Aoûtat

In het Nederlands wordt hij wel ‘oogstmijt‘ genoemd, maar die benaming is onjuist. Een aoûtat is veel kleiner, met zijn 0,1-0,3 mm is hij met het oog niet waarneembaar; een oogstmijt is dat wel. De enige overeenkomst zit in de benaming zelf, want aoûtat en oogst en de maandnamen août en augustus hebben we allemaal te danken aan keizer Augustus. Oogstmijt en aoûtat zijn wel van dezelfde mijtenfamilie.

Ze doen hun naam eer aan, die aoûtats, in ieder geval hier op het platteland. In de steden, en in Nederland, hoor je er niemand over. Maar klokslag 1 augustus begint het feest. De larfjes (onvolwassen aoûtats, die nog maar zes poten hebben) bespringen je kleren en benen en dan is het raak: ze prikken een klein gaatje in je huid -dat doet geen pijn; je merkt het niet eens- en met hun speeksel als digestief enzym maken ze een eetbaar papje van je huidschilfers, waarmee zij zich een dag of vier voeden. Ze zuigen zich niet, zoals muggen, vol met je bloed, ook al beweren sommige websites dat wel.

Eenmaal verzadigd vertrekken ze weer en worden volwassen (waarbij ze opeens acht poten hebben en zich verder voeden met wat ze op de grond vinden en verder voor hun nageslacht zorgen).


Wij zitten intussen met de gebakken peren: op de plek van hun beet vormt zich een rood puntje met een klein roze kringetje eromheen, kleiner en platter dan een muggebult, maar even irritant jeukerig. Gevaarlijk is het op zich niet, maar voor honden en katten en mensen is het aan te raden er niet de hele tijd aan te krabben, want dan kan er een open wondje ontstaan dat infectiegevoelig is. Afblijven dus, hooguit insmeren met een anti-jeukmiddel.

Ik gebruik daarvoor Onctose, samengesteld o.a. uit hydrocortisone, lidocaïne en mefenidramium. Dat is weliswaar curatief, dus je loopt achter de feiten aan, maar het werkt geweldig. Met azijn deppen helpt ook goed, en een van mijn buurvrouwen beweert dat eau-de-cologne eveneens een gewenst effect heeft, namelijk dat de jeuk een tijdje ophoudt, alleen heb ik dat laatste niet in huis, dus ik kan daaarover niet oordelen.

Preventief valt er weinig aan te doen, want die beestjes nestelen zich overal: langs je benen omhoog kruipend zoeken ze naar lekker warme, vochtige plekken waar de huid het dunste is, dus je knieholtes, je liezen, heel graag daar waar je broekband zit, je oksels; maar ook in je kleren, handdoek, beddegoed. En dan krijg je in Frankrijk het advies dat allemaal te wassen op 55° of heter. Maar dat impliceert dat je dagelijks de was moet doen op 60°, en dat je alles wat je buiten aan wasgoed te drogen hangt, meteen na droging weer moet wassen, want tijdens dat wapperen zijn de aoûtats er natuurlijk weer als vlooien opgesprongen.
De middenstand spint er garen bij door spuitbussen te verkopen, zoals Insect Écran, een spray op basis van permetrine die je op je kleding en lakens moet spuiten om allerhande insecten, waaronder aoûtats, te doden. Maar ja, een broekspijp of plooi is al licht overgeslagen en dan heb je er niks meer aan. Behalve de middenstander natuurlijk. Gewoon dus een tubetje onctose kopen; voor 5 euro heb je een tube waar je een paar jaar mee toe kunt.

Zo tegen eind september zit hun seizoensarbeid erop en is het met al die jeuk gedaan, op voorwaarde dan het dan niet alsnog muggentijd wordt.

We hebben (het) ermee te doen

In het Comburgse handschrift van Van den vos Reynaerde, waarvan de tekst online HIER is te raadplegen, lezen we in regel 57-60 de volgende opmerkelijke mededeling:

Doe al dat hof versamet was,
Was daer niemen, sonder die das,
Hine hadde te claghene over Reynaerde,
Den fellen metten grijsen baerde.

(“Toen heel het hof verzameld was,
was daar niemand buiten de das,
of hij had te klagen over Reinaert,
de felle met de grijze baard.”)

We hebben ermee te doen. Niet met Reinaert, want die kletst zich er wel uit, maar met de zinsconstructie hebben te + infinitief + -e.

Een vergelijkbare constructie vinden we in regel 112-113:

So en es hier jonc no hout,
Hine hebbe te wroughene jeghen hu.

(“Hier is niemand, jong of oud,
die zich niet bij u te beklagen heeft.“)

Realiseer je om te beginnen het wezenlijke betekenisverschil tussen (1a) en (1b):

(1a) We hebben ermee te doen.
(1b) We hebben het ermee te doen.

