Een man elke dag

Fraai staaltje van wat zinsdeelvolgorde vermag.
Bijgaand bericht in De Volkskrant van 21 november, pagina 4, meldt een onwaarheid als een koe. Dat Duitsers hard werkende mensen zijn, wil ik eventueel nog wel accepteren, maar ze moeten het niet te bont maken.

Het gaat om de zin: “Gemiddeld probeert een man in Duitsland elke dag een partner of ex-partner te doden”. Dat betekent dat elke Gerhard, Adolf, Heinrich, Dieter,… gemiddeld eens per dag op zoek gaat naar een van zijn partners of ex-partners met moordlustige intenties. Zo zullen er niet veel dames meer overblijven na een week.

Er had dus een omwisseling van de hier onderstreepte zinsdelen moeten staan: “Gemiddeld probeert elke dag een man in Duitsland een partner of ex-partner te doden”. Dat lijkt me al erg genoeg, al is 147 geslaagde pogingen ’s jaars geen toonbeeld van Deutsche Gründlichkeit: slechts 1 op de 2½ pogingen blijkt succesvol te zijn.

Voor de specialisten: het heeft ook te maken met de status/betekenis van het lidwoord een bij man. In de volgorde een man…elke dag betekent dat lidwoord:
elk lid van de verzameling ‘mannen in Duitsland’.
Maar in de volgorde elke dag een man… betekent dat lidwoord:
één lid van de verzameling ‘mannen in Duitsland’.
Daarin schuilt dus de misinterpretatie van het bericht in De Volkskrant.

 

Kattentaal

Over Louki heb ik het zes jaar geleden al uitgebreid gehad. Ze dateert van april 2010 en telt nu dus zo ongeveer 50 mensenjaren. Die gaat dus nog wel een tijdje mee.
Ze heeft, na allerhande perikelen, ziekten en ongevallen in de eerste twee jaar, nu verder een onbezorgd, gelukkig en gezond leven en vertoont nog immer de aanhankelijkheid en gezeggelijkheid die een Noorse boskat eigen zijn, maar ze is kats genoeg om ook over het egoïsme te beschikken dat we van alle volwassen katten kennen en ook haar kopieergedrag als een nog niet volleerde baby laat niets te wensen over.

Om van dat laatste een paar voorbeelden te geven: in al die jaren is ze nog nooit op de keukentafel of aanrecht gesprongen, want daar zitten wij ook nooit op. Maar als je van je stoel opstaat, vooral die bij de lekker warme cuisinière, is ze er als de kippen bij om jouw plaats in te nemen. Daar past ze eigenlijk helemaal niet op en er hangt van alles buitenboord, maar katten mauwen niet zoals mensen.
Net als wij ligt zij graag op bed; als wij daar ook liggen, tolereert zij dat. Maar niet zelden treffen we haar alleen op bed aan zoals wij doorgaans ook liggen: aan het hoofdeinde met haar kop precies op het kussen. En als de kookwekker afloopt, komt ze aangesneld, want ze weet dat er dan wordt gegeten.

Maar ik zou het over kattentaal hebben, en ook op dat gebied gaat de gelijkenis met een baby aardig op.
In de loop der jaren is het mij gaan opvallen dat zij over enige vorm van taalvermogen beschikt, zowel receptief als productief, zelfs zo, dat onze Franse buurvrouw zich erover verbaasde dat Louki Nederlands verstond.
Het begon met het moment waarop wij tot onze stomme verbazing constateerden dat zij haar naam verstond en begreep. Als je Louki roept, of zegt, want je hoeft niet eens te schreeuwen, kijkt ze je meteen aan of komt ze uit een hoekje tevoorschijn. En bij een gedecideerd Nee! trekt ze zich terug of gaat ze bedremmeld naar buiten als een stout kind dat de klas wordt uitgestuurd.
Later ontdekte ik dat zij, als je met de hoofden dicht bij elkaar bent en je zegt op neutrale toon Neusje, de kop spitst en haar neus tegen de mijne drukt. Zeg je Handje, of zoiets, dan doet ze dat niet. Honden geven pootjes, katten trekken hun neus daarvoor op.
Als je haar aanmoedigt om mee naar binnen of naar buiten te gaan dan reageert zij niet op Kom maar! of op Doe maar!, maar steevast wel op Toe maar! Geloof het of niet, het is zo. Het ligt dus niet puur aan de intonatie of situatie; het is taalgebonden adequaat gedrag.
Als je haar wil vragen of ze naar een van de slaapkamers boven wil -we hebben daar een rode, gele en blauwe kamer-, dan volstaat het om te vragen Wil je naar de rooie kamer? Eenmaal boven zoekt ze dan zelf wel uit welk van de drie kamers ze prefereert, maar als je haar boven op de overloop corrigeert en zegt Nee, niet de bláuwe kamer, de róoie, dan loopt ze netjes naar de desbetreffende deur.

