Beaulieu, 4 van vele

Mocht iemand dit glas-in-loodraam in bezit hebben, dan wordt het zeer op prijs gesteld het bij mij terug te bezorgen.
Mocht iemand dit glas-in-loodraam ergens tegenkomen, bijvoorbeeld op een (rommel)markt, veiling of websites als Ebay of Leboncoin, of bij iemand thuis aan de muur of als salontafeltje, dan wordt het zeer op prijs gesteld dat mij snel te melden.

Het medaillon is rond met een diameter van ± 64 cm. Vermoedelijk is het 19e eeuws en een analyse van de inhoud heeft tot nu toe nog niet veel opgeleverd. Maar dat neemt niet weg dat je het beter kunt laten hangen dan het zich schielijk toe te eigenen. Gevalletje kunstroof.


Bruikbare tips mogen desgewenst ook anoniem zijn.


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/
Volgend bericht: https://nardloonen.nl/2018/06/05/beaulieu-5-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017-2018 Leonard Loonen”

Hirondelles

Hoera! Wij zijn er weer!

Teruggekeerd op het oude nest in de garage hebben we 4 (geloven we) eitjes gelegd die binnenkort wel zullen gaan uitkomen, als de bewoners en ook Louki en Pepette ons een beetje met rust laten, want alles wat fladdert is potentiële prooi voor hen.

 

Van alle mogelijkheden hebben we voor het gemak maar een bestaand nest betrokken, veilig hoog tegen het plafond, en van alle gemakken voorzien.
De auto ’s eronder hebben een paar weken pech.


 

Over een een week of zes zullen de jonkies het nest schoorvleugelend gaan verlaten en gaan we ze vliegles geven op de rand van de dakgoot.
Zit alles mee, dan overwegen we nog een tweede of derde nest.

Stay tuned.

Acht verlepte rozen

Dit is geen hommage aan of een persiflage op Toon Hermans, maar het betreft een taalkundige eigenaardigheid in het Nederlands en in de ons omringende talen.
Kort samengevat: hoe dienen we acht verlepte rozen te analyseren,
en hoe zit dat dan met zeer frequente ongelukken?

Sinds mijn kennismaking met de Transformationeel-generatieve Grammatica, de TGG dus, weet ik dat acht verlepte rozen een deel van een samengestelde zin is, die uiteenvalt in de acht nevengeschikte zinnen:

Roos1 is verlept |en| roos2 is verlept |en| roos3 is verlept |…| roos8 is verlept.

Dat wil dus zeggen dat de eigenschap “verlept” waar is voor elk van de acht bedoelde rozen.
Tot zover is alles duidelijk en m.i. correct.
Anders ligt dat bij zeer frequente ongelukken. Daarvan kan immers niet worden gezegd:

ongeluk1 is frequent |en| ongeluk2 is frequent |…| ongelukn is frequent.

Bijvoeglijke naamwoorden als frequent, veelvuldig, talrijk en veel voorkomend vereisen een meervoudig zelfstandig naamwoord, maar in tegenstelling tot de acht verlepte rozen is die kwantor frequent/veelvuldig/ enz. niet van toepassing op elk der elementen van de verzameling, maar zegt hij iets over het aantal leden der verzameling zelf.

Toch krijg ik iedere keer als ik in de Ardennen het op twee na hoogste punt passeer, Baraque de Fraiture, 640 m hoog, de aanvechting om de waarschuwing ACCIDENTS FREQUENTS foutief te vinden. Enerzijds omdat ik er nog nooit ook maar één ongeluk heb gezien, tweërzijds omdat dat nu net het moment is dat je zonder gas te geven gedurende 4½ km en daarna nog eens 2 km met 140 km/u heel economisch naar beneden kunt rijden (totdat men in Wallonië op het idee komt er een snelheidscamera te plaatsen), en derderzijds omdat ik er niet aan wil dat die fictieve ongelukken stuk voor stuk elk ook meteen een frequent ongeluk zijn. Een ongeluk komt weliswaar nooit alleen, maar frequent is het nimmer. Het is uniek, maar dat is wat anders.

