Ignatiuslied

Het wachten is op iemand die een gedegen tekstanalyse en -kritiek publiceert van het Ignatiuslied. Maar inmiddels is er al zo veel over dit lied te melden, dat ik er toch alvast maar een bespreking aan wijd.

Het Ignatiuslied, zoals ik in een ander bericht al aankondigde, is geschreven door Johannes Stalpaert van der Wiele (1579-1630) en gepubliceerd in de Gulde-Jaers Feest-dage of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ‘t geheele laer (postuum uitgegeven in 1635) als lied nr. 296, behorende bij de feestdag van Ignatius van Loyola, 31 juli. Dat lied bestaat uit 13 strofen; het Ignatiuslied zoals wij dat kennen, omvat daarvan alleen de strofen 8, 9, 11 en 13.

De Gulde-Jaers Feest-dage is de meest omvangrijke liedbundel uit de 17e eeuw. Stalpaert heeft voor elke dag van het jaar een tekst geschreven ter ere van de heilige van die dag, soms zelfs meer dan één voor een bepaalde heilige, zoals ook voor Ignatius: lied nr. 295 (Staet op Veneetschen Senateur/ Verlaet u bed/ ontsluyt uw’ deur), dat ik hier verder onbesproken laat, en nr. 296 met de volgende complete tekst:

{296} S. IGNATIUS LOYOLA, Fondateur van de Societeyt IESU – (31 juli)
Stem: De winter waeyt met.

(1) Treckt weer na uw’ verburghen holen
O ziel vergeten Kettery!
Siet hier Ignatius Loyole
Bedwinght u met sijn Compagny.
Die wel bequaem
In Iesus naem
Op u bedriegelijck gheweld
Den Heer ons heeft gebracht te veld. 

(2) O goedheyd Goods! ghedanckt gepresen
Moet altijd uw’ genade zijn.
Wy hadden toch wel moghen vreesen
Voor Luther en voor Ian Calvijn;
En had gh’ons niet
Op haer verdriet
Op haer bedroghop haer fenijn
Voorsien van sulcken Medicijn. 

(3) Dit kon men altijd in u mercken
(Ghy zijt een hulper inde nood)
G’onthieldt tot bystand uwer kercken
In’t swart Regael noyt Antidoot.
Den Arriaen
Deedt ghy weerstaen
Door Athanaas. En Manes list
Bracht eenen Augustijn te quist. 

(4) De Nectors en de Euthycheten
Dwonght ghy door Leoos wijsen raed.
Eusomius wierd neer gesmeten
Van Guldemond. En een Dalmaet
Dee ons vergaen
Ioviniaen,
Die menigh Monick hadd’ontkapt;
En ’t Bod- vast met de voet vertrapt.

(5) De dolingh van de Albigoysen,
Die nu vier hondert jaer gele’en
Een pest voor Spangiaerds en Françoysen
Was heeft Dominicus vertreen.
Ja daer en sproot
Noyt uyt de goot
Vand’helsche poel bedurve leer;
Of ghy en wrocht daer teghens weer.

(6) Dus doet gh’als noch in onse tijden
Broer Martens en Calvinus school
Met wijsheyd en met deughd bestrijden
Door Sint Ignatius Loyool.
Een Capiteyn
Die elck een pleyn
Van u daer toe geschickt kan sien
Om dit gespuys het hoofd te bien. 

(7) Het fijne volck sal ’t hen niet belgen
dat ick s’hier nommen dorst gespuys.
‘k En kon met Paolo niet verswelghen
Haer vyandschap op Christus Cruys.
’t Welck oock te recht
Den vromen knecht
Beweeghde ‘swaerd te legghen neer;
Om voor te staen sijns’ meesters eer. 

(8) Ignaci! dat den Heer u seghen.
Gh’en had niet minder als gelijck.
Het swaerste moet toch ’t swaerste weghen:
En d’aerd’ is min als ’t hemelrijck.
Bekeerd vry ’t mes
In Christus les;
Al slaet de kroon van Spangien goud;
Den Hemel geeft noch rijcker soud. 

