De cave

Zoals onder Nederlandse huizen wel eens een kelder wil zitten, zo bevat een Franse boerderij een cave, vanouds de koelkast voordat er koelkasten bestonden, half ondergronds, inpandig, met een ’s zomers en ’s winters zo constant mogelijke temperatuur tussen de 5 en 10 graden. De ideale bewaarplaats voor wijn en al dan niet geconserveerde voedselvoorraden – ook een pretpark voor muizen en ratten.

Wij troffen er in Rosoy ook eentje aan, al was de vreugde daarom aanvankelijk niet echt heel groot.
Een ruimte van 4×4 meter ongeveer met een lemen vloer waarop veel vuil en stro lag, vier muren van de bekende natuursteen: de harde blauwe en de zachte gele (Rosoy ligt op een breukvlak van twee steensoorten: de bazaltachtige harde blauwe steen en de gelige kalkzandsteen; het wordt at random door elkaar opgestapeld); de buitenmuur ligt half ondergronds, want het terrein rond het huis loopt schuin en het huis is min of meer recht gebouwd, een klein raampje op maaiveldhoogte voor de nodige ventilatie en boven het geheel het plafond. Dat was kunstig ontworpen: zware, eiken balken op 25 cm van elkaar steunden op de muren links en rechts. Ze waren een beetje taps gezaagd met de grootste opening bovenaan, waarin zo lang mogelijke zware stenen klem in waren gelegd. Daar bovenop een 15 tot 20 centimeter dikke laag van mest, stro, kapotte dakpannen en wat al niet, alles voor de broodnodige isolatie.

De werking van een cave is vrij simpel: geen direct zonlicht, maar wel ventilatie. Het vocht van onder uit de vloer en van de natuurstenen muren verdampt waardoor er warmte aan de circulerende lucht wordt onttrokken. Als het goed is, kan daarmee een zeker evenwicht en dus een min of meer constante binnentemperatuur worden gegarandeerd.

In de cave bevond zich, naast een (helaas lekke) weckketel, een grote hoeveelheid flessen en weckpotten.
In de flessen zaten sperzieboontjes. Afgedicht met een kurk met een waslaag eroverheen waren ze ondersteboven in gaten van een eiken plank gehangen. Getuige enkele etiketten dateerde die inmaak uit de jaren-’60 en -’70. Later besefte ik de onvergankelijkheid van de traditie: in een van de schriftjes uit de schooltas van André trof ik een verslagje van hem aan dat hij op school moest schrijven over hoe hij de grote vakantie had doorgebracht, begin jaren-’20. Vanwege een verstuikte voet kon hij helaas niet met zijn vriendjes gaan voetballen. Daarom was hij aan het werk gezet en moest hij de hele dag geblancheerde sperzieboontjes in flessen stoppen…
De weckpotten waren, ook rond 1970, gevuld met perziken, witte boontjes, pruimen, kersen, alles op sap. Ze stonden ook op hun kop op planken om zodoende optimaal luchtdicht te blijven. Mijn verlangen om ervan te proeven was niet echt groot, maar Claud, toch wat roeklozer of plattelanderiger dan ik, zei dat het heus wel kon, zolang die vruchten maar onder het sap stonden. Ten bewijze opende hij een pot en at wat pruimen ervan op. Hij leeft nog steeds en ik merk niets vreemds aan hem.

Ook, en dat vond ik gunstiger, lagen en behoorlijk wat flessen gevuld met zelfgemaakte wijn, likeur en iets daar tussenin. Meestal met een laag alcoholpercentage (notenwijn, kersenwijn), soms ook duidelijk destillaten (pseudo-Marc en Arquebuse van zeker 40%). Vroeger kwam er in alle dorpen met enige regelmaat de destilleerkar langs van de boer die daarvoor een vergunning had. Tegen inlevering van een paar kilo fruit kreeg je van hem dan een of meer flessen zelf gestookte alcohol. Toen ik eens aan de voor-vorige burgemeester vroeg of die kar nog wel eens langskwam, antwoordde hij ontkennend. Het vergunningenstelsel is erg strikt tegenwoordig. Toen ik daarop vroeg of ik dan niet toch stiekem bij iemand aan 90% alcohol kon komen om mijn Cointreau te maken, zei hij doodleuk: “Ja, bij mij”.

