: rechtuit gefotografeerd kom je precies op dat verdwijnpunt terecht. Maar omdat hij meer wilde vertonen dan alleen een onderbeen, namelijk een totale persoon in long shot en een entourage met aan weerszijden hoge gebouwen, moest hij de camera wat achterover houden. Je ziet dat bijvoorbeeld duidelijk aan de twee bogen aan weerszijden van Sebastiaans bovenbenen: daar kijk je tegen de onderzijde van de bogen aan. Ik geef de fotografen niet te eten die ervoor zouden kiezen de camera rechtuit te richten op zijn navel, en de meer amateuristische fotografen op zijn gezicht. Dat levert dan helaas de vele mislukte kiekjes op waarbij het hoofd van het hoofdobject precies in het midden van de foto staat, met daaronder een helaas half afgesneden torso en daarboven een heleboel zinloze lucht of muur. Dat heet dan met een beetje goede wil een poging tot portretfotografie, maar het heeft niets te maken met de renaissancistische opvatting dat het hoofdobject pontificaal en prominent gecentreerd op het doek moet verschijnen.

En toch is er een maar. Ik grijp dan weer terug op het minilesje hier bovenaan. Als ik in de keuken een stuk pvc-buis tegen de tegelwand plaats en die recht van voren fotografeer, ontstaat het beeld als links op de foto. De horizontale tegelvoegen lopen parallel, de verticale ook. Boven en onder is de buis even dik. Alles in orde. Als ik nu echter de camera lager houd, ter hoogte van de voet van de buis, dan ontstaat er vertekening, een vorm van perspectief, doordat de bovenste tegels verder van de cameralens verwijderd zijn dan de onderste tegels. De verticale voegen zijn dan te vergelijken met de spoorrails aan het begin van dit artikel. Trek je die voeglijnen naar boven door, dan zullen ze convergerend elkaar ergens op zes hoog raken, optisch dan. Aan de horizontale voegen verandert niets, want ik bleef recht voor de buis staan. Let ook op de weerspiegeling van de hanglamp boven de keukentafel: links zit die op de vierde en vijfde tegel van onderen, rechts op de derde en vierde tegel. Het was dus bewust dat ik die lamp aan liet bij het fotograferen. Ik hield de camera 20 cm lager, de weerspiegeling verhuist 10½ cm naar onderen. En let ook op de merknaam MARTONI: links loopt de derde horizontale voeg door de letter T, rechts door de letter R. En toch had ik de buis niet verplaatst, en mijn afstand tot de buis al evenmin. Dat komt, kan ik verklappen, door de dikte van de buis en het daaruit voortvloeiende verschil in afstand tot de buis en tot de muur. Op de rechter afbeelding lopen de zijkanten van de buis nog steeds parallel met de nu niet meer parallel lopende verticale voegen, hetgeen betekent dat de buis bovenaan smaller lijkt dan onderaan, maar dat is dus de genoemde optische illusie.

Nu komt mijn probleem. Ik verander de pvc-buis door een Sebastiaanfiguur en ga fotograferen. Als ik dan de camera op navelhoogte houd, dus met een afstand kruin-navel gelijk aan de afstand navel-tenen, treedt er niet of nauwelijks vertekening aan hoofd of voeten op. Maar als ik, zoals Antonello deed, de camera laag houd, zou zijn hoofd relatief smaller moeten lijken te zijn dan op het schilderij, en (denk aan de voeg door de letters T resp. R) zijn benen relatief te lang.

Voor wie nog twijfelt, heb ik ooit een houten gepolychromeerde Sebastiaan gefotografeerd in het naburige Voisey; daar is dat effect duidelijk zichtbaar bij een vergelijking van beide foto’s: links min of meer recht van voren gefotografeerd, rechts meer van onderen. Vooral het optische lengteverschil van zijn rechter onderbeen is evident.

Ik kan nog iets preciezer zijn. Als ik de klassieke Vitruviusman erbij neem, lang geldend als het toppunt van esthetica, waarvan ook Leonardo da Vinci in 1490 gebruik maakte, dan zie je in verticale zin precies in het midden de lijn M-N lopen, dwars door zijn schaamhaar, lager dus dan de navel. Dat is het ideale proportiebeeld waarmee ook Renaissanceschilders graag werkten. En als ik Photoshop of PhotoPaint erbij pak, loopt die lijn M-N inderdaad door Sebastiaans virtuele schaamhaar. Ook beider navels en tepels zitten op gelijke hoogte. Alleen Sebastiaans hoofd, schuin ten hemel gericht, de beenhouding met een linker standbeen en een rechter speelbeen, en de plaatsing der voeten (waarvoor weer andere wetten in zwang waren) stemmen niet overeen. Maar hoe dan ook: Sebastiaan als modelheilige, en dan ook nog eens naar ‘moderne’ Venetiaanse mode gekleed, in plaats van de frekwenter afgebeelde lendendoek. In elk geval vereenvoudigt dat de anatomische vergelijking met de Vitruviusman.