(9) Neemt knechten aen beschrijft s’een reghel
Van yver heet van rade koel.
En twijfelt niet ghy sult het seghel
Wel krijghen vande Roomsche Stoel;
Want sulcken plant
Die Godes’ Hand
Gepoottet heeft sal niet vergaen:
Soo lang z’in haer gelit blijft staen. 

(10) Wel aen! wel aen het wilder gelden:
Neemt aen de wapenen des’ lichts.
Geeft u te veld als vrome helden
Men twist om saken vol gewights.
’t Is Goods Autaer
’t Zijn zielen daer
Ghy mannelijck om vechten sult;
Verwindt met raed en met geduld.          [1 Mach. vers 3

(11) Verwint met offer en gebeden
Verwint met lessen vroegh en laet
Verwint met asch en hayre kleden
Verwint met heusche caritaet.
En met de deughd
De teere jeughd
Te leeren in uw’ wijse school
Dit is het wapen van Loyool 

(12) De krijgh geluckt u goeden Vader!
Ghy veldt den vyand van het kruys:
Maer alsm’u scheldt voor een verrader
Zoo denckt dat tusschen kat en muys
Noyt vriendschap was.
Het trou gebas
Des honds by nacht mishaeght den dief.
En ’t licht was noyt den sondaer lief.        [Ioan. 3. vers 20] 

(13) Man Goods! die nu de gulde sterren
Betreedt met voeten als een vloer.
Helpt ons gebed stilt ons van verre
Tot peys en vrede al ’t rumoer
Van Christus Kerck.
Of maeckt ons sterck;
Om op uw’ spoor door ’t enge pad
Te komen tot de rijcke stad. 

De genoemde vier strofen 8, 9, 11 en 13 zingt men nu nog steeds aan het begin en einde van het schooljaar gezongen op het St.-Ignatiusgymnasium in Amsterdam.
Een opname daarvan uit de Krijtberg in 2003 is van het web verdwenen, maar een digitale versie die ik met behulp van Antoine Oomen heb kunnen maken, is HIER te beluisteren en afgebeeld.
Ook wordt het lied gezongen op bijeenkomsten van de Jezuïetenorde op of rond de feestdag van Ignatius, 31 juli.

Overigens, onderaan dit bericht, vlak boven de bronvermeldingen, kom ik nog met een zeer goed gelijkende, oude, profane versie van deze melodie.

De geschiedenis
Onderzoek loopt nog naar aanleiding van de vraag hoe, waar, wanneer en door wiens toedoen het Ignatiuslied in zijn huidige vorm in gebruik is genomen. De tot nu toe oudste vindplaats is in het archief van de Jezuïetenorde in Nijmegen. Daar bevindt zich onder inventarisnr. 3235 het tekstboekje van de eucharistieviering t.g.v. het 75-jarig bestaan van het IG in 1971, waarin het lied staat opgenomen. Ongetwijfeld echter dateert het van veel eerder. Misschien al wel van de door omstandigheden sterk versoberde openingsceremonie van het IG in 1895, maar daarvan is tot nu toe geen bron te vinden. Ook is het de vraag wanneer het lied binnen de orde is gaan functioneren bij de jaarlijkse feestdagviering op 31 juli, hetzij binnen de Nederlandse provincie (vanaf 1814), hetzij zelfs nog tijdens de oude sociëteit (tot 1773, toen de S.J. tijdelijk werd opgeheven).

Als iemand hieromtrent nadere informatie, bewijs- of vindplaatsen weet te melden, dan verneem ik dat graag. 

