Beaulieu, 1 van vele

Dit is het eerste van een reeks artikelen die vermoedelijk heel lang gaat worden. Ik nummer ze daarom maar  1-100 “van vele”.
Het gaat om de voormalige Cisterciënzer abdij van Beaulieu, hier zo’n 4 km vandaan. Als abdij functioneert het perceel niet meer sinds de Franse revolutie, eind 18e eeuw, maar wat ervan rest is alleszins de moeite van een studie en een openbaarmaking waard.
Hier dus de start van een verhaal waarvan ik vooralsnog het einde niet ken.

Als sinds mijn verblijf in Rosoy was het “château” mij opgevallen, als pontificaal overblijfsel van wat ooit de priorij (“Prieuré abbatiale”), de abtswoning annex gastenverblijf, van de abdij was. Ik wist niet wie de huidige eigenaar was, noch of het überhaupt bewoond was, laat staan welke functie of bestemming het nu had. Maar als je er langs rijdt, zie je het prachtig staan op het ommuurde perceel.

Kom je echter van de andere kant aanrijden, dan valt er nog iets op: verscholen tussen de bomen, maar wel gemarkeerd met het oude toeristische bord “Beaulieu – Ancienne Abbaye cistércienne”, zie je een klein, neogotisch ogend kapelletje waarvan bij nadere beschouwing vooral de deels verwoeste glas-in-loodramen opvallen.
Die ramen waren het die mij het meest boeiden.

Destijds, rond 2000, heb ik dat kapelletje bezocht, maar er geen foto’s van gemaakt. Voor zover ik weet, zijn er ook geen oudere foto’s van die raampartijen, van binnenuit genomen. De departementale experts en archieven beschikken er in elk geval niet over.
Inmiddels ben ik er heel vaak binnen geweest en heb ik de ramen, althans wat er nog van over is, deugdelijk gefotografeerd.

Zo het van buitenaf schijnt dat het kapelletje er nog redelijk intact uitziet, zo teleurgesteld word je van het interieur. Het bouwsel, waarvan de oorsprong niet duidelijk is, behalve dat het in de 19e eeuw in gotische stijl is herschapen of verbouwd, is aan danig verval onderhevig. Niet alleen weer en wind en vallende takken hebben vrij spel, maar ook een ieder die er van buitenaf stenen tegenaan gooit, of wie met wat meer lef er binnengaat en er van alles meeneemt, lostrekt, of vernietigt.

Ik zal mij in het volgende artikel eerst maar eens concentreren op de nog aanwezige glas-in-loodramen, en wat ermee te doen valt. Later volgen dan de rest van de kapel en haar eventuele restauratie, en daarna de geschiedenis van de abdij vanaf de stichting in 1166 tot het huidige Château dat ervan rest.
Er valt heel veel over te melden.


Volgend bericht: http://nardloonen.nl/2017/11/02/beaulieu-2-van-vele/


Tenzij anders vermeld, zijn alle foto’s door mij genomen.
Overname toegestaan, mits met bronvermelding “© 2017 Leonard Loonen”

Vergelijk

Ik kan er ook niks aan doen. Maar rond het gekibbel over Catalonië dringt zich bij mij voortdurend de vergelijking op tussen het koppel Rajoy-Puigdemont (2017) en Breznjev-Dubček (1968). De Grote Leiders die met de vuist op tafel slaan om de kleine opstandige weer in het gareel te krijgen.

Ik zal het wel weer helemaal mis hebben, maar een paar parallellen brengen mij toch weer steeds op die gedachte.

Zoals Rajoy ‘zijn’ Spanje niet wil laten verbrokkelen (net nu het in Baskenland weer een beetje rustiger is geworden), zo kon in 1968 de USSR, bij monde van Breznjev, het niet accepteren dat de ČSSR, in de figuur van Dubček, een deel van het Oostblok zag afglijden naar westerse waarden die beoosten het IJzeren Gordijn niet bepaald welkom waren (zoals bijvoorbeeld een vrije pers).

