Genealogische bijvangst 14-18

Net terug van een drietal dagen rondzwerven in Vic-sur-Aisne, Compiègne en omstreken, om met eigen ogen de plekken te zien waarover ik in mijn a.s. WO-I-publicatie zo uitvoerig bericht. Nader nieuws daarover volgt spoedig, als ik het akkoord met de uitgever helemaal rond heb.
In het naburige Tracy-le-Mont kwam ik, niet geheel toevallig, enkele herinneringen tegen aan een achterachterachteroudoom van mij, ene Charles Loonen en zijn zoon Robert.

Beide heren waren mij door stamboomonderzoek al langer bekend, met allerhande details ook, maar nu zag ik wat zij in en voor Tracy moeten hebben betekend.

Pa was een gevierd zakenman, stammend uit een tak van de familie die, vanuit Breda, waar zijn vader een bakkerij had, nadrukkelijk in de handel was terechtgekomen. Als de leden van die tak niet al naar Ons Indië vertrokken om goud geld te verdienen, dan toch op z’n minst naar Amsterdam (Kalverstraat) of Parijs. Deze Charles had een borstelfabriek (nooit geweten dat je daarmee miljonair kunt worden), met nogal wat vestigingen wereldwijd. Zie bijgaande bedrijfsbrief. Naast zijn fabriek in Tracy-le-Mont met 2.000 werknemers (!) had hij verkooppunten in Parijs, Londen en New York. Bovendien was hij auteur van “Le Japon moderne” (1894), een boek dat nog slechts sporadisch in de oorspronkelijke editie is te vinden; wel in latere herdrukken. Je kunt het niettemin volledig HIER raadplegen dankzij de voortreffelijke Franse bibliotheekdocumentatie. Van het een komt het ander: hij werd benoemd tot Chevalier de la Légion d’Honneur en was burgemeester van Tracy-le-Mont (1892-1912). Een jaar later overleed hij aldaar. Wat in ieder geval nog van hem rest is een naar hem vernoemd plein.

Hij had vier kinderen van wie ik er twee een beetje heb kunnen volgen: de broers Robert (1878) en Pierre (1884). Toen hun vader was overleden (hun moeder stierf al vier jaar voordien) erfden zij elk 2 miljoen francs waarmee ze wel raad wisten. Zij kochten twee luxe appartementen in Parijs en lieten zich allerhande tapijten, meubels en sieraden op zicht toesturen, die ze vervolgens kochten, maar “vergaten” te betalen. Zij konden hun geld wel beter besteden: ze trokken naar Monte Carlo en joegen daar hun gehele fortuin er door. Als gokverslaafden wisten zij, leden van een “zeer honorabele handelsfamilie uit het noorden” bij dezen en genen grote sommen geld af te troggelen die ze vervolgens weer vergokten, tot ze uiteindelijk (maart 1914) werden opgepakt en veroordeeld wegens verduistering en afpersing.

Van Pierre weet ik niet veel meer af dan dat hij op 16 september 1943 vanuit Compiègne is gedeporteerd naar Buchenwald. Zie daarvoor mijn vervolgartikel. (Gek toch, dat je van zo’n crimineel familielid vreselijk kunt gaan houden, een soort innige liefde tot voorbij de dood, maar dat heeft de Parijse SiPo op z’n geweten.)
Maar voor Sous-Lieutenant Robert duurde de gevangenschap niet zo lang: in augustus 1914 werd hij rechtstreeks vanuit de gevangenis gemobiliseerd en binnen 5 maanden, in januari 1915, overleed hij ten gevolge van oorlogsverwondingen in Noordoost-Frankrijk. Zijn naam prijkt tot op heden op de zuil van het oorlogsmonument van Tracy-le-Mont.


Min of meer bij toeval kwam ik zijn handel en wandel tot in details tegen in het New Yorkse dagblad The Sun van 1 maart 1914. Een beetje moeilijk leesbaar, maar na enig turen haal je er toch wel het nodige uit, inclusief zijn echtscheiding van zijn Amerikaanse vrouw Josephine Morse. Het originele pdf-bestand, iets minder slecht leesbaar, vind je HIER.

Even verder speuren levert op dat Robert klaarblijkelijk een draaideurcrimineel was (een knuffelcrimineel lijkt hij me niet te zijn geweest) die door zijn vader, vlak voor diens dood in 1913, nota bene ook al was verstoten, maar niet onterfd.
“Het heeft me al een miljoen francs gekost om die jongen uit de penarie te halen”, verzucht de notabele vader, blijkens een artikel in diezelfde Sun van 10 maart 1913, dat een beknopt overzichtje geeft van het al vanaf 2 juni 1911 lopende proces tegen Robert dat hem in hoger beroep 3 jaar cel opleverde, conform een eerder vonnis, plus een boete van, omgerekend, $10. En ook moest hij de gestolen $35.000 terugbetalen aan de rechtmatige eigenaar.

Een hele reeks van persberichten, vanaf The New York Times van 21 decemebr 1910 en zoals bijvoorbeeld te vinden in het Parijse Dagblad Le Rappel tussen 1911 en 1914, legt de handel en wandel van ons illustere familielid bloot, zulks tot wanhoop van zijn succesvolle en alom gerespecteerde vader, en schijnbaar ook van zijn broer Pierre die droogjes voor de rechter verklaarde zich eerder slachtoffer van zijn broer te voelen dan crimineel compagnon.


Leuk, zo’n omhoog en omlaag gevallen rijkeluiszoontje in de familie, en dat zo maar als bijvangst bij een heel ander onderzoek.

(Rechtsboven: artikel in The Sun, maart 1913;
linksboven: The New York Times, 21 december 1910;
linksonder: Le Rappel van 17 maart 1914) 

1 gedachte op “Genealogische bijvangst 14-18

  1. Bonjour
    Je me permets de vous écrire en français.
    Je fais des recherches actuellement sur Robert Loonen et je peux vous signaler que vers 1904, il fut envoyé par son père au Japon pour diriger une usine à brosses – une filiale fondée là-bas par Charles vers 1900. Robert était déjà impulsif. Il s’imagina construire en quelques années un empire industriel et, comme il était convaincant, il trouva des appuis auprès de grandes banques française et belges. Il créa notamment: une verrerie en 1906 (faillite en 1909); une société forestière en 1906 également; une société spécialisé dans les fondations en béton, procédé Compressol; une société spécialisée dans l’importation d’objets manufacturés en caoutchouc (pneus par exemple). Il voulait aussi réaliser des grands travaux portuaires à Mogi, fonder une banque franco-japonaise… Mais dès la fin de 1909, il ne restait pas grand-chose de ces plans mirifiques. Fin 1908, Robert Loonen rencontrait au Japon sa future femme, Joséphine Moors, qui faisait un tour du monde avec sa mère. Il se marièrent quelques mois plus tard.
    Je sais aussi qu’avant de travailler au Japon, Robert Loonen avait été dans les Chasseurs d’Afrique, une unité de cavalerie opérant essentiellement en Algérie. Il y fut frappé de fièvre typhoïde (pour son père, cela expliquait le dérangement de son esprit!).
    Bien cordialement, Jean-Louis Moreau

Laat een reactie achter aan Moreau Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.