Groter as mij

Van een oud-hbo-student uit lang vervlogen tijden kreeg ik een interessante vraag als reactie voorgelegd, taalkundig van aard, die zich niet zomaar een-twee-drie laat beantwoorden en die ik daarom via een apart artikel ga trachten aan een behandeling te onderwerpen.
Voorgaande volzin leent zich overigens prima voor een stevige redekundige en taalkundige ontleding volgens de regelen der traditionele grammatica, maar dat terzijde.

Patricks reactie was de volgende:

Hallo Nard, midden jaren 90 was jij mijn grammatica/taalkunde docent aan de deeltijd NL 2e graads opleiding aan de HAN. Grammatica was mijn favoriete vak en dat kwam mede door jouw passie voor het vak!
Ik sprak vandaag met een kennis over onderstaand stukje tekst van de taaladviesdienst. Over hun conclusie denk ik iets anders, namelijk dat (in de voorbeeldzin): ‘Hij is groter dan ik (ben)‘ Hij = onderwerp, is = pv en koppelww, groter dan ik ben = NW deel. Ik weet nog dat jij je promotieonderzoek deed over voorzetsels, dus misschien kun jij uitsluitsel geven?
Taaladviesdienst zegt:
De voegwoorden van vergelijking als (na de stellende trap) en dan (na de vergrotende trap) staan in veel gevallen voor een zelfstandig naamwoord of een persoonlijk voornaamwoord (zo dom als een ezelhet hemd is nader dan de rok). Ze worden daardoor ook wel opgevat als voorzetsels. Dit blijkt uit het gebruik van niet-onderwerpsvormen van voornaamwoorden na als of dan, ook wanneer het zinsverband onderwerpsvormen vereist.
Deze ontwikkeling, die zich overigens ook in het Engels heeft voorgedaan en daar verder is (he is taller than me is mogelijk en geaccepteerd naast he is taller than I am), is al geruime tijd gaande, maar wordt tot nog toe door taalvoorschriften tegengewerkt. In veel gevallen wordt hierbij gewezen op het feit dat het voornaamwoord na als of dan kan worden aangevuld tot een hele zin waarin het voornaamwoord het onderwerp is:
(1a) Hij is groter dan ik (ben).
(1b) Hij is groter dan mij is. (uitgesloten)

Aan die vraag zitten nogal wat haken en ogen, Ik kom met drie verschillende behandelingen.
Allereerst iets over correct en incorrect taalgebruik.
Vervolgens het onderscheid tussen als en dan.
Ten slotte het gebruik van ik of mij.

  1. Eenheidstaal

Er waren zo vanaf de Tachtigjarige Oorlog minstens twee gewichtige aanleidingen om te komen tot één standaardtaal Nederlands. De eerste was dat vanuit de lappendeken der Lage Landen één zelfstandige staat onstond:
[Het hele document; alleen deze afbeelding.]

De tweede was de reformatie die het Latijn wilde vervangen door een Bijbeltekst in de volkstaal, hetgeen resulteerde in de Statenbijbel uit 1637.

Beide aanleidingen vereisten dat er ‘van bovenaf’ taalregels werden opgesteld waaraan eenieder zich voortaan had te houden. Dat wil zeggen: in de schrijftaal, iets wat in de meeste huidige grammatica’s jammer genoeg nog steeds het geval is, om over uitspraakregels maar te zwijgen. Men had kennelijk geen behoefte, en zag er ook de kans niet toe, om ook de spreektaal te uniformeren, met al zijn dialecten, accenten en tongvallen, hetgeen van Delfzijl tot Duinkerken nog steeds valt waar te nemen. Bovendien: geschreven taal blijft bewaard en kan door iedereen waar en wanneer dan ook worden gelezen, terwijl gesproken taal een momentopname is die vervliegt met de tijd. Het woord as in de titel van dit artikel, in plaats van als, is een voorbeeld van ten onrechte geschreven spreektaal. As is verbrande turf.

Dit streven naar een eenheidstaal leidde tot het formuleren van grammaticale regels die werden voorgeschreven; een zogenaamde prescriptieve grammatica. We zien dat bijvoorbeeld bij de voortreffelijke grammatica’s van Den Hertog en Van den Toorn. Zeker in de afgelopen halve eeuw neigt de taalkunde sterk naar een descriptieve grammatica, een beschrijving dus van wat er feitelijk binnen het Nederlandse taalgebeid aan schriftelijke taalvormen wordt waargemomen. Zie daarvoor de al even voortreffelijke grammatica’s als de ANS en die van Klooster. Dat heeft tot consequentie dat de bewering “groter als mij” is incorrect Nederlands, zwaar onder druk komt te staan. Strikt traditioneel gezien is zij juist, maar als de praktijk weerbarstig is, zal de betreffende traditionele taalregel uiteindelijk het loodje leggen.

Van belang is wel te constateren dat de Nederlandse grammatica op één onderdeel nog steeds wèl prescriptief is, namelijk op het punt van de spelling, die dan om de zoveel jaren weer wordt herzien en dat leidt dan tot weer een groen of wit boekje, tot veler ergernis.