Alsof dat alles nog niet menselijk genoeg is, heeft ze ook enige vorm van productief taalgebruik ontwikkeld. In ieder gezin floreert wel een soort familietaal, met woorden en formuleringen die alleen door de gezinsleden worden gebezigd en begrepen, en Louki is evident lid van de familie.
Natuurlijk schreeuwt ze het uit als je per ongeluk op haar poten trapt, want ze loopt je voortdurend voor de voeten, maar dat is nog niet echt wat ik taal noem. Anders wordt dat als ze wil eten en dat kenbaar maakt met een hoog piepje op één toon. Je hoeft niet eens te kijken; met dichte ogen herken en begrijp je haar mededeling. Produceert ze een mauwtje op hoge toon met stijgende toonhoogte: je hoeft niet te kijken, dan zit ze bij de deur naar boven en wil ze naar een van de slaapkamers. Daarbij helpt ze je ook een beetje, door met beide voorpoten omhoog tegen de deur te drukken, dan gaat het wat makkelijker. (Ter vergelijking: de onbehouwen kat van de buren, zo eentje van vuilnisbakkenras, heeft jou daarbij niet nodig. Die springt gewoon op om zelf aan de deurkruk te trekken en zich toegang tot het door haar gewenste deel van haar territorium te verschaffen, maar Louki is te netjes om zoiets ongevraagd te doen.)
En het blijft niet bij een mauwtje zus of zo. Haar door ons verstrekt voedsel bestaat uit brokjes, die hier “croquettes” heten, en één zakje natvoer ’s daags, dat wij gemakshalve “warm eten” noemen, omdat ze dat meestal krijgt in de loop van de middag als wij ook aan warm eten beginnen te denken. Daar zij nagenoeg volstrekt vegetarisch is, hoef je haar geen vlees of vis voor te schotelen; kaas, slagroom of abrikozenvlaai gaat er nog wel in. Maar natvoer is voor haar toch wat voor velen biefstuk met doperwtjes is: het lekkerste wat je kunt bedenken. En tot mijn stomme verbazing viel het me vanaf een gegeven moment op dat zij er een woord voor heeft bedacht om daarom te schooien. Hoor je haar Auw! piepen, ongelogen: dan moet er een zakje natvoer worden aangerukt en geserveerd.

De eeuwigdurende baby die haar eerste woordjes heeft leren gebruiken en waarop wij als ouders maar wat trots zijn.
Zo vindt zij vakkundig, zonder staart, maar toch niet minder behendig, ook in taalgebruik de balans tussen mens en dier, als lid van de familie waarvan zij al zolang deel uitmaakt. En taal is toch immers niets anders dan een samenstel van conventies binnen een beperkte gemeenschap.

 

 

 

 

 

Het spel en de regels – respect en kaarten

Mijn tweede artikel dat de spelregels bij voetbal onder de loep neemt, gaat over respect als gedroomd gedrag en kaarten als arbitraal correctiemiddel. Het eerste is nog niet zo simpel; het tweede is veel eenvoudiger aan te scherpen. Maar omdat ze met elkaar hebben te maken, neem ik ze hier in één bericht samen.

Overwegingen vooraf
Respect dwing je af. Je krijgt het niet gratis. Maar van wat de voetbalorganisaties ervan proberen te maken, door spelers tot handenschudden vooraf te bewegen, of door alle spelers door elkaar te laten poseren voor een reclamebord voor respect (of tegen racisme) is nooit een positief effect hard gemaakt. Op mij komt het meer over als window dressing of voor de bühne, waarmee de organisaties hun handen in onschuld wassen en naar spelers en/of publiek kunnen wijzen als er iets misgaat. Dat laatste is nog ietsje complexer dan het lijkt, want het heeft er alle schijn van dat wangedrag van spelers overslaat op het publiek en omgekeerd. In die zin is een voetbalwedstrijd een interactieve gebeurtenis.

