Dauphine 3324 LN 12 (2/2)

Het was niet alleen de tomaatrode kleur die mij zo trok in het autootje. Ook niet de gave, haast wellustige rondingen die zo kenmerkend zijn voor een Renault Dauphine. Wat mij als kind het meeste aansprak, waren de groen-fosfor koplampjes die de Dinky Toy overdag blij deden kijken, en die ’s nachts, samen onder de dekens, hun toverachtig licht uitstraalden. In een echte Dauphine had ik nooit gezeten, en mede daardoor kon dit speeltje zijn bijna mystieke, eigen wereld blijven vormen waardoor ik geheel werd geobsedeerd. Deel 2: op weg.

Het is 4 juni 1995, half vijf in de vroegte, als ik aan de grote onderneming begin. De sceptici hier -en dat zijn er velen- denken dat ik het niet zal halen. Ze verwachten een telefoontje uit de buurt van Weert of zo, in tranen, dat ik ben gestrand met een gebroken krukas of met andere onoverkomelijke pech. Maar ze horen niets, en tegen het einde van de middag sta ik in Auxerre voor een van de weinige hotels waar nog een kamer vrij is. De auto heeft het zonder mankeren ruim 700 km volgehouden, waarbij twee opvallende waarnemingen vielen te noteren: in de Belgische Ardennen werd al duidelijk dat een motortje als dat van een Dauphine, vast ook niet optimaal afgesteld, het bergopwaarts moeilijk heeft en dan is het met 40 à 50 km/u naar boven tuffen en weet je je in goed gezelschap van volgeladen vrachtwagens. Omlaag, met soms 110 km/u op de teller, vrees je het ergste voor de remmen en de wegligging.

In Moulins, bij de brug over de Allier

Het andere opvallende is dat je, niet alleen in Nederland, maar ook in België en Noord-Frankrijk, een ware bezienswaardigheid bent. Mensen op straat staan stil en kijken om, auto’s toeteren en knipperen met hun lichten ter begroeting, bestuurders zwaaien of steken hun duim op. En niemand die achter je rijdt en zich noodgedwongen aan de lage snelheid moet houden, doet daar moeilijk over. Men heeft begrip voor de situatie en waardeert de antieke charme van deze oldtimer.
Daags erop arriveer ik in de Aveyron. Eindelijk heerlijk weer. In de Benelux was het regenachtig en kil; hier schijnt de zon en geven de thermometers 27° aan. Niet alleen daarvan kan ik genieten, ook van de heerlijk rustige omgeving, de bouwstijl van de boerderijen, het landschap, en natuurlijk van het feit dat ik het oude wrak volledig gerestaureerd heb weten terug te brengen naar de plek waar het ooit stond weg te rotten. Een deel van de missie is reeds volbracht.
Trouwens ook hier in het verre Zuiden kijkt iedereen bewonderend naar wat men nog slechts in de herinnering schijnt te kennen. Want tot mijn stomme verbazing valt er geen enkele rijdende Dauphine meer te ontdekken. Er rijdt er nog eentje rond in Rodez, weet de eigenaar van een schadebedrijf mij te melden. Een lokale garagiste vertelt dat er ook in Villefranche-de-Rouerge nog eentje rondrijdt, maar alleen als bezienswaardigheid, te huur voor bruiloften en partijen. En ik besef dat het Dauphine-tijdperk nu toch echt wel voorbij is. Enerzijds streelt me dat, want ik heb er een die nog goed is ook. Maar aan de andere kant besef ik de keerzijde: is er nog wel aan onderdelen te komen, want ik mis nog wel een en ander.
Die vrees wordt versterkt doordat ik, onderweg goed links en rechts in open schuren loerend en bedrijfsterreinen afspeurend, inderdaad tussen alle oude wrakken geen enkele Dauphine meer zie staan. En als je er dan toch eentje ziet, dan is die niet te koop, want Fransen bewaren alles en gooien niks weg. Je weet maar nooit. Een tijdperk lijkt echt ten einde te zijn…
Toch moet een mens niet te gauw wanhopen. In de buurt van Montbazens passeer ik een benzinestation. Op het terrein er schuin achter liggen een stuk of wat autowrakken en in de gauwigheid zie ik daar ook de restanten van een Dauphientje tussen staan. Stoppen, keren, naar binnen en vragen. O ja, dat is waar, een Dauphine. Tja, verschrikkelijk, binnenkort wordt alles opgeruimd en vernietigd; nieuwe milieuwetgeving. Dus als je er nog wat van af wilt slopen: ga rustig je gang. Uit de uitvoering valt op te maken dat dit blauwe zusje ook uit 1960 stamt. Dat komt dus goed uit en ik sloop alles eraf wat me nog bruikbaar lijkt. Hemelbekleding, het complete dashboard, rubber matten, binnenspiegel, plafonnières, … Helaas ontbreekt de motor, anders had ik er ook nog wel een carburateur en luchtfilter aan over kunnen houden.
Ik laat de garagehouder mijn buit zien en vraag wat hij ervoor moet hebben. Niks, zegt hij. Ik snap het niet. Ik ben Hollander. Nee, neem maar mee, herhaalt hij. Ik reik hem een briefje van 100 Franc aan. Nee, hoeft niet; het moet toch allemaal weg, neem het alsjeblieft mee. Ik realiseer me dat ik wel erg goedkoop van een van mijn laatste kansen heb kunnen profiteren.

