En die zon blijft maar schijnen

Die taal is steeds in beweging en verandering. Zo ergens halverwege de middeleeuwen vond er in diverse Europese talen een verschuiving van het woordaccent plaats van de laatste lettergreep naar voren toe. De klinker van de laatste lettergreep raakte daardoor onbeklemtoond en verwerd tot wat wij nu de stomme e noemen, ook wel de sjwa, oftewel de [ə].Voor het Nederlands is dit niet duidelijker te demonstreren dan het overbekende regeltje van iets na het jaar duizend: “hebban olla uogala nestas hagunnan“, waarvan de open, beklemtoonde laatste klinkers verzwakten tot onbeklemtoonde stomme-e klanken: “hebben alle vogelen nesten begonnen“.

We kennen echter ook de grilligheid van de verspreiding van zo’n taalfenomeen en van de tijdsduur die ermee gepaard gaat.

Een voorbeeldje: in tal van plaatsnamen komt de volle, open eindklinker nog voor, terwijl die bij andere plaatsnamen inmiddels al is verzwakt: Osnabrück (“Ossenbrug“, “Ossenbrügge” in het Nedersaksisch) heeft nog steeds dezelfde naam; Fulda heet in het Frans “Fulde“; de IJssel heette vroeger Isala of Hisla en in Silvolde staat nog steeds het Isala College; de oude naam Falwa werd tot Veluwe; naast de huidige vorm Hanzestad zien we in zijn oude vorm nog terug in Lufthansa, in de DDR-voetbalclub Hansa Rostock en vermoedelijk ook in de ons bekende Hansaplast (al is men het daarover niet eens). Dit soort toponymische gegevens is interessant om de oudheid en oorsprong van een stad of ander toponiem te achterhalen.

Een ander voorbeeld: sommige talen, zoals het Nederlands, Frans, zijn al heel ver gevorderd met de overgang van de volle eindklinker naar de stomme e, maar andere talen, zoals het Zweeds, doen er kennelijk wat langer over: wij schrijven weliswaar avond, maar spreken die laatste klinker als [ə] uit, maar in het Zweeds is het nog steeds aftonköpa is ons kopen en deuren zijn dörrar. De garagist uit de Aveyron die bij mij in de auto stapte om naar zijn huis te rijden waar ik mijn Dauphine aantrof, dirigeerde mij in een vreemde mengelmoes van Frans en Occitaans steeds naar a gauchá (“à gauche“, “naar links“) en a dreitá (“à droite“, “naar rechts“). En merk ook eens op hoe veel namen van landen, streken of provincies in het Nederlands eindigen op -ië waar het Engels en het Italiaans nog de vorm -ia in gebruik hebben (Australië-Australia, Argentinië-Argentina, Namibië-Namibia, Umbrië-Umbria &c.)

Waar het mij in dit bericht echter om gaat is een heel specifiek voorbeeld van juist wel of juist niet overgaan naar een vorm met stomme e.

Begin  jaren-’80 reed ik dagelijks per auto op en neer tussen Eindhoven en Boxmeer. Elke ochtend had ik Omroep Brabant op de radio aan staan en dan werd ik blij verrast met het dagelijkse weerpraatje van weerman Johan Verschuuren uit Aarle-Rixtel (foto: Maarten van den Hove).
Wat mij opviel was niet alleen dat zijn weervoorspellingen uiterst betrouwbaar waren, maar meer nog zijn taalgebruik. Weliswaar sprak hij niet plat dialect, maar zijn zwaar Oost-Brabants accent loog er niet om. Iets wat mij daarin opviel, was dat hij bij voortduring sprak van die zon, die wind, die temperatuur, waar wij in het Nederlands gewoon de zouden zeggen.
Nu weet ik dat Zuid-Nederlandse, inclusief de Vlaamse dialecten vaak nog veel verraden van vroegere taalvormen; het onbeklemtoonde lidwoord de is nog niet zo oud en werd voordien als die genoteerd en wellicht ook uitgesproken, zoals het Afrikaans dat nog steeds doet: Die avonture van Kuifie – Die sigare van die Farao.

 

 

 


In het Comburgse handschrift van ruim rond 1400 staat een complete Reinaerttekst waarvan het begin hiernaast tweemaal die vermeldt waar wij nu de zeggen: die auonture (vroeger was het de avontuur, later werd dat om onduidelijke reden het avontuur) en die vijte (de vita, levensloop, geschiedenis).
Johan Verschuuren hield dat 600 jaar intact.

