Louki

Bij zo’n boerderij als de onze moet je niet vreemd opkijken als er zich een hele dierentuin in en omheen vormt: buitenshuis slangetjes, hagedissen, mollen, egels, vossen; binnenshuis spinnen natuurlijk, maar ook muizen en ratten van allerhande soort. Een kat is dan ook geen overbodige luxe.

Nadat wij een paar jaar Tibi hadden gehad, een temperamentvol, kittig ding van vuilnisbakkenras, dat zich gretig stortte op alles wat bewoog, maar dat op een kwade dag, uit logeren in Boxmeer, niet meer terugkwam en dus wel door een minder felinofiele buurtbewoner zal zijn geëlimineerd, kwamen we op Louki uit.

Ik zag Louki (*20.4.2010) voor het eerst toen ze een week of drie was. In een mand, een paar dorpen verderop tegenover onze bakker, lag een moeder met vier of vijf stuks grut in een onontwarbare kluwen langharige vacht waarin af en toe wat bewoog. Toen ze eenmaal zindelijk was, dus met een week of acht, mochten we haar gratis meenemen. Ze had alle kenmerken van een raskat, een Noorse boskat van overigens bedenkelijke herkomst, want zoals gebruikelijk: van de vader geen enkel spoor.
Het zag er niet uit, aanvankelijk. Van bovenaf leek het een marmot, snorharen als van een walrus, een sprietantennestaartje, maar met een uiterst sociaal, aanhankelijk karakter, vooral tegenover kinderen en bejaarden.
In afwijking van wat je van een normale kat verwacht, vertoonde ze geen enkele behoefte aan jagen (wel wat spelen) en bleek ze ook een soort van vegetarisch te zijn: vers vlees was niet aan haar besteed. Brokjes zou ze eten, eventueel wat zakjes natvoer. En abrikozenvlaai en yoghurt en oude kaas en ijs met slagroom. Alles groeide in een behoorlijk tempo; na een jaar zat ze al op meer dan 3½ kilo, met een halve meter lange, mooie dikke staart. Muizen vangen was er nog steeds niet bij, maar ik denk dat haar aanwezigheid alleen al voldoende was om dat soort ongedierte buitenshuis te houden.
Noorse boskatten heten intelligent te zijn, maar Mieke heeft Louki ooit eens raak getypeerd als een VMBO-katje. In mijn iets andere optiek is het zo dat haar oversociale karakter maar al te vaak leidt tot een gedrag dat eerder als infantiel en dom overkomt dan snugger en zelfstandig. Ze is begiftigd met een oeverloos geduld, maar in haar aanhankelijkheid is ze niet van je weg te slaan, met een kopieergedrag waar je u tegen zegt: sta je maar even op van je stoel, dan neemt ze er meteen bezit van; als je maar één pan uit het keukenkastje haalt, vindt ze dat het etenstijd is. Komt ze bij je op bed liggen, dan legt ze keurig haar kop op het hoofdkussen, net als gewone mensen. Ben je met een tas boeken bezig, dan heeft zij daar ook wat te zoeken.
Je kunt ook tegen haar praten, ik bedoel, ze wekt de indruk meer te verstaan dan alleen maar het timbre en volume, hoewel onze overbuurvrouw in Rosoy maar niet wil geloven dat ze ook Nederlands verstaat naast gewoon Frans. Haar naam kent ze in ieder geval perfect. Op gewone toon kun je haar roepen, en ze is meteen van de partij.