De auteur
Johan Stalpaert (of: Stalpart of Stalpert) van der Wiele wordt geboren in ‘s-Gravenhage op 22 november 1579. Hij groeit op in een traditioneel katholiek gezin. In 1592, 13 jaar oud, gaat hij in Leuven rechten studeren teneinde later advocaat te worden. In 1595 vervolgt hij deze studie aan de (protestante) universiteit te Leiden, en studeert uiteindelijk in 1598 af in Orléans, waar Hugo de Groot en Jacob Cats zijn studie- en jaargenoten zijn. Als advocaat wordt hij beëdigd aan het Hof van Holland en bij de Hoge Raad. In 1602 gaat hij opnieuw naar Leuven, nu om theologie te studeren, want hij voelt de roeping in hem. Vier jaar later wordt hij priester gewijd. Tot 1611 verblijft hij in Rome om zijn theologiestudie te vervolgen. Aldaar behaalt hij de doctorstitel en raakt hij in de ban van de missiegedachte. Hij keert terug naar de Republiek en wordt in 1612 pastoor te Delft, overigens wel gekweld door ziekte, waar hij in conflict komt met de eveneens in Delft gevestigde Jezuïeten. Door zijn benoeming tot aartspriester van Delft, Rotterdam en Schiedam (1613) kan hij de ideeën over de missie werkelijk gestalte geven. Hij overlijdt op 29 december 1630 in Delft aan de gevolgen van ziekte en zijn verzwakt gestel.
Tot zijn œuvre behoren onder meer:

  • Vrouwelick Cieraet van Sint’ Agnes versmaedt (1622)
  • Gulde-Jaer Ons Heeren Iesu Christi op alle de Zonnendagen des Iaers (1628)
  • Extractum Katholicum, tegen alle gebreken van Verwarde Harsenen (1631)
  • Gulde-jaers feest-daghen of den schat der geestelycke lof-sangen gemaeckt op elcken feest dagh van ’t geheele laer (1635) 

Voor een goed begrip van Stalpaerts denken en teksten is het van belang het Europese en nationale tijdsgewricht voor ogen te houden waarin hij leefde. Zijn leven (1579-1630) viel immers geheel binnen de Tachtigjarige oorlog (1568-1648), met inbegrip van het Twaalfjarig bestand (1609-1621). Voeg daarbij ook nog de angst in West-Europa voor het expanderende Ottomaanse Rijk dat zich tot aan Wenen uitstrekte, en besef dan welke tegenstellingen er zoal in Stalpaerts wereld actueel waren en met elkaar ook meer dan soms interfereerden: die tussen katholiek en protestant, die tussen Spanje en Nederland, die tussen Christenen en Islamieten, die tussen politiek en religie, die tussen seculiere geestelijken en de kloosterorden (zoals de Jezuïeten). Het valt dan ook niet te verbazen dat we veel van deze conflictstof in de werken van Stalpaert terugvinden.

De tekst
We moeten een onderscheid maken tussen de inhoud en de vorm van het gedicht. Over de inhoud wacht ik met spanning op een verantwoorde analyse die iemand ervan wil maken, of al ooit eens heeft gemaakt.


Is iemand bekend met een tekstanalyse van het Ignatiuslied of van het hele gedicht waar dat deel van uitmakt?
Of is er iemand bereid zich aan een dergelijke analyse te wagen?