Maar hij hield in 2011 op met zijn weerpraatjes en bovendien reisde ik toen allang niet meer dagelijks door Oost-Brabant. Ik was dat taalverschijnsel eigenlijk al helemaal vergeten. Totdat het mij opviel dat exact hetzelfde fenomeen zich voordeed bij het weerpraatje aan het einde van het NOS-journaal. Niet bij alle weerpresentatoren: Gerrit Hiemstra en Peter Kuipers Munneke, die beiden bij voorkeur het weer bespreken van het Noorden Van Het Land, en de rest van Nederland er als gratis toegift/bijvangst nog achteraan melden (jawel: turf naar eens per journaal hoe vaak ze Noorden, Oosten, Midden, Westen, Zuiden en Rest van Nederland zeggen; je zult versteld staan van de verschillen; wij schieten dan hier thuis telkens in de lach), die twee dus doen maar zelden aan die in plaats van de. Marco Verhoef ook maar zelden.
Maar het begon mij bovenmatig op te vallen in het taalgebruik van Willemijn Hoebert: “En die zon, die blijft maar schijnen“, “Die wind zwakt in de loop van de avond af“, “Die temperatuur, die blijft nog aan de hoge kant“, enzovoort. Nu komt Willemijn Hoebert uit Wilnis, en dus niet uit (Zeeuws-)Vlaanderen, waar dit gebruik van die dialectisch nog frequent voorkomt, dus ik vraag me af wat haar beweegredenen ervoor zijn. Fout is het niet, vreemd is het wel.

Trouwens, ik hoor het Gio Lippens ook wel eens zeggen als hij de renners op de fiets volgt, maar hij heeft het excuus dat hij uit Zuid-Limburg komt en zijn taalgebruik dientengevolge Duitse invloeden herbergt.
En laat het nu juist het (Hoog-)Duits zijn dat die verzwakking van de klinker in de lidwoorden de [də], het [ət] en een [ən] niet kent, maar er de ‘volle’ vormen der, die, das, ein voor blijft hanteren, diverse Duitse en Oostenrijke dialecten daargelaten.

Also, die taalverandering, die is na duizend jaren nog lange niet voleindigd.

 

 

 

Kassarol en pinguïn

In mijn vorige artikel refereerde ik aan de woorden kassarol en pinguïn die commentator Jeroen Grueter uitsprak tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli jl. Ik kon mij de context van die ongebruikelijke sporttermen niet goed meer herinneren en daarom stoorde ik hem op zijn vakantieadres en vroeg hem enige toelichting.
Die ontving ik heel snel van hem, waarvoor mijn dank.

Een verslaggever moet ook van een slechte en saaie wedstrijd nog iets moois weten te maken. Han Hollander, Rik de Saedeleer en Theo Koomen konden dat, Frank Snoeks kan dat ook. Ik plaats Jeroen Grueter nu ook maar in dat rijtje.

Kroatië-Denemarken (1-1) was zo’n slechte wedstrijd. Niet saai, want het was een knock-outwedstrijd die de Kroaten uiteindelijk via strafschoppen in hun voordeel beslisten. Misschien was het meer de angst om te verliezen, dan het onvermogen om er een mooie wedstrijd van te maken, iets waarmee België en Brazilië vijf dagen later niet de minste moeite hadden.

Grueter gebruikt het woord kassarol als synoniem van “waslijst“. In zijn woorden:
Bij het gebruik van het woord kassa-rol is de context van de wedstrijd belangrijk, een duel waarin beide teams graag lijken te willen, maar gevangen zijn in een web van onvermogen en tactische beperkingen. De constatering is dat ook een aanzienlijke hoeveelheid goede bedoelingen niet genoeg zal zijn om de wedstrijd beter te maken. Sterker nog: de benodigde hoeveelheid past niet eens op een kassa-rol. Voor dit woord gekozen, omdat het, afgewikkeld, een stuk papier is van zeer aanzienlijke lengte“.

De gebruikte kwalificatie pinguïn viel ten deel aan de Kroaat Matteo Kovačić, die in de 71e minuut inviel voor Marcelo Brozović en niet veel later zelf een wat nare schouderblessure opliep. Jeroen Grueter over die blessure:
Het woord pinguïn was gezien de situatie eigenlijk vrij logisch. Een speler raakte geblesseerd aan de schouder, ogenschijnlijk was deze uit de kom geraakt of geweest. Toch wilde de speler doorspelen. Met een min of meer hangende arm. Daar concludeerde ik dat hij dan als een pinguïn over het veld zou lopen in de resterende speeltijd“.