Tweede vergelijk: Rajoy dreigt met ingrijpen (en deed dat al tijdens het Catalaans referendum, en niet zo zuinig ook ) als Catalonië zich onafhankelijk verklaart. Breznjev sommeerde Dubček het landsbestuur binnen de perken van het Sovjet-denken te houden, zo niet, dan dreigde militair ingrijpen, wat in augustus 1968 ook daadwerkelijk plaatsvond. Dat was, by the way, de reden dat mijn Tsjechoslowaaks visum voor die maand werd geweigerd; een maand later kreeg ik het alsnog.

Nog zo’n saillante overeenkomst: Europa en de VS houden zich opvallend koest in het Spaans-Catalaans conflict. Het is een conflict voor binnenlands gebruik, dus men wenst er zich niet in te mengen, behoudens wat off-the-recordopmerkingen van deze en gene. In 1968 was het niet anders: West-Europa, de VS, de NAVO, zij sputterden in de media wat in de trant van foei en schande, maar deden in feite niks, net als in het geval van Hongarije 1956. In Nederland probeerde Max van der Stoel (Buitenlandse Zaken) zijn PvdA-geweten te volgen, maar daar hadden ze in Moskou niet echt veel last van. Achterliggend argument: Ooit (Jalta 1945), hadden Oost en West afgesproken hoe Europa verdeeld zou worden. Ik zeg het even kort door de bocht, maar het IJzeren Gordijn (prikkeldraad ‘Made in West-Germany’) was de demarcatielijn tussen de Amerikaanse en de Sovjet-invloedsfeer, met alle bijbehorende economische belangen. Behoudens een enkele latere correctie, zoals rond Wenen, moest dat vooral maar zo blijven. Pech voor de Hongaren, pech voor de Tsjechoslowaken.

Voor de laatste twee gelijkenissen moet ik even in de toekomst kijken.
In 1972 vond in Praag het Wereldkampioenschap ijshockey, met de Sovjet-Unie, na 9 opeenvolgende keren wereldkampioen te zijn geweest, als de grote favoriet. Ik was erbij, en heb er nog een fraaie badhanddoek aan overgehouden. Dat wil zeggen: ik was bij ČSSR-Zweden (4-1) in een kolkende ijshal met 12.000 toeschouwers tot de nok gevuld. Rillingen. Een paar dagen later was de finale ČSSR-USSR. Ik was toen al terug naar Nederland en had toch geen kaartje kunnen krijgen. Het werd 3-2 voor de Tsjechoslowaken en dagenlang vierden duizenden mensen in Praag die overwinning als wraak op 1968. Een volksfeest dat vele malen verder ging dan de Nederlandse euforie toen in 1988 het Nederlands elftal in het Volksparkstadion in Hamburg de West-Duitsers in de halve finale met 2-1 versloeg en later Europees kampioen werd. Dat was de wraak voor 1974 (en bij vele ouderen voor ’40-’45).

Welnu: op 6 mei 2018 speelt Barcelona thuis tegen Real Madrid. Ik hoop dat het 3-2 wordt en wil dan wel eens zien wat er in Catalonië losbarst.

Ook in de toekomst: bij veel van mijn latere bezoeken aan de Tsjechische Republiek heb ik gemerkt dat Alexander Dubček zo goed als vergeten is bij de mensen. Hij was, tout court, toch een communist en daar willen ze verder niets meer mee te maken hebben. Wat hij in korte tijd heeft betekend voor hun republiek speelt dan opeens geen rol meer. Men haalt de schouders op. Te verwachten valt (voor sommigen: te vrezen, voor anderen: te hopen) dat Puigdemont hetzelfde lot zal zijn beschoren. Over een jaar of 10, 20, als Catalonië weer een belangrijke regio is van het grote Spanje, zullen velen zijn naam niet meer kunnen spellen.

Ik kan de vergelijking tussen 1968 en 2017 maar niet uit mijn hoofd krijgen.