Wat de vormelijke kant van de zaak betreft: ik ben ervan overtuigd dat Stalpaert de tekst van “Treckt weer na uw’ verburghen holen” heeft geschreven op de melodie die hij erbij in het hoofd had. Ik baseer dat op de strofebouw van het gedicht, die nagenoeg identiek is aan de strofebouw van de vele liederen die door anderen op deze melodie zijn gemaakt. Even een lesje Lodewick:
Metrum en ritme zijn in principe dus jambisch, maar het rijmschema is niet alledaags: a-B-a-B-(C)-C-D-D. Zowel deze opeenvolging, als de afwisseling tussen vrouwelijk rijm (a) en mannelijk rijm (B, C, D) als het opmerkelijke binnenrijm in de vijfde regel maken de strofebouw tamelijk apart. Voeg daar nog bij dat elke strofe uit zeven regels bestaat, niet zijnde een “normaal” kwatrijn + terzine, en het is duidelijk dat de toonzetting een even aparte melodie vereist. Zou je regel 5 willen splitsen in twee halve regels, dan zit je met het probleem van ongelijke regellengte, met alle muzikale consequenties van dien.
Ik gooi nu alvast maar even de knuppel in het hoenderhok: bij oppervlakkige beschouwing lijken jamben metrisch en ritmisch uit twee tellen te bestaan, afgezien van het nahuppeltje in regel 1 en 3. Maar het is in de voordracht- en zangcultuur niet ongebruikelijk een beklemtoonde lettergreep tweemaal zo lang te laten duren, en daarmee heb je metrisch drie tellen per maat. En daar bovenop: wie belet je het gedicht niet jambisch te scanderen, maar trocheïsch met een opmaat? Dan ziet het er zo uit:
Draag dit maar eens sterk scanderend voor: je hoort een dansende driekwartsmaat door de spontane verlenging van de beklemtoonde lettergrepen.
Los van deze discussie, die hieronder bij De muziek een grote rol gaat spelen, valt te constateren dat Stalpaert erin is geslaagd de tekst van alle 13 coupletten keurig binnen gegeven rijmschema te krijgen, bijna zonder al te geforceerde smokkellettergrepen. Af en toe past hij, heel fraai, enjambementen toe, zoals in strofe 5 (…Een pest voor Spangiaerds en Françoysen | was…), strofe 9 (…Die Godes’ hand | gepoottet heeft…), strofe 10 (…’t Zijn zielen daer | ghy mannelijck om vechten sult…), strofe 12 (…Het trou gebas | des honds bij nacht…) en de, wat mij betreft, geweldige volzin die heel stofe 13 omvat (…die nu de gulde sterren | betreedt met voeten als een vloer…) en (…al ’t rumoer | van Christus’ Kerck…).

De muziek
Van oorsprong was de melodie van het Ignatiuslied een gaillarde, of wellicht een volte, een soort langzamere gaillarde afkomstig uit Lombardije (XVe eeuw) die zich heeft verspreid naar naar Frankrijk (XVIe eeuw) en verder over Europa. Het is een liedvorm in driekwartsmaat. Die dansvorm was alom bekend. We komen hem dan ook opvallend vaak tegen. Een paar voorbeelden:

Het welbekende kerstliedje Hoe leit dit kindeken hier in de kou. Vermoedelijk ontstaan eind 19e eeuw in Vlaanderen, is het getoonzet op het metrum van een gaillarde:
Mozart past de gaillarde onder meer toe in zijn gelegenheidscompositie D’Bäurin hat d’katz verlor’n, KV 188, Anh. C 9.01; het thema komt ook terug in zijn divertimento in Bes KV 287; we hebben dit vierstemmig a capella tussendoortje ook nog op het IG met het schoolkoor gezongen, begin jaren ’60. Ik ken de baspartij nog steeds uit mijn hoofd.
Iets serieuzer wordt het als we bedenken dat de gaillarde ook ten grondslag ligt aan de Great-Britain Dominionwide Anthem God save the queen. Dat is eigenlijk heel vreemd, een nationaal volkslied in driekwartsmaat. De Britten doen het, maar dan heel gedragen, waardoor je het nauwelijks merkt. De Polen doen het ook, nota bene op een mazurka, per definitie in driekwartsmaat, en dat dan nog wel ondanks de refreintekst Marsz, marsz, Dąbrowski,…. Van een volkslied verwacht je namelijk iets anders (behalve in zich respecterende landen als Nederland en Zweden); iets alla marcia, zoals de Belgische Brabançonne, de Franse Marseillaise of het Italiaanse Fratelli d’Italia.

Het verhaal gaat dat Queen Elizabeth-I zelfs in haar mid-fifties ′s ochtends een gaillarde placht te dansen als een soort ochtendgymnastiek: the Queen is so well as I assure you, six or seven galliards in a morning, besides music and singing, is her ordinary exercise” (Brissenden, Alan (1981). Shakespeare and the Dance. Atlantic Highlands, N.J.: Humanities Press. pp. 4–5).
Alle ollekebollekes passen grappig genoeg ook in dit metrum, op de manier van God save the queen. Als je niet weet wat een ollekebolleke is, vraag het dan aan Drs.P, of aan Pieter Nieuwint, of aan mij, of kijk op Wikipedia.