Wat is nu mijn probeem? Gelet op het voorgaande zou de van onderuit bekeken Sebastiaan juist NIET moeten voldoen aan het Vitruviusraster; net als bij de pvc-buis zouden zijn benen langer en zijn bovenlijf korter moeten zijn, en zou zijn hoofd relatief te klein uitvallen; zouden de verticale lijnen drie links en drie rechts van de punten A en B, die door de oksels gaan, naar boven taps moeten toelopen, maar dat doen ze niet. Het feit dat Sebastiaans bovenlijf licht naar links is gedraaid, doet daaraan niets af.

En zo durf ik de vraag te stellen of het niet zo zou kunnen zijn, dat Antonello allereerst de Venetiaanse entourage heeft geschilderd met zijn perfecte perspectief en verdwijnpunt, en dat hij later daaraan een ‘perspectiefloze’, dat wil zeggen: op schaamhaarhoogte bekeken Sebastiaan heeft toegevoegd, er overheen heeft geschilderd, zo niet gephotoshopt. Graag zou ik hem daaromtrent eens willen mailen.

Het is echter vooralsnog een hypothese, maar de gedachte daaraan wordt versterkt door het signatuurbriefje dat op het schilderij links onderaan nog net is te zien. Velen zouden dat briefje in bijbehorend perspectief, op de bruine plavuis hebben geschilderd. Zo niet Antonello da Messina: die schilderde dat als een opgeplakte post-it. Kijk maar naar de rechter zijrand, die verticaal, en dus niet in perspectief staat, en naar de vage schaduwranden rechts en onder, alsof de lijm blijkbaar niet goed meer bleef plakken.

En dat is nou weer wel een heuse trompe l’oeil.

Toch stond Antonello niet aan de basis van dit perspectivisch fenomeen: al in 1427 schilderde Masaccio zijn beroemde grote fresco Trinità dat is te bewonderen in de Basilica di Santa Mairia Novella te Florence. We zien het extreem uitgevoerde tongewelf met diepte-illusie, terwijl God de Vader, de Zoon aan het kruis en de Heilige Geest als duif tussen beiden in recht van voren lijken te zijn neergezet, evenals de twee figuren aan de onderkant van het schilderij, terwijl Maria links en Johannes de Doper rechts lijken te zijn bezien van onder af. Op internet is zeer veel over dit schilderij te vinden, bijvoorbeeld op https://it.wikipedia.org/wiki/Masaccio#La_Trinit%C3%A0.
Ik weet niet of Antonello deze Trinità heeft gekend, maar het door hem gehanteerde perspectief doet er wel aan denken.

Ik ga dit artikel eens voorleggen aan ter zake deskundigen en kom er dan zo nodig nog op of van terug.

Afstamming

Nee, het valt niet mee een trouwe supporter te zijn dit jaar. En zoals gebruikelijk krijgt de trainer dan als eerste de schuld. Nog geen 23 uur nadat Jens Toornstra voor de camera had beweerd dat de spelers volledig achter de trainer staan (zoiets leer je op de PR-cursus te zeggen), gaf Jaap Stam de pijp aan Maarten, hem al dan niet ingefluisterd door het Feyenoord-management.

 

Dat ik de immer onbehouwen kauwgom etende trainer van meet af aan niet zo zag zitten, heeft andere oorzaken en doet ook eigenlijk niet ter zake. Dat de resultaten van het elftal zo bitter tegenvallen, is van belangrijker orde.
Er zaten opvallend goede westrijden bij, met als meest recente hoogtepunt wel de 2-0 thuis tegen FC Porto, maar verder was het vanaf competitedag 1 (thuis gelijk tegen Sparta) treurnis alom.
Natuurlijk kon Stam er niks aan doen dat hij een middelmatige selectie had, waarvan ook steeds spelers ofwel niet beschikbaar waren, ofwel niet in vorm, zodat hij dit seizoen al 24 verschillende spelers moest opstellen in plaats van 11 goede.
En spelers zijn geen kleine jongens, geen speelgoed dat je maar hoeft op te winden of er nieuwe batterijen in hoeft te stoppen om ze aan het rennen te krijgen.
Zij kunnen de hand maar beter in eigen boezem steken.

Maar goed, zulk soort seizoenen heb je er ook tussen. En een trainer is een passant. Het carrousel voor de opvolging draait op volle toeren. Voor mij hoeft dat niet eens een van de antieke monumenten te zijn als Advocaat, Hiddink of Van Gaal. Arne Slot bewijst met AZ dat ook (nog) niet zo gevestigde trainers tactisch en mentaal tot heel wat in staat zijn.
Ik spreek geen voorkeur uit, en mij is vanuit Rotterdam ook niks gevraagd, als het maar niet weer zo’n kauwgomkauwer wordt. Aan Amerikaanse toestanden heb ik geen behoefte.

Maar trouw aan Feyenoord blijf ik wel.

