7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7

Het wordt in dit zevende en laatste Sacramantsbericht tijd voor de finale afrekening. Niet zo zalvend als het Heilig Oliesel, maar meer een balans met zware gewichten “ter rechter en ter luchter side”. Uiterst subjectief, zoals alles van mij in deze weblog. Zoals het in mijn hoofd zit. Zoals het hoort.

Laat ik maar weer positief beginnen: ik heb het St.-Ignatiuscollege tussen 1959 en 1966 ervaren als een zeer goede school, misschien wel een van de beste van Nederland. Ik heb er uitermate veel geleerd, niet alleen in de achttien vakken die mij werden onderwezen, maar ook van de vormende, geestelijke ontwikkeling die ons werd bijgebracht, zo niet ingeslepen, en de vele mogelijkheden om je ook buitenschools te bekwamen en verrijken, variërend van liturgische muziek tot ordinair voetbal. Ik heb er een aantal zeer goede contacten aan overgehouden, zowel met (ex-)docenten als met (ex-)klasgenoten. Het IG heeft voor vele procenten de mens gemaakt die ik daarna bleek te zijn en nog ben.

Dat niet alles daarvan positief te noemen is, wil ik met nadruk in eerste instantie op het bord leggen van mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik kan niet zo veel IG-invloeden noemen waarvan valt te beweren dat ze mij hebben misvormd.

Hieronder zal ik, in navolging eigenlijk van wat ik op de weblog van Jos Heitmann aantrof, een aantal van mijn ex-docenten en enkele andere paters aan een eindoordeel onderwerpen. Ik wijk daarbij wat af van zijn inhoud en werkwijze: hij zat op de HBS en had dus met veel anderen te maken dan ik, maar bovendien is hij over het algemeen voortdurend gematigd tot zeer positief. Ik betoon mij veel zwart-witter, want zo ben ik. Voor sommige besprokenen geldt dan ook, dat (om maar eens een gruwelijke stijlfout te hanteren) als ze nog leefden, zij zich zouden omdraaien in hun graf. Leg er je eigen oordeel maar naast, het mijne zal er niet wezenlijk door veranderen.

Ik heb me beperkt tot een achttiental personen. Er liepen er natuurlijk veel meer rond, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die voor mij terecht zijn gekomen in een grote, grijze middenmoot; prima docenten ongetwijfeld, maar in mijn geval niet imposant genoeg, en zij brengen mij ook geen smeuïge details in herinnering die ik jullie niet zou willen onthouden. Een enkeling komt bovendien al aan de orde in eerdere Sacramentsberichten. Ik noem er een aantal op als voorbeeld:

Wim Bennink S.J. (Nederlands)(Den Haag 1920-Nijmegen 2000)
Jan Brinkhoff S.J. (Duits)(Nijmegen1912-Nijmegen 1996)
Paul Dresen S.J. (Maastricht 1919-Nijmegen 1991)
Nol Janssen S.J. (Nederlands)(Weert 1924-Helmond 2009), uitgetreden 1966
Wim van der Lee S.J. (biologie)(Amsterdam 1925-Nijmegen 2014)
Dionysius (Nies) vanLier S.J. (geb. Roggel 1925), woont nog in Heythuysen
Jan Mooijman S.J. (Engels)(Stompwijk 1915-Nijmegen 2003)
Huub Oosterhuis S.J. (geb. Amsterdam 1933), uitgetreden 1969, woont nog in Amsterdam
Kees Wessels S.J. (Helmond 1880-Maastricht 1964)
Ton Wiewel S.J. (natuurkunde)(Amsterdam 1925-Nijmegen 1997)
Hans Wilting S.J. (geb. Pengkalan Brandan, Indonesia 1932), woont nog in Nijmegen

Maar voor ik aan die eindlijst begin, nog eerst even twee andere memorabilia.

