Acht op Sebastiaan (2/8) – feiten en fictie

Van de persoon Sebastiaan weten we al met al niet bijzonder veel. Daardoor ontstaat de ruimte om rond zijn persoon een mythe te laten ontstaan die de bron is geworden van zijn grote populariteit. En het heeft kunstenaars alle ruimte verschaft om Sebastiaan naar eigen goeddunken neer te zetten. Vandaar de zo grote variëteit van zijn afbeeldingen, zoals in deze reeks berichten naar voren komt.

Personalia
Er zijn van Sebastiaan meer feiten die we niet historisch kunnen verifiëren dan wel. Zo weten we wel dat hij in of rond 288 is overleden, maar niet waneer hij is geboren, noch waar; Narbonne en Milaan worden soms als geboorteplaatsen genoemd.
Feitelijk is de enige historische bron de Latijnse Historia de Sancto Sebastiano, te vinden in de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine uit ±1265. Maar dan zitten we al bijna tien eeuwen af van de periode waarin Sebastiaan leefde.

We kennen dus ook niet zijn leeftijd ten tijde van zijn martelaarschap. Omdat er geen betrouwbare bron is die zijn geboortejaar vermeldt, blijft het gissen. Gelet op zijn functie als officier zal hij toch minstens tussen de 25 en 30 jaar geweest moeten zijn. Maar in de talloze afbeeldingen komen we hem tegen binnen een wijde marge van circa 15 tot ver over de 30. Was hij het jongetje links, dat Niccolò da Foligno detto l’Alunno (±1480) op zijn schilderij uitbeeldde? Dan overheerst het beeld van de ‘schone jongeling’. Was hij de baarddragende volwassen man, zoals te zien aan een anoniem terracottabeeld rechts, uit een kerk in Neuvy-en-Champagne (2e helft 16e eeuw)? Dan dringt zich de vergelijking met de gekruisigde Christus op.

Dat hij een officier was van de keizerlijke garde van Diocletianus, keizer van 284-305, lijkt wel vast te staan, maar van een eventuele liefde van de keizer voor Sebastiaan staat niet veel vast. Volgens dat idee zou Sebastiaan de avances van de keizer naast zich neer hebben gelegd, om welke reden de afgewezen minnaar besloot zijn onbereikbare liefde te doden. Wie de filmSebastiane (1976) van Derek Jarman ziet, de roman Sebastiaan van Adriaan Litzroth (1986) of Thomas Mann Dood in Venetië (1912) leest zal de geschetste lezing wel als waarschijnlijk voorkomen, en tal van Sebastiaanafbeeldingen doen ook vermoeden dat het hier ging om een begerenswaardige jongeman. Maar historisch feitenmateriaal onderschrijft dat niet.

We kunnen als vaststaand aannemen dat Sebastiaan zowel kapitein van de keizerlijke pretoriaanse garde als een christen was die in zijn geloof volhardde en de marteldood stierf, eerst door met pijlen te worden doorzeefd, en toen dat toch niet dodelijk bleek en hij zich weer aan de keizer vertoonde, door te worden doodgeknuppeld.

Geseling

Sommige bronnen vermelden dat Sebastiaan, na met pijlen te zijn doorzeefd, ook nog werd gegeseld. Dit lijkt mij om twee redenen onwaarschijnlijk. Ten eerste: bij de Romeinen werd geseling beschouwd als lijfstraf, niet als doodstraf. Vaak, zoals in het lijdensverhaal van Christus, werd geseling vooraf toegepast om het lijden te verergeren, niet om eraan dood te gaan (afbeelding links: Signorelli, 1480). Om die reden ook werd gewoonlijk de rug gegeseld en niet de veel kwetsbaarder borst en buik, zoals we uit tal van afbeeldingen en geschreven bronnen kunnen weten, ook al doet Signorelli’s uitbeelding wel anders vermoeden. Ten tweede: als Sebastiaan inderdaad gegeseld zou zijn, vooraf of achteraf, dan is het toch wel erg vreemd dat dat op geen van de duizenden Sebastiaanafbeeldingen wordt uitgebeeld, en dat ook op geen enkele afbeelding de striemen van zo’n geseling te zien zijn. Eerder denk ik dat het vermelden van die geseling de parallel met Christus’ lijdensverhaal wordt verscherpt, zoals ook veel afbeeldingen van Christus aan de folterpaal opvallende gelijkenis vertonen met die van Sebastiaan tijdens zijn marteling (afbeelding rechts: Botticelli, 1474).