 

Lezing 7 november

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft vernomen: op dinsdag 7 november zal ik in de bibliotheek van het Cultureel Centrum De Weijer in Boxmeer een lezing gaan houden over La vérité et son image. Daarin zal ik allereerst het opvallend verband schetsen tussen Boxmeer e.o. enerzijds en Rosoy-sur-Amance e.o. anderzijds, maar verder vooral ingaan op de misère tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het Noord-Franse front, vanuit één familie: de familie Parisot te Rosoy-sur-Amance.

Mijn motto is: ALLE OORLOGEN ZIJN VERGELIJKBAAR ZO NIET IDENTIEK, in het bijzonder als je ze weet terug te voeren tot het kleine leed dat de betreffende burgers overkwam, het kleine leed dat groter is dan de Grote Oorlog.

Dat geldt voor de Dertigjarige oorlog (1618-1648), de Eerste Wereldoorlog (1914-1918), de Tweede Wereldoorlog (1939-1945), en alle daaraan voorafgaande, daarop volgende en nog volgende oorlogen. Mijn rondgestuurde bericht over die lezing luidt:

Over een maand, op dinsdag 7 november, zal ik in de bibliotheek van Boxmeer een lezing houden over de Eerste Wereldoorlog, vanuit het perspectief van authentiek materiaal van één familie, namelijk de familie die woonde in de Franse boerderij in Rosoy-sur-Amance waar ik nu woon.

De lezing, vergezeld van lichtbeelden en te tonen objecten uit de periode 1914-1918, vindt plaats in het kader van de Biblioplus-activiteiten in het Land van Cuijk. Specifieke informatie daarover vind je op https://biblioplus.biblio-shop.nl/activiteiten/inschrijven/1629/presentatie-boeken-over-resp-30-jarige-oorlog-en-wo-i#.

In die lezing zal ik allereerst kort de relatie toelichten tussen Boxmeer en omgeving, en Rosoy-sur-Amance en omgeving. Daarvoor moeten we even terug naar de Dertigjarige Oorlog, toen zich rond 1636 in beide gebieden opvallend gelijkende gebeurtenissen, gruwelen en ellende voordeden.

Daarna betreed ik het onthutsende domein van de oorlogscorrespondentie tussen wachtmeester Eugène Parisot (1874-1962) en zijn vrouw Louis Millot (1875-1947) met hun kinderen Solange (1900-1997) en André (1909-1981). Vooral aan Solange heb ik te danken dat ik zo veel materiaal uit WO-I heb weten terug te vinden.

Omdat Eugène Parisot naast post die hij aan zijn familie schreef ook een zakboekje bijhield met zijn werkelijke ervaringen aan het front, krijgen we een uniek beeld van het verschil tussen de oorlogsrealiteit (‘la vérité’) en het optimistische, geruststellende beeld (‘l’image’) dat hij ervan wilde overbrengen.

Rond het boek “La vérité et son image“, waarin die volledige correspondentie met uitgebreid commentaar staat opgenomen, heb ik een website opgezet met allerhande informatie en meer dan 500 scans, foto’s en kaarten: http://www.parisot52.fr. Die site is tweetalig, naar keuze Nederlands of Frans. Het boek zelf is geheel in het Frans, maar voor wie daarvan terugschrikt, heb ik een Nederlandstalige versie van het commentaargedeelte digitaal beschikbaar. Die zal bij afname van het boek gratis worden meegeleverd. Neem daartoe eventueel die avond een usb-stick o.i.d. mee.

De lezing op 7 november begint om 20.00 en zal naar schatting anderhalf uur duren. Ter indicatie voor wie met de trein komt: de laatste treinen richting Nijmegen-Utrecht-Amsterdam en Venlo-Maastricht/Eindhoven vertrekken van station Boxmeer om 22:59.

De bibliotheek van Boxmeer is gevestigd in Cultureel Centrum De Weijer, De Raetsingel 1. Wie graag aanwezig is, moet zich liefst wel tevoren aanmelden via de hierboven vermelde website van Biblioplus. De entree bedraagt € 2,50; wie op die avond het boek aanschaft, krijgt die entreekosten van mij in mindering op de koopprijs.