Jules de Corte

Voor mij staat als een paal boven water dat Drs.P de allergrootste rijmtaalkunstenaar binnen het Nederlandse taalgebied is. Daarover heb ik me al EERDER uitgelaten.
Maar ik zet met stip Jules de Corte (1924-1996) op plek twee. Ik ga dat demonstreren aan de hand van een van zijn honderden liedteksten: De vogels uit 1956.
Ik heb het dan niet over zijn melodieën, noch over zijn pianospel als blinde artiest, noch over de niet bepaald waardevrije, want licht-kritische inhoud van zijn tekst(en), maar puur over de tekstzinnen en zijn rijm. Dat is bij De vogels heel speciaal aanwezig, omdat hij zich erop toelegde zo veel mogelijk vogelnamen te voorzien van een rijmwoord.

Uiteraard is op internet de betreffende tekst te vinden, maar helaas stuiten we dan op de transcriptie van een taalarmoedige stumper die het met de correctheid niet zo nauw neemt. Ik heb hieronder de verkeerd gespelde woorden rood gemarkeerd, en ik laat de nogal onlogisch overkomende regeleinden zoals je ze op internet aantreft:

De vogels zouwe na heel lang kniezen en eindeloos
prateneen koning kiezen
Een koning die met gezag en ere het vogelvolkje kon
regeren
De grote vijf van zessen klaar verkozen koning adelaar
Omdat diens geest als spiegelglas zo helder en
geslepen was
Da’s knus zei de mus, da’s wijs zei de sijs
Da’s flink zei de vink, da’s braaf zei de raaf da’s
deut zei de kneut
He echt zei de specht, heel fraai zei de kraai
Ik fuif zei de duif, ik dans zei de gans dat ken zei
de hen

Zo vonden ze allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel
En de kraanvogel en de struisvogel zeien niks

De vorst eenmaal op zijn troon gezeten wou alles over
de vogels weten
Hij werd behalve licht reumatisch ook meer dan
gruwelijk autocratisch
Hij bemoeide zich emt dit en dat, geen vogel die nog
vrijheid had
Hij verzwaarde tot elks ongeluk, wel zesmaal de
belasingdruk
Da’s flauw zei de pauw, da’s nep zei de snep
Da’s vuil zei de uil, da’s haai zei de gaai da’s bruut
zei de fuut
’t Is pulp zei de wulp, de ploert zei de wortt
Die zal ik zei de valk, verslaan zei de haan dat ken
zei de hen

Zo zetten ze allemaal de puntjes danig op de x
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel
En de kraanvogel en de struisvogel zeien niks

Ze kwamen allen tot een conclussie wat wij behoeven is
revolutie
En wie het zou winnen was glad om eht even
Want zo kon niemand meer verder leven
Dus zetten ze eerst hun koning af en gaven hem toen
een flinke straf
Daarna besliste groot en klein de zwaan zou voortaan
koning zijn
Da’s knus zei de mus, da’s wijs zei de sijs
Da’s flink zei de vink, da’s braaf zei de raaf da’s
deut zei de kneut
He echt zei de specht, heel fraai zei de kraai
Ik fuif zei de duif, ik dans zei de gans dat ken zei
de hen

Zo vonden ze allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks
Alleen lokvogel en de spotvogel en de pechvogel en de
stropvogel en de
hiervogel
En de daarvogel en de kraanvogel en de ijsvogel en de
rijstvogel
En de paradijsvogel en de kanarievogel die zeien niks
En waarom zeien die niks, die zaten al in ‘t
parlement.

Als ik de nodige correcties in spelling, interpunctie en regeleinden aanbreng, ziet de juiste tekst, zoals die op de hierboven afgebeelde RCA-plaat te horen is, maar ook te beluisteren valt op YouTube (zie hier onderaan het bericht), er zo uit:

De vogels zouwen na heel lang kniezen
en eind’loos praten een koning kiezen,
Een koning die met gezag en ere
het vogelvolkje kon regeren.
De grote vijf van zessen klaar
verkozen koning adelaar,
Omdat diens geest als spiegelglas
zo helder en geslepen was.
Da’s knus zei de mus,
da’s wijs zei de sijs,
da’s flink zei de vink,
da’s braaf zei de raaf,
da’s deut zei de kneut.
Hè, echt zei de specht,
heel fraai zei de kraai,
ik fuif zei de duif,
ik dans zei de gans.
Dat ken zei de hen.

Zo vonden z’allemaal hun nieuwe koning ferm en fiks.
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel en de kraanvogel en de struisvogel zeien niks.

De vorst, eenmaal op zijn troon gezeten,
wou alles over de vogels weten.
Hij werd, behalve licht reumatisch,
ook meer dan gruwelijk autocratisch.
Hij bemoeide zich met dit en dat,
geen vogel die nog vrijheid had.
Hij verzwaarde tot elks ongeluk,
wel zesmaal de belastingdruk.
Da’s flauw zei de pauw,
da’s nep zei de snep
Da’s vuil zei de uil,
da’s haai zei de gaai,
da’s bruut zei de fuut,
’t is pulp zei de wulp,
de ploert zei de woerd,
die zal ik, zei de valk,
verslaan zei de haan.
Dat ken zei de hen.

Zo zetten z’allemaal de puntjes danig op de x.
Alleen de ijsvogel en de rijstvogel en de kraanvogel en de struisvogel zeien niks.