Even iets wat geen zijsprong is. In het algemeen wordt aangenomen dat ijshockey een veel ruwere, zo niet onbehouwener en gevaarlijker sport is dan veldvoetbal. Het tegendeel is echter het geval. Ja, met enige regelmaat zie je ijshockeyers met elkaar op de vuist gaan, maar dankzij hun overmatige kledij levert dat nooit blessures of erger op. En wordt het te dol, dan zijn er altijd 2 of 3 scheidsrechters die adequaat en kordaat optreden. En als je het niet gelooft, ga dan maar eens turven per hoeveel strekkende spelersminuten er bij ijshockey en bij voetbal een blessure voorkomt. Dan blijkt voetbal de ruwere sport te wezen.

Maar dat is niet alles. IJshockeyers zijn tijdens de wedstrijd respectvoller dan voetballers, zeker binnen de spelregels. Het duidelijkst blijkt dat uit hun gedrag jegens de scheidsrechter. Bij ijshockey betekent een fluitsignaal van de scheidsrechter dat alle spelers daadwerkelijk stoppen en het verloop afwachten; alleen de aanvoerder, met de letter C op de borst, of zijn tijdelijk vervanger, herkenbaar aan een A op de borst mag zich met een van de scheidsrechters verstaan, om uitleg vragen, in discussie gaan. Wie zich niet daaraan houdt, kan naar de strafbank. Kom daar maar eens om bij voetbal. Daar betekent een fluitsignaal keer op keer het sein tot de vorming van een kluwen spelers die in woord en gebaar en duwend en trekkend duidelijk te maken dat de arbiter van dienst iets is tussen “onbenul” en “hondenlul”.

Voor mij begon het allemaal op 6 september 1965 toen Feijenoord in Rotterdam Real Madrid ontving en met 2-1 won. Na een overtreding op icoon Coen Moulijn ontstond er een knok- en schoppartij tussen de spelers, hetgeen verslaggever Bob Spaak bracht tot de bekende woorden “Coen, beheers je! Jongens, jongens, dat kan toch niet! Wat een afschuwelijke vertoning!
Zulk een intermezzo betekent niet alleen tijdverkwisting (vandaar mijn pleidooi voor zuivere speeltijd), maar ook slaan die emoties over op het publiek, met alle mogelijke gevolgen van dien, en bovendien levert het niks positiefs op, want de scheidsrechter komt toch niet terug van zijn beslissing; hooguit vallen er gewonden.
De invoering van de vele camera’s, de VAR, de herhalingen, zullen ongetwijfeld een gunstige invloed op spelers hebben, nu zij het risico lopen dat hun wangedrag op beeld vastligt en mogelijk een staartje gaat krijgen.

Discussie of gemekker
Mijn voorstel op dit punt is een regel invoeren dat tijdens en rond een wedstrijd uitsluitend en alleen de aanvoerders van beide partijen zich tot de scheidsrechter mogen wenden en dat de andere spelers op afstand afwachten wat het resultaat ervan is. En langs de lijn: alleen de trainers/coaches van beide teams mogen zich tot de vierde man wenden, of de clubarts van dienst ingeval hij medisch ingrijpen nodig acht. Ieder ander die zich in of rond het veld in woord of gebaar met de arbitrage bemoeit, kan een kaart tegemoet zien. Zo kan het zinloze en tenenkrommende gemekker tijdens een wedstrijd aanmerkelijk worden geminimaliseerd en komt fatsoenlijk gedrag het respect ten goede.

Kaarten
Al zo’n 50 jaar hanteren diverse sporten een systeem van kaarten die de scheidsrechter kan trekken om een speler of lid van de technische staf (soms zelf het hele team als collectief) te corrigeren en met enig vorm van consequentie te bestraffen. Het varieert van drie soorten kaarten (groene, gele en rode) bij het veldhockey, via twee (gele en rode bij veldvoetbal) tot nul (bij ijshockey). Maar in die laatste sport vigeren andere maatregelen: een speler die naar het oordeel van de arbitrage over de schreef gaat, kan vertrekken naar de strafbank, voor 2, of 5, of 10 minuten, of zelfs voor de hele wedstrijd. Daarvoor zijn geen kaarten nodig, en (respect!) die straffen worden doorgaans zonder al te veel gemekker of gemor geaccepteerd. Wat daarbij mijns inziens een grote rol speelt, is niet dat ijshockeyers in doorsnee nettere mensen zijn dan profvoetballers -waarschijnlijk is dat niet zo, als het al te meten is-, maar dat de spelregels en andere reglementen van ijshockey veel strikter, gedetailleerder zijn dan de voetbalspelregels, waardoor er minder ruimte is voor interpretatie en dus ook voor discussie, gemekker en gemauw, noch bij de spelers, noch bij de staf, noch bij het publiek. Dat impliceert dus ook dat ik pleit voor striktere spelregels bij het voetbal, opdat een ieder weet waaraan je je te houden hebt.

