Nicht zum Weinen

Ik heb niks met Wenen, net zomin als met Oslo, Madrid, Londen of Berlijn. Maar om nu te zeggen dat Wenen om te janken is, is alleen maar een misplaatste woordspeling. Natuurlijk heeft de stad veel te bieden, cultureel, gastronomisch, architectonisch, historisch; een goed functionerend Openbaar Vervoer en een onverstaanbaar eigen taaltje.

Om maar met dat laatste te beginnen: ik ben bepaald niet vies van vreemde talen, maar van plat Weens kan ik geen brood bakken. Naast mij op het terras van het aanbevelenswaardige Goldener Löwe tegenover het hoofdstation zaten twee bejaarde mennekes met een hond. Het geanimeerde gesprek bestond uit een voortdurende spraakwaterval van de een, slechts onderbroken door bevestigende antwoorden van de ander. Ik kon er totaal niets van verstaan, zelfs niet als hij tegen zijn hond praatte, die dat kennelijk wèl allemaal kon oppikken. Mijn vermoeden dat dit dialect (of is het een taal?) als variant van het Oostenrijks, dat op zich al een dialect is van het Duits, een apart boek waard is, kreeg ik bevestigd doordat ik het Wörterbuch des Wienerischen van Robert Sedlaczek onder ogen kreeg. Uitgave van Haymon Taschenbuch, Innsbruck/Wien, 4. Auflage 2014. ISBN 9783852188911. 218 blzz. Bevat meer dan 3.000 woorden en wendingen op z’n plat Weens, bijvoorbeeld (p.188): “Då  håt der Burschi sein Aanserschmäh gmacht und den Hansi Krankl håts aufprackt wia r a Palatschinken. Des wårn no Zeiten!“. Ik zal de laatste zijn om het te ontkennen.

Ik voelde me op dat terrasje een beetje Simon Carmiggelt. Gewoon om je heen kijken en luisteren. Zien wat er allemaal voorbijkomt aan wandelend volk, gehaast, slenterend, keuvelend, afwezig voor zich uit kijkend; alle kleuren van de regenboog. Voor Nederlanders, toch ook niet wars van multiculturele mixage, is Wenen volstrekt buitenlands. Alleen al de kentekens van auto’s en touringcars (“Wien-Bratislava nur  €1“) uit Hongarije, Tsjechië, Slovenië, Slowakije; toch net iets anders dan wij in Nederland gewend zijn, en op het Franse platteland al helemaal.

Het Openbaar Vervoer in Wenen mag dan qua infrastructuur tot de wereldtop behoren, je staat versteld van de hoeveelheid auto’s die aan je voorbij trekken. Massa’s Audi’s, BMW’s, Porsches, Mercedessen van scheurende en toeterende patjakkers; kleine wendbare stadsautootjes voor de dames. Alles Diesel – Alles Super. Ik kan me het voornemen van Amsterdam heel goed indenken om dat allemaal maar elektrisch te maken, al lijkt het plan me wat tè ambitieus om al in 2030 te zijn gerealiseerd. Maar het vooruitstrevende signaal is alvast afgegeven en zal ooit wel het veel conservatievere Oostenrijk bereiken.

Zoals iedere zich respecterende Grootstad heeft ook Wenen zijn eigen trammuseum. Ik trof het dat net gisteren de jaarlijkse Tramwaytag was, waarop oude trammetjes af en aan rijden; helaas ontbrak mij de tijd er naartoe te gaan.

Nog zo’n typisch Weens woord: Bim. Dat is geen afkorting, eerder een inkorting van Bimbam, eigenlijk een onomatopee als klanknabootsing van het belletje van oude Weense trams. De term schijnt rond 1975 te zijn ontstaan als straattaalwoord, zegt Sedlaczek op p.35 en hij noemt het een pars pro toto. Het woord is daarna door de plaatselijke OV-maatschappij als koosnaam aangenomen als collectief woord voor Straßenbahn, dus alles wat zich op rails voortbeweegt.

Ook al heb ik niks met Wenen, je hoeft je er als taalfanaat en tramgek geen moment te vervelen.

 

1 gedachte op “Nicht zum Weinen

  1. In augustus 1961 was ik één middag en avond in Wenen en heb ik heel wat gewandeld: Schönbrunn, Riesenrad, Schnitzel en hoertjes gezien bij de voormalige Reichtsbrücke met (Frans) racoler.
    Het was de verste reis ooit voor mij want het welvaarts-reizen is niet mijn levensdoel geweest. Dan kan ik wel anderen met grote belangstelling aanhoren!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.