Zo werd het gelukkig toch nog een wedstrijd om over door te praten.

 

 

Hele mooie bekers

Mijn grote interesse in het foutief gebruik van het bijwoord hele in plaats van heel zij inmiddels genoegzaam bekend. In hele mooie bekers slaat hele op mooie, en is dus een bijwoord (in de woordgroepleer: een “interne bijwoordelijke bepaling bij mooie“), dat volgens de grammatica’s geen buigings-e kan krijgen. Eerder al constateerde ik dat deze heel/hele-transitie zich wel handoverhand voordoet bij heel, maar niet bij veel, zodat de mogelijkheid dat het hier gaat om een taalverandering omwille van fonetisch gemak niet stand houdt. Niemand spreekt bijvoorbeeld van een vele mooiere beker.

Bovendien is het zo, dat de ‘moderne’ Nederlandssprekende zich bij dit gebruik van hele keurig netjes houdt aan de buigingsregels van Nederlandse bijvoeglijke naamwoorden. Je hoort dus tegenwoordig:

  • een hele mooie man (mannelijk)
  • een hele mooie vrouw (vrouwelijk)
  • een heel mooi kind (onzijdig)
  • een heel mooi dier (onzijdig)
  • hele mooie mannen/vrouwen/kinderen/dieren (meervoud)

De meest voor de hand liggende verklaring is dat mensen niet kunnen ontleden en dus denken dat dat bijwoord heel/hele, net als het erop volgende woord mooi(e) ook een bijvoeglijk naamwoord is en daarom hypercorrect in voorkomende gevallen de buigings-e krijgt.

Tot zover is dit allemaal oud nieuws, gelet op mijn eerdere artikel.

Het afgelopen WK-voetbal leverde mij, behalve twee mooie wedstrijden (Frankrijk-Argentinië en vooral Brazilië-België), ook enkele taalkundige verrassingen op:

– Tijdens die wedstrijd Frankrijk-Argentinië op 30 juni kwam NOS-commentator Philip Kooke opeens aanzetten met een behoorlijke valse nummer negen (al weet ik niet meer welke speler hij bedoelde). In die uitspraak verscheen dus het heel/hele-probleem opeens ook bij het woord behoorlijk. Dat is groot nieuws.

– Daags erop versloeg Jan Roelfs de wedstrijd Spanje-Rusland, gespeeld in het Loezjniki-stadion in Moskou. Roelfs roemde dat prachtige gebouwde stadion. Fout dus, ook fonetisch gezien, want prachtiggebouwde bekt makkelijker dan prachtigegebouwde. Zijn grammaticaal waninstinct won het dus van zijn spreekgemak. Dat is nog groter nieuws.

– Ja, dan hebben we ook nog Jeroen Grueter, voor mij na Frank Snoeks de beste NOS-sportcommentator, voornamelijk vanwege hun beider taalgebruik. Ook hij bezondigt zich aan de heel/hele-fout, maar ik vergeef het hem. Want tijdens Kroatië-Denemarken op 1 juli viel mij iets geweldigs op.
Ik beluister en bekijk sportuitzendingen al sinds 1958, waarmee ik een zestigjarige ervaring heb met stijl en taalgebruik van de verslaggevers. Voor Han Hollander was ik helaas te laat geboren, maar de stemmen van Dick van Rijn, Dick de Vree, Bob Spaak, Theo Koomen en de allergrootste: Rick de Saedeleer, herinner ik mij nog zeer goed. Op zeker moment trad er een soort ‘nieuwe zakelijkheid’ op in de verslaggeving. Bij voetbalverslagen begon dat in mijn beleving bij Theo Reitsma en Eddy Poelmann, en velen na hen bleven dat spoor der saaiheid volgen. Zo niet Frank Snoeks en Jeroen Grueter, die hun verslagen nog steeds met voldoende peper en zout kruiden.

Laatstgenoemde bestond het om tijdens zijn verslag van Kroatië-Denemarken op 1 juli 2018 het voetbalvocabulaire met twee woorden uit te breiden: kassarol en pinguïn. Zie voor een toelichting op beide termen mijn vervolgartikel.