Wellicht om het serieuze karakter meer te benadrukken, d.w.z. het speelse danselement te elimineren, wordt in de liedbundels van Valerius, Bredero, Stalpaert van der Wiele en Starter de melodie  in vierkwartsmaat gezet, of blijven de maatstrepen simpelweg achterwege, zoals hier bij Bredero’s vooisaanduiding “Zal ick noch lang in heete tranen”:
Dan ben je van het probleem af.
Er is in de diverse verhandelingen over het 17e eeuwse lied veel gediscussieerd over de vraag of de Ignaci-melodie nu in driekwarts- of in vierkwartsmaat moet worden genoteerd. Een uit de tweede helft van de 20e eeuw stammende getype versie houdt het op een driekwartsmaat:
Dan kan er wel onder staan dat het de melodie “Hoe groot o Heer…” uit Valerius is, maar die volte staat toch echt in vierkwartsmaat genoteerd:

In die vierkwartsmaatnotatie kun je zien dat er op diverse plaatsen syncopen gaan optreden, bijv. bij leven (r.2) en saem (r.5). Nog vervelender is het dat de tekstaccenten niet mooi samenvallen met de eerste tel van elke maat, terwijl toch doorgaans, en zeker bij de gaillarde en de volte, de eerste tel een benadrukte, beklemtoonde moet zijn. Het verschijnsel dat zich hier openbaart, kent de term hemiool of schijnmaat. Meer daarover in Willemze (1969:passim) en Willemze (1964: §92), waar staat: “Interessant worden syncopen wanneer zij systematisch en over geruime afstanden worden toegepast. Er ontstaan dan o.m. de vaak voorkomende schijnmaten (…) Hier strijden een (metrische) driekwarts-maat met een (ritmische) tweekwarts-maat om de voorrang”. Een kwestie dus van metrum en ritme, waarbij mijns inziens de uiteindelijke notatie niet dwingend mag zijn voor de uitvoeringswijze en de daarin te leggen accenten. In zijn latere druk (1979) besteedt Willemze uitgebreid aandacht aan hemiolen: hoofdstuk 19, §154-161.
Ik denk, al met al, dat de hierboven weergegeven getypte versie de meest gewenste notatie van het lied is, teneinde metrum en ritme van tekst en melodie het beste met elkaar te kunnen laten sporen, met als enige kritiek dat het rustteken aan het begin van de derde regel beter aan het einde van de tweede regel had kunnen staan, zoals ook in de drie daarop volgende regels het geval is.
Volgens Van Duyse, waar bovenstaande notatie van “Salick noch langher…” uit is overgenomen, heeft Valerius geput uit het Frans repertoire, maar, zegt het commentaar in dl.II, p. LVIII, Merkwaardig is het evenwel, dat Valerius dit lied noteert in vieren, terwijl de melodie veel beter klinkt in drieën, zooals zij ook is opgenomen in het Nederlandsch Volksliederenboek. In den Gedenck-clanck staat boven dit lied met kleine lettertjes: volte. Dit is dus weer een danslied, want de ‘volte’ is een langzamere vorm van de gaillarde. Stalpaert zou het echter hebben uit Bredero (zo stelt Van Leeuwen in De muziek…, met als argument dat het kopiëren van een melodie uit protestante bron niet comme il faut was voor een katholiek, ook al tilde Stalpaert daar niet zo zwaar aan) of hij zou het hebben uit Frankrijk, wat mij waarschijnlijker lijkt. Ik heb daarvoor de volgende argumentatie:

