Beaulieu, 3 van vele

Dit is het derde van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier vooralsnog het laatste bericht over de kapel, voordat we een kijkje gaan nemen op het terrein en in het Château
.

Zoals ik in het vorige bericht al aangaf, was het grootste risico voor het glas-in-loodraam van St.-Nicolaas het zwiepen van de takken naast de kapel. Vandaar dat ik als eerste voorzorg was begonnen met enig snoeiwerk tussen de openbare weg en de kapel. Het heeft weinig zin hier nu te vermelden dat ik daarbij per ongeluk met de motorkettingzaag een stuk prikkeldraad te pakken had, dat zich in de ketting wrong en daarbij de ketting, het kettingzwaard en een remklauw onherstelbaar vernielde. Dat kwam me dus op nieuwe onderdelen te staan, waarna ik weer onverdroten verder kon.
Inmiddels is het snoeiwerk verricht en zijn de bijbehorende bomen geveld, waardoor de restanten van Sinterklaas, in het bijzonder de drie jongelingen in de tobbe aan zijn voeten, weer zorgeloos de winter in kunnen.

Een laatste bijzonderheid van de kapel is dat ik op een gegeven moment ontdekte dat er aan de zijkant een ingang is naar een crypte. Pikdonker, en zonder zaklantaarn lastig te onderzoeken. Natuurlijk was mijn hoop er de graftombes te vinden van helaas overleden abten of prelaten, en eventueel een bijbehorend kistje met gouden muntstukken voor hunne zielenreis. Dat zoeken was niet geheel risicoloos, want zo te zien kwam er nogal eens een brokstuk van het plafond naar beneden en een helm heb ik niet.
Jammer genoeg was de crypte geheel leeg; het enige wat ik er aantrof, was een oud, half verroest wijnrek, helemaal leeg.
Misschien moet ik nog eens wat dieper gaan graven.

 

 

Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/02/beaulieu-2-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2018/05/27/beaulieu-4-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”

Verburghen hol

Treckt weer na uw’ verburghen holen“. Zo begint Johannes Stalpaert van der Wiele zijn 296e lied van de Gulde-Jaers Feest-dage (1635), behorende bij de feestdag van Ignatius van Loyola, 31 juli. Het is de eerste regel van de 13 coupletten waaronder zich het ons bekende Ignatiuslied bevindt. Dat eerste couplet verwenst de ketterse hervormers, die maar beter hun verre, heimelijke krochten weer kunnen gaan opzoeken. Een soort pleur op dus, maar dan van een paar eeuwen terug.

Ik moest daaraan denken toen afgelopen zondag, 19 november, in de Verlatzaal van het prachtige, sfeervolle, 15e-eeuwse kasteel Cortewalle te Beveren, de jaarlijkse presentatie plaatsvond van het Tiecelijn-Jaarboek. Naast de voortreffelijke omlijsting van dat evenement met harpmuziek van Mathilde Wauters trof ik ook een drietal Reynaert-gelieerde bieren aan. De Reynaert Grand Cru was er niet, maar in Lochristi kon ik simpel aan een volle krat komen. Wel verraste mij drie producties van brouwerij Domein Reynaert. Het Ysengrin-bier noemde ik al eerder, maar nu blijkt er ook een variant Nobel en Bruun te bestaan. Iets om eens goed in gedachten te houden.

In zijn openingsspeech maakte de Schepen van Beveren melding van een bijzondere archeologische vondst. Die had al eerder de Vlaamse pers gehaald (zie bv. Het Laatste Nieuws en Het Nieuwsblad van 10 oktober) en was ook reeds genoemd in de E-nieuwsbrief van het Reynaertgenootschap.