Voor wie het bijwonen van die avond bezwaarlijk is, kan het boek natuurlijk ook bestellen: ofwel af te halen op ons adres Inleg 24, Boxmeer (graag wel even eerst bellen 0485-751576), ofwel per post thuisbezorgd krijgen; de verzending vanuit Frankrijk naar EU-landen kost slecht € 2,55 aan porto. Een simpel e-mailtje naar ljml@neuf.fr volstaat.

Ik verheug me erop velen van jullie op 7 november in Boxmeer te kunnen begroeten.

Waarvan akte.

 

Mag-ie?

Etiketten bevatten voornamelijk verwarrende, vage, onvolledige en voor de gemiddelde consument oncontroleerbare informatie,zo is mij ooit geleerd. De toenemende Europese regelgeving, de zgn. Verordening voor de etikettering van voedingsmiddelen heeft onder meer tot een situatie geleid dat de wal het schip keert en de consument nog minder te weten komt en hooguit af en toe nog kijkt of het product niet over de datum is.
Vandaag staat er Maggi op het menu.

 

Een van de weinige voordelen van een verhuizing is dat je dingen terugvindt die je al jaren kwijt was, en dingen tegenkomt waarvan je niet eens meer wist dat je ze ooit had gehad. Zo vond ik opeens het iets te zorgvuldig bewaarde krantenknipseltje terug met het verhaal van Wouter Klootwijk in de NRC van 19 augustus 2011 over Poolse Maggi bij de Chinees.

Maggi – wie is er niet groot mee geworden en het lijkt niet klein te krijgen. Kommaneuker als ik ben (pinailleur in het Frans; noem het voor mijn part een fanatiek taalkundige), ging ik op zoek, van keukenkastje tot Wikipedia, en trof wat merkwaardigheden aan.

Allereerst: hoe oud is Maggi?
Klootwijk beweert in 2011 dat het bekende bruine flesje zijn 125-jarig bestaan viert, en 2011-125=1896. Maar op het Nederlandse flesje staat toch echt 1895 en het Franse flesje pretendeert dat het uit 1889 stamt. Krijgen we nu hetzelfde verhaal als het Brand bier sinds 1340? Wikipedia meldt de uitvinding van het bruine flesje in 1886. Dan heeft Klootwijk dus gelijk en liegen de flesjes, behalve het Poolse dat het correcte opschrift “Oryginalna od 1886 roku” bevat.

Dan de inhoud.
In een flesje Nederlandse Maggi voor kleinverbruik zit, volgens het etiket, 250 gr oftewel 202 ml . Die is wel fijn, want dan mag de fabrikant er ook 10% minder in doen van Brussel. Een flesje Franse Maggi bevat ook 250 gr , maar slechts 200 ml, zij het zonder .
Worden we geflest door de Fransen? De plaatselijke Colruyt rekent er ook nog eens € 1,68 voor tegen € 1,09 bij AH (prijspeil oktober 2017). Nu zal wel niemand op het idee komen een flesje tot de laatste drup te legen en het volume te meten, maar wijst dit verschil van 2 ml op een etiketfout, op oplichterij, of op een iets andere samenstelling van de inhoud? Dat is immers wat Klootwijk suggereert: de samenstelling wordt “aangepast aan de smaak van de Nederlandse consument“.

Dus maar eens naar de samenstelling gekeken.
Even vooraf: in Maggi zit geen maggiplant, behalve in de Poolse Maggi (zeggen ze). Lavas is maggiplant gaan heten omdat de smaak aan Maggi doet denken. Ik gebruik vaak maggiplantblaadjes in gerechten in plaats van druppeltjes Maggi Aroma, en heb nooit het idee gehad dat ik iets miste (of minder ziek werd).
Maar het hoofdbestanddeel van Maggi is zout.
De Nederlandse versie, “de enige echte“, bevat volgens het etiket 24,9 gram zout per 100 ml, dus 62,25 gr per flesje. Voor de Franse variant is dat 63,5 gr; ruim 1 gr meer dus. De Polen hebben het minder zout gedronken: die doen het met slechts 57 gr zout, oftewel 11% minder.
Nu zal ik daar niet wakker van liggen. Geen mens haalt het in zijn hoofd om een heel flesje Maggi van een kwart liter in een glas te schenken en dat achterover te slaan, dus ik geloof ook niet dat de genoemde aanpassing aan de nationale consument het zoutgehalte betreft. Nee, het moet ergens anders in zitten, als het verhaal al klopt. Wat dan? Zijn er nog andere verschillen in het spel?
Er zijn wat subtiele verschillen, al denk ik niet dat die de smaaksensatie beïnvloeden:

