Hubertus en de Oliphant

Sinds enige tijd ben ik lid van Les Pistons du Bassigny, een oldtimerclub hier in de buurt waarbij dik 70 mensen zijn aangesloten met rond de 40 auto’s van >25 jaar oud. Niet bijster interessant nieuws voor deze weblog; als je meer wilt weten over mijn Renault Dauphine, lees dan de artikelen die ik speciaal aan haar heb besteed. Maar voor je wegzapt, is het misschien de moeite dit en het volgende bericht te lezen over twee plekken die de club op haar toertocht van 20 oktober jl. heeft bezocht.

Bij toerbeurt worden de maandelijkse toertochten door een van de leden georganiseerd, en ditmaal was de eer aan mij om met een route en bijbehorende bezienswaardigheden op de proppen te komen. Daartoe koos ik onder meer voor de St.Hubertuskapel in Chauvirey-le-Châtel en de St.Christoffelkerk in Champlitte-la-Ville. Niet dat de hele dagtrip één grote relitour was, maar over deze twee godshuizen valt wel een en ander te melden.

Chauvirey-le-Châtel bevat, naast uiteraard een kasteel, een kerk en een kapel. Over die Maria-Geboortekerk, in de annalen voor het eerst vermeld in 1424, hier als achtergrond van de verzamelde 21 oldtimers, wil ik kort wezen. Er bevindt zich een eind-17e-eeuws hoofdaltaar, in kerkelijke barokstijl, naar verluidt ontworpen in de contrareformatie om de naburige afvallige Zwitserse protestanten te laten zien hoe het hoort. Voor mij is in het bijzonder boeiend dat zich links en rechts van dat altaar twee levensgrote beelden bevinden, eentje van St.Sebastiaan, de andere van St.Rochus, evident bedoeld om er zeker van te zijn dat de pestepidemie het dorp niet te zeer zoude treffen. Van deze dubbele dekking bestaan meer voorbeelden ((Een daarvan, in het Luxemburgse Rumelange, heb ik vermeld in mijn bericht over iconografie; andere voorbeelden volgen in een later bericht)) , maar ze zijn toch vrij zeldzaam.

Interessanter wordt het als we 50 meter verderop bij de Hubertuskapel belanden. Hubertus, voor de niet-katholieken onder ons, leefde van 656 tot 727, aanvankelijk in de (Belgische) Ardennen. Aan hem kleven, zoals aan veel heiligen, tal van legenden, halve en hele hagiografische waarheden. Hij was groot, sterk en lenig. Al op zijn twaalfde slaagde hij erin om zich, tijdens een jachtpartij met zijn vader, te ontpoppen als berentemmer: zijn vader werd onverhoeds door een beer aangevallen, Huubje snelde toe en bevrijdde zijn vader uit de klauwen van het beest. Legenden als deze waren tussen de 8e en 11e eeuw enorm populair in het kader van de kerstening van Europa, waarbij de beer als vanouds koningsdier moest worden gedood of minstens getemd, gedomensticeerd, gedegradeerd – hoe dan ook worden onttroond ten gunste van de leeuw. Daarover heb ik uitvoerig bericht in mijn artikel over het ursoleonine koningsdrama in de Reynaert dat HIER te lezen staat.

Verder was Hubertus een losbol die als hij niet op dieren aan het jagen was er een tamelijk olijk leven op nahield – uit het hart van de Ardennen komt meer dan zuiver bronwater. Tot hij op zekeren dag, bronnen beweren op Goede Vrijdag nota bene, weer aan het jagen was en hem een visioen ten deel viel: er verscheen een hert waarboven tussen het gewei een kruisbeeld oplichtte (jawel, dat van Jägermeister!) terwijl een stem van omhoog hem toeriep: “Gij zult vanaf heden geen dieren meer jagen, maar mensen om die te bekeren.” Lang verhaal kort: hij belandde in Maastricht waar hij bisschop werd van Maastricht-Luik-Tongeren en zich in die functie voorbeeldig gedroeg.