  • Wij weten niet precies wanneer Stalpaert zijn Ignatiustekst heeft geschreven. Vermoedelijk in zijn laatste, Delftse periode (1621-1630). Het is dan maar zeer de vraag of hij de recente publicaties van Bredero (1622) en Valerius (1626) met hun vrij beperkte verspreiding heeft gekend en eruit heeft gekopieerd.
  • Stalpaert was door zijn verblijf in Frankrijk en Italië goed op de hoogte van Franse en Italiaanse volksliedkunst en had dus geen “spiekbriefjes” nodig om aan passende melodieën te komen, of liever gezegd, om meer dan 500 teksten te maken op melodieën die tot zijn culturele bagage behoorden.
  • Het was Stalpaert evident te doen om zijn teksten binnen bereik van zoveel mogelijk mensen te krijgen, waartoe hij koos voor melodieën die alom bekend waren, dus reeds toe het algemeen cultuurgoed behoorden – niet tot dat van een poëet die een fraaie bundel in de markt zette. Schrijnend op dit punt is het feit dat zowel voorin Valerius’ Gedenck-Clanck als in Bedero’s Lied-Boeck een privilegie staat gedrukt, bij onstentenis van Stemra-Buma toch een soort voorloper van het copyright, waarin werd bepaald dat niets uit deze uitgave mag worden verveelvuldigd of in enige vorm mag worden gekopieerd voor een periode van ses iaren, op straffe van verbeurdverklaring van de onrechtmatige oplage en een boete van ƒ 150 (Valerius) of ƒ 300 (Bredero), welk bedrag, de Jort Kelders avant la lettre, zou worden toegekend voor ⅓ aan de erven van de helaas reeds overleden auteur, voor ⅓ aan de armen en voor ⅓ aan de officier die het proces-verbaal opmaakte. Maar de betreffende auteurs konden rechtens op geen enkele grond aanspraak maken op het auteurschap van de melodieën, die immers ofwel aantoonbaar niet van hen waren, ofwel zozeer behoorden tot het algemeen volkscultuurbezit, dat van enige persoonlijke auteursrechtelijke toeëigening geen sprake kon zijn. Dit ondanks de mededeling op de promo-pagina van Valerius (1626) “De Liedekens (meest alle nieu zijnde) gestelt op Musyck-noten…”. Als ze al nieuw waren, wat zeer te betwijfelen is, spoorde dat feit niet met de intentie de liedteksten snel en wijd te verbreiden; men moest immers nieuwe melodieën gaan leren en wie kon er in die tijd noten lezen?
  • Om de vergankelijkheid, maar tevens het bestaan van het public domain van volksliedjes te accentueren:  Toen in, meen ik 1751, dus ruim een eeuw later, een nieuwe uitgave van Stalpaerts liederen werd uitgebracht, voorzag de uitgever de meeste liederen van een nieuwe melodie, “omdat de oorspronkelijke melodieën nog maar door 1 op de 10 mensen worden gekend”.

Is het dan dus wel een kwestie van jatten? Als je bij bruiloften of partijen een feestbundel presenteert met een liedtekst voorzien van de vermelding “Op de wijze van Aan de Amsterdamse grachten, of Op een mooie Pinksterdag”, heb je dan een auteursrecht geschonden? In de 17e eeuw deed men niet anders. Bach ook niet. En daarna ook niet:
Bernard Huijbers toonzette een tekst van Huub Oosterhuis (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”) op de melodie van het Wilhelmus, nadat hij vele jaren eerder al een hele Adventsliturgie (“Hoort mensenbroeders die hier nu zijt…”) zeer vakkundig had getoonzet op de melodie van “Allen die willen naar Island gaan”, by the way een visserslied uit Frans-Vlaanderen uit de 16e eeuw.  Wim Kan opende al zijn oudejaarsavondconferences met “Uren, dagen, manden, jaren…” van Rheinvis Feith.
Haydn, Debussy, Bartók en Mahler zijn mede zo groot geworden doordat zij de lokale volksmuziek, dus het muzikale publieke domein, hebben gebruikt in hun composities, zonder auteursrechtelijke sancties.

