7 Sacramenten (1959-1966) – 4/7

Ik neem de klassen Gym-IB² t/m Gym-IIIB in één bericht bijeen. Niet omdat er zo weinig gebeurde – er gebeurde heel veel. Wel omdat al die gebeurtenissen zich redelijk als geheel laten beschouwen.

Ik groeide van puber tot puber. Zoiets doe je immers niet overnight of in een verloren weekend. Het bleef niet beperkt tot allerhande lichamelijke veranderingen, waarmee ik net als alle anderen in mijn uppie maar moest zien klaar te komen. Ik was ook al vrij snel in de overgang, van alt naar bas op het koor. En ik werd mij bewust van uitersten en van het feit dat je noodgedwongen meer dan één leven tegelijk leeft. Ik ging dus inzien dat ik een dubbelleven leidde.

Eerst maar even het uitgangspunt. Aan de kopse kant van het patershuis mochten wij jaarlijks opdraven voor het staatsieportret. Tableau de la troupe. Dit keer weet nagenoeg alle namen nog wel, met dank aan Huub Mous, die mijn geheugensteun in dezen is geweest. Het klassebestuur mocht ditmaal op de stoeltjes zitten: twee doubleurs en een NAVO-opperhoofd (dat zelf ook zou doubleren, maar dat nog even uitstelde tot III-Gym). Een enkele aanvulling en evt. correcties blijven zeer welkom. De foto dateert van het eerste trimester 60-61; Leo Reuser en Christiaan Verwer kwamen pas na kerstmis erbij in de klas.

1 Jaap de Hoop Scheffer 14 Michel van Overbeek
2 Nard Loonen 15 Filibert Kint
3 Hugo van den Hombergh 16 Pieter Haverman
4 Co Oud 17 Jan-Maarten Bremer (Latijn)
5 Kees Philips 18 Rob Goorhuis
6 Rob de Jong 19 Michel de Lange
7 Carlo Knüppe 20 Eugène van der Kamp
8 Hans Kraan 21 Leonard van Oudheusden
9 Loek Nijman 22 Arnold Reuser
10 Huub Mous 23 Kees van Rooijen
11 George Maissan 24 Jan Kniesmeijer
12 Mike Man 25 Wim Jordans
13 Rob Kupers  

Hoezo dubbelleven? Ik som maar eens een aantal opmerkelijke, en meestal ook wel hinderlijke tegenstellingen op.

  • Thuis was ik een nakomertje, dus veruit de jongste. Op school was ik in klas 1 t/m 3 na mijn zittenblijven veruit de klasseoudste.
  • Thuis was ik door de gezinssamenstelling eigenlijk altijd maar alleen (zonder dat toen heel erg te vinden). Op school begon ik me in het schoolse en buitenschoolse bestaan actief in te werken en maakte zo heel wat vriendjes (uiteraard zonder dat heel erg te vinden).
  • Ik voerde qua huiswerk en zo in feite nog steeds geen klap uit. De voorsprong die een zitteblijver altijd heeft, bezorgde mij zeker in klas Gym-IB en ook nog wel in Gym-IIB een basis waarop ik weer het ene rapportsucces na het andere kon boeken.
  • Zonder dat ik het nu exact kan preciseren was ik op sommige punten erg conservatief, op andere juist heel progressief. Iets met rechts en links, met braaf en stout, met defensief en aggressief.
  • Thuis had ik in zekere zin vijf moeders (mijn vier oudere zussen meegerekend). Op school waren geen moeders, laat staan meisjes. Dat was op de Lagere School trouwens ook al zo. Thuis leefde ik dus in een omgeving die in hoofdzaak feminine was, op school (en later in dienst ook nog) in een overduidelijke masculine cultuur.

Ik ga er wat dieper op in, want een en ander bleef niet zonder consequenties voor mij (en anderen).

Destijds was ik me er niet zo van bewust, geloof ik, maar het moet toch een hele klus zijn geweest om elke dag, op de fiets van huis naar school vv. die knop een halve slag om te gooien van kleintje naar oudste vv. Het heeft gevolgen voor je kleding, haardracht, uiterlijk tout court, je taalgebruik, je gedrag, je hele handelen, het actief of passief zijn, noem maar op. Uit je rol vallen was ongepast, zo niet gevaarlijk. Ik weet niet zo goed wat ik daarmee aan moet; in ieder geval kan ik het niet terugdraaien.

Veel alleen zijn in je jeugd heeft als voordel dat je leert alleen te zijn. Dat is meer dan een platitude of een open deur. Het brengt je verantwoordelijkheid bij voor je iegen doen en laten; het dwingt je tot het aanboren en cultiveren van brede interesses. Het noopt tot nadenken in plaats van anderen voor jou te laten beslissen. De nadelen ervan zijn eveneens evident: je dreigt een sociaal wrak te worden en je kunt je ego onvoldoende relativeren door het met dat van anderen te vergelijken. Ik denk dat ik van beide vruchten heb gesnoept en ik zal het er maar mee doen.

