Voorzetsels (1)

Eigenlijk was het mijn verbazing tijdens de periode dat ik docent Nederlands was op diverse middelbare scholen en HBO-instellingen, dat leerlingen en studenten op geen enkele wijze binnen de Nederlandse grammatica een didactiek krijgen aangeboden voor het correcte gebruik van voorzetsels. De meeste boekjes beperken zich tot invuloefeningetjes, waarvoor je dan een voldoende of onvoldoende krijgt, maar onderwijs op dat punt, ho maar. Dat leidde ertoe dat ik me in dat onderwerp ging verdiepen en er tussen 1997 en 2003 een proefschrift over schreef. Hier een eerste kennismaking met mijn voorzetselmanie.

Ik zal me hier vooralsnog beperken tot de volgende vragen:

  • Wat is een voorzetsel?
  • Zijn voorzetsels eigenlijk wel woorden?
  • Hoeveel voorzetsels zijn er?
  • Hoe kunnen we ze onderverdelen?

Wat is een voorzetsel?
Al vanaf de eerste Nederlandse grammatica’s (16e eeuw) worden Nederlandse woorden grofweg onderverdeeld in tien woordsoorten (werkwoorden, naamwoorden, lidwoorden, voorzetsels, e.d.) Voor geen van die woordsoorten bestaat er een sluitende definitie, niet wetenschappelijk, niet voor onderwijskundig gebruik. Hooguit kennen we foefjes, die niet meer blijken te zijn dan een enkele eigenschap of gebruiksmogelijkheid van woorden uit die woordklasse: een werkwoord is een woord dat een tegenwoordige en verleden tijd kent: komt, kwam; een zelfstandig naamwoord is een woord waar je de, het of een voor kunt zetten; een voorzetsel is een woord dat past op de puntjes van … het kooitje of … de lessen (om ook gedurende, tijdens en tussen te kunnen afdekken). Daar moeten leerlingen het dan maar mee doen. Maar om goed te kunnen bepalen of een woord een voorzetsel is, en hoeveel voorzetsels er in het Nederlands dan wel bestaan, is een scherpere afbakening nodig.

Een echte definitie bestaat er niet. In de aanloop nar mijn proefschrift mailde emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde Wim Klooster mij: “Pogingen niet-mathematische objecten te definiëren zijn altijd hachelijk. Bij een concrete linguïstische beschrijving, die niet strikt uitgaat van een specifieke theorie, zou je kunnen streven naar een opsomming van criteria. (Toetsing daarvan berust overigens uiteindelijk steeds op impliciete kennis.) Bij het onderhavige onderzoek moet het didactische doel in het oog worden gehouden. Hoe waterdicht moet een begripsafbakening in een schoolgrammatica zijn? De functie ervan is voor een deel psychologisch: het is fijn om vastigheid te hebben. Voor een ander deel moet de definitie helpen bij het beslissen in onduidelijke gevallen. Even in het midden latend hoe ver je moet gaan in het confronteren van leerlingen met onduidelijke gevallen, kun je in ieder geval constateren dat dat niet elk geval voor iedereen even duidelijk is. Een afbakening in de zin van het geven van criteria heeft dus waarschijnlijk wel enige zin.”

Later voegde hij mij daar mondeling nog aan toe dat het ontbreken van een sluitende definitie van “de zin” nooit heeft belet dat er al eeuwen lang wereldwijd voortreffelijke uitspraken over zinnen zijn gedaan.

Een definitie van het voorzetsel in strikte zin is dus niet voorhanden. Net zomin als voor andere woordsoorten, overigens. En dat hoeft ook niet erg te zijn; een overzicht van de eigenschappen en criteria die bij voorzetsels een rol spelen is veel nuttiger, en dat heb ik ook gepoogd tot stand te brengen.

Zijn voorzetsels eigenlijk wel woorden?
Wij leunen, zoals gezegd, al eeuwenlang op een traditie van onderverdeling van woorden in woordsoorten. Die traditie vindt haar herkomst in het klassieke Grieks en Latijn. In grote lijnen lijkt die dus wel te voldoen, niet alleen voor het Nederlands, maar ook de meeste van de ons omringende talen. In heel veel schoolgrammatica’s treffen we pogingen tot omschrijvingen aan van wat een voorzetsel is, maar bij nadere beschouwing blijken die bijna altijd een weergave of opsomming te zijn van voorzetseleigenschappen, zoals die van het beruchte kooitje. De alleraardigste trof ik aan in een Britse grammatica: “A preposition is a word a sentence never should end with”. Los van het feit dat dit een complete paradox is, is het ook eigenlijk niet waar wat er staat. Ik kom daar zo op terug. De allerslechtste heb ik ooit bij Paardekooper aangetroffen (ik meen in De ontleedkundige les, maar daarvan ben ik niet zeker): “Een voorzetsel is een woord waarmee een lijdend voorwerp nooit begint”. Die is slecht omdat hij niet waar is (in de zin “Ik zie van alles” is van alles een lijdend voorwerp dat met een voorzetsel begint) en bovendien een cirkelredenering bevat als je zijn omschrijving van het lijdend voorwerp erbij pakt: “Een lijdend voorwerp is een zinsdeel dat nooit met een voorzetsel begint”.