Foto: Kristof Pieters (Het Laatste Nieuws)

In het kort komt de vondst hierop neer: bij grondwerkzaamheden in verband met verkaveling van een voormalig voetbalveld van KFC Vrasene (gem. Beveren) werd bij archeologische opgravingen een ± 2.000 jaar oude Romeinse voorraadpot gevonden onder een maalsteen, gedeponeerd in een oude, grote dassen- of vossenburcht. De persbronnen suggereren dat we daarbij wellicht hebben te maken met de vossenburcht Malpertuus, het voornaamste vossenhol van onze Reynaert.
Wetenschappelijk bewijs daarvoor ontbreekt vooralsnog. Wel weten we dat Malpertuus tot nu toe nimmer is gelokaliseerd, maar dat we op grond van de oudst bekende Reynaertteksten mogen aannemen dat het zich bevond in de driehoek Gent-Hulst-Antwerpen, waarbinnen Beveren in ieder geval ligt.

Een andere aanwijzing die in die richting zou kunnen wijzen, is dat ik in een studie uit 2007 rond de 180 voorkomens van het toponiem Malpertuus heb gevonden, alle in Frankrijk, en geen in België of Nederland; het meest noordelijk gelegen toponiem is l’île Maupertuis, een (schier-)eiland in de Seine aan de zuidrand van Rouen (76). Nu kan het natuurlijk zo wezen dat Willem, ‘onze’ Reynaertdichter, de naam Malpertuus heeft ontleend aan de iets oudere Franse Roman de Renard, maar daar tegen pleit dat de geografische aanduidingen in de Vlaamse versie (Gent, Hulst, Hijfte, Belsele, Kriekeputte, …) nagenoeg alle in genoemde driehoek rond het Waasland zijn terug te vinden en voor lezers/toehoorders van de Reynaert destijds ook herkenbare locaties waren. Ik houd het voor zeer waarschijnlijk dat ook het in de tekst veelvuldig genoemde Malpertuus, of een schrijfvariant daarvan, een nabije plek was die het publiek onmiddellijk aansprak en waar men ook bij wijze van spreken direct naartoe kon.

Een wetenschappelijk bewijs is het niet, maar het vaststellen dat er een Wase vindplaats van Malpertuus is, zou zeer wel passen in mijn opvattingen rond de verspreiding van de naam van dit verburghen hol van de schurk/schelm Reynaert. In het bijzonder mijn bevinding dat de 180 voorkomens van Malpertuus in hoofdzaak lagen in het gebied van Zuidoost Frankrijk tot Belgica Pars, diagonaal door Frankrijk dus, en mogelijk verwijzen naar plekken die voor de Romeinse legers op weg naar Brittannië moeilijk te doorkruisen waren, pleit daarvoor. En dat er in Vrasene Romeinen zijn geweest, bewijst de archeologische vondst van september 2017 maar al te zeer.

 

Boter op wiens hoofd?

Het wordt hoog tijd dat ik mijn stamkaart en distributiebonnen uit de archiefdoos tevoorschijn haal om nog enigermate aan mijn boterrantsoen te kunnen komen:
in Frankrijk is er sinds half oktober zowat geen boter meer te krijgen. Niet bij de Colruyt, niet bij Leclerc, niet bij de Carrefour, niet bij de Intermarché, nergens. Wat is er aan de hand? Geen melkquota meer? Geen melkplas meer? En waarom wel in Frankrijk, maar niet in België en Nederland?

Er circuleren diverse verklaringen in de media. Een daarvan is dat de boterprijzen dermate hoog zijn gestegen, in een jaar tijd van € 2.500 per ton tot wel € 8.000, dat de tussenhandel, lees de supermarkten, het verrekken die hogere prijzen aan hun leveranciers te betalen en vervolgens te moeten doorberekenen aan hun klanten. Daardoor ontstaat er een vreemd soort prijzenoorlog, waarbij de Franse winkelketens hun hakken in het zand hebben gezet en liever niet verkopen dan veel te duur. Typisch Franse koppigheid.

Een andere gemelde verklaring is dat Nieuw-Zeeland, ’s werelds grootste melkexporteur, met een tekort aan melkvolume kampt.
Pardon? Nieuw-Zeelandse melk in Europa? Daar waar wij gewend zijn aan boterbergen, koelhuisboter, melkplassen en overschotten bij de vleet, hebben wij Nieuw-Zeelandse melk nodig om onze boterhammen te smeren? En waarom dan bij uitstek in Frankrijk, en niet in zijn noordelijke buurlanden? Is er iets mis met de Europese samenwerking, vrijhandel, open grenzen?