Ik geef er geen plaatje bij, maar de curve van mijn schoolprestaties van de tweede eerste klas t/m het eindexamen vormen in feite een rechte lijn omlaag. Maar het begin was zo hoog, dat ik aan het einde nog net genoeg overhield.

De Jezuïeten, prestatiebelust en als zij waren en daarom nimmer het competitie-element schuwend, loofden bij elke rapportuitreiking Rode en Zwarte Kaarten uit. De rode waren voor de beste van de klas in enig vak, de zwarte voor nummer twee. Brons bestond niet.

 

 

 

 

Bovendien kon je aan het einde van het jaar nog een Eervolle Vermelding verwerven, als je door het jaar heen constant goed was geweest in een bepaald vak. Maar die EV’s waren niet eens in het Latijn, dus daar viel niet echt veel eer aan te behalen. Ik heb heel wat van die kaarten vergaard. En om die competitie maar te koesteren: recentelijk nog heb ik van Michel en Huub de indruk gekregen dat zij de indruk hadden dat zij de meeste kaarten van de klas hadden verzameld. Dat staat nog te bezien. Zeker in de tweede eerste klas zal ik de strijd wel hebben gewonnen; daarna, en in het totaal van zes jaren, ben ik daar niet zeker van. Het toeval wil overigens dat ik zowel Huub als Michel graag die eer gun, want zij hoorden tot mijn binnenkring van vriendjes, en dat gevoel gaat nooit verloren.

Wat die vriendjes betreft: per saldo kan ik ze wegen naarmate ik er langer contact mee ben blijven houden. Dat geldt niet alleen Louis Levelt (familie van de De Ster, makelaar in koffi aan de Prins Hendrikkade) bij wie ik op de Lagere School in de klas zat, met wie ik oeverloos heb gestraatvoetbald (“putten”), en die ik nog regelmatig spreek, maar ook met enkele Ignatianen: Jaap, zij het in afnemende mate, maar in de schoolperiode kwamen wij zowat dagelijks bij elkaar over de vloer; Hugo, die ik af en toe nog spreek; Michel met wie ik recentelijk nog steeds contact heb; Huub en Hans die ik nog steeds met grote frequentie aan de telefoon of mail heb. Jammer dat het er niet meer zijn, maar je moet de tand des tijds en de geografische afstanden hun afkalvende werking maar laten doen. Ik tel, wederom, mijn zegeningen en, om een Russische wijsheid te koesteren: ik ben blij met wat ik heb in plaats van te zeuren over wat ik mis.

Non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Meer en meer ging ik mij richten op buitenschoolse activiteiten. Daarvoor kregen wij op school ook voluit de gelegenheid. Naast het koor, dat in toenemende mate mijn bezigheden ging bepalen, waren dat ook vele vormen van sport: een fietsenrally, handbal, volleybal, tennis, schaken en bovenal natuurlijk voetbal. En de culturele noot ontbrak ook niet. Eenmaal zelfs wist ik de hele klas bij ons thuis in de Lomanstraat over de vloer te krijgen voor een opvoering van De Menæchmi. Daarover heeft Huub een en ander op zijn weblog staan, inclusief foto’s. Kijk maar op http://www.huubmous.nl/2007/02/03/de-menaechmi/ voor meer info. Overigens, ik weet nog donders goed dat ik, klasseoudste, de rol van senex had. Daarvoor hoefde me ik dus helemaal niet te verkleden. Een Jaap, de krullenjongen, was parasiet die na afloop onze rommel mocht opruimen.

Sport in beeld. Er zullen altijd wel mensen zijn die de nostalgie willen opsnuiven. Een zevental foto’s als getuigen van een o zo gelukkig leven (en ik denk dat ik dat nog meen ook).
Volleybal op de cour. Ik sta daar te scheidsrechteren. Achter mij “bello”, Leonard van Oudheusden. Als je dat tegen hem zei, kreeg je een dreun. Rechts aan het net ontwaar ik Gerard Weesing. En zo aan zijn houding te zien staat op de achtergrond Co Oud in het doel een bal door te laten.

Fietsenrally 1962. Uitreiking tweede prijs door de immer enthousiaste Ed Seebregts. Achter hem, gelet op die strooien hoed, Piet Fontaine. De krasse fietsers: Filibert Kint, Arnold Reuser, Leo Reuser, Nard Loonen. Ik ben vergeten wat de prijs was. Een chocolade fietsbel misschien. In het Latijn.

Een volleybalwedstrijd in 1962. Co Oud staat achter de linker paal klaar om de bal op te vangen die ik als keeper ga doorlaten. Maar dat was niet zo: die bal ging er niet in. Misschien klapt Co wel voor de knappe redding. Rechts naast de rechter paal Arnold Reuser. De andere personen herken ik niet.

 Ik meen dat het Jaap was (die op tannis zat) die bedacht dat we dat ook maar eens moesten gaan doen. Ik was alleen maar goed in kathedraaltennis (de gotische variant: alle ballen zo hoog mogelijk opdat ze over het net belanden). Staande: Nard Loonen, Michel de Lange, Carlo Knüppe; zittend: Leo Reuser, Jaap de Hoop Scheffer, Huub Mous, Hugo van den Hombergh en Loek Nijman (die er echt weer eens goed zin in had, zo te zien; met Hugo gaat het prima verder).

