Antoniemen gesorteerd

In alle talen, dus ook in het Nederlands, komen zogenaamde antoniemen voor. Dat zijn woordparen waarvan de leden in zekere zin een aan elkaar tegengestelde betekenis hebben: vroeg – laat, dik – dun, opbouwen – afbreken, man – vrouw, antoniem – synoniem.
Buiten beschouwing laat ik de zogenaamde basaltwoorden, woorden die uit twee delen bestaan die met elkaar een oppositie vormen: basalt, volledig, morgenavond en boosaardig bijvoorbeeld (bas-alt, vol-ledig, morgen-avond, boos-aardig). Daarvan heeft Battus er in zijn Opperlandse Taal- & Letterkunde (1981) een zeventigtal beschreven.

Binnen de groep van Nederlandse antoniemen bestaat er echter ook een deelverzameling van woordparen waarvan beide leden identiek zijn. Ik beschrijf van die groep enkele voorbeelden:

  • gijzelaar kan zowel actief de gijzelnemer betekenen, als passief de gegijzelde.
    Zo ook:
  • martelaar actief: folteraar; passief: bloedgetuige.
  • model kan zowel duiden op het origineel waarvan nabootsingen worden gemaakt: fotomodel, modelschool, als op de nabootsing van een origineel: modelbouw, modelspoorbaan.
  • gesorteerd. Kopen we gesorteerde appels of eieren, dan zijn die zoveel mogelijk overeenkomend in gewichtsklasse, grootte, kleur of soort; kopen we echter gesorteerde bonbons, dan krijgen we bonbons die juist zoveel mogelijk verschillend in gewichtsklasse, grootte, soort of kleur zijn.
  • knalpot is een onderdeel van het uitlaatsysteem onder een auto, bedoeld om het geluid van de explosiemotor te dempen, maar ook kan het rond oudjaar om een vuurwerkartikel gaan, bedoeld om juist zo veel mogelijk explosielawaai te produceren.
  • slaap kan zowel de oorzaak als het gevolg betekenen: Wie slaap heeft, heeft slaap nodig.
  • direct heeft zowel de betekenis nu, onmiddellijk, als niet nu, straks: Op het verzoek “Wil je direct hier komen!” kan als reactie komen: “Ja, ik kom nu direct” / “Nee, ik kom direct wel”.
  • meteen hetzelfde als direct: nu, onmiddellijk dan wel niet nu, straks. Voorbeeld: “Wil je meteen hier komen!” met als mogelijke reacties: “Ja, ik kom nu meteen” / “Nee, ik kom meteen wel”.
  • dadelijk hetzelfde als direct en meteen. Merk op dat bij deze drie woorden de betekenis “niet nu, maar straks” kan worden uitgedrukt door er zo voor te zetten en/of wel er achter: “Ik kom zo dadelijk wel”, “zo meteen wel”, “zo direct wel”.
  • voor niets kan zowel betekenen dat het je niks kost (“gratis“) als dat het je niks oplevert (“zinloos, nutteloos“) in bijvoorbeeld een zin als “Ik heb het voor niets gedaan“.

Het verschijnsel doet zich niet alleen bij naamwoorden voor; ook sommige werkwoorden horen tot deze speciale groep antoniemen:

  • afmaken heeft zowel de betekenis “de constructie voltooien” als “de destructie voltooien”. “Het hondenhok afmaken” is wezenlijk een andere activiteit dan “de hond afmaken”. Zie bij de reacties hieronder voor meer informatie over het voorvoegsel af- in dit verband.
  • in elkaar timmeren herbergt een soortgelijke dubbelzinnigheid. De zin “Ik ben ons hondenhok in elkaar aan het timmeren” kan zowel op de constructie als op de destructie duiden.
  • informeren kan het vragen naar informatie betekenen (“Zij informeerde naar onze plannen”), dus van A naar B, maar ook juist het verstrekken van informatie (“Wij informeerden haar over onze plannen”), dus van B naar A. Let wel dat hier het te kiezen voorzetsel dinstinctief is, net als bij terugkomen op (“van niets iets maken”) versus terugkomen van (“van iets niets maken”). Iets om bij de redactie van het NOS-journaal nog eens onder de aandacht te brengen.