Het eerste is de onuitwisbare herinnering aan het misdienaar zijn op het IG. Je moest, of mocht, of kon, bij toerbeurt misdienaar zijn bij een van de vele missen die er uiteraard dagelijks werden gelezen. Dan moest je wel eerder op school zijn, maar daar stond vaak wat tegenover, zo niet diezelfde dag, dan ongetwijfeld in het hiernamaals. Voor mij was het echter niet de vrome bijgedachte die mij in de superplie deed glijden. Wat mij bijstaat, was dat het een voortdurende competitie met de anderen was, wie er het eerste klaar was met de mis. Waarschijnlijk waren het nog niet gewijde paters die dagelijks bepaalden wie bij wie moest dienen, waarna zij met een zak vol tennisballen op de cour moesten gaan surveilleren. Alleen eersteklassers mochten met een tennisbal op het geasfalteerde middenterrein ballen, de grote jongens mochten alleen mediterende rondjes lopen rond de cour, en zulks uitsluitend linksom, net als op de atletiekbaan of bij het langebaanschaatsen. De dictatuur van de rechtshandigen dus.
Die misdienaarsbeurten werden volgens mij wel eerlijk verdeeld, zodat je niet dag na dag de klos was. Een beetje mis duurde tegen de 25 minuten. Had je geluk, bijvoorbeeld bij Zaat of Lorié, dan was je in een kwartier klaar. Ooit heb ik een record van 13 minuten geklokt. Had je pech, dan werd je verbannen naar boven in het patershuis om pater Wessels van dienst te zijn, die er standaard meer dan 35 minuten voor nodig had. Slaapverwekkend.
Ik herinner mij nog goed de triomfantelijke blik waarmee je, komend van een van de zijaltaren van die geweldig mooie kapel, hierboven met koor en orkest, oogcontact zocht met de zich verbijtende klasgenoot die op een van de andere altaren nog bezig was de consecratie met een rinkelbelletje aan te kondigen voor een niet aanwezig publiek. Had je hem even mooi met 5 à 7 minuten verslagen die dag!
En dan verder: als het even meezat, in de sacristie wachten tot de anderen weg zijn en dan gauw een stuk of 10 van die kleine hosties in je mond proppen. Niet van die tegenwoordige dikke volkorenhosties, maar die lekkere ouwe witte van ouwel. Had je veel geluk en lef, dan deed je het met een of twee van die grote hosties, maar die waren er niet zoveel voorhanden. De ampullen leegdrinken, vooral die met miswijn, was tamelijk riskant, want dat zouden ze wellicht gaan ruiken in de eerste les.

Heilige, veilige haven
Het tweede memorabilium is een vandaag de dag onontkoombare.

In ’n Eeuw IG (1995) staat op blz. 13 een citaat van Midas Dekker: “Jezuïeten staan erom bekend heel goed op het randje te kunnen manoeuvreren… Zij gingen bij mijn weten dus nooit over de schreef, in tegenstelling tot de paters franciscanen, waar we iedere zondag naar de mis gingen en die hun handen níet konden thuis houden…”. Ik vind het oneerlijk om nu de franciscanen alle schuld in de schoenen te schuiven. Waarom niet dan ook de Salesianen, of gewone seculieren, of voor mijn part bisschop Gijsen? Erger nog is dat het niet aannemelijk is dat Dekker gelijk heeft. Zelfs de eenvoudigste wetten der kansberekening wijzen uit dat als het rapport van de commissie-Deetman op zo grote schaal overal in Nederland poelen des verderfs heeft geboekstaafd (en in Vlaanderen kan een soortgelijk verhaal worden volgehouden), dat het dan uitgerekend de Jezuïetenscholen zouden zijn geweest waar in de tweede helft van de 20e eeuw helemaal niks gebeurde, met aan de blanke top der zuiverheid het Sint-Ignatiuscollege te Amsterdam als de Enige Echte Veilige Heilige Haven des Lands. Het is tè argeloos, zo niet naïef je aan die illusie te blijven laven.

Waarom staat er dan niks over het IG? Simpel: onze cultuur zorgt er niet alleen voor dat bepaalde spannende dingen alleen in het duister en in afzondering dienen plaats te vinden, maar tevens dat het niet well done is dat later nog eens uitgebreid aan de grote klok te hangen. Schaamte dus, vermoedelijk ontstaan uit een (opgedrongen) gevoel van mogelijke medeplichtigheid en zondigheid. Als je openlijk verklaart dat je aan je hebt laten zitten of zoiets, word je mogelijk maatschappelijk net zo gewantrouwd als al die verkrachte vrouwen die immers toch ook duidelijk aanleiding hebben gegeven tot. Had je toen maar niet zo jong en zo mooi moeten wezen, dan was hij wel van je afgebleven.

