Kerstroep-2: Edmund Pascha (?)

Al geruime tijd is het een van mijn onvervulde dromen geweest ooit eens een uitvoering te mogen verzorgen van de Slowaakse Vianočná Omša uit ±1770 van Edmund Pascha, de kerstmis waarop ik in het vorige artikel doelde.
Maar tussen droom en daad…
Iets over lastige bezwaren en een juweel van een compositie.

 

Allereerst moet ik het over een afknappertje hebben.

Tientallen jaren al doen geruchten de ronde dat niet Edmund Pascha de componist is van deze mis, maar dat die moet worden toegeschreven aan Jozef Juraj (Georg) Zrunek (1736-1789), tijdgenoot van Pascha en eveneens Franciscaan, organist en componist in het Franciscanenklooster te Žilina. Harde bewijzen ontbreken.
Het enige origineel dat we bezitten, is een manuscript uit 1770, Harmonia pastoralis, waarin de hier besproken kerstmis voorkomt; zie het begin daarvan hiernaast.
Die foliant, je weet hoe zoiets gaat, werd pas in 1930 op een stoffige kloosterzolder ‘ontdekt’ door een andere Franciscaan, pater Celestín Alojz Lepáček, die er in een aantal artikelen ruchtbaarheid aan gaf. Toen duurde het nog bijna 40 jaar voordat Miroslav Venhoda van de Praagse Madrigalisten een georchestreerde uitvoering ervan op langspeelplaat uitbracht – met Pascha als vermeld componist. De twijfels kwamen pas later, eind jaren-’80. Inmiddels is het al een dusdanige onzekerheid geworden, dat de Nationale Bank van Slowakije in juli 2013 besloot de zilveren €10 Pascha-herdenkingsmunt uit de planning te halen, waarvan de uitgifte voor november 2014 op de kalender stond. Al mijn pogingen om aan die munt te komen, liepen dus steeds stuk op van niets wetende handelaren en verouderde websites. Uiteindelijk vond ik het “press release statement” van de NBS uit 2013:

The Bank Board decided that a €10 silver collector coin commemorating the 300th anniversary of the birth of the musician Edmund Pascha will be removed from the 2014 issue plan for Slovak commemorative and collector coins. The decision was taken after experts at the Slovak Academy of Sciences (from the Institute of Musicology and Ján Stanislav Institute of Slavistics) disclosed new information indicating that significant Baroque compositions credited to Edmund Pascha were not written by him.

Men wilde er dus de vingers niet aan branden, al twijfelt niemand eraan dat Pascha toch echt in 1714 was geboren, noch aan het feit dat hij musicus was. Waarom dan niet op z’n minst een nikkelen €5 herdenkingsmunt?

Pascha of Zrunek, de compositie wordt er niet minder om, en mijn waardering ervoor al evenmin. Gemakshalve houd ik het hier op Pascha, maar de voetnoot is bij dezen geplaatst.

We bezitten, zoals gezegd, één authentieke bron van de mis. Daarin treffen we de meerstemmige zangpartij aan met orgelbegeleiding en schaarse aanduidingen voor andere instrumenten als klarinet, fluit en tuba. In de jaren-’60 heeft Miroslav Venhoda (1915-1987), musicoloog en dirigent van de Pražští Madrigalisté, samen met musicoloog Jaroslav Krček gewerkt aan een volwaardige, grote orkestversie van de mis. Die werd vervolgens uitgevoerd in december 1969, van welke uitvoering een plaatopname verscheen bij Supraphon (1969) en later nog bij Opus (1973). In 1995 verscheen de CD-versie. Het is deze ‘wereldpremière’ die ik als uitgangspunt neem en ik zal verderop ook verklaren waarom ik dat doe.

Er zijn nog andere arrangementen en orkestraties van deze mis in F van Pascha/Zrunek vervaardigd. Op internet vind je bijvoorbeeld enkele uitvoeringen van de op naam van Zrunek geafficheerde versie. Helaas vrij amateuristische opnamen: kleumende zangers en orkestleden in een kerkje dat op instorten lijkt te staan, slecht camerawerk, slechte geluidsopname/mixage en dan ook nog eens een vrij zwak muzikaal niveau. Dat alles in een compleet andere orkestratie dan die van Venhoda. Jammer van die slechte kwaliteit, want mogelijkerwijs is deze ‘Zrunek-variant’ authentieker, dichter bij het origineel, dan de veel hoogstaander, maar gecultiveerde ‘Venhoda-versie’. Ik raak hiermee aan een discussie die we al decennialang kennen rond de Matthäus Passion: moet je kiezen voor een soberder, want authentiekere versie of voor een meer barokkerige, tegen het romantische aan. Dat het juist Mendelssohn was die de Matthäus herontdekte, zal wel aan die discussie mede ten grondslag liggen.