Naar mijn mening kunnen we tot bedoelde groep van antoniemen ook hele zinnen rekenen die, afhankelijk van de intonatie, van de context of van de verhouding die gesprekspartners tot elkaar hebben twee elkaar tegengestelde betekenissen dragen:

  • “Dat moet je eens proberen!” kan een aansporing zijn om iets wel te doen, maar ook een waarschuwing om juist iets niet te doen.
  • “Vind je dit niet de moeite?” kan betekenen dat de spreker het zelf eigenlijk wel de moeite vindt, maar ook dat de spreker vermoedt dat de aangesprokene het zelf niet de moeite vindt. De betekenissen laten zich parafraseren door: “Ben je het met me eens dat dit de moeite is?” en: “Is het zo dat jij dit niet de moeite vindt?”
  • “Als hij niet snel contact opneemt, kan hij gemist worden.” In deze zin ligt de betekenis besloten “…kan het zijn dat ze hem kwijt zijn“, d.w.z. is hij er niet terwijl hij er wel had moeten wezen, maar ook “…kunnen ze ook wel zonder hem“, d.w.z. is hij er wel terwijl ze liever hadden dat hij er niet meer was.

Ken je meer van dit soort antoniemen?
Stuur me die dan in een reactie of per e-mail toe aub.

11 gedachten over “Antoniemen gesorteerd

  1. Vergelijkbaar met ‘meteen’ en ‘direct’ is ook ‘dadelijk’. Wat me aan alle drie opvalt, is dat ze in de betekenis van ‘straks’ vaak voorafgegaan worden door ‘zo’. Bij pendanten als ‘onmiddellijk’ en ‘terstond’ gebeurt dat niet.
    Verder: het woord ‘bijdehand’ . Behalve de spellinganomalie bijdehand/bijdehante heeft dat woord, in de betekenis van ‘voorlijk, schrander’ een soort tegengestelde connotatie ten positieve of ten negatieve. ‘Hij is wel erg bijdehand’ kun je positief maar ook negatief uitleggen.
    Ten slotte: fietsenmaker. Een aanduiding van een eerzaam beroep dat toch beslist technische vaardigheden veronderstelt. Evenwel: in de streek waar ik vandaan kom(Twente) heb ik vaak iemand horen typeren met: Hij is een grote fietsenmaker. En dan werd bedoeld: een klungel, een kluns, een met twee linkerhanden.

    • Ik zal zo dadelijk het artikel wat aanpassen. In het rijtje meteen en direct hoort dadelijk inderdaad ook thuis.
      Bij bijdehand heb ik een ander vermoeden: we kunnen elk adjectief dat een positieve waardering inhoudt gebruiken om juist het negatieve tegenovergestelde uit te drukken (“Lekker goedkoop tegenwoordig, die benzine” ; “Fijn weer vandaag!”, terwijl het plensregent). Ik meen dat dat een antifrase heet (staat die wel in Lodewick?). Dat is dus niet voorbehouden aan bijdehand. Overigens heeft Verdenius in 1942, bij gebrek aan betere schrijfstof, een artikeltje gewijd aan bijdehande / bijdehante. Zie zijn In de Nederlandsche Taaltuin.
      De Twentse fietsenmaker staat op één lijn met de landelijk bekende koeke(n)bakker. Zie Je weet niet wat je weet voor het verschil tussen
      “Mijn vader is koekebakker” en
      “Mijn vader is een koekebakker”.
      Als de koeke(n)bakkers en fietsenmakers zich laten interpreteren door de aan- of afwezigheid van een voorafgaand lidwoord, kunnen ze maar half-half tot de antoniemen worden gerekend. Dat geldt evenzo voor de genoemde fietsenmaker als je kijkt naar het voorafgaande adjectief:
      “Hij is een groot fietsenmaker” (letterlijk) naast
      “Hij is een grote fietsenmaker” (figuurlijk).

      • Ik deel je mening wat betreft bijdehand. Een dergelijke connotatie kun je inderdaad bij veel adjectiva aantreffen.
        Wat de fietsenmaker betreft: ik zie de connectie met de koekebakker. Wat me wel verbaast is dat het hier gaat om een relatief jong beroep en dus een vrij jong woord (1870?) Ik vroeg me af of meer beroepsnamen dergelijke of min of meer vergelijkbare connotaties hebben. Ik ken die van de slager, de kruidenier, de boekhouder, de dominee, de doodgraver, de schoolmeester(frik), de bouwvakker, de melkboer (?), de boer. Maar hebben de groenteboer, de poelier, de drogist, de marskramer, de pastoor, de metselaar, de timmerman, de smid, de tekenaar, de automonteur, de machinist, de chauffeur die ook? Zou daar ergens iets over te vinden zijn? Zou er een systematiek te vinden zijn?