  1. Als-dan

Hoe wij komen aan het onderscheid tussen als en dan is dus wel duidelijk: het is ons in de 16e-/17e eeuw verplicht opgelegd. Ik volsta met een citaat van de Freie Universität in Berlijn:

Zo hebben we aan Balthasar Huydecoper (1695-1778) een regel te danken voor het gebruik van dan en als na een comparatief: hij is even groot als ik (bij een gelijkheid) tegenover hij is groter dan ik (bij een ongelijkheid). Deze regel, die taalgebruikers vandaag de dag nog moeten leren, was volgens 18e-eeuws taalgevoel al kunstmatig: dan en als werden in de spreektaal gewoon door elkaar gebruikt.
Een ander kunstmatig onderscheid dat indruist tegen het normale gebruik in de spreektaal, is dat tussen verbindingen met wie bij verwijzing naar een persoon en het gebruik van een voornaamwoordelijk bijwoord bij verwijzing naar een zaak. Vandaag nog wordt Nederlandstaligen op school aanbevolen om te schrijven de man aan wie ik dacht in plaats van de man waaraan ik dacht. (…)
Van 17e-eeuwse grammatica’s dateert de kunstmatige regel van Christiaen van Heule (? – 1655) voor het gebruik van hen voor de accusatief (ik heb hen gezien) tegenover hun voor de datief (ik geef hun een boek).

Belendende talen als Nederlands en Duits beïnvloeden elkaar, ons hardnekkige verzet tegen germanismen ten spijt. Het zou dus best wel eens zo kunnen zijn dat de wending groter als ik wortel heeft geschoten door het Duitse größer als ich, terwijl ons even groot als ik in het Duits so groß wie ich is. Maar het ligt ook voor de hand te veronderstellen dat grote delen van de Nederlandssprekenden gewoon lak heeft aan onzinnige regels uit vroeger eeuwen, zeker als die geen of weinig betekenisonderscheidende waarden hebben. Dat geldt evenzeer voor bovenvermeld onderscheid tussen hun en hen.

  1. Ik-mij

Patricks analyse is juist: groter dan ik is een inkorting van groter dan ik ben, en omdat ik daarbij onderwerp is bij ben, komt het in de eerste naamval te staan: ik dus, en geen mij.
Maar nu gaan er twee dingen tegelijk een rol spelen.

Het eerste is dat door het weglaten van de persoonsvorm ben bij sommigen de indruk ontstaat dat dan geen voegwoord is, dat qualitate qua een bijzin inleidt, maar een voorzetsel, dat qualitate qua juist geen bijzin inleidt. Het zelfde geldt uiteraard ook voor als (even groot als ik is een in korting van even groot als ik ben). En per traditie, door de Nederlandse grammatica deels geïmporteerd uit het Latijn, regeren voorzetsels een zekere naamval, maar nooit een 1e naamval. In het Nederlands is het steeds de 4e naamval, accusatief, behalve voor het voorzetsel te, dat de 3e naamval, de datief regeert; hoe zinvol! In het Duits is het nog strikter: daar komen 2e (genitief), 3e en 4e naamval voor als behorende bij een zeker voorzetsel, waarbij er soms betekenisonderscheid bestaat tussen de statische 3e naamval (ich bin im Hause) en de richtingaanduidende 4e naamval (ich gehe ins Haus). Overigens heb ik er eerder als eens uitvoerig voor gepleit het woordsoortonderscheid tussen voorzetsels en voegwoorden maar te laten vallen en beide als betekenisdragers van een functie tot één groep om te vormen. Er doen zich ook heel wat twijfelgevallen voor. In mijn voorzetsellijst komen als en dan wel degelijk als voorzetsel voor:
Als vader kan ik dat niet toestaan (als vader=vader zijnde; als leidt geen bijzin in)
Zij deed zich voor als gebedsgenezeres (als=alsof; geen vergelijking dus)
Een half ei is beter dan een lege dop (ik kan er geen weggelaten zin van maken: noch *Een half ei is beter dan een lege dop is, noch *Een half ei is beter dan een lege dop beter is). Zo blijft het puzzelen en argumenteren.

Het tweede is dat het nog maar de vraag is of dat mij in groter als mij eigenlijk wel een verbogen naamvalsvorm is van ik, dus een 3e of 4e naamval. Denk aan hun hebben gezegd, waar geen voorzetsel in de buurt is en hun echt als onderwerp=1e naamval wordt gehanteerd. Al eeuwen lang, en nu nog steeds treffen we in tal van Nederlandse dialecten de ‘verbogen’ vorm van persoonlijke voornaamwoorden (mij, hem, ons, hun,…) aan als de benadrukte, emfatische vorm van de ‘echte’ vorm (ik, hij, wij, zij,…) in de eerste naamval. We zien dit vooral in dialecten bezuiden de grote rivieren, dus zeg maar van Druten tot Duinkerken. Aldus staat hun hebben gezegd op één lijn met ons ben zunig, en daarmee valt geld te verdienen. Het is geen bewijs – wel een aanwijzing.

We zien dit verschijnsel ook in sommige omringende talen, maar niet in alle:
Nederlands: Wie is daar? Ík ben het en niet: Mij is het.
Net als in het Italiaans: Chi c’è? Sono io en niet: È me.
en in het Duits: Wer ist da? Ich bin es en niet: Mir ist es.
en in het Zweeds: Vem är där? Det är jag en niet: Det är mig.

Maar in het Luxemburgs: Wien ass do? Et ass mech en niet: Et sinn ech.
Frans: Qui est là? C’est moi en niet: C’est je.
Engels: Who is there? It’s me en niet: It’s I.

Al met al is het niet geheel duidelijk of het mij in groter als/dan mij moet worden gezien als een 4e naamval na het ‘voorzetsel’ als, of toch als de emfatische eerstenaamvalsvorm van ik als onderwerp van groter dan ik (ben).

Wat een traditioneel schrijffoutje al niet teweeg kan brengen…

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.