Overigens ontken ik met klem dat de sobere, kale versie die van Zrunek zou zijn en de vollere, meer theatrale die van Pascha. De interpretatiekwestie is een geheel andere dan de auteurskwestie. Maar omdat op de Venhoda-platen en CD’s nu eenmaal “Pascha” staat, en bij de sobere YouTube-varianten, zoals die uit het West-Tsjechische Kadaň “Zrunek”, lijkt die parallellie te bestaan, zij het dan ten onrechte. Ik ga daar verder niet op in, ook niet op de vraag wat ‘beter’ is. Laten de rekkelijken en preciezen het onderling maar uitvechten.

De mis die ik hier in het vervolg onder de loep neem, is traditioneel opgebouwd: Kyrie, Gloria, Credo, Sanctus/Benedictus en Agnus Dei. De grote verrassing zit in de tekst: de Latijnse teksten volgens het ordinarium blijven wel grotendeels gehandhaafd, maar zij worden gelardeerd met Slowaakse pastorella’s, teksten van herdersliedjes uit de lokale folkloristische traditie. Misschien kunnen we beter stellen: de mis bestaat uit Slowaakse pastorella’s die worden gelardeerd met Latijnse teksten uit het misboek. Pascha, volkstaalliturgist-avant-la-lettre, scheen ervan overtuigd te zijn dat het kerkvolk meer gebaat was bij herkenbare verhalen uit de eigen streek dan bij onverstaanbare en onverklaarbare Latijnse formules volgens een rite die niet des volks was. Dat werd hem overigens niet in dank afgenomen: ergens in het manuscript uit 1770 staat als bijschrift bij een van de Slowaakse passages “hic textus slavonicus nihil valet” (“deze Slowaakse tekst hier is helemaal niks waard”). Op die teksten kom ik in een vervolgartikel nog nader te spreken.

Muzikaal gezien is het van hetzelfde laken een pak. Bedenk dat de compositie ontstond, en vermoedelijk ook oorspronkelijk werd uitgevoerd, in het grensgebied van Oost-Moravië en West-Slowakije. Dat is meer dan de huidige staatsgrens tussen de Tsjechische Republiek en Slowakije; het is ook de scheiding tussen het meer op Oostenrijk en Zuid-Duitsland georiënteerde westen tegenover het meer op Hongarije en de Balkan georiënteerde oosten. Dat heeft zo zijn consequenties, want Tsjechische barok is iets anders dan Slowaakse barok. In deze mis vinden we beide terug, bijvoorbeeld in de vermening van de (West-Europese) grotetertstoonladder en de (Oost-Europese) lydische toonladder, de toonladder met de overmatige kwart. Om het simpel te houden: speel op de piano van f naar f op alleen maar witte toetsen en je hebt een lydische toonladder; luister maar even 2 seconden naar DEZE basstem, met name de vierde noot. Speel je van c naar c dat heb je de ‘gewone’ grotetertstoonladder; DIE zingt dezelfde bas zes maten verderop. Let weer op de vierde noot.
Het verschil blijkt ook uit de frequente wisselingen van het ritme: naast de ‘gewone’ drie- en vierkwartsmaten horen we vaak meer complexe ritmes die refereren aan folkloristische dansen uit de Balkan.
En, niet in het minst: de gebruikte instrumenten, althans zoals Venhoda die na jarenlange studie erin heeft aangebracht en die hem ook ter beschikking stonden vanuit het Nationaal Museum in Praag, waarmee de Madrigalisten destijds zo nauw waren verbonden.

Tableau de la troupe:

  • vierstemmig koor (2 sopranen, 2 alten, 1 tenor, 2 baritons, 1 bas)
  • 2 blokfluiten
  • basfluit
  • 2 hobo’s
  • schalmei
  • zink
  • dulciaan
  • fagot
  • cimbaal
  • orgel
  • eerste viool
  • tweede viool
  • derde viool/viola
  • cello
  • nonnenviool (trumšajt; zie hieronder)
  • bas viola da gamba
  • contrabas
  • bellen
  • pauken
  • grote trom 

Dat heb je op zondagochtend niet zo maar bij elkaar in de dorpskerk.

