La Filature Magnier Aîné

Eigenlijk was het maar bijvangst.
Bij het samenstellen van mijn WO-I-publicatie stiet ik in de periode 1900-1920 herhaaldelijk op de Filature Magnier Aîné te Rosoy, bij ons net om de hoek op nog geen 100 meter.
Slechts heel weinig wisten de dorpelingen erover te vertellen. Dus maar zelf weer eens een onderzoekje gestart.

Ik wijd in mijn verhaal over WO-I ook een hoofdstuk aan het dagelijks leven in Rosoy in de jaren ruim rond 1914. Daartoe maak ik o.m. gebruik van de vijfjaarlijkse volkstellingen waarbij van alle getelde bewoners ook het beroep wordt vermeld. Zo viel het me op dat er tussen 1901 en 1931 nogal wat Roseaux werkzaam waren bij de Compagnie de l’Est, het spoorwegbedrijf dat de lijn Parijs-Basel exploiteerde voor de SNCF het in 1938 nationaliseerde, maar ook bij de Filature Magnier Aîné, de spinnerij-weverij langs het riviertje dat door Rosoy loopt (en daar nog net niet de Amance heet, overigens). Dat aantal werknemers (timmerlieden, technici, enz.) en werkneemsters (naaisters vooral) beliep soms wel meer dan 30. De rest van de bevolking was gewoon boer. Of cultivateur of viticulteur, want dat klinkt iets beschaafder.

Au Mouton Docile, prijkt er als devies boven alle verworven medailles. In het Makke Schaap, alsof je bij Het Hijgende Hert of De Rustende Jager binnenstapt. Of het vrolijke vee bewondert van de smeerkaas van La Vache Qui Rit.
Pleure pas, Grosse Bête! Tu iras chez J.L. Bailly, probeert deze slager annex traiteur uit het naburige Chalindrey er nog schaamteloos van te maken, Niet geweend, lekker zwijn, bij Bailly heb je ’t pas fijn, zoals er in Oost-Brabant en Noord-Limburg nogal wat veevervoerwagens rondrijden met lachende biggetjes erop – wie het laatst slacht, slacht het best. Goeie slager, overigens, daar niet van.

Het devies van het bedrijf, dat heeft bestaan van ±1860 tot ±1970, doet vermoeden dat er in hoofdzaak wol werd gesponnen en verder verwerkt, maar het was toch vooral katoen die werd gebruikt voor het weven van sokken, tricots, kleden en wat dies meer zij. Die katoen zal ongetwijfeld zijn geïmporteerd; Rosoy had immers sinds 1853 een Heusche IJzeren Spoorverbinding. Als het al niet katoen betrof die in het mediterrane gebied van Frankrijk werd verbouwd, dan toch zeker die uit de vele Franse Koloniën in Noord-Afrika. Wol en katoen; nog steeds tref je in de fabriek wat restanten ervan aan.

Het bedrijf ging uiteindelijk ten onder aan min of meer (achteraf) voorspelbare oorzaken:

  • de toenemende import van textielwaren uit lagelonenlanden, gevoegd bij de toegenomen transportmogelijkheden per spoor van ver weg, dus eenzelfde omgekeerd voordeel als bij de wijnbouw in de Haute-Marne
  • de opkomst van synthetische garens
  • de opkomst van winkelcentra en supermarkten bijvoorbeeld rond Langres, waardoor men de sokken goedkoper bij Leclerc of de Intermarché kon kopen
  • het plotseling overlijden van de eigenaar (vliegtuigongeluk bij Venezuela, begin jaren-’60) zonder opvolging. Daarna is er nog een periode van déstockage gekomen, waarin de liggende voorraden zo veel mogelijk werd uitverkocht.

Maar voor het zo ver was, vormde la Filature toch een sociaal-economische factor van belang in het verder zo agrarische dorpje. Het was de eerste, enige en tevens laatste fabriek in Rosoy die met machines werkte. Alle andere negoties dreven op handwerk. Die machines werden zeer lange tijd aangedreven door een stoommachine. Op de prentbriefkaart hier bovenaan zie je de bijbehorende lange schoorsteen met onderaan rechts een schuin afdakje. Daaronder bevond zich een ingenieus samenstel van wateraanvoer: uit een hoger lopend stroompje, inmiddels afgedamd wegens overlast en hygiënische bezwaren, stroomden vier kanaaltjes naar het fabrieksgebouw. Onder het afdakje zat een enorm groot houten schoepenrad waarop het water terecht kwam. Werd het rad in beweging gezet, dan schepten de schoepen water in de ketel binnen in de fabriek en kwam er witte rook uit de schoorsteen. Niet alleen maar wit overigens, als je naar de muur kijkt achter waar ooit die ketel stond te branden. Het toestel dat je midden op de foto ziet, is een soort blaasbalg die het vuurtje nog eens goed kon opstoken.