Ik weet het goed gemaakt. Ik keer terug naar de jaren-’50. Ik rijd naar Nederland. Koop daar een bult boter en smokkel die als vanouds de Belgische grens over. En de Luxemburgse. Daar bevoorraad ik me ook nog eens met aanmerkelijk goedkopere benzine, diesel, alcohol en tabak en rijd met een auto vol smokkelwaar de Franse grens over. Word ik daar niet door de douane betrapt, dan ben ik hem gesmeerd en kan hier weer rustig volop genieten van mijn slinks vergaarde ravitaillering.
Vive l’Europe.

 

11-11

In Nederland kenen we het niet, maar in Frankrijk is 11 november traditioneel een nationale feestdag ter herdenking van de wapenstilstand in 1918. Zo ook dit jaar, waarbij de gemeente Haute-Amance (Hortes, Rosoy-sur-Amance, Troischamps en Montlandon) flink uit de slof was geschoten met een expositie in de Salle des Fêtes in Hortes, 10, 11 en 12 november, geanimeerd door de Association Militaria uit Chaumont.
Men was er zeer zeker vroeg bij om al in 2017 de ‘centenaire’ van 1918 te vieren, dat moet gezegd. Zuid-Nederlandse carnavalvierders lopen met hun 11.11. slechts drie maanden vooruit.

Op 10 november werd een en ander in Hortes geïnstalleerd en kwam er een aantal schoolklasjes op bezoek voor een voorbeschouwing met tekst en uitleg. Dat is iets waar Frankrijk een goede beurt maakt: het betrekken van schoolkinderen bij culturele en historische evenementen, of het nu vaste exposities in musea betreft of incidentele gebeurtenissen als deze tentoonstelling.
Het betekent evenwel meteen al dat ik er nogal tweeslachtig tegenaan kijk: de kinderen raakten in hoofdzaak geobsedeerd door het modelkanon dat stond opgesteld en de ‘echte’ schietgeweren uit ’14-’18 die ze maar wat graag in hun handen hadden. Evident loopt daardoor de verheerlijking van wapentuig en patriottisme ver vooruit op het leggen van nadruk op oorlogsellende en vredespromotie, zeker als je ziet dat enkele jongelui vol trots zich in nepuniformen tooiden en zich al doende een vechtjas-in-de-dop waanden. Het ophemelen van militaria: quel exemple pour les petits.

Gedurende de twee officiële expositiedagen vertoonde het scherm af en toe een foto-diaporama van mijn Parisot-boek, maar verder voornamelijk een continue DVD met een Apocalypsflim van de Eerste Wereldoorlog. Een indrukwekkende documentaire, maar eerlijk gezegd keek er geen hond naar. Veel meer was men geïnteresseerd in het uitgestalde wapentuig en het met elkaar kletsen over wat dan ook, waarbij helaas moet worden gezegd dat het zeer slechte weer, twee dagen onophoudelijke regen, het aantal bezoekers tot een bedenkelijk minimum reduceerde.

Hoewel Hortes ongetwijfeld boven zichzelf uitsteeg met de verzorging van dit driedaagse evenement, bleek ook uit van alles en nog wat de schrijnend lage organisatiegraad. Dat begon al op de 11e: na de obligate kranslegging bij het monument in Hortes, buiten ieders schuld compleet verregend, volgde als goedmakertje een vin d’honneur in het gemeenschapshuis; drank maakt veel goed. Die werd gevolgd door een zeer geanimeerde lunch voor de organisatoren. Dat tafelen liep echter uit tot na half vier, voor Franse begrippen heel vanzelfsprekend, terwijl de tentoonstelling volgens plan om 14 uur zou opengaan. Ik heb niemand ontmoet die zich daarover opwond.
Verder was er geen georganiseerd optreden, noch enige toespraak, noch enig gepland discussiemoment.