Met al mijn zestig jaar kijk- en luisterervaring durf ik te zeggen dat die twee woorden nog  nimmer zijn gebezigd in een voetbal-, ijshockey- of schaatsverslag op de Nederlandse radio of tv. Hulde.

 

Respijt

Het valt deze weken niet mee om met gewenste regelmaat nieuwe berichten online te krijgen: de Tour de France, het WK-voetbal, vrij veel archiefwerk en vooral het vele, dankbare, maar tijdverslindende werk in de tuin en op het land. Dat laatste verschaft veel plezier, want alles groeit en bloeit als zelden tevoren. De foto getuigt daarvan: tussen de drie rijen aardappelen (links) is het nu keurig schoongemaakt, met de freesmachine en deels met de hand, en de rijen snij- en sperziebonen (rechts) staan op het punt hun eerste vruchten tevoorschijn te laten komen.

Maar er komt wel weer het moment voor een aantal nieuwe berichten. In mijn hoofd zoemen er vier over voetbalspelregels en eentje naar aanleiding van de documentaire Shoah, zo vlak na het overlijden van regisseur Lanzmann vorige week en mijn min of meer toevallige passeren van de afslag Mauthausen op de A1 in Oostenrijk, op weg van Rosoy naar de omgeving van Wenen, een paar weken geleden.

Dat zijn echter geen berichten die ik zo maar uit mijn mouw schud, dus enig respijt zij mij gegund.

 

Droogte

Ook zo’n last van het mooie weer? Na het veel te natte voorjaar (maar gelukkig zonder nachtvorst) kijken we nu aan tegen een droogteperiode. Het is ook nooit goed. Maar ik zeur er niet over, want watergebrek kennen we hier nauwelijks. Gewoon boven aan de straat bij het spoor een kubus met duizend liter water vullen en die voor het huis parkeren en dan kun je aan de slag.

Enkele malen per dag dus is het af- en aanlopen om twee emmertjes water te halen en de meest kwetsbare gewassen goed nat te houden. Bij voorkeur vroeg in de ochtend en begin van de avond, tussen de WK-wedstrijden door.

 

Vandaag, 1 juli, is het buiten maximaal 35°. Net iets te heet om je in het zweet te werken. Dus stond ik vanochtend tussen 8 en 10 al wat snoei- en sproeiwerk te verrichten. Als je ’s ochtends aan de voorkant van het huis, de oostkant, de luiken en ramen dichthoudt en die aan de achterkant, de westkant, openzet, en dan rond een uur of twee de zaak omkeert, blijft het binnen heerlijk koel: in de salon meet ik nu 23° en als dat nog te heet blijkt, dan maar even in de cave, waar het 18° is.

Al in het voorjaar beloofde het een jaar met rijke oogst te gaan worden, maar door de droogte vallen er al heel wat onrijpe appels spontaan, maar niet ver van de boom. Voor de perziken en wijnperziken dreigt hetzelfde, want bomen van voldoende water voorzien is onbegonnen werk. Komende week belooft de météo vijf dagen met onweersbuien. Het is ook nooit goed. Dan riskeren vooral de tomaten kapot te hagelen.

Maar goed, de aardbeienoogst was overvloedig en ook de kapucijners zijn de dans der droogte wel ontsprongen. De erg zoete en smaakvolle aardbeien werden in hoofdzaak tot mierzoete jam; de kapucijners verdwijnen voor het merendeel in de tweede diepvries. Ik hoop dat daar nog grote hoeveelheden sperziebonen (haricots nains, van die lange dunne) en snijbonen (haricots coco; snijbonenmolentjes kennen ze hier in Frankrijk niet) bijkomen, maar daarvoor is het nu nog een paar weken te vroeg. En dan in september/oktober kisten vol met aardappelen (Nicola’s en niet anders) die ik bij het spoorviaduct heb staan dit jaar.

Als tableau de la troupe wat foto’s van een deel der beloften die, naar ik hoop, toch nog tot rijping gaan komen.
Vanaf linksboven: perzik, vlier, mirabelle; kerstomaat, appel, wijnperzik; cayennepeper (nu nog groen, maar op termijn knalrood en vlijmscherp), kapucijner, framboos (als ik daarvan 1 kilo heb, gaat dat samen met het sap van 2 kilo al eerder geplukte cassis weer heel wat potjes jam opleveren).