Juister zou het in mijn optiek zijn om frequent niet bijvoeglijk, maar bijwoordelijk te maken: “FREQUEMMENT ACCIDENTS”; dat rijmt eveneens en is ritmisch zelfs nog wat sterker, iets waar Fransen zo dol op zijn, of in het Nederlands “HERHAALDELIJK/VAAK ONGELUKKEN”.

Vormen de accidents fréquents daarmee een taalfout, evenals het Duitse häufige Unfälle? Ik kan dat niet bewijzen. In de grammatica komt het vaker voor dat er meer dan één specifieke interpretatie mogelijk is. Het verhaal van de verlepte rozen en frequente ongelukken doet me een beetje denken aan de drie mogelijkheden om het lidwoord de te interpreteren:

  1. als bepaald lidwoord, dus duidend op één bepaald iets:
    De walvis is overleden.
  2. als categoriaal lidwoord, dus geldig voor elk element der verzameling:
    De walvis is een zoogdier (al vraag ik me af of dat ook voor mannetjeswalvissen geldt, maar goed; dan betekent “zoogdier”: een diersoort waarvan de jongen worden gezoogd).
  3. als generiek lidwoord, dus geldig voor de soort als zodanig, maar niet van toepassing op één of meer elementen uit die verzameling:
    De walvis dreigt uit te sterven (want één walvis kan niet in z’n eentje uitsterven).

Aldus kunnen we, met enige welwillendheid, frequente en fréquents interpreteren als “generiek bijvoeglijk naamwoord”, dat wil zeggen: van toepassing op de soort zelve, maar niet op enig element uit bedoelde verzameling.
Om het nog wat sterker uit te drukken: er zwemmen veel vissen in de vijver, maar voor niet één vis geldt dat die “veel” is. Dit voorbeeld opent de weg naar nog een andere mogelijkheid: net als veel kan ook frequent, veelvuldig, talrijk worden gezien als een onbepaald hoofdtelwoord. Voor menig geldt dat ook, maar daarvan is het opvallende dat het juist een enkelvoudig substantief bij zich heeft: menig ongeluk is aan drankmisbruik te wijten, terwijl je van geen enkel ongeluk kunt beweren dat het “menig” is.
Een argument om in genoemde woorden een telwoord te zien is de eigenschap dat ze zich niet laten combineren met een ander telwoord; je kunt niet twee veel ongelukken meemaken. Net zo min kun je twee frequente ongelukken zien gebeuren.

Bijvoeglijk naamwoord of telwoord – het blijft een puzzeltje.

_______________________

Ik moet eerlijk bekennen dat ik de bovenste foto heb verkozen die ik aantrof in een merkwaardige Afrikaanse blog (’n roos verlep), beginnend met de hartekreet: Ek het nog niks ledemate of ingewande gebreek nie, maar daar is sekerlik nie een pyn wat naby ‘n hartbreek kom nie!

 

Blundertje

In mijn lyrische bericht over 1 mei was ik helaas wat overmoedig geweest. Het bleek dat ik de 100 aardappelen had gepoot in het stukje land van een ander nabij het spoorviaduct.
Niet alleen in Nederland wonen hufters; die eigenaar, ik ken zijn naam, wetende dat ik dat had gedaan per ongeluk, freesde de aanplant rücksichtlos overhoop, waardoor alle pootaardappeltjes kapotgesneden waren. Toen ik hem daarop aansprak, haalde hij hautain de schouders op.

Maar niet getreurd. Afgelopen weekend kon ik in Ottersum alsnog een doos nieuwe kopen. Omdat het zo’n zielig verhaal was, en de nicola’s al erg ver waren gaan uitlopen, kreeg ik er nu 150, die ik gisteren in de natte, vette klei in drie rijen heb gepoot, met wat patentkali voor de betere groei. Het is het stuk grond van zo’n 23 bij 7 meter tussen de liggende balkjes; de rijen zijn met groen touw gemarkeerd.