Van die wijnen bleek overigens de helft helemaal om te zijn; de andere helft smaakte prima. En nu drogisten ook al geen alcohol 90% meer mogen verkopen aan particulieren, haal ik die voortaan maar gewoon in Luxemburg bij het tankstation.

Terug de cave in. Door ouderdom en achterstallig onderhoud waren de eiken balken vervaarlijk doorgezakt en bovendien uitgedroogd en gaan wijken, waardoor her en der de lange, zware stenen erdoorheen begonnen te zakken. Die moest je niet op je hoofd krijgen. Je kon ook niet meer rechtop in de cave lopen. Niet alleen zijn Fransen kleiner dan Nederlanders, maar ook de uitgezakte balken verhinderden een onbelemmerde doorgang. Tijd dus voor een allesomvattende renovatie.

Eerst alle geconserveerde etenswaren veilig elders opgeborgen. Toen met een kettingzaag de eiken balken doorgezaagd en alles maar op de vloer laten vallen, inclusief de eindeloze hoeveelheid troep die er als isolatie bovenop lag, en met stofmaskers voor de hele vloer leeggeruimd.

Ik doe graag zo veel mogelijk zelf, maar af en toe moet er toch even een aannemer aan te pas komen. Ik vroeg het in juli aan hem om de vloer wat te verlagen, een nieuw, goed geïsoleerd en strak plafond aan te brengen en rondom een betonnen stoepje te maken waarop we kasten konden zetten. De lemen vloer bleef leem, maar zou dan wel met een grindlaag worden bedekt om stoffigheid te vermijden en toch de ventilerende werking van de bodem in tact te houden.

De bouwvakkers kwamen het tussen kerst en nieuwjaar doen. Probeer in Frankrijk maar eens een datum af te spreken waaraan men zich ook houdt. Het vroor in de cave-ruimte 4°, buiten ietsje meer. Als ze water nodig hadden om cement aan te maken, moesten ze in de waterton eerst de ijslaag kapotslaan. Maar je schijnt ook onder nul te kunnen metselen. Nooit geweten. Uiteindelijk hadden ze in vier dagen de zaak voor elkaar zoals ook was gepland en afgesproken en konden we onze nieuwe cave gaan inruimen.

Het is een rijkdom om een dergelijke ruimte in  huis te hebben met het vliegenkastje (de garde-manger) en het eiermandje-waar-de-ratten-niet-bij-kunnen, al moet ik wel toegeven dat haar klimatologische constantheid te wensen overlaat: in 2003, bij wekenlange temperaturen van 35-40°werd het in de cave tegen de 24°, altijd nog de meest koele plek om je even in terug te trekken. In januari 2012, langer dan een week rond de min 20°, vroor het vier graden in de cave. De wijnvoorraad, zeker de rode, dus voor alle zekerheid toch maar in de keuken opgeslagen. Maar veruit het grootste deel van het jaar doet die cave wat hij moet doen: een heel grote koelkast zijn.

En wat die muizen en ratten betreft: eerst met korreltjes rattengif hun looproute gedetecteerd en toen maar het hele voorraadrek van de muur gehaald om met pur en cement de betreffende muurdelen en voegen te gaan dichten (zoals een Eindhovense aannemer hier uit de buurt het formuleert: “Wilde daddet zit, dan vatte kit, kiekde d’r dur, dan vatte pur” – hij heeft gelijk). Sindsien is er geen rat meer die mijn aardappelvoorraad aanvreet. Je kunt toch ook niet de kat een nacht in de cave opsluiten om het ongedierte te verjagen.

 

 

 

 

1 gedachte op “De cave

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.