Ze kwamen allen tot één conclusie:
wat wij behoeven is revolutie.
En wie het zou winnen was glad om het even,
want zo kon niemand meer verder leven.
Dus zetten ze eerst hun koning af
en gaven hem toen een flinke straf.
Daarna besliste groot en klein:
de zwaan zou voortaan koning zijn.
Da’s knus zei de mus,
da’s wijs zei de sijs,
da’s flink zei de vink,
da’s braaf zei de raaf,
da’s deut zei de kneut.
Hè, echt zei de specht,
heel fraai zei de kraai,
Ik fuif zei de duif,
ik dans zei de gans,
Dat ken zei de hen.

Zo vonden z’allemaal ook deze koning ferm en fiks.
Alleen lokvogel en de spotvogel en de pechvogel en de stropvogel
en de hiervogel en de daarvogel en de kraanvogel en de ijsvogel
en de rijstvogel en de paradijsvogel en de kanarievogel, die zeien niks.
En waarom zeien die niks?
Die zaten al in ’t parlement.

Wat opvalt, is dat hij vlotlopende zinnen heeft gebouwd in bijna spreektaal. Enkele malen moet hij wat sjoemelen om twee letetrgrepen op één tel te krijgen, maar dat is in dit geval niet zo erg. Aan het einde gaat hij zelfs over op een soort parlando, waarbij de tekst niet meer past op de gebruikte melodie. Ook dat is prima, want het kondigt tevens de naderende clou van zijn verhaal aan. Ook zijn neologismen hiervogel en daarvogel zijn functioneel, want die symboliseren het unanieme karakter van werkelijk alle vogels. Deut (in da’s deut, zei de kneut) daarentegen is geen neologisme; eerder een archaïsme of germanisme. Deut = duit, oftewel: stuiver. Keinen Deut wert sein betekent: geen stuiver/geen knip voor de neus waard zijn, maar hier is het niet negatief bedoeld, eerder positief. Zou het dan een betekenis “duidelijk” herbergen? Wat verder opvalt is het bijna-enjambement in de regels die zal ik, zei de valk | verslaan zei de haan. Voor de lezer is die zal ik al een voldoende dreigende aanwijzing, maar doordat er in de volgende regel verslaan op volgt, krijgt de zinsbouw een andere lezing.  Ook verheffend is dat je de rijmwoorden niet al van grote afstand ziet aankomen, maar dat zij soms als een verrassing klinken.

Dieptriest is de constatering dat er op internet oever- en kritiekloos wordt gejat, geknipt, geplakt. De tekst van De vogels is zeker zeven- of achtmaal op het web te vinden, maar in alle gevallen vind je exact dezelfde tekst, dus inclusief de hierboven gemarkeerde spelfouten. Het valt niet uit te maken wie de oorspronkelijk verantwoordelijke klungel is voor deze taalblunders, en wie de grage, maar onnadenkende kopiïsten zijn die denken te kunnen scoren en pronken met andermands besmette veren. Zij zijn voor mij allen schuldig in commissie.
Maar aan mijn grote waardering voor het werk van Jules de Corte doet dit uiteraard niets af. En gelukkig heb ik de hierboven afgebeelde grammofoonplaat nog steeds in bezit.

====================================================

Ooohdaaah!

Ooohdaaah!

Nog even en de populariteit in Nederland van Mister Speaker John Bercow gaat die van Barack Obama overstijgen. En dat is niet te danken aan Ivo Niehe, maar aan dat ene woord waarvan hij de twee r-klanken nog niet eens uitspreekt.
Ik wil de Britten graag tot de ooohdaaah roepen met een paar onconventionele suggesties, al vrees ik dat er geen meederheid voor is te vinden.

De waarheid ligt niet in het midden, want er is geen midden. Dus passen nu draconische maatregelen.

  • De eerste suggestie is er een die wel vaker wordt gehoord: besluit tot een nieuw referendum. Daar zit wel wat in. Door de niet zo heldere vraagstelling en door de mankerende informatie en voorlichting over de te kiezen alternatieven en hun consequenties is het maar de vraag of er bij het eerste referendum in 2016 niet in hoofdzaak een beroep werd gedaan op de onderbuikgevoelens van de eilandbewoners. Bovendien is inmiddels het Britse electoraat nogal gewijzigd, vooral verjongd. Dat kan een hoop schelen. Niettemin is de verwachting dat ook een tweede referendum om en nabij de 50/50-uitslag te zien zal geven, dus de helft zit met de gebakken peren.
  • De tweede suggestie is dat de Britse regering en het parlement zonder meer besluiten dat het Verenigd Koninkrijk ‘gewoon’ EU-lid blijft. Iedereen blij, behalve de helft van de Britse bevolking. De consequenties zijn niet geheel te overzien.
  • De derde suggestie is wat drastischer, mocht de tweede suggestie onmogelijk blijken. Bercow houdt wel meer tegen. De Briste regering roept de noodtoestand uit en besluit per decreet dat het Verenigd Koninkrijk ‘gewoon’ EU-lid blijft, of er juist met welke Brexit-optie dan ook uitstapt. Democratisch gezien niet echt fraai, maar het biedt wel de mogelijkheid dat mevrouw Elizabeth nog vóór haar honderste het einde der Brexittijden mag beleven. Ook bij deze optie zal de helft der Britse bevolking woedend de straat opgaan.
  • De vierde optie klinkt bezopen, maar is dat ook. Aangezien het grootste struikelblok lijkt te liggen aan de Iers-Noord-Ierse grens, schaffen we die grens gewoon af. Noord-Ierland maakt per direct deel uit van de Republiek Ierland. Historisch gezien kun je hierover kissebissen, maar geografisch ligt het erg voor de hand. De Ieren zelf, en de katholieken in Ulster, zullen het plan met gejuich begroeten; de Orangisten in Ulster zijn furieus. En omdat die twee bevolkingsgroepen al vele jaren lang een onverzoenlijke 50/50 verhouding hebben gedemonstreerd, maakt het in feite niks uit wat je beslist, als je maar iets beslist.

