Futuristisch

Om aan te geven dat een gebeurtenis of handeling in de toekomst plaatsvindt, gebruik je in principe de toekomende tijd (ook wel futurum of future genoemd). Daarvoor staan er diverse taalvormen ter beschikking. Maar per taal verschillen de mogelijkheden nogal. Voor het Nederlands zijn er dat alles bij elkaar vier.

Zuid-Europese (Romaanse) talen als het Frans, Italiaans en Spaans hebben een werkwoordsvorm die specifiek is bestemd om een toekomstige handeling of gebeurtenis aan te geven. In die talen kun je dus aan de werkwoordsvorm zien dat de toekomende tijd wordt bedoeld. Een voorbeeldje, als je wilt aangeven “dat wij er later nog wel over spreken” (de werkwoordsvormen staan onderstreept):

(1) (Frans) Nous en parlerons plus tard.
(2) (Italiaans) Ne parleremo più tardi.
(3) (Spaans) Hablaremos de eso más tarde.

Meer noordelijker Europese talen als Nederlands, Engels, Duits, Deens en Zweeds kennen deze speciale werkwoordsvorm niet. In die talen moet je je dus van andere middelen bedienen.

Alternatieven voor het Nederlands

In ieder geval voor het Nederlands geldt dat er vier mogelijkheden zijn om over de toekomst te spreken:

  • 1. De meest eenvoudig is de zin gewoon in de tegenwoordige tijd te zetten, in de hoop dat de hoorder/lezer wel snapt dat je het over de toekomst hebt:

(4) Nog één zo’n opmerking en ik vertrek!
(5) IJs en weder dienende kom ik bij je langs.

  • 2. Wil je nog iets duidelijker zijn dan voeg je aan de zin in de tegenwoordige tijd een tijdsbepaling toe die vooruit in de tijd ligt, dus rechts van NU op de tijdlijn:

(6) Morgen bel ik je nog wel op.
(7) Binnenkort ben ik jarig. Ik nodig dan de hele familie uit.

  • 3. De derde mogelijkheid is het gebruik van een speciaal hulpwerkwoord (“van de toekomende tijd”):

(8) Als hij de foto’s onder ogen krijgt, gaat hij wel wat spraakzamer worden.
(9) Wat dit voor gevolgen heeft, zal de toekomst ons nog leren.

  • 4. Een bijzondere manier is het gebruik van een pseudokoppelwerkwoord als raken of komen. Van onze enige drie echte koppelwerkwoorden zijnworden en blijven*) kennen de eerste twee enkele stilistische nevenvormen. Voor zijn, dat wijst op de huidige situatie, dus tegenwoordige tijd, zijn dat staanzittenvormen en vallen (Het staat/valt/is te bezien. Zo’n onweer vormt/is geen uitzondering. De doos zit/is vol). Voor worden, dat wijst op een toekomstige situatie, zijn dat raken en komen te: zeg je “Ik raak vermoeid“, dan bedoel je aan te geven dat er een begin wordt gemaakt met jouw vermoeid zijn. Zeg je “Deze regeling komt te vervallen“, dan bedoel je aan te geven dat er in de toekomst een moment komt waarop de regeling niet meer van kracht is.

Gaan of zullen?

In zeer veel taalmethoden en grammatica’s staat het hulpwerkwoord zullen genoemd als de ‘normale’ aanduider van de toekomende tijd, maar eigenlijk is dat onjuist.
Zullen behoort tot het rijtje van modale hulpwerkwoorden (zullenwillenkunnenmogenmoetenlaten). Deze werkwoorden hebben als overeenkomstige betekeniskenmerk dat zij de bijbehorende bewering plaatsen op de lijn van ofwel onwaarschijnlijk naar waarschijnlijk, ofwel ongewenst naar gewenst. Zo drukt zal in zin (9) niet zozeer de toekomst uit, als wel de waarschijnlijkheid die de spreker wenst uit te drukken. Bij gebruik van zullen is er dus steeds, en hoofdzakelijk, sprake van een (on)waarschijnlijkheid of een (on)gewenstheid; daarom heet het ook een modaal hulpwerkwoord.

Bij gaan ligt dat geheel anders. Dat werkwoord kan wijzen op een verplaatsing:

(10) Ik ga naar boven.
(11) In de wintermaanden gaan zij altijd naar Spanje.

In die zinnen betekent gaan: “zich verplaatsen“, en drukt het ook niet noodzakelijk een toekomst uit. Maar gaan, als het niet “zich verplaatsen” betekent, doet dat wel:

(12) Ik ga nadenken hoe ik hierop moet reageren.
(13) Dat gaat nog een hele kluif worden!