Daar bovenop: handhaaf rustig het uitdelen van gele en rode kaarten, maar voeg er, net als bij ijshockey en veldhockey, een strafbank aan toe, bijvoorbeeld 5 of 10 minuten (zuivere speeltijd uiteraard) bij een gele kaart en de hele wedstrijd bij een rode kaart, welk laatste nu ook al het geval is.

Bijkomend voordeel is de volgende overweging: Team A speelt tegen team B. Een speler van A krijgt een gele kaart, maar kan desalniettemin de wedstrijd voortzetten, ook al is het een beetje met de handrem erop om geen tweede gele kaart te incasseren, want geel+geel=rood. Maar het voordeel van B tijdens die wedstrijd is zeer beperkt. Zou de betreffende speler voor een aantal minuten van het veld moeten, dan is het numeriek voordeel voor B evident. Bovendien: als diezelfde speler van A door die gele kaart een schorsing oploopt en A moet volgende week tegen C spelen, dan is C bevoordeeld door de afwezigheid van die speler, en B benadeeld, want C pakt dan het voordeel dat B, tegen wie de overtreding is begaan, is misgelopen.

Technische complicatie: net als bij ijshockey zou bij veldhockey en veldvoetbal de bestrafte speler niet mogen plaatsnemen in de dug out van zijn team, maar plaats moeten nemen in een aan te leggen strafbank aan de andere kant van het veld, zulks ter voorkoming van contact tussen speler en staf waardoor de bestrafte speler ook nog eens tal van aanwijzingen kan meekrijgen en zo profiteert van zijn uitsluiting. Twee strafbanken zelfs, eentje per team, want het komt niet zelden voor dat van beide teams tegelijk een speler naar de strafbank moet, waarna dat tweetal buiten de lijnen met elkaar op de vuist gaat of zich anderszins misdraagt uit frustratie. Bijgaande uitzonderlijke foto maakte ik op 2 januari 2007 tijdens de kwartfinalewedstrijd Finland-USA (3-6) in het Zweedse Mora. Er zaten maar liefst 4 Finse spelers tegelijk in de strafbank en een van hen sloeg in drie houwen zijn stick op de plexiglas boarding kapot, hetgeen hem nog een bijkomende straf opleverde. Zo iemand wil je toch niet naast je in de dug out hebben zitten…
Tussen beide strafbanken bevindt zich een official die de toegang van de strafbank opent en, de stopwatch in de hand, na het uitzitten van de straf weer opent.

Heren, heren, gedraagt u alstublieft.
En dames binnenkort ook, valt te vrezen.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd
  2. Respect en kaarten (dit bericht)
  3. Puntentelling
  4. Belijning

 

Het spel en de regels – zuivere speeltijd

Ik had me vlak na het afgelopen WK voorgenomen een viertal artikelen te schrijven over de regels van het edele voetbalspel. Omdat ik echter wel belangrijker zaken te doen had, was dat er nog niet van gekomen. Maar nu ga ik aftrappen met een verdediging van een voorstel tot verbetering: de invoering van de zuivere speeltijd.
Eigenlijk is er wel een meerderheid voor het vervangen van de huidige 2×45 minuten plus eventuele extra tijd, vooral om het spel eerlijker, sneller en aantrekkelijker te maken, maar tussen droom en daad staan logge instanties als FIFA en UEFA in de weg.

Waarom zuivere speeltijd?
Per wedstrijd gaat er zo’n 25 tot 40% aan tijd verloren met dode spelmomenten, dus de periode tussen het affluiten door de scheidsrechter en de daadwerkelijke spelhervatting. Naarmate de wedstrijd vordert en de eindstand waarschijnlijker wordt, neemt het tijdrekken door een van beide partijen merkbaar toe. Dat is onderdeel van het spel, maar daarvoor komt niemand naar het stadion.

Verder kan de arbitrage weliswaar aan het einde van elke helft een min of meer arbitrair aantal minuten aan extra speeltijd toevoegen, maar het spreekt voor zich dat een der partijen en een deel van het publiek die toegevoegde tijd absoluut te kort of juist te lang vinden.

Waarom geen zuivere speeltijd?
Allereerst doordat FIFA en UEFA logge, stoffige en conservatieve instanties zijn die een hekel hebben aan verandering, ook die van de spelregels.

