¿Sevilla? ¡Róterdam!

Zo op het eerste oog zijn er niet veel lijntjes die Sevilla met Rotterdam verbinden; een bijpassend plaatje ontbreekt dus ditmaal, maar na wat betere beschouwing heb ik toch twee verbanden kunnen vinden. Het ene heeft met bruggen te maken, het andere met voetbal.

Befaamd in Rotterdam is de Erasmusbrug, een ontwerp van architect Ben van Berkel, die in 1996 officieel werd geopend. Deze 800 meter lange tuibrug met één geknikte stalen pylon is al ruim 20 jaar een blikvanger in de stad. Maar het is niet de enige brug van een dergelijke constructie.


Alleen moeten we dan naar architect Santiago Calatrava. Die heeft, om de werkelijkheid maar even om te keren, een aantal Erasmusbruggen op zijn naam staan, maar niet die van Rotterdam. Je treft er onder meer eentje aan in Valencia, in Jeruzalem, in Redding (Californië), en dus ook in Sevilla. Alle van vergelijkbaar ontwerp. Die in Sevilla, gebouwd voor de Expo in 1992, luistert naar de naam Puente del Alamillo en is dus ouder dan de Erasmusbrug, maar wel ruim driemaal zo kort, ±250 meter en ontworpen als voetgangersbrug. Nergens heb ik kunnen vinden dat Ben van Berkel zich voor de Erasmusbrug door die Puente heeft laten inspireren, ook al zijn de overeenkomsten tussen beide bruggen nog zo frappant.

  • Bewust heb ik ervoor gekozen hierboven alleen zelfgemaakte foto’s te plaatsen, en niet her en der van internet wat te plukken, ook al zijn die vaak fraaier.

Een tweede lijntje tussen Sevilla en Rotterdam putte ik uit mijn geheugen. In 2014 troffen FC Sevilla en Feyenoord elkaar in de groepsfase van de Europa League. De buit werd eerlijk verdeeld: Sevilla won thuis met 2-0 en Feyenoord won in De Kuip met 2-0. Daarmee werd Feyenoord groepswinnaar en Sevilla tweede, maar dat terzijde.


Omdat het niet zo ver lopen was -het Estadio Ramón Sánchez Pizjuán ligt midden in de stad- wilde ik het wel eens bekijken. Ondanks de indrukwekkende naam haalt dat stadion het niet bij De Kuip, maar daar ging het mij niet om. Ik had eerder al eens gezien dat er vóór het stadion een reusachtige Wall of Fame staat, waarop, zegt men, de meest aansprekende tegenstanders van FC Sevilla staan afgebeeld. Dit nu is een leugen: er ontbreekt er minstens eentje: Feyenoord. Ik zal er toch niet overheen hebben gekeken. Mogelijk liggen ze wat achter met het bijwerken van het bord; beide clubs hadden elkaar nooit eerder ontmoet. Over een paar jaar nog maar eens gaan kijken.
Sevilla zelf is zeker een herbezoek waard.

_____________________________

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2018/04/26/sevilla-groen-en-blauw/

¿Sevilla? Groen en blauw

Als verstokt republikein wil ik niet te lang stilstaan bij de vele sinaasappels die je overal in Sevilla in de publieke ruimte tegenkomt, maar ze vielen me wel op.
Meer geboeid was ik door twee andere prominente kleuren in de stad: groen en blauw, de eerste min of meer natuurlijk, de tweede min of meer kunstmatig.

Het groen manifesteert zich in de vele aanplant van bomen en struiken, jonge en heel oude. Natuurlijk wil een en ander wel groeien en bloeien in een klimaat als dat ter plaatse. Folders beweren dat Sevilla de warmste stad van Europa is. Daar valt overigens wel wat op af te dingen: toen wij vertrokken was het in Boxmeer/Eindhoven blauwe lucht en 20°; bij aankomst in Sevilla troffen we zwaar bewolkt weer aan, regenval en niet meer dan 13°. Dat herstelde zich later die week wel in temperaturen tussen 27 en 29, maar dat was het in Rosoy en Boxmeer ook. Dat alles neemt niet weg dat Sevilla als “ville fleurie” heel prettig overkomt met al die bomen en plantenbakken.
Hoogtepunt vond ik het schitterend aangelegde Parque Maria Luisa tegenover het Plaza de España, een oase van rust in een drukke stad. (Kleine linguïstische twijfel: moet je nu de of het Parque en Plaza schrijven?). Maar de veel te veel auto’s verpesten daarbij natuurlijk wel het klimaatvoordeel van al dat groen. Nog meer paardenkoetsen en een uitgebreider OV zouden er wat aan kunnen doen; nu wurmen zich onophoudelijk auto’s door de steegjes van de binnenstad en lijden de grotere verkeersaders aan een vervoersinfarct. Tja, in andere grote steden is het niet veel beter gesteld. Ik zie ze in Sevilla niet 1-2-3 de oude binnenstad autovrij maken.

Het blauw hebben mensen aan al dat groen toegevoegd. Het manifesteert zich in de vele blauwe tegels tegen muren, op vloeren, op pilaren enzovoort. Dat fraaie (dat is subjectief, maar hun veelvoud is objectief waarneembaar) tegelwerk was mij al eerder opgevallen in Porto, toen ik dacht dat het iets typisch Portugees betrof, maar ook Andalusië blijkt er patent op te hebben. Sterker nog: Portugal heeft deze kunstvorm uit Andalusië geïmporteerd. Echt Delfts Blauw zul je niet meer zo veel overal in een stad tegenkomen, maar het bestond destijds wel op het Iberisch schiereiland.
De kunstvorm heeft in hoofdzaak een decoratieve functie; het plakken van blauwe tegels onder tegen je balkonvloeren dient geen enkel praktisch doel, soms ook een commercieel om als een soort keramische bill boards artikelen aan te prijzen. Vanwege de rijke variëteit en de kunstzinnigheid van deze Azulejos reik ik er hier nog een paar aan uit Sevilla.
Gaat dat zien.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

______________________________
Vorig bericht: ¿Sevilla Vlaams?
Volgend bericht: ¿Sevilla? ¡Róterdam!

 

 

¿Sevilla Vlaams?