Keuze te over. Ook onder de lezers van dit bericht zal de helft het volstrekte lariekoek vinden, terwijl de andere helft er wel mogelijkheden in ziet. Mij is verder uit Londen of Brussel niets gevraagd.

Wat Onze Handen Kunnen Maken

Het is zover. Het kabinet laat via een SIRE-spotje weten dat het beter is iets te repareren dan het weg te gooien en iets nieuws te kopen. Dat is niets nieuws.
In de jaren-’30 en -’40 moesten we dat noodgedwongen ook al doen, en vanaf de jaren-’60 kan ik zo een paar politieke partijen noemen die dat ook al propageerden.
Oud nieuws dus, maar ook daarvan kun je iets maken.


In slechte tijden, tijden van armoe, schaarste en ellende, tijden van economische neergang, is het een vanzelfsprekendheid. Maar dat het VVD-denken, ook al noodgedwongen, vrees ik, het klimaatbelang opeens laat prevaleren boven het economisch belang, is opvallend. In elk geval lijkt het niet in het voordeel te zijn van de VVD-minded middenstand, die nu wel opeens minder wit-, bruin- en ander goed zal kunnen slijten, terwijl ook al de kringloopwinkels de run op nieuwe artikelen aardig remmen.

Los van dat alles is het vooral een kwestie van mentaliteit, die van de wegwerpcultuur en van te zeggen dat je geen tijd (=geen zin) hebt om vuile handen te maken, of dat je doodweg de vingers en de hersens niet hebt om iets uit elkaar te schroeven en te repareren.
Ik weet dat ik van kindsaf aan leerde knutselen, schroeven, timmeren, zagen, solderen enzovoort. Daarmee deed ik kennis, vaardigheid en ervaring op, zowel met de handen als met het analyseren van problemen en zoeken naar oplossingen. Zeker nu ik sinds 1998 met een boerderij uit 1706 zit, komt mij dit uitermate goed van pas. Ik bewaar alles, gebruik in principe het liefst materialen die ik nog heb liggen en geef zo elk latje, boutje, plaatje, doosje, een tweede of derde leven.

Weggooien kan altijd nog.

All my loving

In vervolg op mijn vorige bericht waarin ik onderaan aandacht besteed aan The Beatles en de twee anthologie-uitzendingen van France Musique wil ik hier een toevoeging plaatsen. Het gaat om een vierstemmig arrangement van All my loving dat Bernard Huijbers rond 1965 maakte en dat ook daadwerkelijk is uitgevoerd, maar ik mis allerhande gegevens daarover.
Vandaar mijn vraag naar verdere informatie.

Niet alleen bij de toen 16-jarige jeugd sloeg de muziek van The Beatles in als een bom, ook sommige volwassenen raakten erdoor geboeid. Zo ook onze koordirigent en componist Bernard Huijbers S.J. die zonder enige aanwijzing vooraf, en zonder enige toelichting achteraf, opeens kwam aanzetten met een a capella zetting van dit lied. Bernard Huijbers S.J., toch in hoofdzaak de muzikale brug waarover Huub Oosterhuis zijn teksten tot den volke kon voeren, maar die ons als koorleden helaas zelden of nooit tekst en uitleg gaf; Bernard Huijbers, die eerder al, rond 1960 even buiten het liturgische pad was getreden met zijn Muzeldicht en met Mozarts d’Bäurin hat Katz verlor’n, legde nooit uit waarom, en wat de muzikale of tekstuele achtergrond was van wat hij ons instudeerde. Jammer van die vele gemiste kansen.
En toen was er opeens All my loving. De cultuurshock was tot in het patershuis doorgedrongen. Waarom, wanneer precies? Ik weet het niet. Zelfs weet ik bij nader inzien niet eens of, en zo ja hoe vaak het is uitgevoerd.

