Acht op Sebastiaan (1/8)- inleiding

In vooral Christelijke kringen (na de reformatie: met name katholieke kringen) zijn afbeeldingen van heiligen uitermate populair. Allereerst die van Christus, Maria en Jozef, maar daarnaast ook van talloze apostelen, martelaren, bisschoppen en andere religieuzen. Dat verschijnsel laat zich vanuit verschillende perspectieven verklaren.
In de eeuwen dat analfabetisme nog weid verbreid was, kon niet zozeer via tekst, als wel door afbeeldingen een verhaal brede verspreiding krijgen. Daarom bieden sommige afbeeldingen niet slechts één persoon of situatie, maar proberen zij een heel verhaal weer te geven die een geschiedenis of ontwikkeling uitbeeldt. De in veel kerken aanwezige 14 afbeeldingen van de kruiswegstatie zijn daarvan een duidelijk voorbeeld: het hele passieverhaal wordt als een soort stripverhaal langs de wanden van de kerk uitgebeeld.

Een andere verklaring is van gelovige of bijgelovige aard: wie de beeltenis van een bepaalde heilige aanschouwt, kan zich ermee identificeren ter verhoging van de eigen vroomheid, ofwel: door een beeltenis bij zich te dragen gaat men ervan uit de bescherming van de afgebeelde heilige te zullen genieten. Een van de treffendste voorbeelden daarvan is een afbeelding van St.-Christoffel die soms in auto’s of op de sleutelhanger aanwezig is. Als patroon van de “veilige overtocht” zal hij de inzittenden van de auto beschermen tegen ongelukken. Dit is tevens een verklaring van het feit dat sommige heiligen aanmerkelijk vaker worden uitgebeeld dan anderen: als het een beschermheilige is of een patroon, zal die heilige frequenter worden aangetroffen. 

Naomé

Processievaandel van Sebastiaan in Naomé (B)

De heilige Sebastiaan
Zo ook de heilige Sebastiaan. Zijn marteldood, in eerste instantie door hem overleefd, maakte hem onder meer tot de beschermheilige tegen ziekte, in het bijzonder de pest en andere epidemieën. Dat dateert al van eind zevende eeuw toen er, naar verluidt door zijn invloed, een einde kwam aan een pestepidemie in Rome. Sindsdien hebben tal van kerken Sebastiaan als schutpatroon aangenomen in de hoop epidemische ziekten te bestrijden of tegen te kunnen gaan. Enigszins wrang is dat hij later ook patroon werd van boogschuttersgilden, alsmede van soldaten, atleten en tal van andere groeperingen. In de laatste decennia wordt hij in homoseksuele kringen ook genoemd als patroon tegen aids.

Al met al kunnen we daarmee drie “doelgroepen” afbakenen waarbinnen Sebastiaanverering plaatsvindt en waarbinnen afbeeldingen van Sebastiaan hun eigen karakter en verspreiding kennen :

 

Evrard, Sebastiaanaltaar (1750), Awenne (B)

De katholieke kerk
Allereerst de (katholieke) kerk. Er zijn, vooral in de overwegend katholieke streken in Europa, tal van kerken naar Sebastiaan vernoemd. In Nederland, met een zo grote protestante invloed, zijn er dat niet zoveel: Bierum (Groningen), Haarle (Overijssel), Herpen (N.-Brabant), Sevenum (Limburg; HH.Fabianus en Sebastianus) en Eygelshoven (Limburg) bijvoorbeeld. Maar ook in niet naar Sebastiaan vernoemde kerken kunnen afbeeldingen van Sebastiaan te vinden zijn, al is het veel moeilijker die te inventariseren. In België zijn dat er in ieder geval meer dan 500.
Als voorbeelden kan ik noemen het prachtige houten beeld op het marmeren Sebastiaanaltaar van de Saint-Martinkerk in Awenne (België), gemaakt in 1750 door de Luikse beeldhouwer Guillaume Evrard, en het rond 1800 vervaardigde houten altaarbeeld van Sebastiaan in de kerk van Saint-Barthélémy in Helfrantzkirch in N.O.-Frankrijk. Verreweg de meeste afbeeldingen treffen we echter uiteraard aan in de tientallen Sebastiaankerken, als altaarbeelden of vrijstaande beelden, op schilderijen, in glas-in-loodramen. Het belang dat de kerk had bij deze zo frequente uitbeelding is niet uitsluitend gelegen in de algemeen-katholieke cultuur van heiligenverering, maar meer specifiek in de aan Sebastiaan toegedichte bescherming tegen pest en andere epidemieën. In tijden dat de pest heerste werden er niet alleen kerken gebouwd die aan Sebastiaan werden gewijd, maar werd ook aan reeds bestaande kerken Sebastiaan als schutspatroon toegevoegd.
Een niet compleet overzicht van Sebastiaanafbeeldingen in kerken in de Benelux en Frankrijk heb ik eerder al gepubliceerd op http://www.rosoy.nl/iconography.htm