Het is niet alleen niet aannemelijk dat Midas Dekker ongelijk had, het is gewoonweg ook niet waar. Alleen moet je dan helaas dit hele artikel tot de bodem toe doorlezen om het bewijs ervoor te vinden. Sorry, maar ik zal het nu alvast van commentaar voorzien.

Eerlijk gezegd kijk ik er een beetje tweeslachtig tegenaan. Wat mij rond 1965 is overkomen vond ik op zich helemaal niet zo erg. Ik was oud genoeg (18 of zo) om te weigeren of me eraan te onttrekken. Het was niet zo dat ik meeging in de avances om een beter punt te krijgen of om juist te voorkomen dat ik bij weigering een slechter punt zou krijgen. Zo was hij niet. Eerder voelde ik me wel gevleid door deze vorm van aandacht die voor mij geheel nieuw was. Maar met die insteek kon ik moeilijk bij Deetman aankloppen.

Vrij recente gesprekken met oud-klasgenoten leverden een boeiend scala van reacties op, variërend van “Heel schokkend dat zoiets op het IG heeft plaatsgevonden”, via “Laten we van de doden de goede dingen onthouden en de slechte vergeten” tot “Ach gut, de ouwe snoeperd!”. Daarmee schoot ik dus ook niet zo veel op. Het zijn uiteindelijk twee overwegingen geweest die mij hebben doen besluiten een melding bij de commissie-Deetman in te dienen. Uit die melding heb ik hele passages geciteerd hier verderop onder de letter Z. Niet een klacht dus; de man is dood en een zak met geld hoef ik niet. En als ik hem met e.e.a. een plezier heb gedaan, dan zij hem dat van harte gegund. Wat dan wel?

De eerste is deze: bij een affaire als de onderhavige is niet alleen een persoonlijk belang gediend, maar ook een publiek belang. Daarmee bedoelde degene die mij deze fraaie formulering influisterde dat het niet alleen zo is dat ik er persoonlijk in eniger mate last van heb kunnen gaan krijgen, maar eerder dat het niet verborgen mag blijven dat ook in die veilige, heilige haven van het IG wel eens een deurtje op slot, gordijntje dicht, snaveltje toe en gulpje open ging. Ik vind dat een legitiem argument om een melding te doen.

De tweede is een direct uitvloeisel van het alom gepredikte non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Ik heb in de bewuste fase onbewust, onwillekeurig, ongewild een attitude aangeleerd gekregen, dat er weliswaar geschreven en ongeschreven regels bestaan, normen en wetten, maar dat het heel simpel mogelijk en uitvoerbaar is die ten eigen gerieve te omzeilen. En dat heeft bij mij niet goed uitgepakt, vind ik nu. Het is iets anders dan door oranje rijden of 60 waar maar 50 mag.

De commissie-Deetman heeft de Orde op de hoogte gebracht. Ik heb de schriftelijke excuses van pater Provinciaal ontvangen. Sterker nog, ik heb een jaar geleden een heel prettig en lang gesprek met hem gehad in Den Haag. Daarin verklaarde hij overigens dat dit de eerste melding vanuit het IG was, en dat er vanuit alle andere Nederlandse Jezuïetenscholen ook geen klachten of meldingen waren ontvangen, behoudens een aantal uit Canisius (Nijmegen), die al met al op één persoon blijken te zijn terug te voeren.

Ik handhaaf mijn argwaan die ik hierboven uitsprak op grond van de wetten der kansberekening. Ik geloof er geen barst van dat ik in 100 jaar IG de enig uitverkorene geweest zou zijn die dit heeft mogen ervaren. Maar daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd.

 

Dramatis personæ (in alfabetische volgorde)