Uit zijn wereldlijke periode echter, wellicht in Aquitanië, had hij een ivoren hoorn overgehouden, een zogenaamde Oliphant (een totum pro parte dus ((Bij een totum pro parte noem je het geheel, terwijl je maar een deel ervan bedoelt. Het omgekeerde is een pars pro toto: je noemt een deel terwijl je het geheel bedoelt: “de bemanning telt 35 koppen”)) ), statussymbool voor wereldlijke gezagsdragers. Op welke wijze dan ook bleef die hoorn bewaard. De latere bezitter Louis de Bourbon, prins-bisschop van Luik, schonk hem rond 1470 aan zijn oom Karel de Stoute.

Die was met het kleinood zo verguld, dat hij besloot aan een van zijn kastelen een aparte kapel te laten bouwen, gewijd aan Sint Hubertus. Dat kasteel nu, met die aangebouwde kapel, staat in Chauvirey-le-Châtel. Over de architectonische harmonie valt wellicht te twisten, maar de kapel staat er nog steeds, hier te zien toen de deelnemers van Les Pistons op het punt stonden er naar binnen te gaan.

Het interieur is niet bepaald bemoedigend: de achterkant van de kleine kapelruimte bestaat uit een donker gat met enkel kale, zwart beschimmelde muren. Daar hebben ooit schilderijen gehangen. Twee daarvan heb ik kunnen traceren: een 17e-eeuwse Ecce Homo (122×94 cm) en, jawel, Het visioen van Sint Hubert (170×95 cm), een olieverfschilderij van Prosper Baccuet uit 1836. Beide hangen nu in een kerk in Pisseloup (Haute-Marne). Diefstal zal het niet zijn geweest; eerder verkeerde de toenmalige kasteelheer, de Comte de Scey, in geldnood en heeft hij de doeken verkocht. Daarover straks meer.

Tegen het gewelfde plafond zijn met moeite nog enkele wapenschilden te zien, op een waarvan ik de staande, lange, rode leeuw meen te herkennen uit het wapen van Karel de Stoute. Dat zit dus wel goed.

Aan de voorkant van de kapel had het complete altaar moeten staan, maar dat is grotendeels weg. Tot overmaat van ramp is de uit steen gehouwen retabel, voorstellende het visioen van Sint Hubert in 1998 gestolen; in 2005 werd (een deel van) het middenstuk teruggevonden, waarvan nu een kopie in de kapel staan uitgestald. Een korte video-impressie hierover is HIER te vinden.

En dan dus die beroemde Oliphant. Die is ook weg. Aan een van de zijmuren hangt alleen nog de hier afgebeelde plaquette, die tevens alles verklaart: De Comte de Scey, in geldnood, heeft deze hoorn die van 1484 tot 1869 prominent aanwezig was, met alleen een korte onderbreking tijdens de 30-jarige oorlog, in 1879 verkocht aan Sir Richard Wallace voor 16.000 francs. In de Londense Wallace Collection is hij sindsdien alsnog te aanschouwen.

In 1836 kwam een of andere idioot op het Franse ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur op het bizarre plan de hele kapel te schenken aan het Metropolitan Museum in New York. Deze verhuizing werd uiteindelijk afgeblazen, voornamelijk op grond van grote bezwaren vanuit de lokale bevolking in de Franche-Comté, zo blijkt uit de voorpagina van Le Figaro van 30 juli 1936.
Op 29 november 1936 staat in het dagblad La Croix, eveneens op de voorpagina, beknopt uitgelegd hoe de Franse staat het voornemen had de kapel steen voor steen af te breken, in te pakken en te verschepen naar Amerika om het daar te schenken aan John Davison Rockefeller, wegens diens gulle weldadigheid jegens grote historische monumenten. Felle protesten vanuit de bevolking noopten de regering echter het hele plan te schrappen. Maar goed ook, want nog geen half jaar later, ruim voordat de onderste steen naar boven kon zijn gehaald om te worden ingepakt, was Rockefeller zelf dood.

Zo zitten we dus met een brokstuk van een retabel en slechts een plaatje van een Oliphant.