  2. Ik heb er mogelijk nog een paar. In dit geval werkwoorden: Wat dacht je van ”leren”. Je kunt iemand iets leren en Iemand kan iets leren. Complementair antoniem? En met het werkwoord ‘verdienen’ is toch ook iets aan de hand. Je kunt een dik slaris verdienen en het ook krijgen. Je kunt het ook verdienen zonder het te krijgen.

    • Je kunt het ook krijgen zonder het te verdienen zelfs. Ik zoek nog naar de “werkelijke” tegenstelling die erin verscholen zou zitten.
      Het koppel leren-leren doet mij denken aan het koppel koken-koken, hoewel het daarbij gaat om de oppositie actitief (faire la cuisine) en immutatief (bouillir). Evenzo bij braden, oplossen, smelten; kortom de fornuiswerkwoorden. Bij leren (enseigner-apprendre) gaat het tweemaal om een actitief werkwoord, maar ze zijn, zoals je aangeeft, eerder complementair dan tegengesteld.
      Laten we nog maar even doorgaan met het zoeken naar “verdachte” voorbeelden.

  3. Wat denk je van het werkwoord informeren?
    Enerzijds betekent het vragen. Wat zijn je plannen?, informeerde hij.
    Anderzijds een vraag beantwoorden. Ze informeerde ons over….

    • Dat lijkt me inderdaad een mooie; niet van de categorie leren-leren of koken-koken. Ik zal hem gaan toevoegen.
      En dan hebben we ook nog gevallen als (iets) bedenken (van niets iets maken) en (zich) bedenken (van iets niets maken), en terugkomen op vs. terugkomen van, ook al kennen ze tot bij het NOS-journaal het verschil niet meer.

  4. In de Gelderlander van 15 augustus 1915 vond ik een advertentie: Te koop aangeboden een best aftands ruinpaard(vos). Ik vond dit een nogal vreemde manier van zijn waren aanprijzen. Totdat ik Van Dale erbij pakte:
    aftands betekent: 1. al zijn tanden hebbend, volwassen/ 2. zijn tanden verliezend, (gemeenz.) oud, verslten, aftakelend.
    Kortom: een kandidaat voor je verzameling?

    • Ik schrijf dit toe aan het voorvoegsel af-, dat nogal wat betekenisnuances kent. Een daarvan is een terminatieve/perfectieve notie. Dat betekent dat af- aangeeft dat er een einde aan de handeling of toestand is gekomen: ═════| ; daarbij wordt dus benadrukt dat er een zeker tijdsverloop is, maar dat dat aan het einde is gemarkeerd. Zo begrijpen wij afstuderen als “net zo lang studeren tot het af/klaar is”; afmaken als “net zolang maken tot het af/klaar is”. Dit komt overeen met die ene soort bepaling van gesteldheid: de resultatieve werkwoordsbepaling, die immers ook het resultaat van de (voltooide) handeling aanduidt.
      Welnu, een handeling kan opwaarts of neerwaarts zijn, constructief of destructief. Bij een beperkt aantal samenstellingen die met af- beginnen kunnen beide lezingen aanwezig zijn, en heb je dus een type antoniem als bedoeld in het hier aan de orde zijnde artikel.
      Bij aftands geeft af- de voltooiing van het proces aan: het proces van tandwisseling bij kinderen en jonge dieren, zodat het woord een betekenis krijgt van “klaar, volwassen”, maar ook de voltooiing van het verlies van het vaste gebit bij ouderen, zodat het woord een betekenis krijgt van “oud, versleten”.
      Iets vergelijkbaars kan ik bedenken bij werkwoorden als afbouwen en het in het artikel al genoemde afmaken:
      Het voltooien van een constructiehandeling, bv. van een gebouw, tot die constructie helemaal af, klaar is, staat min of meer in contrast met de andere betekenis van een topsporter die na afloop van zijn carrière zijn conditie gaan afbouwen, d.w.z. gaat verminderen tot die niet meer “top” is.
      Bij afmaken is het nog frappanter: je kunt een tekst of een ander bouwsel afmaken, d.w.z. de constructie voltooien tot die af/klaar is, maar je kunt ook iemand afmaken in de betekenis kleineren of zelfs doden; de destructieve tegenpool dus van de eerste betekenisnotie.

Laat een reactie achter aan Berry van Diepen Reactie annuleren

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.