Het enige bewijs dat ik heb, is dat ik de baspartij nog grotendeels in mijn hoofd heb zitten. Na zovele jaren laat mijn absoluut gehoor mij in de steek, maar ik schat dat het stuk in E groot was, zoals ook het origineel van The Beatles. Gelet op het bereik van de doorsnee bas kan ik er niet ver naast zitten. Van de alt- en tenorpartij weet ik helemaal niets meer.
Ik blijf dus zitten met de vraag of er misschien iemand is die zich dit arrangement herinnert, er een partituur van heeft of over andere relevante informatie beschikt.
Ik zou dat graag vernemen.

Er speelt daarnaast nog wel iets anders. Bernard trad in 1975 uit de orde. In de jaren ervoor, kan ik uit mijn vele contacten met hem vanaf 1959 opmaken, keek hij bij tijd en wijle al naar een amoureuze toekomst. Zeker weet ik dat (omdat hij mij dat ooit persoonlijk heeft bekend in zijn latere woonplaats Espeilhac) speelde dat heel sterk toen hij in 1973 de muziek componeerde bij Oosterhuis’ tekst “Delf mijn gezicht op, maak mij mooi. Wie mij ontmaskert, zal mij vinden. Ik heb gezichten, meer dan twee…“. Het was alsof Bernard zich in die tekst herkende. Van daaruit is een tekst als “Close your eyes and I’ll kiss you, tomorrow I’ll miss you… All my lovin’ I will send to you” niet echt een verrassing meer te noemen. Als het hem louter om de (Beatle-)muziek te doen was geweest, had hij misschien nog wel mooiere koorarrangementen kunnen maken van Yesterday of Michelle. Maar nogmaals: Bernard heeft mij dat nooit verteld, dus het blijft mijn eigen interpretatie.

Neemt niet weg dat mijn vragen overeind blijven. Graag dus wat aanvullende informatie.

Hans Kraan 1948-2019

Bijna zestig jaar vriendschap en trouw, dan valt het afscheid zwaar.
Op 26 september overleed Hans Kraan, met wie ik vanaf klas Gym-Ib 1960-1961 van het Ignatiuscollege zo veel en zo lang heb opgetrokken. Het ging al een jaar of wat fysiek niet goed met hem. Aanvankelijk waren de klachten vaag, later werd de oorzaak steeds duidelijker. Een kort ziekenhuisverblijf in april/mei 2019 leek het tij nog te kunnen keren, maar na enige maanden was de situatie uitzichtloos.

Op school was Hans een altijd vrolijke, optimistische knul met wie je geen ruzie kon krijgen, maar met wie je, integendeel, altijd ontzettend veel lol beleefde. In en om school, op het RKAVIC-voetbalveld, hier in 1963: Hans en ik waren de links- en rechtsbuitenbeentjes, hij vooraan links op de foto en ik rechts; op straat bij ons thuis, altijd leuk en opgewekt.

In 2000 is Hans nog een paar dagen in Rosoy op bezoek geweest. Zijn geopperde voornemen om met de scooter te komen, kon ik hem gelukkig uit het hoofd praten. In plaats daarvan haalde ik hem vanuit Boxmeer in Maastricht met de auto op. Oeverloos veel gedaan, bekeken en vooral gepraat, tot diep in de nacht. Open en eerlijk, veelzijdig en mateloos geïnteresseerd in zowat alles.
Voor de rest bestonden onze contacten voornamelijk uit vele mails en nog veel meer telefoongesprekken, waarvan de meeste de 60 minuten ruimschoots overschreden, en ik vrees dat ons 24-uursmenu van veel drank en sigaretten die gesprekken wel steeds op een hoger niveau tilden. Ik besef overigens dat het hodie mihi, cras tibi daarbij ook een akelig reliëf krijgt.

Vanaf 2014 was Hans een van de aanjagers van de jaarlijkse klassereünie van Gym-Ib 1960-1961. Samen met de andere vier leden van deze bende van vijf, Kees, Huub, Michel en ik, zocht hij naar een geschikte locatie en invulling en de nodige mail- en telefooncommunicatie om iedereen erbij te betrekken. Die eerste keer bezochten we de gebouwen van ons Ignatiuscollege; op de groepsfoto Hans staande als vierde van rechts. Tot en met dit jaar 2019 is dat steeds rimpelloos en drukbezocht verlopen. We raken nog steeds niet uitgepraat met elkaar, zeker als je anderen zo lang niet hebt gezien of gesproken, en met Hans erbij al helemaal niet, want die hield bij die gelegenheden de conversatie naar vorm en inhoud altijd wel op boven Amsterdams Peil. Jaar op jaar is bevestigd wat een hechte en geweldige klas er is gevormd op het IG in het schooljaar 1960-1961.

Begin mei zocht ik, samen met Huub, Hans nog op in het OLVG waar hij enige weken moest verblijven (“Het eten is niet te vreten hier“, maar de waarheid gebiedt te zeggen dat door zijn ziekte hem elke eetlust ontbrak). Wel deed hij er alles aan om bij de reünie van half mei 2019 aanwezig te kunnen zijn, hetgeen hem wonder boven wonder nog gelukt is ook.