Ik had me er onvoldoende op voorbereid toen ik vorige week een flamencoshow bezocht in  de Tablao Flamenco Los Gallos in Sevilla. Mijn vermoeden dat het in hoofdzaak zou gaan om bronstige paringsdansen van Zuid-Amerikaanse snit werd in ieder geval gelogenstraft, maar wat het dan wèl inhield, kreeg ik pas weer terug thuis te lezen op internet.

In het knusse zaaltje werd ook niet overmatig veel informatie verstrekt; wel was er een gratis drankje bij de entreeprijs inbegrepen. Weliswaar werd er vooraf wat tekst op een filmdoek geprojecteerd, maar die was hoofdzakelijk in het Spaans en bleef te kort staan om te ontcijferen, en bovendien zaten we wat opzij op de eerste rij, zodat we toch al niks op het scherm konden lezen. Dat op de eerste rij zitten had wel het voordeel dat we heel goed zicht hadden op het razend knappe voetenwerk van de dansers en danseressen.

Ook over de herkomst van het woord flamenco had ik mij nooit eerder gebogen. Zo her en der tref je aan:

  • Flamenco is een Spaans bijvoeglijk naamwoord dat “Vlaams” betekent, verwijzend naar de periode rond Karel I die in de 16e eeuw veel Vlaamse zangers naar de Spaanse kathedralen haalde. Dat moge zo zijn, maar het is even speculatief als dat het Tsjechische werkwoord flámovat (“boemelen, zuipen, kroeglopen“) een Vlaamse uitvinding zou zijn. Het is wat met die Belgen.
  • Flamenco is een afleiding van het Provençaalse flamenc en/of Catalaanse flamench dat is afgeleid van Latijns flamma (“vlam“).
  • Flamenco is een verbastering van het Arabische felah-mengu (of afgeleide vormen) met als oorspronkelijke betekenis “loslopende/gevluchte boer“.

Kortom: men weet het niet, wat op zich niet zo vreemd is, doordat de eeuwenoude flamencotraditie weinig schriftelijke bronnen, noch muzieknotaties kent, daar destijds in en rond Andalusië het analfabetisme hoogtij vierde.

De gezongen teksten waren voor mij niet te verstaan. Ik vermoedde dat het iets van oud-Spaans was, of dat ze in het Andalusisch waren. Na afloop buiten vroeg ik het aan een van de zangers, maar die beweerde bij hoog en bij laag dat het echt Spaans was. Het zal wel.

Een soortgelijk probleem was de muziek. Geen touw aan vast te knopen. Ik weet nu dat het hoofdzakelijk om twaalfkwartsmaten gaat (ik telde eerder groepen van 4xdriekwartsmaat, maar misschien is dat hetzelfde); opzwepend ritmisch is de muziek in elk geval wel, maar ook op grondtoon en gebezigde toonladders van de zang en de begeleidende gitaren kreeg ik geen vat. Daaraan kan ten grondslag liggen dat deze muziek door de eeuwen heen een mix is geweest van diverse culturen, van Fenicisch tot joods, van Arabisch tot christelijk, van Vlaams tot zigeuners, zeg maar een Grieks-Romeinse worsteling van cultuur- en muziekinvloeden. Dat maakt het uitermate boeiend, als je er tenminste wat van afweet of er uitvoerig over wordt geïnformeerd. Helaas ontsteeg het dus door die slechte voorbereiding niet het niveau van Omroep Max of AvroTros, en bleef het noodgedwongen een beetje bij genieten van het spektakel, de soepele danskunst, het virtuoze gitaarspel, de klepklakkende voetzolen, de zwierende rokken.

Wat dat laatste betreft: de lokale traditie schrijft voor dat de vrouwen gehuld gaan in dat soort kledij. Net vorige week was het in Sevilla Feria de Abril (nog net iets minder erg dan carnaval), wat onder meer inhoudt dat ook op straat heel wat dames en meisjes gekleed gaan in van die lange, kleurige  folkloresoepjurken met een wespentaille en breed uitlopende onderkant. Met nog een bloem in het hoofd gestoken. Echt iets om mij een plezier mee te doen.

Maar in Los Gallos zag ik de functionaliteit van die wapperende rokken. Ik zie het de Vlamingen voor- noch nadoen.
_________________________________
Volgend bericht: ¿Sevilla? Groen en blauw

Wedden dat? (2)

Ik heb met mijn weddenschap van
9 maart maar half gelijk gekregen. Ook goed.
Ik had voorspeld dat Feyenoord op 11 maart AZ zou laten winnen om die club dichter bij plek 2 in de competitie te krijgen, in ruil waarvoor Feyenoord op 22 april de beker mocht winnen.
Maar wat gebeurde: Feyenoord won beide wedstrijden en AZ zit met de gebakken peren en het is maar de vraag of AZ dit seizoen nog in ieder geval een Europees ticket zal weten te bemachtigen. Van mij mogen ze; het is een prima voetballend team.
Maar mijn dag kan niet meer stuk, ondanks mijn half verloren weddenschap.