Ik hoop er dik 200 kilo van te kunnen gaan oogsten, genoeg tot in april volgend jaar.

 

Vooralsnog gelijk

In mijn oktober-artikel had ik voorspeld dat Barcelona-Real Madrid op 6 mei zou eindigen in 3-2. Het werd gisteren 2-2 in een bepaald onvriendelijke wedstrijd. Daarmee is aangetoond dat de strijd tussen Rajoy en Puigdemont in een impasse verkeert.
Is het een aflopende zaak of slechts stilte voor de storm?
Ik durf er niks meer over te zeggen.

 

1 mei

Tussen het gedicht Máj van Karel Hynek Mácha uit 1836 en Herman Gorters Mei (1886) ligt een halve eeuw en een wereld van verschil, hoewel beide dichtwerken baanbrekend waren en lange tijd een pijler vormden in de Tsjechische resp. Nederlandse literatuur.
Máj kende tot nu toe 279 herdrukken, Mei wel veel heruitgaven, maar veel minder herdrukken, ik meen rond de 40. De twee gedichten zijn alles behalve kopieën van elkaar, maar ook niet helemaal elkaars tegendeel.

 

 

De overeenkomst zit hem in de uitbeelding van de vergankelijkheid. Bij Máj is dat de beschrijving van de avond van 1 mei voorafgaand aan de executie van de hoofdpersoon daags erop. In die zin doet het even denken aan het welbekende De achttien doden van Jan Campert.
Mei (foto omslag © KB) situeert die vergankelijkheid door, min of meer als onafwendbare natuurlijkheid, de meimaand te plaatsen tussen april en juni. Ook corresponderen romantiek en liefdesverdriet in beide werken. Maar toch ademt het begin van Máj (Byl pozdní večer – první máj – večerní máj – byl lásky čas”; “Het was laat op de avond – de eerste mei – meiavond – liefdestijd”) een geheel andere geest dan de beroemde beginregels van Mei: “Een nieuwe lente, een nieuw geluid”. Máj bezingt het einde, Mei het begin. En over dat laatste wilde ik het eigenlijk hier hebben.

 

Een amateurboer als ik heeft de tijd niet om lang stil te staan bij verheven versregels. Eind april, begin mei moeten de handen uit de mouwen en wroeten in de grond, met vette klei achter de nagels, niet als rouwranden, maar als tekenen van aanstaande groei en bloei. Nachtvorst vormt de grootste bedreiging, zoals vorig jaar bijkans alle fruitbomen naar de knoppen gingen – geen appels, perziken, mirabellen dat jaar. Maar vooralsnog ziet het weer er een stuk gunstiger uit.

Het is de tijd van spitten en wieden, zaaien, poten en planten en met een gunstige mix van zon en regen schiet de voorspoed de grond uit. Een beetje poëtisch en lyrisch, arcadisch ook wel, mag het klinken, maar het is vooral hard werken. Het is de mooiste tijd van het jaar, doordat het, als het meezit, de belofte herbergt van een oogstperiode later, in de zomer. Het is de tijd dat de kapucijners, de uien, de aardappels (Nicola’s uiteraard), de rucola, de cayennepepers, de kerstomaten, de appels, mirabellen, perziken, wijnperziken en vlierbessen, de aardbeien, de frambozen, de zwarte bessen als om strijd hun best doen om hun beloofde opbrengst naar boven te halen, de tijd dat de kruiden weelderig groeien, maar liever niet bloeien. Peterselie en bieslook, lavas, dille, citroentijm en salie; basilicum, selderie en munt – misschien vergeet ik er nog een paar.

Het is de mooiste tijd van het jaar. Het is genieten.