Eerst maar even de voedingswaarden per 100 ml, achtereenvolgens de Nederlandse, Franse en Poolse (maar dan per 100 g) volgens etiketopgave:

energie 434 kJ/102 kcal 434 kJ/102 kcal 85 kJ/20 kcal
vetten 0,0 g 0,0 g 0,0 g
waarvan verzadigd 0,0 g 0,0 g 0,0 g
koolhydraten 7,4 g 10,0 g 2,2 g
waarvan suikers 5,1 g 5,1 g 0,9 g
vezels 0,0 g 0,0 g 0,0 g
eiwitten 18 g 15,5 g 2,8 g
zout 24,9 g 25,4 g 22,8 g

Daar klopt natuurlijk niks van. Die Polen zitten er een factor 5 naast, behalve wat het zoutgehalte betreft. Elders op internet vind je nog meer bizarre waarden voor de Poolse Maggi, inclusief 7 gram vet en slechts 4 gram zout. Ik herhaal de eerste zin van dit artikel maar even. Er is überhaupt geen touw aan vast te knopen, want de Tsjechische Maggi (MAGGI Tekuté kořený) komt ook uit Polen volgens Tesco, een van de Tsjechische Albert Heijns, maar bevat o.a. meer calorieën en meer zout. Vermoedelijk heeft Nestlé een al eerder bestaande receptuur overgenomen en die als Maggi in de markt gezet; stukje bij beetje wordt dan de samenstelling aangepast, ofwel aan de smaak van de lokale bevolking, ofwel aan de zo goedkoop mogelijke standaard die ook elders wordt geproduceerd. Of beide. Wereldwijd.

Kan er dan een groot verschil zitten in de ingrediënten, volgens etiketopgave? Wederom achtereenvolgens de Nederlandse, Franse en Poolse gegevens:

tarwe-eiwitten/ water/zout protéines de blé/ eau/sel aroma
smaakversterkers:    
E621 glutamate monosodique glutaminian monosodowy (E621)
E631 inosinate disodique 5′-rybonukleotydy disodowe (E635)
zout    
suiker sucre glukoza
    ocet (=azijn)
    wyciąg z lubczyku (=lavas extract)
    ekstrakt drożdży (=gistextract),
maar volgens mij is dat hetzelfde als E621

Wat valt er hierbij op? Allereerst dat de Nederlandse en Franse ingrediënten elkaar niet veel ontlopen; zeg maar: identiek zijn, maar dat de Poolse gegevens sterk afwijken, zowel wat de voedingswaarden als de ingrediënten betreft. Ik geloof er geen barst van. Er zit geen lavas in Maggi en dat er azijn in zou zitten klinkt mij als koelvloeistof in Oostenrijkse witte wijn. Wellicht bedoelen ze een religieuze smaakversterker aqua sancta (=wijwater) – dat gaat er bij de meeste Polen wel in, maar die heeft vooralsnog geen E-nummer. Bovendien noemen de Polen de smaakversterker E635, die wel lijkt op E631 (in Nederland en Frankrijk), maar die niet identiek is.

Wat voorts opvalt, en nogmaals: etiketten bevatten halve waarheden en oncontroleerbare feiten, nergens staat vermeld hoe veel van die smaakstoffen er zijn gebruikt. En mijn vermoeden is dat het nou juist dàt is wat eventuele smaakverschillen in de diverse landen veroorzaakt, want een paar korreltjes zout meer of minder per flesje maken geen significant smaakverschil bij enkele druppels Maggi.