Ook verbazingwekkend was dat mij op zondagmiddag door de secretaris van de Association Militaria, minder vriendelijk dan dringend werd verboden foto’s te maken, met als argument dat het ‘zijn privécollectie’ betrof. Alsof hij zich er voor schaamde al dat tuig in een openbare ruimte uit te stallen, waaronder een hier afgebeelde Pruisische punthelm (“Zur Treue Fest”), waarvan ik uit eerstehand bronnen weet dat het de ultieme oorlogsbuit was voor Franse militairen in ’14-’18. Ik hield me, hoewel hogelijk verbaasd over dit mallotige vertoon van protectionisme, verder maar op de vlakte. Ik had toch al rond de 100 foto’s gemaakt, ruimschoots genoeg voor dit artikel en ter aanvulling van mijn eigen privécollectie, en dacht er vervolgens het mijne van.


Het aantal uitgestalde oorlogshebbedingetjes was groot, sommige vooral illustratief zoals medische attributen, instrumenten en andere voorzieningen, sommige die eerder een wrange verheerlijking waren van artistieke uitbating van oorlogsherinneringen, zoals de vele bewerkte granaathulzen, ook in België en Nederland wel bekend.
Verder was er opvallend veel aandacht besteed aan de Amerikaanse inbreng in de bevrijdingsoperatie, die ook in Hortes sterk voelbaar is geweest, maar was er nauwelijks enige aandacht voor het leed en alle andere ellende die voor WO-I, zoals voor alle oorlogen, toch het meest kenmerkend zijn.


Slechts een enkele foto liet iets zien van de tristesse van deze zwarte periode, maar dan moet je er toch nog enige tijd goed naar kijken. Desgevraagd was de keuze voor de tentoongestelde collectie simpel en tweeledig: de Association toont wat zij in huis heeft, en dat zijn memorabilia van militaire en nationalistische snit, en voorts werden er veel kinderen verwacht, aan wie je al die ellende niet moet laten zien. Nee, maar wel de aanleiding daartoe. De logische vervolgstap blijft aldus achterwege. Laat staan dat er enige diepgang of discussie plaatsvond.

Maar à la, al met al was het toch veel meer dan de alledaagse attitude in deze contreien, waarbij men hoopt dat morgen alsjeblieft hetzelfde zal zijn als gisteren, en waarbij het verre verleden net zo oninteressant is als de verre toekomst. Ik meen daarover al eens eerder iets te hebben geschreven.

 

Beaulieu, 2 van vele

Dit is het tweede van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier het vervolg van een verhaal waarvan ik vooralsnog het einde niet ken:
La Chapelle.

Het kapelletje is niet groot. Uit nevenstaande maatvoering valt af te lezen dat het grofweg 9×3½ meter groot is. Zowel achter het altaar als links en rechts ervan zijn neogotische ramen waarin zich glas-in-lood bevindt. Bevond, kan ik beter zeggen, want het meeste van de ramen verkeert in allerbelabberste staat.

Ook van die raampartijen heb ik de maatvoering ingetekend. In het midden het grootste raam, achter het altaar, de abside of koornis dus. Dat raam is nog redelijk intact. Links en rechts twee behoorlijk gehavende ramen, min of meer symmetrisch, zowel qua maat als vlakvulling. Van geen van de ramen is de auteur bekend; ze zijn niet gesigneerd en er is geen andere bron waaruit de vervaardiger zou kunnen blijken. Op enkele details na (zie onder), schatten experts ze op 19e-eeuwse panelen, hetgeen klopt met bestaande meldingen dat de kapel in de 19e eeuw is herschapen of herbouwd, remaniée in het Frans. Of dat duidt op aanpassing van een oudere kapel op dezelfde plaats, dan wel op het bouwen van een geheel nieuwe kapel op een andere plaats, is vooralsnog een onopgeloste vraag. Ik beperk me nu even tot de gebrandschilderde ramen.