Maar toch weten we een heleboel wel, over het voorkomen en de verbreiding van die ivoren hoorn. Zo kennen we hem uit Het lied van Heer Halewyn (“Sij blaesde de horen als een man”) en de Fransen kennen hem uit het Chanson de Roland. En om het verhaal nog verder te verbreden en te verdiepen citeer ik hier, met zijn toestemming, een lang stuk uit het verhaal dat kinderboekenschrijver Gerard Sonnemans (www.gerardsonnemans.nl) nog niet zo lang geleden publiceerde in een liber amicorum.


Van Bagdad naar Roncesvalles

Gerard Sonnemans

Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Ze leiden van Nijmegen naar Amsterdam, van de wetenschap naar prentenboeken, van Bagdad naar Roncesvalles. […]
Werkend aan het hoofdstuk over het tijdvak van de monniken en ridders ((Het geschiedenisonderwijs is sinds 1999 gebaseerd op de indeling van de geschiedenis in tien tijdvakken, zoals opgesteld door de Commissie De Rooij. Het tijdvak van de monniken en ridders loopt van 500 tot 1000. In 2009 werd naast deze indeling de canon van Nederland (opgesteld door de Commissie Van Oostrom) mede leidend voor het geschiedenisonderwijs.)) voor Het grote geschiedenisboek deed ik ((Sonnemans e.a. 2005)) een interessante ontdekking: Karel de Grote en kalief Haroen al Rashid (ca. 766-809) uit Bagdad bleken diplomatieke betrekkingen te hebben onderhouden. Onder de vele geschenken die ze uitwisselden bevond zich een levensechte olifant. Diverse bronnen, waaronder de Vita Karoli Magni van Karels dienaar en biograaf Einhard, ((Zie Furchow 2008, p. 34-35. Einhard schreef zijn Vita Karoli Magni tussen 817 en 830 in opdracht van Karels zoon Lodewijk de Vrome.)) maken melding van dit opmerkelijke feit. De Annales regni Francorum melden zelfs de naam van het beest: Abul Abaz. ((Kurze 1895, 801, 802 en 810.)) Van 802 tot 810 reisde de olifant in het gevolg van Karel de Grote door Europa, tot hij plotseling overleed.
Paul M. Cobb, professor Islamic History in het Middle East Center van de universiteit van Pennsylvania, hield diverse lezingen over dit onderwerp. ((Onder andere op de vierde Vagantes Conference aan de University of Notre Dame in 2005.)) Hij beschrijft de traditie van het schenken van olifanten en de symboliek daarachter. Al in de Hellenistische en Klassieke tijden werden bij het uitwisselen van geschenken olifanten gebruikt. Die traditie vond voortzetting in de islamitische wereld. Steevast betrof dat een koninklijke gift; meestal geschonken dóór een koning, maar altijd vóór een koning. Met de overdracht van Abul Abaz aan Karel de Grote erkende Haroen al Rashid dus diens soevereiniteit.
Cobb signaleert echter ook een mogelijk diepere symboliek achter de gift van Haroen al Rashid – een symboliek die met name in de islamitische wereld welwillend gehoor gevonden zou hebben. Sura 105 uit de Koran verhaalt hoe de Yemenitische koning Abraha naar Mekka trok om de Ka’aba te vernietigen. In zijn leger bevond zich ook de oorlogsolifant MaÈmũd. Bij de bestorming van de stad weigerde MaÈmũd zijn meester te gehoorzamen. In plaats daarvan boog hij nederig voor de muren van de stad.
In een (weliswaar relatief jonge) versie van dit verhaal heeft de olifant naast zijn naam MaÈmũd ook het teknonym ((Teknonymy is de gewoonte in onder andere meerdere culturen, waaronder de Islamitische, om mensen én dieren naast hun gewone naam een bijnaam te geven, gebaseerd op de naam van het oudste kind.)) Abũ’l-‘Abbãs. Hoewel deze versie enkel in een bron uit 1144 is overgeleverd, acht Cobb het niet onmogelijk dat Haroen al Rashid bekend was met dit teknonym, horend bij een voor alle moslims overbekende Sura. In dat geval bevat de naamgeving van Karels olifant een impliciete boodschap: net als MaÈmũd buigt elke aardse soevereiniteit voor de suprematie van de Islam.