Ik ben tijdens mijn onderzoek gaandeweg tot de conclusie gekomen dat het veel beter zou zijn om een voorzetsel helemaal niet te beschouwen als een woord, maar als een functie. Voorzetsels vormen volgens mij helemaal geen aparte woordsoort, zoals bijvoorbeeld “onderwerp” en “toegeving” dat ook niet zijn. Ik houd het hier beknopt en volsta daarom met een paar argumenten zonder verdere uitgebreide discussie.

  • In het hedendaags “snellere” Nederlands is het niet ongebruikelijk dat voorzetsels worden weggelaten. We kennen allemaal het voorbeeld van “We vertrekken richting zuiden”, waarin dan richting opeens tot voorzetsel zou zijn geworden. Maar het is gewoon een zelfstandig naamwoord dat, bij afwezigheid van het weggelaten “in de ~ van” de richtingaanduidende voorzetselfunctie op zich heeft moeten nemen. Dit procedé (in mijn proefschrift betiteld als n-to-p-hopping) doet zich bij zeker 17 Nederlandse zelfstandige naamwoorden voor, zoals kantje boord, randje buitenspel, hoek Keizersgracht, begin 20e eeuw, enz.
  • Al vanaf de middeleeuwen is een soortgelijk inkortingsprocedé al werkzaam geweest, zowel in het Nederlands als in het Engels, Frans en Duits. Bekend zijn de Duitse voorzetselvoorbeelden kraft (uit aus Kraft), laut (uit nach Laut) en statt (uit an Statt); in het Nederlands hebben we al heel lang trots en spijt als “nieuwe” voorzetsels die op gelijke wijze zijn ontstaan. Beide voorzetsels zijn trouwens al bijna weer verdwenen uit ons alledaags taalgebruik.
  • Bovengenoemde voorbeelden beschouw ik als gevallen waarin de functie voorzetsel is komen te rusten op woorden die tot de woordsoort zelfstandig naamwoord behoren. Iets soortgelijks doet zich voor bij (tegenwoordige of voltooide) deelwoorden die “opeens” voorzetsel zijn: gegeven, gezien, hangende, &c. Dit zien we ook heel frequent in het Engels, Frans, Duits, Italiaans en Tsjechisch, om maar een paar talen te noemen. Alweer: het is de woordsoort werkwoord waarop de functie voorzetsel komt te vallen.
  • Goed doordenkend in termen van functie: ook het apestaartje @ vervult de voorzetselfunctie, terwijl het traditioneel niet eens tot een woordsoort behoort, maar het is wel vervangbaar door het Engelse at.
  • Nog verder doordenkend: als je naast elkaar beschouwt “Het einde der wereld” en “Het einde van de wereld” dat is het evident dat de functie van het voorzetsel van kan worden overgenomen door de 2e naamval (genitief) der wereld. Dat leidt er via-via toe dat de stelling verdedigbaar is dat naamvallen ook de voorzetselfunctie herbergen en dus ook voorzetsels zijn. Hetzelfde geldt voor de dubbele punt, want daar achter volgt meestal een lijdend voorwerp, en dus is “:” een markeerder van een 4e naamval, oftewel een soort wapperend vlaggetje van “Pas op! Daar komt een accusatief aan!”. Voorzetsel dus. Traditioneel kunnen we echter naamvallen en leestekens niet onderbrengen in een bepaalde woordsoort, dus, zeg ik, voorzetsels zijn geen elementen van een bepaalde woordsoort, maar functies die we aan bepaalde taalelementen kunnen hechten.
  • In dat laatste argument word ik gesterkt door het statistisch verkregen gegeven dat een taal meer traditionele voorzetsels gebruikt naarmate het minder naamvallen hanteert: in het Italiaans, dat nog minder naamvallen gebruikt dan het Nederlands, is 1 op de 5½ woorden een voorzetsel; in het geschreven Nederlands is dat ongeveer 1 op de 8; in het Tsjechisch, dat nog heel sterk 7 naamvallen hanteert, is dat nog slechts 1 op de 15. Dat verraadt op z’n minst een verband tussen voorzetsels en naamvallen, maar wat mij betreft ook een omgekeerde evenredigheid. Overigens is het wel zo, dat in het Nederlands (heel vaag), in het Duits en het Tsjechisch (heel sterk) een traditioneel voorzetsel altijd een zekere naamval regeert, denk aan het rijtje mit, nach nebst, samt, bei,… uit Schwere Wörter, en dat je dus al tellende bij elk voorzetsel er een naamval gratis bij krijgt.