Ons aller troetelkind Wolfje Mozart, 8 jaar oud, zei vader Leopold, maar hij was toen al 9, moest een keertje mee naar Den Haag. Uit verveling, of ijverzucht, componeerde hij ziek en wel te bedde liggend een aantal variaties op het Wilhelmus (KV 26, 1766). Een aantal jaren later (1781), maakte hij in Wenen een aantal voortreffelijke variaties op Altijd is Kortjakje ziek, althans op de Franse pendant Ah! Vous dirai-je maman (KV 265). Zullen we hem postuum een proces aan de broek doen?
En nog iets verder terug: wees er zeker van dat de melodieën in de liedbundels van Bredero, Hooft, Camphuysen, Starter en Valerius niet één melodie bevatten die op naam kan worden gesteld van de genoemde tekstdichters. Allemaal jatwerk? Nee, louter een manier om je liederen makkelijk te kunnen verspreiden onder een grotendeels analfabeet publiek dat geen elektriciteit, geen geluidsdragers, geen internet en geen smartphones had.

Zoals gezegd was er tekstdichters als Stalpaert veel aan gelegen te kiezen voor algemeen bekende muziek, omdat op deze wijzen de tekst een grotere, snellere en bredere verbreiding kon garanderen. Welnu, dat er bij de melodie van Ignaci dat… wel degelijk sprake was van een alom gekend wijsje moge blijken uit de vele teksten die ons zijn overgeleverd op deze muziek in enige variant.
Naast de hier aan de orde zijnde beginregel “Treckt weer na uw’ verburghen holen”, en de Franse (meer originele?) zogenaamde vaudevilles satiriques*), waarvan Veux tu savoir la difference hier als voorbeeld uit begin 18e eeuw te horen is, evenals het op vergelijkbare melodie bestaande “Marianne étoit coquette”, “Je vous le dit & le repete”, “J’ay laissé la veillesse en France” (volledige tekst HIER), “Je ne suis né ny roy ny prince”, “Le grand portail de Saint-Sulpice”, “Pour nouvelle, & qui n’est point fausse”, en “Amadis, par les soins d’Urgande” treffen we bij raadpleging van alleen nog maar Van Duyse, II, p.1608-1614, tussen ±1600 en ±1750 de melodie(-aanduiding) aan bij de volgende liederen in Nederlandse liedbundels:

  • Almachtigh Godt, vol heyl en zegen
  • Als ick u eerst begon te minnen
  • De menschen zijn zoo vaek genegen
  • Den Winter kout die ons seer quelden / Is nu vergaen in dit saysoen 
  • Een eenigh een heb ick verkooren
  • Gantsch slapperloot ‘k moet weer uit vryen
  • Ghy moet de feest met vreught vereeren
  • Ghy wack’re Nimphjens en Dryaden
  • Goddin, die voor veel hondert jaren
  • Heeft yemandt, door gestadigh draven
  • Het veldt en sal niet langer branden
  • Hoe groot, ô Heer, en hoe vervaerlic
  • Hoe langh mijn lief, mijn veltgodinne
  • Hoe zalig is de zoete minne
  • Ick heb bemindt, gevleydt, gebeden
  • Laetst als de Goden bancketeerden
  • Mayken, mijn lief, wat sullen wy maken
  • Mijn ziel wilt lof singhen den Heere
  • Myn geest, ô Heer! zoekt u te loven
  • Niet alle die den titul draghen
  • O edel wesen uyt Godt gevloten
  • O eeuwigh licht in duysterheden
  • O hoogh beroemde Nederlanden
  • Og of ik waerdig kon beschryven
  • Sal ick noch lang met heete tranen
  • Sing nu van vreugden, gy Batavieren
  • Waen-wyse lieden, valsch van oordeel
  • Wanneer de Heeren musicanten
  • Wanneer zal ik die vreugde ontvangen
  • Wel op mijn harp, wilt vrolijk wesen
  • Wyst my eens aen o fijne Broeders

Kortom: een breed scala aan stichtelijke en minnelijke teksten, zeker niet alle goedgekeurd voor kerkelijk gebruik. Wat maar aangeeft hoe populair de Ignaci-melodie lange tijd moet zijn geweest. Volgens Louis Grijp zijn er minstens 168 Nederlandse teksten op deze melodie bekend !