Een van de frustrerende aspecten van het schrijverschap is het adagium kill your darlings. Veel boeiende onderwerpen die ik tijdens mijn onderzoek voor Het grote geschiedenisboek vond, kwamen terecht in een restmap op mijn pc. Zo ook Abul Abaz.
Natuurlijk was er wel plaats voor Roelands heroïsche ondergang in de bergen bij Roncevalles. Dit fascinerende verhaal over heldenmoed, opofferingsgezindheid en vriendschap verdient het om ook aan de nieuwe generatie doorgegeven te worden.
Niet lang na het verschijnen van Het grote geschiedenisboek kreeg ik het verzoek om een prentenboek bij het tijdvak van de monniken en ridders te schrijven. De doelgroep bestond uit zes- tot achtjarigen; niet bepaald een publiek dat je al met de krijgshaftige geschiedenis van Clovis, Karel Martel, Karel de Grote of de Vikingen wil confronteren. Maar het verhaal van Abul Abaz paste des te beter – dieren doen het altijd goed in kinderboeken. Zo schreef ik Een olifant voor de keizer. ((Sonnemans 2008))
Sindsdien maakt het verhaal van Karels olifant deel uit van de voorstellingen die ik op scholen en in bibliotheken over de middeleeuwen verzorg. Met de prenten uit mijn boeken, maar ook met zwaarden, schilden, helmen en een koeienhoorn als substituut voor Roelands hoorn probeer ik de geschiedenis voor de jeugd te evoceren.

Tijdens een van die lezingen klikten plotseling twee verhalen in elkaar. Daar stond ik, met mijn koeienhoorn in de hand, te vertellen hoe Roeland bij een actie om Karel te bevrijden het paard Veillantif, het zwaard Durendal en de hoorn Olifant veroverde op de heidense koningszoon Aumes. Wie thuis is in de middeleeuwse literatuur verbaast zich niet over het feit dat paarden, zwaarden en zelfs een hoorn eigennamen hebben. Dat is een gegeven waarbij maar zelden de vraag naar de herkomst van die namen gesteld wordt.
Op dat moment echter realiseerde ik me dat er een opmerkelijk verband tussen Roelands hoorn Olifant en Abul Abaz bestond. Olifanten waren indertijd geen alledaagse bezienswaardigheid in Noordwest-Europa. En toch draagt de hoorn van Roeland de naam Olifant.
In Einhards biografie van Karel de Grote wordt Roelands dood in de Pyreneeën al beschreven. ((Zie Furchow 2008, p. 22-23. Bij Einhard heet Roeland ‘Hruodlandus Brittannici limitis praefectus’, markgraaf van Bretagne)) Daar is echter nog geen sprake van Roncevalles of het waarschuwen van Karels hoofdmacht met een hoorn. Die elementen moeten ergens in de ontstaansgeschiedenis van het Chanson de Roland aan het epos zijn toegevoegd. Dit beroemde verhaal is tegen het einde van de elfde eeuw op schrift gesteld. Daarvoor maakte het echter al furore, getuige diverse oudere vermeldingen. Zo zong Taillefer de Normandische troepen voor de slag bij Hastings in 1066 moed in met het voordragen van de heldendaden van Roeland en Olivier, die bij Roncesvalles sneuvelden. ((Zie Keller 2003.)) 
Roelands heldendood was dus al bekend voordat het Chanson de Roland op perkament gezet werd. Of ook zijn hoorn Olifant al in die versie een rol speelde, zal wel nooit meer achterhaald kunnen worden.