Hoewel, je kunt nooit weten. Heel veel later, we schrijven juli 2011, wijst een andere autoliefhebber niet ver van Rosoy mij op een heuvel, waar een boer in de bosjes ooit eens 2 Dauphines heeft gedumpt om ze aan het zicht van de milieudespoten te onttrekken. Ik er met toestemming van de boerin naar toe en jawel: uit het zicht vanaf de openbare weg, en vermoedelijk ook onzichtbaar voor helicopters en spionagesatellieten ligt het tweetal tussen de bomen, half weggezakt in de klei. Het levert me nog wat aluminium daklijsten en sierstripjes op, en een viertal achterraampjes als reserve-onderdelen. De rest is echt onbruikbaar.

 

Terug naar 1995. Aangekomen bij het erf waar ik mijn wrak voor het eerst tussen de appel- en pruimenbomen zag staan, toon ik mijn herrezen Dauphine aan de vorige eigenaar. Hij is stomverbaasd, had kennelijk nooit gedacht dat het nog wat zou worden daar in Nederland, en dat het dan ook nog terug kon keren naar zijn oude nest. Bij een keurende blik onder de motorkap kijkt hij heel verrukt: Wat goed dat ik juist die motor erin heb gelegd. Die kwam uit een Dauphine die frontaal total loss was gereden en die nog geen 30.000 kilometer had gelopen. Daar kun je nog jaren plezier aan beleven. Ik steek het compliment graag in mijn zak.

 

In Espeilhac, voor het huis van Bernard en Annelou, naast haar Dafje-33

De laatste hindernis moet echter nog worden genomen: het kenteken. Zonder Frans woonadres kun je haar niet Frans registreren, maar in een of ander duf Nederlands DL-nummer heb ik absoluut geen zin. Enige tact en list is dus vereist.
Wat nu volgt is tevens een lesje Frans administratief recht in de plattelandspraktijk.
Aangekomen bij de sous-préfecture van de Aveyron in Villefranche-de-Rouerge (dat schitterende stadje met zijn oude, rechte straatjes, vol kleine, vaak merkwaardige winkeltjes met lokale voedingswaren, houten speelgoed en puzzels, muziekinstrumenten, …; van harte aanbevolen!), meld ik me aan het loket Cartes-grises als een Nederlands journalist die in Nederland woont, maar regelmatig in de Aveyron werkt. Dat is een klein beetje nog waar ook. En omdat ik hier een auto heb gekocht waarmee ik hier lokaal wil rijden, dus niet steeds mee op en neer naar Nederland ga, wil ik die graag ook hier immatriculeren met een Frans kenteken, departement 12. Stilte. Nu komt het domicilievraagstuk, weet ik. Een postbus kan ik niet opgeven, want in een postbus kan je niet wonen.
Geen enkel probleem, zegt de loketbeambte. Mag ik de oude carte grise hebben? Ik sta perplex en overhandig hem het tijdelijke document dat al in 1992 was verlopen. Ah, zegt hij, maar u heeft geen geldige APK-stempel. U moet eerst naar een keuringsstation voor een geldig keuringsbewijs, anders kan ik geen nieuwe carte grise afgeven. Ik voel de volgende nattigheid. Hij wijst mij de weg naar de dichtstbijzijnde Auto Sur in Villefranche, waar men mij aan het benodigde stempel zal kunnen helpen. Ik zal niet te veel in details treden, maar bij de Auto Sur moet ik de Dauphine achterlaten en kan ik haar de volgende ochtend weer ophalen. En daags erop blijkt er niet meer dan één, overigens niet zo erg mankement aan het remcircuit te zijn: “ripage excessif”, wat zoiets betekent dat de auto bij het remmen iets te veel scheeftrekt. Op grond daarvan krijg ik een stempel dat slechts twee maanden geldig is, binnen welke termijn ik de auto ter herkeuring moet aanbieden voor een stempel dat twee jaar geldig is. Het meegekregen rapport maakt mij duidelijk dat de wagen echt van top tot teen is bekeken en beproefd. De goedkeuring is dus bepaald geen farce.
Terug naar de sous-préfecture, die blijkens hun bonnetje wèl in een postbus woont. Ik voel me al een stuk zekerder en triomfantelijk overhandig ik het tijdelijke APK-certificaat. Maar u woont in Nederland; dat kan toch niet? Waar verblijft u dan als u hier bent? Ik logeer steeds bij kennissen. Waar wonen die dan? In Espeilhac. Hij noteert: Espeillac, de officiële spelling. Ik moet 375 Franc betalen, de afzetters: in 1990 kostte die immatriculatie nog maar FF 275. Maar ik heb het er graag voor over en ben voor 2 maanden onder de pannen.