Hij was het ook die mij op het spoor bracht van de beloofde oude, profane variant van rond 1600. Meer daarover op de site van de Nederlandse Liederenbank, waar via de link “audio” deze melodie is te horen: Ys-vreucht. Dat is nog eens andere koek. Hoe blij waren wij niet op het IG als we een dagje, of zelfs maar een middag, ijsvrij kregen in plaats van manmoedig te moeten zingen “Verwint met offer en gebeden, Verwint met lessen vroegh en laet”.
Het zal bij vele oud-Ignatianen wel enige weemoed teweegbrengen, denk ik. Hoop ik.

Voor enkele herzieningen bij dit artikel: klik HIER.

Bronvermeldingen
Naast persoonlijke communicatie met een aantal personen, heb ik vooral gebruik gemaakt van de volgende uitgaven:

  • G.A. Bredero, Groot lied-boeck, 3 delen, editie G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra en C.A. Zaalberg (deel I); G. Stuiveling, A. Keersmaekers, C.F.P. Stutterheim, F. Veenstra, C.A. Zaalberg en P.J.J. van Thiel (deel II) en F.H. Matter (deel III). Culemborg: Tjeenk Willink-Noorduijn 1975 (deel I) / Leiden: Martinus Nijhoff 1983 (deel II) / Den Haag: Tjeenk Willink-Noorduijn 1979 (deel III). Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Florimond van Duyse, Het oude Nederlandsche lied. Tweede deel. Den Haag / Antwerpen: Martinus Nijhoff / De Nederlandsche Boekhandel 1905. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Charles van Leeuwen, Hemelse voorbeelden. De heiligenliederen van Joannes Stalpart van der Wiele 1579-1630. Nijmegen: SUN 2001 (proefschrift Rijksuniversiteit Utrecht). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Charles van Leeuwen, De muziek van de Gulde-Jaers Feest-dagen (niet in druk verschenen). te raadplegen op http://www.charlesvanleeuwen.nl/stalpart.php
  • Adriaen Valerius, Nederlandtsche gedenck-clanck. (ed. P.J. Meertens, N.B. Tenhaeff en A.Komter-Kuipers). Amsterdam: Wereldbibliotheek 1942. Te raadplegen op www.dbnl.org
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Prisma 1964 (Prisma-Compendia 1)
  • Theo Willemze, Algemene muziekleer. Utrecht: Het Spectrum. 7e geheel herziene en uitgebreide druk 1979 (Aula-Boeken 644)
  • Theo Willemze, Het muzikaal gehoor. Utrecht: Het Spectrum 1969 (Aula-Boeken 385)

 

________________________
*) Een vaudeville satirique laat zich omschrijven als “une chanson satirique de circonstances, se chantant sur un air facile qui aidait à sa popularité. C’est en ce sens que Boileau le rattache à la satire, comme un genre éminemment français”. Het aspect van “algemeen bekend meezingertje” was dus ook in Frankrijk al in zwang. Deze airs waren vooral in zwang in de eerste helft van de 18e eeuw bij openluchtuitvoeringen van toneelstukjes die we kennen onder de verzamelnaam “Théâtre de la Foire”.

4 gedachten over “Ignatiuslied

  1. kreeg kippenvel bij het horen van het Ignatiuslied , heb vandaag de info over je weblog gekregen via via .. ik heb 3 jaar op het koor van het Ig gezongen als sopraan ( ook solo ) . eindexamen HBS A 1959 ..
    Ik zal al jouw artikelen over dit fantastische College gaan lezen.
    En ik ga nog steeds langs Amstel’s wegen…door ’t drukke stadsgewoel.. *

  2. Op 28 mei heb ik, vlak boven de bronvermeldingen, nog enkele alinea’s toegevoegd met daarbij een uitgeschreven partituur en een te downloaden mp3-versie ervan. Ietsje daarboven heb ik ook een voorbeeld toegevoegd van een van de “voorgangers” van het Ignatiuslied, de Franse air “Veux tu savoir la différence”.

  3. Prof. Louis Peter Grijp [van Meertens] zou wellicht nog meer weten over de oude melodieën en teksten. Ik heb zijn boek “Een Muziekgeschiedenis der Nederlanden” met CD-Rom (juni 2002 2e).

Laat een reactie achter aan Moderator Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.