Tijdens zijn uitvaart op 1 oktober op de Ooster Begraafplaats heb ik het woord mogen voeren, namens mezelf, namens de klas. Daarvan waren elf klasgenoten aanwezig; enkelen waren verhinderd vanwege het boerengedoe op het Malieveld, een paar anderen verbleven in het buitenland.
Ik spitste mijn verhaal voornamelijk toe op twee onderwerpen: mijn laatste contacten met Hans in september 2019 en de fameuze fietstocht door Zuid-Engeland die onder anderen Hans en ik gedurende 23 dagen in augustus 1964 maakten en waarbij hij vlak voor het einde zijn 16e verjaardag vierde.

Het eerste onderwerp was vrij lastig. Begin september belde Hans mij op omdat hij kort daarvoor het ultieme slechtnieuwsgesprek met de behandelende arts had gehad. Tijdens dat gesprek schijnt hij te hebben gezegd: “Dan had ik maar geen mens moeten worden“; typisch Hans, ook al is het slechts buitenkant. Hij vroeg mij onder meer wat hij het beste kon doen met zijn uitgebreide en gevarieerde collectie boeken, waarover ik met hem nog enige tijd heb gepraat. Een week daarna voerden wij ons laatste telefoongesprek, vlak na het weekend waarop het Nederlands Elftal van Estland en Duitsland had gewonnen. Ik vroeg hem of hij nog naar Duitsland-Nederland, 2-4, had gekeken. “Wat dacht je?“, zei hij opgewekt, “Het dak ging eraf bij ons“. Best link, als je in Kruitberghof woont.
Het werd een lang gesprek, maar niet langer dan een uur, zoals dat daarvoor steeds  schering en inslag was. Het werd een mengeling van onbekommerde lol en lastige gelatenheid. “Weet je wat jij moet doen, Hans? Regel het zo dat je Nederland nog Europees Kampioen ziet worden, komende zomer. Hij: “Dan wacht ik liever tot Ajax de Champions League wint”.
Ok”, zei ik, “whichever comes first, maar zorg wel dat je het meemaakt”.
Ik zal mijn best doen”, beloofde hij, maar het waren zijn laatste woorden tegen mij.
In al die vele jaren heeft onze Ajax-Feyenoord-tegenstelling op geen enkel moment tot ook maar één frictie geleid, zo diep en fanatiek als die clubliefde zat en zit. Alleen over MVV waren we het altijd eens, dat die maar weer gauw in de eredivisie moesten komen, al hadden wij daarvoor uiteenlopende argumenten. Als Hans en ik al eens over iets van mening verschilden, dan konden wij uitstekend polderen om er lachend uit te komen.
Op 18 september heeft hij nog gemaild over het IISG, dat ik hem had aangeraden voor een specifiek deel van zijn boeken. Daarna bleef het stil.
Verder zijn het van de klasgenoten vooral Kees en Huub geweest die Hans tot het einde toe met raad en daad hebben bijgestaan. Ik weet dat Hans dat heel erg heeft gewaardeerd.

Het tweede onderwerp was de fietstocht door Zuid-Engeland in augustus 1964 (zie daarvoor ook https://nardloonen.nl/2012/11/29/7-sacramenten-1959-1966-57/ bovenaan).
Met z’n vijven, Hans, Hugo, Leo, Carlo en ik, hadden met medewerking van Ted de Cloet, onze leraar Engels, een fraaie route uitgestippeld die ons langs onder meer Dover, Hastings, Chichester, Winchester, Salisbury, Stonehenge, Oxford, Londen en Canterbury zou voeren, 1235 kilometers in totaal. Hier staan wij gevijven keurig in balans na aankomst in Dover.

Alles was tot in de puntjes verzorgd: een routeboek met alle afstanden en overnachtingsplaatsen, jeugdherbergen gereserveerd en bevestigd (ook om de ouders gerust te stellen; wij waren toen zo rond de 16); een groot aantal niet-te-missen bezienswaardigheden genoteerd, zoals hiernaast een bezoek aan Chichester Cathedral, waar wij warm werden ontvangen door Walter Hussey, the Dean of Chichester; vlnr. ik, Leo, Walter Hussey, Hans, Hugo.
Vooraf waren alle kleren keurig gewassen, gestreken, gevouwen en logistiek verantwoord in de fietstassen gepropt; de fietsen opgepoetst, gecontroleerd en gesmeerd, wat voor Hans al helemaal geen probleem was, want zijn vader was fietsenmaker. Er kon niks meer misgaan.
1235 kilometer in totaal, maar na amper 70 kilometer, nog voor Dordrecht, was het uitgerekend Hans van wie de voorvork brak. Wij in onaangenaam verraste paniek. Zou de hele reis al op dag één in duigen vallen? Hans was de enige die er de humor wel van inzag. Hoe we het hebben geflikt, staat mij niet meer goed bij, maar we vonden in het nabije dorp een smid die het zaakje vakkundig heeft gelast, en voor de rest van de reis hebben we totaal geen materiaalpech meer gehad.
Die reis, nog steeds voor in het geheugen van ons allemaal, had nog een onverwacht geweldig positieve bijkomstigheid. The Beatles, die net anderhalve maand tevoren hun eerste optreden in Nederland hadden gehad, in Treslong te Hillegom voor de VARA, waren met hun onstuitbare opmars begonnen en dat was in Engeland goed te merken. Overal, in alle pubs, restaurants, jeugdherbergen, op straat, schalde hun muziek uit de luidsprekers. Wij vonden het geweldig en Hans nog wel het meeste. Die bleef ook lang een idolaat bewonderaar van die vier Liverpudlians. Het maakte de reis nog boeiender en succesvoller.