In (1a) overheerst het medelijden, de empathie, de lotsverbondenheid, en betreft het een negatieve gebeurtenis of toestand rond een niet nader genoemde persoon of situatie.
In (1b) daarentegen overheerst de berusting, het genoegen nemen met minder dan gehoopt. Dat is niet hetzelfde.

Het opmerkelijke aan de bovenvermelde citaten uit de Reinaert is niet zozeer dat men had te klagen over Reinaert, maar dat er staat hadde te claghene resp. hebbe te wroughene. Dat is de derde naamval van de hele werkwoord claghen en wroughen. Maar werkwoorden kennen geen naamvallen, en dus volg ik de meeste grammatica’s en concludeer dat in deze constructie klagen een zelfstandig naamwoord is geworden. Werkwoorden doen dat wel vaker, bijvoorbeeld “Het eten van vlees wordt ontmoedigd“. En aangezien deze overgang van werkwoord naar zelfstandig naamwoord al vele eeuwen lang voorkomt, kan het zijn dat er dan tot ±1400 ook nog eens een zichtbare 2e of 3e naamvalsuitgang aan wordt toegevoegd, te weten de genitiefuitgang -s (stervens koud, tot bloedens toe), of een datiefuitgang -e, zoals in de onderhavige citaten. En die gevallen staan niet alleen. Kijken we in hetzelfde handschrift naar regel 1678-1687 dan lezen we wat Grimbeert de das besluit te doen na de biecht van zijn neef Reinaert:

Daer na, in gherechten raden,
Riet hi hem goet te wesene
Ende te wakene ende te lesene
Ende te vastene ende te vierne
Ende te weghe waert te stierne
Alle die hi buten weghe saghe,
Ende hi voert alle sine daghe
Behendelike soude gheneeren.
Hier na so dedi hem verzweeren
Beede roven ende stelen.

Ik volg even de fraaie hedendaagse bewerking van Karel  Eykman:

om hem daarna aan te raden
voortaan een goed leven te leiden,
zich aan nachtwake en bidden te wijden,
de feestdagen te vieren en te vasten
en het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

In de Middelnederlandse tekst hebben we in kort bestek te maken met zes maal de datiefvorm van een gesubstantiveerde infinitief, maar opvallend genoeg ook met tweemaal de ‘gewone’ vorm, roven en stelen, zonder naamvalsuitgang. Terzijde: in het Dyckse handschrift, r.1668-1677, dat HIER online is te raadplegen, staan al deze infinitieven genoteerd zonder de datiefuitgang -e.

In de Eykmanversie wijs ik op de derde regel, waar nachtwake en bidden nevenschikkend zijn verbonden en beide dus kunnen worden gezien als zelfstandige naamwoorden. Verder vallen er de vele infinitieven op waaraan te voorafgaat, ook stelen en roven ditmaal.

Vaak wijst het gebruik van de gerundiumconstructie in het Nederlands op een (voorgenomen) doel; vergelijk dat met de twee betekenissen van het Engelse to, het Franse à en het Duitse zu. Die doel-betekenis, ofwel finale betekenis, wordt duidelijk en aannemelijk als we in het Eykmancitaat hierboven het doel-aanduidende om inlassen:

om hem daarna aan te raden
om voortaan een goed leven te leiden,
om zich aan nachtwake en bidden te wijden,
om de feestdagen te vieren en te vasten
en om het rechte pad te wijzen aan gasten
die hij af zou zien dwalen
opdat zij geen streken meer uit zouden halen
en een leven gaan leiden vol fatsoen.
Hierna moest hij een eed doen
om nooit meer te stelen en te roven.

Maar het lukt niet altijd om de bedoelde constructies te parafraseren met om, zeker niet in de constructie hebben+te+infinitief als aan het begin van dit artikel. Daar speelt veeleer een andere betekenislaag: die van de modaliteitlijn. Op die lijn kun je een bewering plaatsen uiteenlopend van “onwaarschijnlijk/ongewenst” naar “zeer waarschijnlijk/gewenst“. De meest gebruikelijke manier in het Nederlands is dan ook het gebruik maken van een van de modale hulpwerkwoorden: kunnen, zullen, willen, mogen, moeten en laten en enkele varianten. De verschillen zijn vaak heel subtiel; vergelijk:

(2a) Kan ik het raam even dichtdoen?
(2b) Zal ik het raam even dichtdoen?
(2c) Wil ik het raam even dichtdoen?
(2d) Mag ik het raam even dichtdoen?
(2e) Moet ik het raam even dichtdoen?
(2f) Laat ik het raam even dichtdoen. (impliciete vraag of de ander dat toelaat)

Het voornemen (“raam dichtdoen“) wordt door de keuze van het modale hulpwerkwoord op de modaliteitlijn meer naar links of rechts geplaatst, afhankelijk van de wens van de gesprekspartner.