Perugino, Sebastiaan (1494)

De beeldende kunst
Een tweede kring waarbinnen Sebastiaan grote populariteit verwierf, is die van de beeldende kunst, zowel de beeldhouw- als schilderkunst, later ook de fotografie. Aanvankelijk lag dit nogal voor de hand: de kerk drukte eeuwenlang, zeker tot in de renaissance, zo sterk haar stempel op ook buitenkerkelijke kunstuitingen, dat in hoofdzaak religieuze kunst werd geproduceerd, ook al waren er heel wat kunstenaars die probeerden aan dat geestelijke keurslijf te ontsnappen. We zien dan ook Sebastiaan als het ware seculariseren, afgebeeld worden zonder aureool, niet meer als bijfiguur aan de rand van bijvoorbeeld Maria-afbeeldingen en niet meer omgeven door andere heiligen of kerkelijke gezagsdragers. Bovendien stellen veel kunstenaars Sebastiaan voor als een schone jongeling waarbij het meer om de uitbeelding van het mannelijk naakt gaat dan om de dood van een volhardende christen. In die zin kan Sebastiaan worden vergeleken met mythologische figuren als Apollo, Adonis en Ganymedes, Narcissus, Hiacynthus, Hylas en Mercurius/Hermes: ook bij hen blijft altijd wel iets van het mythologische verhaal zichtbaar in de afbeelding, maar de aandacht wordt vaak toch het meeste getrokken door de lichamelijke schoonheid van de persoon in kwestie.De homobeweging
Daaruit vloeit de specifieke interesse voor binnen de (mannelijke) homoseksuele wereld voor Sebastiaan, zoals dat ook voor mythologische figuren als Adonis en Ganymedes geldt: hij is vooral jong en mooi en daarmee een toonbeeld en begeerlijk tegelijk. Dat hij daarnaast wel wordt beschouwd als patroon tegen aids is uiteraard iets van recenter datum.

Alles bij elkaar kennen wij nu nog vele duizenden Sebastianoïde afbeeldingen, sculpturen, schilderijen, tekeningen, in de wetenschap dat er in de loop der eeuwen ook duizenden in boeken, kerken en musea verloren zullen zijn geraakt door brand, diefstal, vernielingen (beeldenstorm!), overstromingen, oorlogen &c.
Rond de figuur van Sebastiaan is er in al die eeuwen een mythe ontstaan die meer te maken heeft met de patroon Sebastiaan dan met de feitelijk historische persoon Sebastiaan. Daarover meer in het artikel Acht op Sebastiaan (2/8) – feiten en fictie.

7 Sacramenten (1959-1966) – 5/7

De lol was er voortaan af, schreef ik aan het einde van mijn vorige bericht. Dat klopt ook wel, maar het betekende niet dat ik helemaal niks meer ondernam.
Bovenal was er het koor, waar ik helemaal aan verslingerd raakte. Het levert nu een aparte bijdrage op. Naar er waren mog minstens twee memorabele activiteiten: de fietstocht door Engeland en mijn poging een schooljaar in te lopen.