Links treffen we de restanten aan van een Josef met de kleine Jesus. Het gebrandschilderde paneel heeft, zelfs in pefecte conditie, het nadeel dat het aan de noordzijde van de kapel is aangebracht, waardoor er nooit direct zonlicht op valt en de figuren in feite alleen maar goed zichtbaar zijn van buitenaf, via het licht dat door het raam aan de overzijde invalt. De foto hiernaast is dus ook van buitenaf genomen. Restauratie zal wel mogelijk zijn, omdat de hoofdfiguren nagenoeg geheel bewaard zijn gebleven en de entourage min of meer indentiek is aan die van het tegenoverliggende raam. We praten gemakshalve even niet over de kosten, maar dat kan ik wel achter elke paragraaf hierna toevoegen.

Rechts moet een afbeelding zijn geweest van Sint-Nicolaas, gelet op de drie jongens in de tobbe aan zijn voeten en de (gouden?) bal in zijn hand. Het voordeel van het grote analfabetisme destijds was, dat schilders en beeldhouwers aan afbeeldingen iconografische, liever hagiografische attributen toevoegden, waarmee een ieder die een beetje was ingewijd, precies wist wie er was afgebeeld. De in alle katholieke kerken aanwezige kruiswegstatie, sinds 1741 pauselijk verplicht, “leest” dan ook als een soort veertiendelig stripverhaal.
Van deze Sinterklaas resteert helaas alleen de onderste helft, maar hagiografisch is dat wel het belangrijkste, meest herkenbare gedeelte. Het bovenstuk is verdwenen. Ik heb er nog wel enkele brokstukken van weten terug te vinden, maar te weinig om er nog wat van te maken. Mogelijke oorzaken: wind en hagel, baldadig geworpen stenen (dit raam ligt letterlijk op een steenworp afstand van de openbare weg, de D103), maar nog waarschijnlijker zijn het de takken van de naastgelegen bomen die deels tot tussen de dakpannen zijn doorgegroeid en waarvan vele al zwiepend tegen het raam de vernieling hebben veroorzaakt. Flat tempestas per arborum (Hoor de wind waait door de bomen), om maar in Sinterklaasstijl te blijven.
Ik ben inmiddels al begonnen met die takken te snoeien, om nog erger beschadiging te voorkomen. Immers, de eigenares van het hele perceel is oud en woont in Amerika, en zij bekommert zich allerminst om de kapel, hooguit om het kasteel van de oude abdij. En het aanbrengen van een Lexan (slagvast polycarbonaat) schutpaneel aan de buitenzijde is te kostbaar op dit moment; het zou ver boven de € 500 uitkomen.

Komen we toe aan het belangrijkste paneel.
Net als de twee zijpanelen is ook dit centrale paneel 19e-eeuws, maar er is een wezenlijk verschil: er zijn 6 ronde of ovale medaillons in gevat die overduidelijk op vroeger datum wijzen. Zowel hun techniek, maar meer nog de afgebeelde figuren en een enkele maal een jaaraanduiding brengen ons naar de 17e eeuw. Het vermoeden bestaat, maar zekerheid moet nog worden geboden, dat deze medaillons afkomstig zijn van de oudere Abdijkerk of -kapel en die na verwoesting of anderszins afbraak daarvan bewaard zijn gebleven en in het nieuwe 19e-eeuwse kapelletje zijn gevat in een nieuw groot paneel. Ik loop die medaillons even langs:

Over het centrale bovenste stuk, net geen rozet, wil ik het nu niet hebben, want ook dat stamt uit de 19e eeuw en ik ben er nog niet achter wat die 4 met rechtsliggend kruis betekent, noch wiens initialen “PB” zijn afgebeeld. Dat vinden wel nog wel uit.


Daaronder zien we de volgende twee oude medaillons:

Rechts in het ovale medaillon zien we overduidelijk wederom Sint-Nicolaas: bisschopsmantel, mijter, staf, aureool en de drie tobbende jongelieden aan zijn voeten. Wat hij hun met de rechter hand aanbiedt, is niet te zien. Merk ook het boek op dat schier achteloos naast de tobbe ligt.

 

De linker afbeelding is vooralsnog een raadsel. Het lijkt om twee vrouwen te gaan, waarvan de rechter oudere de linker jongere de les leest, met een boek tussen hen beiden in. Ik zie geen verdere hagiografische attributen, zo het hier al om heiligen gaat.
Mogelijk duidt het op educatieve aspiraties van de kloosterorde, maar de Cistersiënzer abdij van Beaulieu kende alleen mannelijke bewoners (sporadische, vluchtige uitzonderingen daargelaten; zie in een van de volgende artikelen uit deze reeks het verhaal van de tunnel).