 

De 3324-LN-12, op naam van LOONEN, Leonardus te ESPEILLAC (12), keert na 2.500 kilometer terug in Boxmeer zonder ook maar één mankement of geval van pech, zonder één bekeuring of politiecontrole, met als buit een hoop onderdelen, een geldige carte grise en een diep gevoel van trots.
Maar de administratieve molen maalt verder: hoe lang kun je blijven rijden op een 12-nummerbord als je in Nederland woont, of wat jaren later, in Rosoy-sur-Amance (52) ?
Lees het vervolg in het bericht 6277-NK-52

 

Rue du Cornot 5 (1)

Als je de weblog opent, krijg je een panoramafoto van ons huis in Rosoy-sur-Amance in beeld, zoals dat er voorjaar 2011 uitzag. Klik je erop, dan is het “home” en kom je op de pagina Entrée/Entrez. Voordat het er zo uitzag, is er wel een en ander aan vertimmerd. In een paar berichten zal ik daar wat details van verklappen.

Dit is wat wij in september 1998 zagen en een maand of drie later ook daadwerkelijk kochten. Een vrijstaande boerderij uit 1706 in een dorpje van ± 200 inwoners op een voor Franse begrippen klein perceeltje van 840 m², verdeeld over voor- en achtertuin.
Buitenmuur en dak waren in orde; binnen in het huis en rondom in de tuin moest alles worden verbouwd of aangelegd.

Koud stromend water was er, maar niet boven de gootsteen, alleen opzij ervan. Sanitair was er, d.w.z. één wc-tje, maar dat zat verstopt en was onbruikbaar. Eén prachtige cuisinière van rond 1910 en één klein houtkacheltje, beide houtgestookt, maar die waren allebei aangesloten op het rookkanaal met een kachelpijp waarvan 2 meter horizontaal liep en dus slecht trok en veel risico van schoorsteenbrand in zich droeg. Er stonden nog wat oude bedden met strooien matrassen (al dan niet vol met ongedierte erin) en een fraaie eiken linnenkast. De meeste elektraleidingen zaten in metalen buizen; de draden waren met katoen geïsoleerd. Op zolder: één grote open ruimte met in hoofdzaak troep erop: strobalen, kranten en tijdschriften, kapotte en hele dakpannen, verrot houtwerk, aangevreten meubilair, restanten van de bijencultuur, dozen, blikken, zakken, kisten, lange ladders, …
En overal enorme spinnenwebben. We konden dus aan de slag.

Het huis had 14 jaar leeg gestaan. Daarvoor was het bewoond geweest door Solange en André, zus en broer. André was van 1906 en deed het meeste reguliere onderhoud van het huis, maar hoofdzakelijk hield hij zich bezig met bijencultuur en honingbereiding. Hij was officieel apiculteur. In het huis had hij een zware honingslingermachine staan en zo te zien aan de overgebleven restanten ging die honing in kartonnen potten van 500 gram of een kilo voor de verkoop. André overleed in 1981 aan allerlei kwalen.
Solange was van het jaar 0 (11 oktober(!)) en overleed in 1997. Ze besteedde haar tijd aan naaien, borduren, sokken stoppen, sloffen maken, fruit en groeten oogsten en inmaken; het grootste deel van de dag was ze dus in en om de woning bezig. In 1984 kon ze moeilijk nog alleen thuis wonen en werd ze opgenomen in een verzorgingstehuis in Bourbonne-les-Bains (24 km verderop). Het huis hield ze aan, want dan kon ze er naartoe terugkeren “als ze weer beter was”. Maar ze werd niet beter en ging ook niet dood, tot uiteindelijk na 13 jaar haar strijd was gestreden. Niet lang daarna kwam het huis in de verkoop en eigenlijk bij toeval waren wij het die de eerste gegadigden waren voor de overname.

 (lees binnenkort verder…)

 

Zelf Cointreau maken

De vierkante Cointreaufles is algemeen bekend. Er gaat 0,7 liter in met een alcoholpercentage van 40%. Het is een likeur op basis van sinaasappel.
Met de stijgende drankprijzen (in Nederland momenteel rond de € 20,00 (ƒ 44,07) per fles wordt het steeds minder aantrekkelijk er onbezorgd van te genieten. Daarom de goed Franse methode toegepast: zelf maken.
Niks moeilijk, als je een beetje geduld hebt, en 3 tot 4 keer goedkoper ook nog eens.
Bovendien kun je ermee variëren door ander fruit te gebruiken. Een proeve van lokale huisvlijt.