Laat ik maar positief beginnen. In 1964, ik zat in Gym IV-a, kwam ik op het lumineuze idee om met een paar lieve vriendjes een fietstocht door Zuid-Engeland te gaan maken. Ik ben zoals ik ben: ik stippelde een hele route uit, vanaf Dover langs de kust  met Hastings (1066) naar Chichester en Winchester, dan via Stonehenge naar boven en over Oxford en London terug naar Dover. Alles bij elkaar rond de1200 km in 23 dagen. Ik ben zoals ik ben, dus dat plakboek heb ik nog en ook de routebeschrijving, uitgetikt op een Underwood mitrailleursnest op flinterdun papier met carbonnetjes ertussen zodat je in één klap 5 exemplaren had. Omdat we in jeugdherbergen verbleven, die je ruim tevoren moest reserveren, lagen data en route vast, reden ook dat alle betrokken ouders helemaal gerustgesteld waren en hun toestemming gaven.
Wie waren de gelukkigen die met mij mee gingen? Vanaf rechts op de foto vlak voor ons vertrek:
Carlo: Altijd rustig en een bindende factor in de groep.
Hans: Altijd goed voor de vrolijke noot. Nu nog steeds trouwens. Zo presteerde hij het, zoon van een fietsenmaker, om al op de eerste dag ergens in de buurt van Dordrecht de voorvork van zijn fiets te breken. Is stante pede bij een plaatselijke smid gelast, zodat we weer verder konden.
Leo: Gaaf jong. Ik geloof niet dat er iemand was die ook maar ooit iets tegen hem had of kon hebben.
Hugo: Tot hem was ik, nadat we samen waren blijven zitten in Gym-IB, min of meer veroordeeld. Ik bedoel dat niet negatief, het was meer een soort broederschap en we hebben jaren lang heel veel met elkaar opgetrokken, ook bij hem en mij thuis.

Bij de voorbereiding van de reis was ook Ted de Cloet betrokken, ons aller leraar Engels. Hij had mij (ons?) bij hem thuis zelfs geadviseerd omtrent de route en bezienswaardigheden en voor ons vertrek kregen we van hem zowaar een briefje van £ 1/0/0 (een heel Brits Pond) mee ter aanmoediging en besteding. Bedenk dat dat destijds een waarde van meer dan ƒ 10,= vertegenwoordigde.

Mijn herinnering zegt mij dat het een heerlijke en geslaagde vakantie was, maar de andere vier moeten dat in een reactie maar beamen of weerspreken.

Project nummer twee was een solo-actie en tevens minder succesvol. Ik heb al eerder vermeld dat het mijn vader dwars zat dat ik geen uitstel van militaire dienst zou kunnen krijgen omdat ik eindexamen zou doen in het jaar waarin ik 20 werd. Hij kwam met een geweldig plan: in Culemborg was het door paters Augustijnen gerunde Nederlands Schriftelijk Studiecentrum. Een soort voorloper van wat we nu kennen als LOI of PBNA. Je kon daar, net als nu nog bij Luzac, “2 jaar in 1” doen, dus het rekensommetje was gauw gemaakt: als ik op het IG Gym-V deed en daarnaast bij het NSSC V en VI in datzelfde jaar, kon ik een jaar eerder klaar zijn. We gingen er samen naartoe om een kijkje te nemen, het contract werd getekend en ik bouwde op mijn kamer een apart kastje met allemaal verticale schotjes om het schriftelijke materiaal ordelijk in te bewaren.

Op het IG (ik was daar niet bij betrokken, dat regelde mijn vader) zullen ze er niet blij mee zijn geweest, shoppen bij de concurrent. Maar ze konden hem niet tegenhouden; hooguit hadden ze mij van school kunnen trappen wegens “ongeoorloofde nevenactiviteiten” of zoiets. Er waren leerlingen voor minder van school gestuurd (luiheid bijvoorbeeld!). Mijn schatting was dat ik het, met de steun van familieleden, wel zou trekken, zeker de ß-vakken en de moderne talen. Alleen voor Latijn en Grieks was ik beducht. Dat werd opgelost doordat Jan-Maarten Bremer S.J. zich bereid verklaarde geheel belangeloos mij van tijd tot tijd te assisteren. Een werkelijk genereus gebaar van hem, waarvan ik ook gretig gebruik heb gemaakt. Verder was met school afgesproken dat het in de docentenkamer bekend werd gemaakt, maar dat het ook binnen die muren zou blijven. Geen rumor naar buiten toe, geen slapende honden, &c. Logisch en geheel in orde.