Hoeveel voorzetsels zijn er?
Ik weet het niet. Niemand weet het. Wel heel veel. Maar zolang je geen definitie hebt, kun je niet zuiver tellen. Ik heb mijn eigen criteria gehanteerd, en kwam tot de volgende schattingen van het aantal verschillende voorzetsels in zes talen:

  • Nederlands: 375
  • Engels: 128 (alleen eenwoordige, dus niet as far as of for the sake of; tel je die ook mee, dan worden het er 389)
  • Duits: 128
  • Tsjechisch: 126
  • Italiaans: 79
  • Latijn: 58

Er zijn ook (goede!) taalkundige werken waarin voor het Nederlands wordt gesproken van “een dikke 30” voorzetsels, of “ongeveer 70”. Wat maar aangeeft, dat er over de criteria allerminst overeenstemming bestaat. Waarover wel overeenstemming bestaat, is dat er groep van 25 à 30 voorzetsels is die “iedereen” spontaan als voorzetsel zal benoemen, en ook omgekeerd: als je aan een klas vraagt: “Schrijf eens tien voorzetsels op”, dan zullen er voor meer dan 95% woorden uit dat subgroepje verschijnen. En dus niet voorzetsels als krachtens, overmits, spijts, zijdens. Maar ook dat zijn traditioneel voorzetsels.

Hoe kunnen we ze onderverdelen?
Heel vaak is al geprobeerd de woordklasse der voorzetsels op te splitsen in groepen, steeds weer op andere gronden. Bijvoorbeeld: het gesloten, vaste groepje van 25 à 30 hierboven aan de ene kant en een heel grote, meer poreuze groep aan de andere kant. Poreus, omdat er in de loop der tijden juist uit die grote groep voorzetsels verdwijnen (zoals hent (“tot aan”), puf (“ondanks”), reis (“gelijk met”)) en voorzetsels bijkomen (zoals halverwege, medio, onverkort).

Een andere manier, die ik in 19e-eeuwse Franse grammatica’s aantref, is een onderverdeling naar de functie die een voorzetsel heeft. Ervan uitgaande dat voorzetsels “relatiewoorden” zijn, d.w.z. woorden die een relatie leggen tussen wat er pal achter staat en iets wat elders in de zin staat, zoals dus in “Het boek ligt op de tafel” het voorzetsel op een verband legt tussen “het boek ligt” en “de tafel”. Het valt mij op dat die verschillende functies, rapports in het Frans, opvallend sterk overeenkomen met de soorten bijwoordelijke bepalingen die wij ook in het Nederlands kennen, dus van tijd, plaats, hoedanigheid, toegeving, enzovoort.

Zelf heb ik het nog anders aangepakt: aan elk van mijn 375 voorzetsels heb ik een zescijferige code gehecht waarvan de eerste drie cijfers iets zeggen over de functie en de laatste drie over de vorm van dat voorzetsel. De werkwoordsvormen betreffende, gedurende, hangende enz. krijgen daarbij allemaal code xxx110 (voor een tegenwoordig deelwoord), terwijl dankzij, krachtens, vanwege een code 112xxx krijgen (omdat zij een oorzaak aanduiden). Daarmee heb ik mezelf een basis verschaft om later, als ik groot ben, iets nuttigs te gaan ontwikkelen voor het onderwijs in het gebruik van het correcte voorzetsel.

Maar dat wordt weer een ander lang artikel.

 

 

Het verhaal van Yunan – één foto

In Pasolini’s verfilming van de Verhalen van 1001-nacht komt het fragment voor van het verhaal van Yunan. Elders op deze weblog is de hele film Il fiore delle mille e una notte al in bespreking geweest, maar om zijn bijzondere vorm en inhoud volgt hier meer uitgebreide informatie over die passage van Yunan, naar aanleiding van één enkele foto uit dat verhaal.