Genezer

Baldur wordt door geen enkele pijl geraakt.Tekening door Elmer Boyd Smith (1902)

Dat hij ook weldoende rondging en genezingen tot stand bracht, zoals op sommige afbeeldingen tot uitdrukking wordt gebracht, mist voldoende historische grond; oude bronnen vermelden slechts de genezing door Sebastiaan van de dove Zoe, met een groot aantal bekeerlingen als gevolg. Zijn verering als genezer heeft hij naar alle waarschijnlijkheid eerder te danken aan het feit dat hij zijn executie met pijlen overleefde, waardoor de mythe kon ontstaan dat hij schier dodelijke verwondingen kon overleven. Juist daardoor is Sebastiaan gaan lijken op de figuur van Baldur uit de Noorse mythologie, die ook bestand bleek tegen dodelijke aanslagen, zoals er wel meer onkwetsbare personen optreden in mythologische verhalen.

Maar het zijn mede de rond hem ontstane mythen geweest die Sebastiaan zijn populariteit hebben bezorgd, met een zo groot aantal uitbeeldingen als gevolg. Daarvoor is het zinvol eerst de verschilende episoden uit zijn leven te onderscheiden. Zie daarvoor Acht op Sebastiaan (3/8) – episoden.

 

Deutschland, Deutschland, über was eigentlich?

Ik geef het je ook te doen: eerst in 1870, 1914 en 1939 actief in een oorlog verwikkeld zijn, dan worden gevierendeeld en de facto in tweeën worden gesplitst, dan dat enorme Wirtschaftwunder moeten meemaken, dan, aan het einde van de koude oorlog de DDR annexeren en vandaag de dag de rol van Europa’s leidende economie spelen.

Hoe kan het anders dan dat dat allemaal zijn weerslag vindt in bijvoorbeeld de Duitse cinematografie, iets correcter: in de grote reeks films die aan Duitsland en wat er al niet onder de Deutschlandfrage moge vallen is gerelateerd. Alleen al het naast elkaar beschouwen van het vooroorlogse werk van Leni Riefenstahl (bv. Triumph des Willens, 1935 en Fest der Völker, 1938) en de megaproductie Heimat (Edgar Reiz, 1984) stelt ons voor een reusachtig probleem.

Er was een tijd dat ik categorisch weigerde naar Duitse tv te kijken. Vanuit mijn gezinssituatie zou ik eigenlijk moeten weigeren naar Japse tv te kijken, maar dat kon ik niet weigeren, doodeenvoudig omdat het niet beschikbaar was. Bovendien merkte ik bij mezelf dat ik, als enige thuis, niet zo sterk anti-nippongevoelens koesterde. Bij ons leefden die sentimenten voort bijvoorbeeld bij de aanschaf van luxe goederen: geen Sony, maar Philips; geen Nissan, maar een degelijke Ford Taunus. Uiteindelijk viel dat niet vol te houden, al weet ik dat tot op de dag van vandaag noch mijn ouders, noch ikzelf, noch mijn broer of een van mijn zussen ooit een auto van Japanse makelij heeft gekocht of zal kopen. Het wachten is nog steeds op een vergoeding voor de 12-cilinder Dodge van mijn vader die in 1942 opeens niet meer voor de deur stond.

Voor mij werden die wrange gevoelens overwoekerd door een destijds in Amsterdam niet ongebruikelijk ander sentiment: het anti-Duits zijn. Onder het motto “Duits is een mooie taal, maar het moest een dooie taal zijn” waren er tal van Amsterdammers die elk contact uit de weg gingen, Germanismen (“Nipte zege Ajax over mat Volewijckers”; dec.1961) verafschuwden, zeker niet naar dat land op vakantie gingen (als ik door West-Duitsland naar het Oostblok reed, deed ik dat bij voorkeur ’s nachts, om zo min mogelijk te hoeven zien) en het hoogtepunt van hun grimmige afschuw beleefden in 1974, alsof zij daar hun houding mee konden rechtvaardigen.