Vanuit een andere hoek wordt daar echter wel een aanvullend argument voor aangedragen. Van de 11de tot en met de 14de eeuw –de periode waarin ook het Chanson de Roland zijn opmars op perkament maakte– voegde praktisch elke zichzelf respecterende kerk en vorst een ivoren hoorn aan zijn schatkamer toe. De slagtanden van olifanten leenden zich uitstekend voor het bewerken tot een pronkhoorn. Jachttaferelen werden in het ivoor uitgesneden en de hoorns werden vaak met goud en edelstenen ingelegd. Uitgehold konden ze daadwerkelijk een machtig geluid voortbrengen.
De verschillende typen worden onderscheiden naar hun herkomst uit de Islamitische wereld, Byzantium en Europa (voornamelijk uit Zuid-Italië). In totaal zijn er nog 75 van deze hoorns overgeleverd, verspreid over musea, kerkschatten en privécollecties. Op basis van overgeleverde kerkinventarissen kan geconcludeerd worden dat dit soort artefacts in de loop van de tijd stevig gedecimeerd is, net als met onze middeleuwse literatuur het geval is. Daarbij moet worden aan aangetekend dat de hoorns in de luwte van kerkschatten en vorstelijke kabinetten een wat grotere overlevingskans lijken te hebben gehad dan menig andere kunstvorm.
In de kerkinventarissen worden deze hoorns cornea eburnea genoemd, maar in de ‘volksmond’ staan ze bekend onder de naam ‘Oliphant’. ((Zie Shalem 2004 voor een uitgebreide studie van de Oliphants.)) 
Het Grove Dictionary of Art ((Turner 1996)) suggereert een direct verband tussen Roelands hoorn Olifant en de wijdverspreide populariteit van de Oliphants, maar laat in het midden of het Chanson de geste daar direct aan bijdroeg, dan wel die populariteit reflecteerde.

Het Chanson de Roland vertelt hoe de hoorn Olifant -gevuld met goud en geld- na Roelands dood op het altaar van de basiliek Saint-Seurin in Bordeaux wordt gelegd, goed zichtbaar voor de pelgrims die daar komen. Voor zover ik kan overzien, komt geen van de overgeleverde Oliphants uit Bordeaux.
Wel bevindt er zich nog een in de schatkamer van de Akense dom.

En dat brengt ons weer dicht bij Karel de Grote, die in Aken begraven ligt. De verleiding is groot om een verband te leggen tussen de Akense Oliphant, Roelands Olifant en Karels olifant Abul Abaz. De eerlijkheid gebiedt echter te zeggen dat er tussen de dood van Abul Abaz en de productie van de Oliphant ((De Oliphant in Aken wordt gedateerd op de 11de eeuw.)) meer dan twee eeuwen liggen. En sindsdien is er nog eens een compleet millennium verstreken.
Wat ons rest zijn de verhalen over Karel de Grote en zijn pairs. Hun roem heeft de tand des tijds doorstaan, maar een onophoudelijke stroom van vertellers heeft hun heldendaden opgesmukt en aangepast aan wisselende literaire trends of culturele sentimenten. Is het in dat licht bezien bezwaarlijk als ik daar mijn eigen sentiment aan toevoeg en mijn jeugdige publiek op de mouw speld dat Roelands hoorn uit de slagtand van Abul Abaz vervaardigd is, en dus van Bagdad via Aken in Roncesvalles terechtkwam?


Literatuur

  • Firchow, E.S. (ed.), Einhard,Vita Karoli Magni’. Das Leben Karls des Großen. Stuttgart, 2008.
  • Keller, H.E., Autour de Roland: Recherches sur la chanson de geste. Paris, 2003.
  • Kurze, F. (ed.), ‘Annales regni Francorum. Monumenta Germaniae Historicae: Scriptores rerum Germanicum in usum scholarum. Hannover/Leipzig, 1895.
  • Shalem, A., The Oliphant: Islamic Objects in Historical Context. Leiden, 2004.
  • Sonnemans, G. e.a., Het grote geschiedenisboek. Groningen, 2005.
  • Sonnemans, G., Een olifant voor de keizer. Drunen, 2008.
  • Turner, J. (ed.), The Grove Dictionary of Art. Oxford, 1996.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.