Stap1
Men neme:

  • 2 sinaasappels of citroenen, liefst biologisch/onbespoten (minimaal: “non traité après récolte”)en in ieder geval aan de buitenzijde absoluut onbeschadigd. Echt biofruit wil er vaak niet uitzien van buiten; kies dan de meest gave exemplaren die je kunt vinden. Met mandarijnen gaat het ook heel goed. Mij is het met kersen, perziken, abrikozen of noten nooit goed gelukt, maar ik sluit niet uit dat dat ook mogelijk is.
  • 1 liter alcohol van 90 tot 97%, vroeger o.a. te koop bij drogisterijen in Frankrijk onder de naam “alcool pur de consommation”, maar sinds Sarkozy voor alle andere Fransen een droogleggingswetgeving heeft verordonneerd, kun je nog maar 0,25 liter per maand krijgen, waarbij je naam en adres worden geregistreerd. Jammer, want je betaalde slechts € 6,00 (FF 39,35) per liter. Tweede mogelijkheid: betrek de alcohol via een bevriende kruiwagen bij de farmaceutische industrie of het onderwijs, maar ook daar is men er niet erg scheutig mee, is mijn ervaring. Derde mogelijkheid: in Luxemburg kopen, bijv. bij het tanken in Martelange, à ± € 17,00 (BEF 686) voor een liter “alcool neutre” van 96%.
  • 1 fles suikersiroop (in Frankrijk overal te koop onder de naam “sucre de canne” in flessen van 0,7 liter) of 750 gram kristalsuiker.
  • 2 weckpotten van 1 liter met goed afsluitende rubber ring en een netje rond de rand. 

Was het fruit even schoon. Doe in elke weckpot een halve liter van de alcohol. Leg in het netje van elke pot 1 stuk fruit en sluit de pot hermetisch af. Zorg ervoor dat het fruit blijft hangen en zeker niet in directe aanraking komt met de alcohol. Plak er een stickertje op met de datum. Zet de potten weg, liefst bij kamertemperatuur en in het donker. Zeker niet in de volle zon. Drie weken laten staan.

Stap2
Ik ben geen chemicus, maar naar men mij heeft geprobeerd uit te leggen gaat er alcoholdamp in de sinaasappel of citroen trekken en zich daar vermengen met de etherische oliën in de schil en de vrucht. Daardoor wordt de damp zwaarder en slaat neer. Aldus ontstaat er een constante circulatie in de pot. Daarvoor is geen verhitting nodig en hoeft er dus ook niet te worden gedistilleerd.
Na 21 dagen kan de Cointreau dan worden afgemaakt.

Als je gewone suiker gebruikt: los 750 gramsuiker op in 1,0 à 1,3 liter mineraalwater (bij voorkeur zonder zout/natrium) door het aan de kook te brengen. Laat het vervolgens afkoelen.
Wanneer dat is gebeurd, open dan de weckpotten voorzichtig (zodat het fruit niet in de alcohol valt), haal het fruit eruit en gooi het weg.
Giet de inhoud van beide potten in een zeer schone pan of kom.
Als je suikersiroop gebruikt: Voeg er de fles suikersiroop bij plus nog ca. een halve liter water, bij voorkeur mineraalwater zonder zout (natriumarm, bijvoorbeeld Biovive).
Gebruik je gewone suiker: voeg dan nu de suikeroplossing toe aan de alcohol.
Roer het mengsel even door.
Let wel: doe de suiker bij de alcohol en niet andersom, want dan krijg je een troebel mengsel (zonder dat dat de smaak beïnvloedt overigens, het kiekt alleen niet zo proper). Zorg er ook voor dat de suikeroplossing niet te koud is, ook al vanwege de helderheid van de verkregen likeur.
Afhankelijk van de hoeveelheid toegevoegde water zul je een alcoholpercentage van tussen de 35 en 45 bereiken.

Stap 3
Nu komt het aan op proeven. Als de Cointreau te bitter of te scherp is, moet je er ofwel meer suiker aan toevoegen, ofwel iets meer water. Dit moet je proefondervindelijk afhandelen. Giet door een trechter het mengsel in drie originele vierkante Cointreauflessen (na die eerst goed te hebben uitgespoeld). Meestal houd je dan nog een beetje mengsel over, want je hebt meer dan 2 liter geproduceerd. Dat kun je in een vierde fles doen of beter nog meteen opdrinken als loon na(ar) arbeid.

Plak op die flessen een stickertje met de productiedatum.

De Cointreau kan direct worden gedronken of, mits goed afgesloten, lang worden bewaard, liefst koel en donker.