Het Oostblok. Nooit zal ik die meer dan vijftig reizen vergeten die ik tussen 1968 en 1992 vanuit het repressieve Vrije Westen naar het onderdrukkende Volksdemokratische Oosten maakte, De ČSSR, de DDR, Polen. Al die opwinding, ellende, onzekerheid, spanning aan de grens. Oeverloze wachttijden, slinkse smokkelmethoden, situaties waarvan je niet wist of ze nou belachelijk of lachwekkend waren, flesje Bols jenever of een zakje mandarijnen ostentatief op het dashboardkastje in de hoop wat eerder door te mogen rijden.
Dat IJzeren Gordijn, aan beide kanten vervloekt en gekoesterd. En uitgebuit. Zo niet om politieke redenen (aan beide zijden), dan toch zeker ook om economische redenen. De wapenindustrie (ook aan beide zijden). Een soort ramptoerisme van Noord tot Zuid, aan de westkant dan. De staalfabrieken waar prikkeldraad werd gefabriceerd, stonden naar verluid in West-Duitsland. Of het labeltje “Made in West-Germany” er door de Vopo’s is afgeknipt, weet ik niet. West-Berlijn kon, mede dankzij de blokkade van 1948 en het daarop volgende propaganda-offensief vanuit het Westen uitgroeien tot een uit de voegen barstende etalage van het Luxe Westen, waarop men in de DDR, en in Oost-Berlijn het meest, alleen maar stikjaloers kon worden. Propaganda als economische aanjager – economie als propagandamiddel. Het boekje Mitten in Deutschland – mitten im 20. Jahrhundert. Die Zonengrenze. Bonn. Bundesministerium für gesamtdeutsche Fragen. 4e druk 1959. Met 95 z/w-foto’s geeft een even illustratief als schrikbarend beeld van hoe er vanuit het Westen officieel tegenaan werd gekeken. Internetantiquariaat Lu et approuvé had het in de verkoop (inmiddels helaas verkocht), evenals nog meer propagandistische uitgaven van zowel BRD- als DDR-zijde.


De laatst overgebleven leugenachtige gotspe is de alom gehanteerde melding over
de VAL van de Berlijnse muur. Die muur viel helemaal niet, alsof het een slecht gemetseld bouwwerk ware van door Vopo’s op elkaar gepleurde betonblokken die bij het minste of geringste zuchtje Westenwind wel omver zouden donderen. Die muur werd, zie de tv-beelden, door boze of enthousiaste of op wat dan ook beluste sterke mensen moedwillig en hardhandig omvergehakt. Dat noemen we niet vallen, maar botweg vernielen. Het enige wat er viel, was het doek. Kijk voor verdere berichtgeving en de gevolgen maar naar Good bye, Lenin!
(2003).

Maar goed, laat ik mezelf niet te veel afleiden; ik had het over anti-Duitse sentimenten en hoe die bij mij geworteld waren. Immers, ik kreeg niet lang na 1974, eenmaal in Venray en Eindhoven woonachtig, waar ARD, ZDF en WDR3 op de kabel zaten, in de gaten dat er in Duitsland iets was veranderd. Het meeste frappeerde mij de ZDF-serie Das kleine Fernsehspiel, waar verrekt goede films werden vertoond. En vanaf toen zette ik mijn anti-sentimenten stukje bij beetje om in belangstelling en ben ik inmiddels op het punt gekomen dat ik vind dat alle rottigheid van Duitsland van 1870 tot nu eigenlijk hún probleem is en moet blijven – niet het mijne. Dus kijk ik met grote verwondering, en ook wel een beetje bewondering, naar die oude films van Riefenstahl. Wat stellen wij Nederlanders daar tegenover? Niets, gelukkig. En met grote bewondering, en ook wel een beetje verwondering, naar Heimat. Wat stellen wij Nederlanders daar tegenover? Haanstra-producties als Alleman en Fanfare?

In deze weblog ga ik een aantal films bespreken vanuit mijn visie. Niet alleen Duitse; Italië, Spanje en Portugal zullen ook vertegenwoordigd worden. Maar in eerste instantie zet ik in op Europa Europa (Agnieszka Holland, 1990) en Führer Ex (Winfried Bonengel, 2002). Dan kan ik voorlopig wel even voldoende stoom afblazen en proberen boven tafel te krijgen über was het eigenlijk gaat in Duitsland.