Wellicht het meest onbekend is die nonnenviool, in het Tsjechisch en Slowaaks trumšajt of trumšejt genoemd, in het Duits Trumscheit of Rumpelmarie.
Het is een tussen 94 en 112 cm lang strijkinstrument met één enkele snaar (latere versies ook met 2 of 3 snaren) die door een staande speler met een strijkstok wordt bespeeld. Het meest kenmerkende aspect van deze tromba marina (een verbastering van Trompette Marianne) is dat de kam waarover de snaar onderaan loopt de vorm heeft van een damesschoentje waarvan de hoge hak vastzit aan de ter plaatse versterkte klankkast, maar de neus ietsje boven de klankkast zweeft. Komt nu de snaar in een trillende beweging, dan ratelt dat teentje klepperend tegen de klankkast, hetgeen een trompetachtige klank voortbrengt. ZO dus ongeveer.
Het instrument is tot in de 19e eeuw in Centraal Europa in zwang geweest, maar inmiddels overal van het toneel verdwenen.

Ik ga niet beginnen aan een vervolgartikel waarin ik de afzonderlijke delen van de Vianočná Omša behandel, voordat ik eerst de onontbeerlijke anekdote heb verteld die aan de wieg stond van mijn fascinatie voor deze kerstmis.

Ik kwam op het spoor van zowel de mis van Ryba als die van Pascha doordat een van mijn Praagse kennissen mij er begin jaren-’70 op attent maakte. Mijn bewondering was zo groot, met name voor die van Pascha, dat hij mij in contact bracht met Miroslav Venhoda, die kort daarvoor de mis op LP had uitgebracht. Ik sprak enige tijd met hem over die compositie en zei dat ik het geweldig zou vinden als die ooit ook eens in Nederland zou kunnen worden uitgevoerd. Hij vond dat een goed idee, maar opperde wel een stuitend bezwaar: van de Vianočná Omša bestond er geen enkele partituur. Toen ik verbaasd vroeg hoe hij dan de uitvoering had kunnen realiseren, liep hij even naar een andere kamer en kwam terug met een groezelig pak papier van 130 vellen op folioformaat. “Dit”, zei hij, lichtelijk verontschuldigend, “dit is het enige wat er is. Ik heb de mis met de hand uitgeschreven en er dirigeer- en regieannotaties bij geschreven.” Hoewel ik ervan overtuigd was dat er dan toch minstens ook wel deelpartijen moesten zijn voor het koor, de organist, en de andere instrumenten, stond ik stomverbaasd hoe Tsjechoslowaken erin slaagden met zo beperkte middelen een zo hoog muzikaal niveau te bereiken.

“Komt u nog vaker naar Praag?”, vroeg hij mij daarop. Ik antwoordde bevestigend, want ik reisde destijds zeker tweemaal ’s jaars naar de ČSSR. “Neem dit dan mee, dan kunt u het overschrijven of kopiëren, en brengt u het bij een volgend bezoek weer terug.”

Een ongehoorde geste: het unieke, handgeschreven exemplaar van een moeizaam tot stand gekomen compositie aan een wildvreemde buitenlander meegeven…

In Nederland heb ik toen zorgvuldig van elk blad een foto gemaakt met Agfa-Ortho documentfilm, en ik heb hem de bladen enige maanden daarna weer teruggegeven; kreeg bij dat bezoek weer allerhande nuttige speel- en uitvoeringsaanwijzingen, valkuilen en andere aandachtspunten van hem.

Veel later heb ik die diapositieven ook nog gedigitaliseerd, maar tot die tijd (computers hadden we nog niet, laat staan programmatuur om partituren uit te schrijven) ben ik eindeloos lang bezig geweest met de fijnste Rotring-pennetjes het geheel over te schrijven op bladen met 18 notenbalken onder elkaar. Een monnikenwerk, kan ik verzekeren. Ik ben, na vele jaren, ook nooit verder gekomen dan halverwege het Gloria.

Mocht er nog eens een moment komen dat een uitvoering tot de reële mogelijkheden gaat behoren, dan zal ik de hele partituur wel op de pc gaan invoeren.

 

 

___________________________________
vorig bericht:
Kerstroep-1 Jakub Jan Ryba
volgende berichten:
Kerstroep-3: Pascha documentatie
Kerstroep-4: Kyrie
Kerstroep-5: Gloria
Kerstroep-6: Credo
Kerstroep-7: Sanctus-Benedictus-Agnus Dei