In deze en soortgelijke gevallen plaatst gaan de gebeurtenis op de tijdlijn, de lijn van links=vroeger naar rechts=later, en wel op een moment later dan het moment NU, dat midden op die tijdlijn ligt. Toekomende tijd dus. Zie bovenstaande afbeelding.
Dit gebruik van gaan als enige Nederlandse hulpwerkwoord van de toekomende tijd treffen we al aan in het Middelnederlands (1200-1500). Opmerkelijk is, dat het grote Woordenboek der Nederlandsche taal, dat het Nederlands beschrijft van 1500-±1920, dit gebruik afwijst als ‘gallicisme’, dus een te sterk van het Frans overgenomen gebruiksvorm, vooral in ons taalgebied binnengeslopen via het Vlaams.

Dat brengt mij weer even bij zin (1) hierboven. Ook het Frans kent namelijk een andere manier voor de toekomende tijd dan die specifieke werkwoordsvorm (in dit geval: parlerons). Naast die vorm hoor je met grote regelmaat, en zonder kennelijk betekenisverschil, het gebruik van aller (“gaan“) als hulpwerkwoord van de toekomende tijd:

(1a) Nous allons en parler plus tard.

en kun je naast elkaar gebruiken, zonder betekenisverschil, als je wilt uitdrukken dat “het wel zal lukken“:

(14a) Ça ira (toekomende-tijdvorm)
(14b) Ça va aller (va als hulpwerkwoord van de toekomende tijd; vergelijk het Vlaamse “Dat gaat wel gaan“.

Nog steeds gebruiken Vlamingen het toekomende gaan veel vaker dat Noord-Nederlanders:

(15) Dat gaat niet goed gaan.
(16) Je gaat de nieuwste ontwikkelingen niet kunnen tegenhouden.

Over het verschil in gebruik en betekenis tussen gaan en zullen is op internet nog veel meer te vinden.

Ook als gaan in de verleden tijd wordt gebruikt, kan het nog wel degelijk op de toekomst wijzen. We kennen in het Nederlands daarom ook de afkorting OVTT (Onvoltooid Verleden Toekomende Tijd).
Een wat ingewikkelde situatieschets: Sander wil buiten gaan voetballen, maar hij weet dat zijn ouders het niet op prijs stellen als hij te laat thuiskomt om te eten. Hij stelt daarom voor vertrek de vraag:

(17) Hoe laat gingen we ook al weer eten?

Wat Sander hier op de tijdlijn doet is uiterst boeiend: hij spreekt de zin op het moment NU, dat ligt bij X . Door de verleden tijd gingen te gebruiken (dus gelegen links van NU; vroeger in de afbeelding), refereert hij aan een eerdere uitspraak die het etenstijdstip bevatte, maar die betrekking had op een later moment (dus rechts van NU; toekomst in de afbeelding) waarop dat eten zal beginnen. Merk daarbij tevens op dat Sander de toekomst niet uitdrukt met zullen, maar met gaan. Zullen is hier niet mogelijk als hulpwerkwoord van toekomende tijd, maar uitsluitend als hulpwerkwoord van modaliteit. Zou hij hebben gevraagd:

(17) Hoe laat zouden we ook al weer eten?

dan drukt hij een waarschijnlijkheid uit, of eventueel een wenselijkheid, terwijl hij nu juist de zekere afspraak van de etenstijd wilde bevragen.

Het “ook al weer” is een typisch Nederlandse gewoonte om met behulp van stop- en bijwoordjes het grijs tussen zwart en wit aan te geven, of, in dit geval, Sanders onzekerheid over het afgesproken tijdstip. Een heel boeiende zin, alles bij elkaar.

Kort samengevat: Het hulpwerkwoord zullen heeft in hoofdzaak een modale betekenis (dus van waarschijnlijkheid of gewenstheid). Als er al een verwijzing naar de toekomst in de zin ligt, komt dat meer op rekening van de context en/of de rest van de zin, dan op het gebruik van zullen.
Het hulpwerkwoord gaan (niet in de betekenis van “zich verplaatsen“) wijst op een handeling of toestand in de toekomst, en is als zodanig ook het enige echte hulpwerkwoord van de toekomende tijd.
In Vlaams-Nederlands, zeker in gesproken Vlaams, is het gebruikelijker dan in het Noord-Nederlands om gaan te gebruiken als hulpwerkwoord van toekomende tijd. Het is al zó ingeburgerd, dat het niet langer zinvol is het als ‘gallicisme’ af te wijzen. Integendeel: als functiedrager van de toekomende tijd is het veel zuiverder dan het modale zullen.
_________________
*) Zie daarvoor mijn artikel op
https://educatie-en-school.infonu.nl/taal/18451-koppelwerkwoorden-hoeveel-en-waarom.html