Inleiding
Diep weggedoken in de structuur van de film Il fiore delle mille e una notte vormt de geschiedenis van Yunan een verhaal in een verhaal in een verhaal. Met zijn 13 minuten speelduur is het redelijk beperkt, maar de symboliek die erachter schuilgaat, zowel binnen het afzonderlijke verhaal als in het kader van de hele film, maakt een aparte beschouwing volop waard. Een lange, becommentarieerde bespreking van het verhaal heb ik gegeven in het hoofdstuk Bergen en bakens verzetten in het boek De magische drie in “Il fiore delle mille e una notte” van Pier Paolo Pasolini, blz. 38-46 (zie bronvermelding onderaan dit artikel). Hier wil ik me beperken tot één foto uit het verhaal. Voor een goed begrip eerst even een samenvatting van de inhoud van het verhaal van Yunan, in het script de scènes 126-140.

Plot
Yunan (gespeeld door Salvatore Sapienza, voor zover bekend zijn enige filmoptreden) is in zijn paleis met andere jongens verstoppertje aan het spelen. Hij is hem, en met gesloten ogen telt hij af (tot 510; wie niet weg is, is gezien). Dan hoort hij een stem van boven die hem roept op zeereis te gaan. Hij vertelt zijn vader te willen vertrekken.

Eenmaal op reis nadert het schip een eiland waar het spookt. Het schip vergaat en alleen Yunan weet zich zwemmend te redden. Naakt en uitgeput bereikt hij het strand, waar hij zich neerlegt aan de voet van het beeld van een geharnaste ridder. Opnieuw roept hem de stem van omhoog die hem zegt van onder zijn voeten een pijl en een boog op te graven en daarmee de ridder in het harnas te doden, zodat die in het water stort en de wereld zij bevrijd. Yunan schiet, zonder te kijken; de ridder tuimelt van de rotsen af in zee waarna het hele eiland onder de waterspiegel verdwijnt.

Weer moet Yunan zich zwemmend redden. Hij bereikt een ander eiland, en als hij daar goed en wel is, ziet hij een schip naderen. Een vader en zijn zoon verlaten het schip en lopen het strand op. De vader opent een luik in het strand en laat zijn zoon afdalen. Als hij eenmaal is vertrokken, snelt Yunan naar het luik, opent het en komt in een onderaardse zaal waar de jongen doodsbang in een hoek wegsnelt. Yunan benadert de jongen en stelt hem gerust. Dan vertelt de jongen dat hij deze dag vijftien jaar is geworden en dat de vader, een koning, hem wil verbergen omdat profeten hebben voorspeld dat hij op zijn vijftiende verjaardag zal worden vermoord door een blinde man die uit zee komt. Deze man zou de wereld bevrijden door een geharnaste ridder te vermoorden, maar daarbij zou hij ook een onschuldig slachtoffer maken, en dat slachtoffer zou de zoon van de koning zijn. Wederom stelt Yunan de jongen gerust, die hem daarop uitnodigt samen het onderaardse bad te betreden.

Die nacht staat Yunan op. Met gesloten ogen loopt hij naar de muur en pakt een dolk. Dan klimt hij op het bed van de jongen, trekt het laken van hem af, zodat die naakt en op zijn buik onder hem ligt te slapen. Met een hevige dolkstoot in de rug doodt hij de onschuldige slapende. De ochtend daarop beseft Yunan wat hij heeft gedaan en dat de profetie is uitgekomen. Als hij door zijn vader van het eiland wordt gered, trekt hij boetekleren aan en vertrekt met onbekende bestemming.

Perspectief en metafoor
Pasolini had een duidelijk geformuleerd standpunt over de manier waarop film de overbrenger moest zijn van de gedachten van de kunstenaar. Dit uitgangspunt m.b.t. filmtechniek hield ongeveer het volgende in:

De ons omringende driedimensionale werkelijkheid wordt op het vlakke projectiescherm een tweedimensionaal beeld als metafoor van die werkelijkheid. De kijker moet er weer een 3D-realiteit van maken, daarbij mede geholpen door kunstgrepen als belichting, effecten, geluid of muziek, de volgorde der beelden, de tijdsduur, enzovoort. Een beeld is in die visie dus een soort taalelement dat de kijker moet verstaan en interpreteren. Een reeks beelden is een zin; een film is een tekst of een gedicht.
Dat houdt ook in dat één los beeld uit een film, net als één los woord in een tekst, zonder de bijbehorende context verwarring kan scheppen en misleidend kan zijn. Toch kan achter dat ene beeld een heel verhaal schuilgaan, zoals ook een enkel woord in een tekst het verhaal kan redden. Als voorbeeld daarvan onderstaande afbeelding, de feitelijke aanleiding voor dit artikel.