Maar een ongelukskat is het ook. Het begon al toen ze nog geen half jaar was. Naast ons huis waren ze de straat aan het asfalteren. De teerwagen reed langzaam over het wegdek, en twee mannen veegden met bezems het kokende asfalt glad. Dat was een geweldig feest: met vier poten tegelijk dook ze op die zwiepende bezems en belandde in de hete pek. Gevolg (behalve de pijn, maar katten zeuren niet): allemaal hard geworden teer tussen haar tenen. Als ze door de keuken tripte, was het net of ze op naaldhakken liep. Met Solipat en vaseline en wat antibiotica van de dierenarts is dat uiteindelijk wel weer op zijn pootjes terecht gekomen. Braaf en gedwee als ze is, liet ze die dagelijkse behandeling ook toe; vanaf een gegeven moment ging ze er al zelfs voor klaar liggen op haar rug met de poten omhoog.
Een maand later de onvermijdelijke sterilisatie. Sterk toch dat een kat op de avond van diezelfde dag, eenmaal uit de verdoving ontwaakt, weer gewoon op en af de vensterbank kan springen na een toch niet misselijke chirurgische ingreep.

Eén keer mocht ze mee naar Boxmeer. Tot aan Nancy overigens gekerm en gemauw, want ze was autorijden absoluut niet gewend (terwijl Tibi heel vaak zonder een enkel probleem 6 uur op de hoedenplank bleef liggen zonder protest). Precies op haar eerste verjaardag, ze was die nacht buiten, moet ze bij het oversteken door een auto zijn overreden. Tegen 7 uur ’s ochtends lag ze voor Pampus tegen de tuindeur neergezegen. Ik zou die dag terugrijden naar Rosoy, dus dat gaf wat consternatie.
Naar de dierenarts ermee, die foto’s maakte ter verdere beoordeling en afhandeling door onze lokale, Ghanese dierenarts in Frankrijk (“la noire”, noemen de buren haar vol argwaan). Die besloot het nog even aan te zien of er eventueel herstel optrad; zo niet, dan was caudectomie de enige oplossing. Nu moet je van een engeltje niet de vleugels afknippen, en van een Noorse boskat niet de staart, maar er zat niks anders op: een paar weken nadien had ze nog slechts een stompje als een konijnenstaartje en moesten wij ons verder maar tevreden stellen met de laatste foto’s van die prachtige staart.
Veel last schijnt ze er zelf niet van te hebben (katten mauwen niet zoals veel mensen bij het eerste het beste kwaaltje), niet bij het balanceren op smalle randjes, wat ze prima kan; misschien wel in het sociale verkeer met haar soortgenoten in de buurt, want ze kan nu niet meer met haar staart communicatieve signalen afgeven. Zo gesteld als ze is op mensen, van andere katten moet ze helemaal niets hebben. Maar haar gewicht heeft er niet onder geleden: ze zit nu op 5.580 gram, vrij normaal voor dat ras tussen de twee en drie jaar oud. Gewogen op nieuwjaarsdag 2013. Je zet haar gewoon op een keukenweegschaal (wel een stevige!) en daar blijft ze dan op liggen tot je zegt dat ze er weer af mag.

Al met al zitten we nu met een gemankeerde kat, de liefste en meest menselijke die we ooit hebben gehad. Ik ben ervan overtuigd dat het helemaal geen kat is, maar een gereïncarneerde mens. ’s Winters met een dubbele jas aan waardoor het wel een beertje lijkt (maar ze kan nog steeds moeiteloos door het kattenluikje erin en eruit), alle kamers vol plukken haar, want ze is 12 maanden van het jaar in de rui. Borstelen hoort tot haar favoriete behandelingen. Of je nu een stoffer pakt, of een hondenborstel, of harde bezem: hoe langer en harder hoe beter, vooral op het koppie.

Ze heeft ook een horloge om, of zoiets. Elke avond is ze naar buiten en je kunt er de klok op zetten: tussen 12 en 1 uur ’s nachts komt ze naar binnen om wat bij te bunkeren. Hoe ze dat flikt, is me een raadsel; zelfs de kerkklok slaat na 22 uur niet meer, dus van wie ze het heeft ?

Verder in huis geen muis of rat te bekennen; alleen in de cave, maar daar komt Louki ook nooit. De enige schade: een stel aangevreten aardappelen van de wintervoorraad.

En mocht je haar ooit, verdwaald, tegenkomen en ze zegt dat ze de weg niet meer weet: ze is ook nog eens een keer gechipt tussen de schouderbladen:
 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.