Ik deed heel erg mijn best en de start, al in de grote vakantie tussen klas IV en V, was voortvarend. Ik geloof dat ik nog nooit zo veel tijd aan mijn huiswerk had besteed. Maar een tweetal zware klappen gooiden zand en suiker in de tank.

De eerste werd me uitgedeeld door Louis Lorié S.J. Ik weet het nog goed: we hadden Latijn in het hoofdgebouw, oude vleugel, eerste verdieping, einde van de gang links. Ik zal wel een of ander dom antwoord hebben gegeven, waarop hij snerpend de klas in riep, met de voor hem zo kenmerkende grijns om de lippen en zelfgenoegzame pretoogjes achter zijn +12-bril: “O, en jij wou nog wel eindexamen doen dit jaar!”

In een bevroren pose reageerde ik niet; van binnen kookte ik. Hij had de code doorbroken, en net als bij de meeste van zijn geweldige grappen ging dat natuurlijk weer ten koste van een van zijn leerlingen. Zelden heb ik iemand zo gehaat als hem op dat moment.

Na afloop van die les liepen we over de gang naar de cour. Michel kwam vlak naast me lopen en vroeg zachtjes: “Wat bedoelde hij daarmee?” “Ach, niks”, zei ik. “Die man is gek.” Ik was nog steeds te zeer van mijn stuk om er een serieus gesprek over te beginnen. Ook later niet. Dat is wel jammer, want hij bood me werkelijk een opening. En tot op de dag van vandaag ben ik Michel innig dankbaar dat hij zich op zo’n precair moment om mij heeft willen bekommeren. Ik bracht hem dit voorval nog in herinnering via de mail in juli 2007, waarop hij reageerde: De Lorié-stoot: goed dat ik je daar mee heb kunnen helpen, hoewel ik me het moment niet meer voor de geest kan halen. Fijn dat ik je met mijn belangstelling toen even uit de shit heb kunnen helpen. Lorié was een valse pater, een slecht mens, hield van sarren en kleineren, kortom, een gefrustreerd wezen. Wijs mij een deur, en ik garandeer je dat Michel en ik daar ook nu nog samen doorheen kunnen.

De tweede klap kwam in de kerstvakantie eind 1964. Al deed ik nog zo mijn best, het lukte niet. De waarderingen voor mijn ingestuurde huiswerk liepen achteruit, ik kon het vereiste tempo niet meer volhouden, waardoor er te veel in de fraaie schapjes bleef steken. Mijn vader zag dat ook wel in. En omdat ik vermoed dat er in termijnen betaald moest worden, zette hij het project stop, om niet nog meer geld in tranen te moeten zien oplossen.

Ik bleef dus braaf een gewone volbloed Ignatiaan, ging over naar de zesde en slaagde uiteindelijk met twee kletsnatte hakken over de sloot: met vier 5-en. Hoe je dat flikt? Destijds, toen er nog geen Mammoet was, stond het in de kleitabletjes geschreven dat het eindexamen was onderverdeeld in groepen. Bepalend voor slagen, zakken of herexamen waren de gemiddelden binnen één groep. Ik had het keurig voor elkaar:

  • groep Nederlands: 8-8-8 ; gemiddelde 8
  • groep Latijn-Grieks: 6-5 ; gemiddelde 6
  • groep Frans-Duits-Engels: 7-7-5 ; gemiddelde 6⅓
  • groep wiskunde  (algebra, gonio, stereo): 5-6-7 ; gemiddelde 6
  • groep NSB-vakken (nat., scheik., biol.): 5-6-7 ; gemiddelde 6

Je kunt dus ook zeggen dat ik slaagde met geen een onvoldoende. En ik kon op naar het grote leven.
Het blijft een a-von-tuur, met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.