Toeval bestaat niet. Maar op 26 september reed ik terug van Boxmeer naar Rosoy. Ik was net de Luxemburgs-Franse grens gepasseerd op het moment van zijn overlijden, maar dat wist ik toen nog niet. Ik stemde de radio af op France Musique, zeg maar de Nederlandse radio 4, waar kort daarvoor een anderhalf uur durende special over The Beatles was gestart, deel 1 van een tweeluik, over hoe zij de historische brug vormden tussen de klassieke muziek en de popmuziek. Het was die dag precies 50 jaar geleden dat Abbey Road was uitgekomen.

’s Avonds thuis, toen de mail en de voice mail mij het schokkende, maar onverbiddelijke bericht hadden gemeld, heb ik een deel ervan gedownload ter afsluiting van mijn woorden tijdens de uitvaart. Let it be in een barokuitvoering à la Händel of Bach op klavecimbel, gearrangeerd door de Deense klavecinist Anders Danman, speciaal voor Hans. In onze ogen en ervaring was Hans een held, aan wie we nog heel lang met heel veel genoegen zullen terugdenken, zeker ik, na bijna 60 jaar vriendschap en trouw.
Terwijl die muziek klonk, legden de vier nog overgebleven reisgenoten vijf rozen op de kist, voor elke Engelandvaarder eentje, om Hans een goede reis te wensen, waarheen die ook moge voeren. “Want, Hans“, zo besloot ik mijn bijdrage, “When you find yourself in times of trouble, let it be”.

Onlangs nog mailde een klasgenoot: “Wat de Beatles betreft, dat is een schot in de roos. Hans was weg van hen. En niet alleen vanwege hun muziek. Ik herinner me nog dat ik in de vijfde of de zesde gym een tijdje naast hem in de klas heb gezeten. Ik kon toen goed zien hoe hij tijdens minder boeiende lessen Beatle-teksten zat uit te schrijven op een blocnote of in een schrift. Daar was hij steeds ijverig mee bezig. Blijkbaar herkende hij van alles in die teksten.

In de dagen erna heb ik beide uitzendingen van France Musique gedownload, elk bijna anderhalf uur lang. Zij vormen een prachtige hommage aan The Beatles, maar meer nog dan dat, zij geven inzicht in de enorme waarde van hun muziek. De uitzendingen zijn uiteraard in het Frans. Een uitnemend moment om je Frans weer eens wat op te poetsen, al zij gezegd dat meer dan de helft van de uitzendingen uit muziekvoorbeelden bestaat. Zolang  de site van France Musique  beide delen nog online heeft staan, kun je ze beluisteren op:
Deel 1 (26 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-1-2-75917
Deel 2 (27 september): https://www.francemusique.fr/emissions/arabesques/abbey-road-a-cinquante-ans-les-beatles-et-la-musique-classique-2-2-75939
Wie de door mij gedownloade opnamen wil hebben, kan mij ook even mailen. Dan stuur ik ze als wav-bestand per wetransfer toe (samen ± 2Gb). Het op 1 oktober gespeelde barokke Let it be vind je in de uitzending van 26 september rond minuut 66.

Daags voor de uitvaart heb ik namens de bijna voltallige klas bijgaande advertentie in De Volkskrant geplaatst. Als motto daarboven staat Beter dan Elckerlyc. Hans en ik, beiden neerlandici, snappen dat wel. “Den spyeghel der salicheyt van Elckerlyc” is een moraliteit, een Middelnederlands allegorisch toneelstuk uit circa 1470 dat gaat over Elckerlyc, lees: Jan en alleman, die met één been in het graf staat en dan merkt dat, nu hem de dood is aangezegd, al zijn aardse waarden hem in de steek laten. Gezelschap, Familie, Vrienden, Bezittingen, zij weigeren hem te vergezellen. Alleen de Deugd is bereid tot in de dood bij hem te blijven.
Ik denk dat Hans het er dus beter heeft afgebracht. Niet alleen dat wij hem met z’n allen, familie, klasgenoten, vrienden, zelfs mede-Ajaxfans, tot het uiterste hebben begeleid. Ook zullen wij zorgen dat zo veel mogelijk van zijn ondernomen literair-maatschappelijke studies, onaf, maar stevig in de steigers, niet verloren zullen raken. Ook zullen de klasgenoten, ik graag voorop, de onschatbare waarden van wat wij met Hans hebben meegemaakt en ervaren, nog in grote dank blijven meevoeren.


Deze bijdrage is een aangepaste en sterk uitgebreide versie van mijn woorden tijdens de uitvaartplechtigheid op 1 oktober jl.