Zo is het ook bij de constructie “hebben+te+infinitief”, waar steeds een modaliteitfactor een rol speelt. Merk daarbij op dat in sommige gevallen (maar niet alle!) er een toekomende tijd mogelijk is; daarbij gebruiken we krijgen in plaats van hebben. Dat is zelfs mogelijk in de verleden tijd: We hadden/kregen gisteren zes mensen te eten. De verklaring volgt uit de plaatsing van het moment van de bewering en dat van het beweerde op de tijdlijn: de spreker verwijst terug in de tijd naar een moment waarop ofwel het eten plaatsvond (hadden) en de zes mensen al aanwezig/aan tafel waren, ofwel naar een moment vóór het eten waarop vaststond dat er zes mensen zouden komen eten, maar ze nog niet aanwezig waren, althans niet al aan tafel zaten (kregen). Beetje ingewikkeld, maar niettemin correct en verklaarbaar.

(3a) Je hebt maar te gehoorzamen
(3b) Ze hadden het zwaar te verduren
(3c) De schaatser had nog 100 meter af te leggen
(3d) De meesten hadden nog heel wat sommetjes te maken
(3e) Gij hebt niets te vrezen
(3f) Veel had zij niet te verwachten
(3g) De directie had weinig nieuws te melden
(3h) Ik heb er niets op aan te merken
(3i) Ik heb wel wat anders te doen
(3j) In feite hebben we in de politiek niks te vertellen/zeggen
(3k) We hadden gisteren zes mensen te eten
(3l) We hebben te maken met klimaatverandering
(3m) We hebben veel met hen te doen
(3n) Ze hadden weinig te besteden/te makken/te eten
(3o) Ze hebben er veel mee te stellen

Allereerst: er zit weinig modaals in de gevallen We hebben te doen met klimaatverandering en We hebben te maken met klimaatverandering. Ik verklaar dat vanuit het gegeven dat maken en doen twee Nederlandse werkwoorden zijn waarvoor het Frans (faire), Italiaans (fare) en Latijn (facere) in principe één werkwoord gebruiken.

Verder valt in de reeks voorbeeldzinnen (3) op dat er enkele zijn waarbij er een vastevoorzetselverbinding in het spel is, zoals: te maken hebben met, te doen hebben met, te stellen hebben met, aan te merken hebben op. Ook in deze gevallen lijkt er nauwelijks van een modale betekenis of ondertoon sprake te zijn.

Wat we wel kunnen constateren:

  • In de zinnen (3a) t/m (3d) heeft hebben de modale betekenis van “(verplicht of onontkoombaar) moeten“. In (3e) en (3f) de ontkenning van moeten: hoeven.
  • In de zinnen (3g) en (3h) overheerst de modale betekenis van kunnen (=in staat zijn, de mogelijkheid hebben) of willen/wensen.
  • De modale betekenis willen overheerst in (3i)
  • De modale betekenis mogen overheerst in (3j)
  • In de zinnen (3k) t/m (3o) is er geen in het oog springende modale betekenis aanwezig, en is dus een parafrase met een van de genoemde modale hulpwerkwoorden niet goed mogelijk.
  • Als hebben de betekenis “bezitten” heeft, zoals in (3n) is er geen modaliteit aanwezig. Datzelfde zou kunnen gelden voor (3g), als de directie inderdaad geen informatie beschikbaar had. Meestal is het echter een kwestie van informatie bewust achterhouden, waarmee willen op de voorgrond treedt.
  • Het aantal gevallen waarin om kan worden toegevoegd is beperkt: alleen in (3c), (3d), (3n) en eventueel (3g) in de lezing dat er echt geen informatie voorhanden was. De toevoegbaarheid van om wijst in de richting van een doel-aanduiding, zoals hierboven al is aangestipt, waarmee ook een ander soort beknopte bijzin ontstaat. In mijn optiek is er een ontleedverschil tussen (3n1) en (3n2):

(3n1) Ze hadden weinig te eten
(3n2) Ze hadden weinig om te eten.

Mijn argument daarbij is dat er in (3n1) sprake is van de constructie hebben+te+infinitief, maar in (3n2) staat een zelfstandig werkwoord hebben (=bezitten) gevolgd door een beknopte bijzin om te+infinitief. In beide gevallen blijft de vraag of eten daarbij moet worden opgevat als een onverbogen werkwoordsvorm, of als een gesubstantiveerd werkwoord, dus een zelfstandig naamwoord, dat ooit, in vervlogen tijden, een datiefuitgang -e kon krijgen.

Uit dit artikel valt op te maken dat de laatste mogelijkheid het waarschijnlijkst is

Daar hebben we het dan maar mee te doen.

________________________

Dit bericht is een beknopte samenvatting van een uitgebreider artikel dat elders zal worden gepubliceerd.