De foto
Deze foto waar ik in de inleiding al op doelde is gemaakt door standfotograaf Angelo Pennoni vanuit een standpunt op 120 graden van het filmcamerastandpunt: in de film zien we Yunan van opzij, lopend van rechts naar links, op de foto zien we hem van achteren, lopend van ons af.

Wat gebeurt er op deze foto? Nog even in het kort: Yunan heeft schipbreuk geleden omdat hij met zijn schip langs een rotsig eiland voer dat wordt beheerst door een stoute ridder die alle passerende schepen de grond in boort. Yunan is daarbij al zijn kleertjes kwijtgeraakt; vraag me niet hoe dat kan. Yunan is nieuwsgierig, 18 jaar en een beetje dom. Hij beklimt de rots en nadert de ridder. En dan maakt standfotograaf Angelo Pennoni deze allerbeste foto die ik rond Pasolini ooit heb gezien.
We worden hier geconfronteerd met zeker een vijftal tegenstellingen die ons tot twee interpretaties dwingen: Yunan is een nerd, een looser (en als je de hele scène ziet, dan weet je dat dat klopt), maar ook: Yunan gaat een kunstje flikken dat niemand vóór hem is gelukt (en ook dat klopt als je de film ziet).

Hoe weet je dat nou bij het zien van die foto? Door die vijf tegenstellingen:

  • 1. De ridder staat on top, Yunan staat een stuk lager. Er is dus een bovenliggende en onderliggende partij, in het nadeel van Yunan-de-sukkel.
  • 2. Yunan is behoorlijk bloot en de ridder is vervaarlijk geharnast. Dat belooft geen eerlijke strijd – wederom dus in het nadeel van Yunan.
  • 3. Een van die idiote opvattingen in het Mediterrane denken is dat de sterke, viriele kant van een man de voorkant is, terwijl zijn achterkant wordt gezien als zijn meer kwetsbare, vrouwelijke kant. Ik heb het niet bedacht, maar Yunan zien we van achteren en de ridder van voren.

Deze drie tegenstellingen plaatsen Yunan in de verliezersrol.

  • 4. Wat we nu nog niet weten, maar als we de scène hebben gezien wel: in dat harnas van die ridder zit helemaal niets; hij is hol met blik eromheen. Yunan is precies het omgekeerde: een mens met inhoud, maar niks aan.
  • 5. Wat we nu al wel kunnen zien, maar daarvoor moeten we het perspectief interpreteren: het hoofd van Yuanan staat hoger dan het hoofd van de ridder. En niet zo zuinig ook: het hoofd van de ridder staat zo ongeveer op kniehoogte van Yunan. Dus om bovengenoemde metafoor te volgen: Yunan heeft een hoger perspectief dan de ridder. Maar toch interpreteren we dat 2D-beeld perspectivisch zo, dat we “zien” dat in de 3D-werkelijkheid Yunan nog niet op gelijke hoogte met de ridder is gekomen.

Met dit al stuurt deze foto ons twee kanten op: hij accentueert Yunans momentele zwakte en hij “belooft” Yunans overwinning, ook al zal dat in het verhaal een schijnoverwinning blijken te zijn, want uiteindelijk zijn er alleen maar verliezers: de gedode ridder, de gedode koningszoon, Yunan die het ouderlijk huis verlaat met onbekende bestemming, zijn vader in onbegrip achterlatend. Kortom: noodlot.

_____________________________________________________________
Gebruikte bronnen:

  • Giorgio Gattei (samenst.), Pier Paolo Pasolini. Trilogia della vita. Bologna, Cappelli editore 1977 (2e druk. Bevat de volledige scriptteksten van de 3 films)
  • Luciano de Giusti, I film di Pier Paolo Pasolini. Roma, Gremese Editore 1983
  • Nard Loonen, De magische drie in “Il fiore delle mille e una notte” van Pier Paolo Pasolini. Amsterdam, Stichting Rode Emma 1990
  • Nard Loonen, De bloem der 1001 nachten. Skripttekst van “Il fiore delle mille e una notte” van Pier Paolo Pasolini. Amsterdam, Stichting Rode Emma 1990
  • Hans Plas, Two shots and talking heads. In: A.V.Amateurfilmer, jg.9 nr.6 (dec.1991-jan.1992), p.4-6