Kortom: de etiketten op een flesje Maggi weten wel mij van de straat te houden, maar bepalen voor mij niet de keuze tussen het product uit het ene of andere land. Daarom mijn suggestie: laat het flesje Maggi gewoon in het keukenkastje staan en gooi gewoon een lepel zout in je soep en eventueel een paar blaadjes lavas, als je die in de tuin hebt.

De laatste opmerking van Wouter Klootwijk is ook mijn afsluiting van dit verhaal: de zilveren houder om tijdens het diner ook Maggi op chique te laten gaan. Van ooit een op mijn verjaardag gekregen heb ik hier ook nog zo’n ding, maar dan niet zo’n dure zilveren bewerkte, maar eentje van Gero Zilmeta van de Blokker of de HEMA, voor de wat beperkter beurs. Het is waarlijk een sieraad op tafel, zo blinkend naast het glazen zoutvaatje.

 

 

PS: uit de laatste reactie hieronder blijkt dat er sinds ±1860 een voorloper was van het Maggiflesje: Liebig, oftewel Oxo, wat overigens in België nog steeds een soortnaam is op menukaarten voor ‘heldere vleesbouillon’, wat niet meer inhoudt dan water met een bouillonblokje. Maar goed, soms kan dat best lekker zijn. Dat Oxo-flesje, hier links op de afbeelding, lijkt verdacht veel op het flesje dat door Julius Maggi pas later is ‘uitgevonden’.

 

 

God bewaar me

Afslag 25 van de A31, net ten noorden van Nancy: POMPEY-DIEULOUARD-BELLEVILLE.
Over Pompey, al voor het jaar 1000 vermeld als Pompanium (heeft niks te maken met het Italiaanse Pompeï), en Belleville (‘Schoonstad‘) wil ik het hier verder niet hebben; wel over het plaatsje Dieulouard, dat ik ooit eens bezocht omdat het een Sebastiaankerk heeft waarvan ik eerder melding heb gemaakt. Vandaag even een taalkundig-etymologisch tripje naar de merkwaardige herkomst van het woord Dieulouard.

Toen ik tien jaar geleden Dieulouard bezocht om er wat Sebastianoïde foto’s te maken, waarover ik o.m. HIER heb bericht, was me aan de plaatsnaam niets bijzonders opgevallen. Maar tientallen malen ’s jaars kom ik er langs, en vroeg of laat ga je over dingen nadenken.

Het woord Dieulouard valt uiteen in drie woorddelen: Dieu – lou – ward. Samen hebben ze de onbetwiste betekenis: God beware jullie. De Franse website van de gemeente bevestigt dat. Ik pluis het hier verder eventjes uit.

DIEU
Etymologisch gezien is het eerste woorddeel het simpelste: Dieu is afkomstig van het Griekse θέος ‘god’, dat weer een afleiding zou zijn van een Indo-Germaans woord voor geest of ziel, waarvan onder meer ook de Tsjechische woorden duch ‘geest’ en vzduch ‘lucht’ zijn afgeleid.

LOU
Is een zeldzame, oude variant van een persoonlijk voornaamwoord, vooral vanwege de l aan het woordbegin. Bij de persoonlijke voornaamwoorden in het meervoud ken ik alleen het Nederlandse jullie en het Afrikaanse julle en hulle waarin die l ook voorkomt. Het Franse voornaamwoord luihem‘, laat ik buiten beschouwing, want dat is geen meervoud.
Jullie is een samentrekking van jelieden of –lui(den), dat wij nog herkennen in scheepslui of scheepslieden, timmerlui of timmerlieden e.d. en heeft dan steeds een betekenis ‘groep mensen‘, ‘volk‘, zoals wij min of meer synoniem aan werklui of werklieden ook werkvolk hebben – en tientallen andere zoals klootjesvolk, mansvolk, vissersvolk. En laat nou in het Russisch люди ‘ljoedi‘, staan voor ‘mensen‘, net als het Tsjechische lidi. Maar in het middeleeuws Frans kwam die l dus ook nog voor, en dus mogen we lou vertalen als jullie.