Daaronder een volgend tweetal medaillons:
Rechts zien we Saint Amance, want dat staat erbij vermeld, plus nog het jaartal 1609 of 1699, dat moeten we bij nadere bestudering en reiniging nog zien te bevestigen.
Er zijn zeker drie heiligen met de naam Sint-Amantius. Of het hier gaat om Amantius van Rodez, heiligverklaarde (aureool!) bisschop (mantel, mijter en staf; twee opgestoken vingers!) is niet zeker, maar wel waarschijnlijk, want zo te zien verrichtte hij hier een van zijn vele wonderen, d.w.z. je ziet de duivel uit de te bekeren vrouw wegfladderen, en om wonderen verrichten en bekeren stond deze Zuid-Franse heilige bekend.
Links moet Maragreta van Antiochië zijn, een heilige die in het kader van #SheToo wel een en ander zou kunnen verklappen, zie bv. op heiligen.net, maar die in ieder geval vaak wordt afgebeeld als bedwingster van de draak, een kruis in haar hand, aureool achter haar hoofd. Er zijn bronnen die haar in verband brengen met de Franse stad Terrasson, in de buurt van Brive, als zou zij het zijn die de stadsbevolking wist te bekeren door de draak te verslaan die het dorp in zijn greep hield. Ook heet het dat onder meer zij eeuwen later verscheen aan Jeanne d’Arc om die haar missie te duiden.

De onderste twee medaillons ten slotte leveren ook wat mysteries op:
Uiteraard kan aan wat er resteerde van de rechter afbeelding onmogelijk worden afgeleid met welke al dan niet heilige bisschop we hier hebben te maken. Een van mijn eerste projecten nu is resterende brokstukken te vinden in de hoop tot een completer beeld te komen. Zie daarvoor onderaan dit artikel.
Links laat de afbeelding minder te wensen over. Immers, er hebben nogal wat heilige martelaren bestaan die het bestonden om met hun afgehakte hoofd verder door te lopen om hun zaligmakende activiteiten voort te zetten, zoals Dionysius. Een ander voorbeeld daarvan was Saint Didier, Sint-Desiderius, bisschop van Langres, alwaar de aan hem gewijde kapel nu onderdeel is van het gemeentelijk museum, maar die ook in Hortes sterk wordt vereerd met een kapel en een straatnaam, naar hem vermoemd. Het lijdt geen twijfel dat hij hier staat afgebeeld. Kenmerken: de bisschopsmantel en -staf, en de mijter. Mogelijk is de rots rechtsboven een verwijzing naar Langres, dat immers hoog op een rots is gebouwd en dat hij tegen de Alemannen poogde te verdedigen.

Rest dan nog de zoektocht naar de bijna verdwenen afbeelding in het medaillon rechts onder. Al gravend en wroetend in de aarde onder het raam tot onder het altaar, en achter het raam aan de buitenkant, vond ik een aantal brokstukjes die als een legpuzzel aan elkaar passen. Daarmee wordt in ieder geval de afbeelding duidelijk; wat er nog ontbreekt zijn enkele details van de entourage en het achtergronddecor.
Maar daarmee is de puzzel nog bij lange na niet opgelost.

Wie helpt?
Het gaat om een bisschop: wederom de mantel, mijter en staf en de twee opgestoken vingers.
Maar voor wie of wat staan de letters “GP”;
waarop duidt de inscriptie “PREVOIN”, welk woord ik in geen van mijn vele Franse woordenboeken heb kunnen terugvinden, en op internet al evenmin;
wat mogen we afleiden uit de zetel op het blazoen met die vijfpuntige ster die ervoor ligt?

Vragen te over, dus nogmaals: wie helpt?


Vorig bericht: http://nardloonen.nl/2017/10/25/beaulieu-1-van-vele/
Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/29/beaulieu-3-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”