Verder, zo wordt wel geopperd, is er het probleem dat de zendgemachtigden die een live verslag van een wedstrijd verzorgen in de knoop kunnen komen met de programmering, als de werkelijke wedstrijdduur ongewis is.

En ten derde is er het argument van het technische gedoe, want er is een tijdwaarnemer nodig die voortdurend registreert of het spel voortgaat of stil ligt.

Tegen bezwaar 1 breng ik in dat dat de verandering niet tegenhoudt, maar alleen opschort. Een bureaucratische vorm van tijdrekken dus. Maar ook binnen deze instanties zijn er Marco van Bastens genoeg om vroeg of laat de gewenste herzieningen door te voeren; zijn latere interview in De Volkskrant van 21 december 2018 biedt voldoende ondersteuning. Zo is dat ook ten lange leste met de doellijntechnologie en de VAR gegaan.

Bezwaar 2 is om minstens twee redenen volstrekte nonsens. Ten eerste is ook de werkelijke speeltijd van een wedstrijd nu ook al ongewis, nooit precies 2×45 minuten met een kwartier pauze ertussen, maar altijd langer, niet zelden variërend van 5 tot 20 minuten. Ten tweede moeten die zendgemachtigden dan maar eens een kijkje nemen in de keuken van Noord-Amerikaanse zenders van live wedstrijden (basketbal, ijshockey,..); bij die sporten wordt met zuivere speeltijd gewerkt, maar de zenders raken niet in paniek: zij programmeren ruim, en is er tijd over, dan lassen ze een of meer interviews in. Sterker nog: soms weten die commerciële zenders het zo te regelen dat een wedstrijd een minuut of wat wordt stilgelegd voor een zogenaamde commercial break. Niet dat ik daarvan voorstander ben, maar het zegt iets over de flexibiliteit van die omroepen bij wedstrijden met zuivere speeltijd.

Dan is bezwaar 3 een stuk reëler. Wie houdt die tijd bij? De scheidrechter die een accurate stopwatch heeft (dat ding heet niet voor niks zo)? Of een van zijn secondanten langs de lijn, de assistent-scheidsrechters of de vierde man? Of moet er een tijdofficial ergens langs de lijn zitten met één enkele opdracht: de tijdknop op de seconde af aan of uit zetten. En dan moet ook nog eens de verstreken of nog te spelen tijd exact op het scorebord of de jumbotron worden weergegeven, maar dat is bij de huidige stand van de (draadloze) techniek niet zo complex meer. Het antwoord op de vraag naar de tijdwaarnemer kan afhankelijk zijn van het belang/niveau van de wedstrijd: een recreatief potje op zaterdagochtend vereist minder dan een Champions League of WK-wedstrijd waarmee miljoenen zijn gemoeid.

Voorstel
Mijn idee is om een voetbalwedstrijd 2×35 minuten zuivere speeltijd te laten duren met een kwartier pauze ertussen. Dus geen extra/toegevoegde/blessuretijd meer.

Als de scheidrechter fluit om het spel te onderbreken, stopt de tijd. Als de scheidsrechter fluit om het spel te hervatten, start de tijd en zijn er zes piepjes te horen, elke seconde één. Heeft de betreffende partij bij het zesde piepje het spel nog niet hervat (ingooi/intrap, doeltrap, aftrap, enz.), dan fluit de scheidsrechter af en gaat de beurt naar de tegenpartij.

Het is aan de scheidsrechter om te bepalen wanneer hij voor spelhervatting fluit. Zo moet bij een doelpunt de bal naar de middenstip – nog steeds een doodspelperiode. Hoe lang hij echter wil wachten tot de kluwen gelukkige speler over elkaar heen tuimelen, kussend, aaiend, grabbelend, knuffelend, of zich tot de bank of het publiek wenden, lijkt me een kwestie van aanvoelen van de wedstrijd. Een doelpunt mag worden gevierd, maar niet ten koste van de zuivere speeltijd.

Van mij mag 2×35 ook 2×30 worden, en mogen de zes seconden er ook wel vijf worden; het is aan de statistici daarover een zinnige uitspraak te doen. En als er een verlenging noodzakelijk is: hooguit 2×10 minuten zuivere speeltijd.

Dit voorstel staat los van mijn voorstellen in de volgende artikelen, maar ook weer niet helemaal. Dat wordt binnenkort wel duidelijk.

____________________________________________

Berichten in deze reeks:

  1. Zuivere speeltijd (dit bericht)
  2. Respect en kaarten
  3. Puntentelling
  4. Belijning