WARD
Het Nederlandse woord waard is nogal zwaar belast met betekenissen: naast het bijvoeglijk naamwoord (‘van belang‘, ‘van waarde‘) zijn er de zelfstandige naamwoorden waard als ‘door rivieren ingesloten landstreek‘ (Bommelerwaard), ‘buitendijks land‘ (uiterwaard) en ‘herbergier’, ‘kastelein’. In die laatste betekenis zou het zijn afgeleid van een Oudnoors woord verðer, ‘maaltijd’, dus iemand die het eten verstrekt, maar ook heeft het de betekenis van gastheer, beschermer. En dan komen we dichter bij de wat verouderde Engelse betekenissen van ward als bewaring, toezicht of het werkwoord to ward ‘bewaken, beschermen’. Het zit het ook in steward ‘guardian’, ‘bewaker’. In het oudere Frans bestond het zelfstandig naamwoord warde ‘beschermer’ naast garde, en het werkwoord warder naast garder ‘bewaken’. Wie zich daarover verbaast, moet zich het Italiaanse guardare en de Spaanse Guardia Civil voor de geest halen: daar vallen beide varianten samen in het woordbegin /γward-/. Het woord ward maakte wellicht de oversteek van Engeland naar Frankrijk tijdens de Honderdjarige Oorlog, toen grote delen van Noordwest-Frankrijk door de Engelsen waren bezet. Nog steeds is in dat gebied de Engelse invloed merkbaar, in woorden, cultuur en architectuur, het Keltische lettertype (‘Viking’), en we mogen ook wel stellen dat dankzij de Engelse bezetting Frankrijk nog steeds Jeanne d’Arc heeft als een van haar nationale topidolen, in welhaast elke kerk nog aanwezig.

En dan ook nog in de plaatsnaam Lewarde (‘De Waard‘), een gemeente in Frans-Vlaanderen, tussen Douai en Valenciennes. Zo kom ik opeens terecht in Leeuwarden, waarover ik enkele toponymische opmerkingen heb gemaakt in mijn Koningsdrama over leeuwen en beren als koningen der dieren, en waarin ik aangaf dat Leeuwarden niks met leeuwen heeft te maken, net zo min als Lyon en Leuven (, Louvain, Löwen).

 

Albert Delahaye schrijft in dat kader:

Franse medievisten gebruiken de term “deplacements historiques” voor het bekende verschijnsel dat volkeren, bij een al of niet gedwongen verhuizing vanuit hun oorspronkelijke stamland naar elders, hun oorspronkelijke plaats en riviernamen meenemen en hergebruiken. Hiervan is sprake geweest bij de volksverhuizing van Saksen en Friezen. Het is een menselijk verschijnsel, dat ook in de jongste geschiedenis heeft plaats gevonden. Namen als New York en Harlem zijn wereldwijd bekende voorbeelden. Met deze verplaatsingen van namen wordt ook de hoeveelheid overeenkomstige namen verklaard tussen Noordwest Frankrijk en west Vlaanderen en het noorden van Nederland en Duitsland. Lewarde in Vlaanderen werd Leeuwarden in Friesland, Brêmes in Frans Vlaanderen werd Bremen in Noord-Duitsland, om maar 2 willekeurige voorbeelden te noemen. Alleen deze verhuizing liep niet van noord naar zuid, zoals de historische geografie altijd maar aangenomen had, maar ging juist van zuid naar noord. Steevast liggen de oudere plaatsen in het zuiden, de nieuwere in het noorden. Steeds hebben de oudste akten en oorkonden betrekking op die zuidelijke plaatsen, de nieuwe op de noordelijke. De verkeerde interpretaties – de oude akten werden, in een veronderstelde continuïteit in bewoning, ook op de nieuwe plaatsen geplakt- hebben geleid tot de bijna onontwarbare kluwen aan mythen.

Overigens lijkt het erop dat de oudste vermelding van het Franse Lewarde (Le Warde Saint-Rémi) uit 1255 stamt en dat de vermelding van het Friese Leeuwarden al uit een akte uit de 8e eeuw dateert, maar dat bewijst allemaal nog niets.

Nog even, en Friezen blijken Vlamingen te zijn, waarvoor God hen moge behoeden.