Al deze wijsheid heb ik opgedaan doordat ik eindelijk, na jaren van gedrentel en getreuzel, contact zocht met de huidige eigenaar van het hele pand, een achterkleinzoon of kleinzoon van de overleden laatste fabrikant Magnier. Een heel aardige man van een jaar of 35, die mij, blij als hij leek te zijn met de getoonde belangstelling, een dik uur rondleidde door het inmiddels aan verval, spinnewebben en onbetrouwbare houten vloeren onderhevige fabriekspand, de twee haaks op elkaar staande gebouwen achter het woonhuis op de voorgrond langs de straat. Een nauwelijks te omschrijven zooi van restanten, documenten, kisten, dozen, verroeste machines, religieuze afbeeldingen, lege flessen – kortom net zoiets als wij aantroffen toen we in 1998 ons huis kochten. Heerlijk, wat een onderzoeksdomein…
Hier zit een aparte publicatie in, probeerde ik mij niet in te prenten. Maar als een ander het wil gaan doen, verstrek ik alvast wel de nodige aanzet en informatie.

 

Uit een stoffig schap ergens onder een tafel haalde hij nog een paar lage sokken tevoorschijn.
“Hier”, zei hij, “nog helemaal nieuw. Moet tussen 1900 en 1910 zijn geweven. Kijk eens wat een kwaliteit. Neem maar mee”.
Van weven, haken en breien heb ik totaal geen verstand, maar kenners hebben inmiddels dit staaltje van weefkunst al geroemd. Die nog perfecte functionerende stretchboorden, gewoon één recht één averecht. Alsof dat zo logisch is als wat, na dik honderd jaar liggen niksen op het schap.

 

Misschien was ik nog wel het meeste verrast door zijn verhaal over het gebouwtje dat je op de luchtfoto hierboven rechts bovenaan nog net gedeeltelijk kunt zien staan. Magnier&Co waren niet alleen bij de tijd: al zeker tien jaar voordat er in Rosoy elektriciteit werd aangelegd, hadden zij al als eersten een telefoon- en telegraafaansluiting: Téléphone No 1, vermeldt de factuur uit 1930 trots, hetgeen al werd bevestigd in de telefoongids van de Haute-Marne anno 1914; als iemand in het dorp dus gauw een dokter moest hebben, vlug even naar de Filature om te bellen en dan kwam de dokter van ver wel aangefietst.
Maar de Magniers waren sociaal gezien hun tijd ook ver vooruit. Dat gebouwtje was ingericht, vermoedelijk na de aanleg van eletriciteit, als bioscoop, in principe voor het eigen personeel dat de op een witte muur geprojecteerde rolprenten kon aanschouwen, maar soms ook voor anderen uit het dorp, waarmee het nuttige met het aangename werd verenigd en de sociale band (met het bedrijf) danig werd verstevigd. Philips in het klein, met zijn POC, het Philips Ontspannings Centrum. Net als Philips: een staatje in de staat.
Het bouwsel ziet er nu uit als helemaal achteraan bovenstaande foto tussen het fabriekspand en het veldkruis: nagenoeg helemaal ingestort, slechts één muur gedeeltelijk nog overeind, en naar mijn inschatting ooit eens afgebrand.

 

Fabrice, de huidige eigenaar, komt nog maar sporadisch in zijn onroerend goed te Rosoy. Hij lijkt te twijfelen wat hij met het pand en de duizenden m² grond erachter aan moet. Restaureren is veel te duur, en waartoe ook? Een zinvolle bestemming moet eerst maar eens opdoemen. Een cultureel centrum? Op kosten van een bevolking die daarin nauwelijks geïnteresseerd lijkt? Een horecagelegenheid, waarvan er zo vele in de regio al binnen een jaar de deuren hebben moeten sluiten? Een kleinschalig bedrijvencentrum? De jeugd van Rosoy trekt weg naar de steden, waar het leven nog perspectief biedt.

 

Wie een betaalbare en nuttige bestemming denkt te weten, mag zich melden. De Van Nellefabriek is tenslotte ook aan de sloop ontsnapt.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.