Ook al in 1962: een prima klasse-handbalteam. Ik geef het je te doen als tegenstander. Staande vanaf links: Leonard van Oudheusden (het kanon; die kon je maar beter in je team hebben dan als tegenstander, want dan had die keeper ongetwijfeld gekneusde polsen na afloop; of een trauma; of beide), Co Oud (altijd vrolijk en nuchter), Arnold Reuser (altijd de beste in gymnastiek), George Maissant (niet tegenop te spelen), Michel de Lange, Nard Loonen. Vooraan: Jan Kniesmeijer, Hugo van den Hombergh (die het goed vond dat ik ook eens keepte), Leo Reuser, Carlo Knüppe.

Het klopt: een groot deel van mijn schoolleven speelde zich af op de velden van R.K.A.V.I.C. Hier het klasse-elftal van Gym IIIB dat de ongelijke strijd aanging met Gym IIB en dus met 7-3 won. We zien achteraan van links af: Carlo Knüppe, Loek Nijman, Arnold Reuser, de zwarte panter Hugo van den Hombergh, Michel van Overbeek en Jaap de Hoop Scheffer. Gehurkt de productieve voorhoede met Hans Kraan, Huub Mous, Leo Reuser, Filibert Kint en Nard Loonen.


Ter afsluiting van dit sportieve uitstapje een solo’tje. Pater Zaat, de hoffotograaf van het IG, vroeg mij bij het Luilaktoernooi op 28 mei 1966 (mijn eindexamenjaar dus) om voor zijn camera te poseren. Geen punt natuurlijk. Het zou ook de laatste foto zijn die hij van mij maakte, tevens jammer genoeg de enige die hij mij ooit heeft gegeven om te bewaren. Al die andere heb ik proberen te achterhalen, maar dat heeft tot nu toe niks opgeleverd.

 

 

Het schooljaar 1962-1963 was voor Gym-IIIB een rampjaar. Ik denk dat het dat ook in IIIA en IIIC was. Ik overdrijf, maar niet heel veel: zo ongeveer de helft van de nog maar 17 leerlingen bleef zitten. Laten de psycho- en pedagogen zich er maar over buigen. Ik herinner me dat daarbij een (bescheiden?) rol speelde dat je dan al zo lang op school zit en beseft dat je nog zo lang moet. Dat vreet aan de motivatie en het uithoudingsvermogen. Maar er zal vast wel veel meer hebben gespeeld.
Ik kwam wonder boven wonder ongedeerd, zonder ook maar één onvoldoende, uit het slagveld tevoorschijn. Dat is te zeggen: op school. Thuis was het andere koek. Met een niet te weerspreken, maar niettemin erg rechtlijnige redenering had mijn vader geconstateerd, dat als de neergang van kerst- naar paasrapport zich zou voortzetten, ik dat jaar opnieuw zou doubleren. En of ik dus maar weer eens mee naar de kelder wou gaan, om daar in een niet al te charmante pose voor hem staande te moeten vernemen dat hij mij in dat geval van school zou nemen en naar de leerlooiersschool of banketbakkerschool zou sturen. Ik wist van meet af aan waar deze nutteloze preek op zou uitdraaien: om mij exta te overtuigen sloot hij zijn monoloog af met een bovenmodaal hard pak slaag op mijn blote kont. Wat moet hij daarbij voor ogen hebben gehad, letterlijk en figuurlijk? Het was overigens wel de laatste keer dat hij mij zo behandelde – ik was tenslotte al 16½. Achteraf snap ik niet dat ik dat toen heb gepikt. Niet vanwege de pijn, die gaat wel over. Maar vanwege de schaamte en de vernedering. Het zal wel het conservatieve Nardje zijn geweest dat zo braaf en gezagsgetrouw was. Het progressieve Nardje had zich niet zo in zijn hemd laten zetten, of nog net iets minder.
Een en ander bleef niet zonder consequenties, schreef ik hierboven al. Voor mijzelf is deze gebeurtenis een keerpunt geweest dat al dan niet toevallig samenviel met de overgang van klas I-III naar IV-VI. Ik ging mij terugtrekken. Thuis, heel sterk: zo veel mogelijk alleen zijn. Op school, waar ik me allengs in al mijn activiteiten ging beperken tot het koor. Voetballen deed ik alleen nog maar op VIC, in de B- en A-junioren. Ik organiseerde verder niks meer. Vanaf de vierde klas waren alle klassen  ook anders samengesteld, ofwel door hergroepering, ofwel door de onvermijdelijke splitsing in α en β. Nieuwe vriendjes kwamen er niet meer bij. Sommige van de oude vriendjes waren van school verdwenen, andere bleven, zoals Michel, Huub, Leo, Hans en Jaap. Het kringetje werd kleiner en kleiner. De lol was er voortaan af.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.