Pater Jan-Maarten BREMER S.J. (Wijk bij Duurstede 1932), uitgetreden 1964
De enige pater die in onze beperkte optiek nou eens niet 70 of 80 was. Klopt ook, want toen wij hem in 1960 voor Latijn kregen, was hij 28. Dat hij, zoals Jezuïeten betaamt, uitermate intellectueel was, viel ons in eerste instantie nog niet zo zeer op. Hij doceerde ons, net als heer Bos die ik het jaar daarvoor had gehad, keurig netjes het hele Tirocinium Latinum, van rosa rosæ rosæ rosam rosa tot en met fero – tuli – latus. Bos was uit een ander hout gesneden, by the way. Van een degelijke oude stempel. Een van de zeer weinigen die plat Amsterdams praatte, bovendien. Befaamd is zijn gevleugelde oneliner: “Je èètsproak is fnèèkent foor je èndeksoame”.
Jan-Maarten Bremer ging anders met zijn vak om. Die kreeg het georganiseerd dat wij klassikaal bij ons thuis in de Lomanstraat tussen de schuifdeuren in het Latijn een opvoering gaven van Plautus’ komedie De Menæchmi. Dat hij na zijn uittreden in 1964 academisch verder ging met een promotie in 1969, gevolgd door een hoogleraarschap aan de UvA was ons (en hem) toen uiteraard nog niet bekend. Wel is blijven hangen dat het altijd een plezier was om met hem samen in één klaslokaal te vertoeven.

Pater Herman BRUSEKER S.J. (Amsterdam 1924-Amsterdam 2003)
Voor ons Pater Prefect, alias Pater Pens. Vanaf de cour de trappen van het bordes op, patershuis in en dan eerste deur rechts om een strafbriefje te halen of om andere praktische niet-vakgebonden zaken te regelen. Een uiterst joviaal man die wel met iedereen goed leek te kunnen opschieten. Zie mijn voorbeeld bij de letter R van Reijnders hieronder. Een meester in conflictbeheersing en voor iedereen aanvaardbare, creatieve oplossingen. Zijn populariteit werd nog aanmerkelijk vergroot in de periode van de verbouwing (1964-1965) toen de oude gymzaal was afgebroken en wij voor gymnastiek naar de Rozengracht moesten, ik meen in het Roothaanhuis. Niet zelden was hij daar dan ook om met ons als vijfdeklassers mee te gymmen.

Dhr.Ted DE CLOET (Rotterdam 1913-Amsterdam 1982)
Even vooraf: het is echt DE CLOET en niet DE CLOETH zoals in diverse bronnen abusievelijk wordt vermeld. Dus zonder H, gewoon de arme tak. Zie zijn stamboom.
Er zijn twee soorten mensen: degenen die hem enorm mochten, en degenen die hem vreselijk vonden. Ik geloof dat het van hem uit ook zo was gesteld. Ik heb nooit een andere leraar Engels gehad dan hem, dus op dat punt kan ik geen vergelijking maken, maar wel weet ik dat ik altijd erg met hem wegliep. Dat is eigenlijk vreemd, want op bijna alle punten des levens was ik het van harte met hem oneens. Zijn conservatieve inslag, zijn houding t.a.v. volkstaalliturgie e.d. botste voortdurend met mijn visie, maar er heeft al die jaren kennelijk een soort niet-aanvalsverdrag tussen hem en mij bestaan.
Hij beschikte over een niet onaanzienlijke dosis humor, maar ook daarover zijn de meningen weer erg verdeeld: sommigen konden er kostelijk van genieten, anderen vonden het geprogrammeerde, ingestudeerde grapjes voor de Bühne waar hoofdzakelijk hijzelf het hardste om moest lachen. Zoiets wat ik zelf sterk voel bij Paul de Leeuw en vooral Jörgen Raymann.
Bij Ted de Cloet viel het muntje voor mij toch de andere kant op. Zo kon ik het erg waarderen dat hij ook actief was als violist, pianist en organist (dat laatste overigens ook in de Engelse Hervormde Kerk op het Begijnhof) in het schoolorkest, waarmee het schoolkoor zo vaak samenwerkte.
Eveneens was ik uitermate gecharmeerd van zijn presentatie van
Winnie-the-Pooh, de psychologie van het boek, de humor, het fraaie taalgebruik. Zo sterk zelfs, dat ik het boek in diverse talen ben gaan verzamelen en lezen, bijvoorbeeld in het Latijn (Winnie ille Pu) en in het Tsjechisch (Medvídek Pú), welke titel ik op de literatuurlijst van mijn mondeling bijvakexamen Tsjechisch heb weten te plaatsen.
Oorzaak en gevolg van onze goed werkende verstandhouding was natuurlijk ook de fietstocht door Engeland in 1964, waarbij De Cloet ons enthousiast en zinvol heeft ondersteund. En last but not least, hij was de enige der docenten die bij de diploma-uitreiking in 1966 naar mij toe kwam om over het resultaat (en de verbazingwekkende 5 voor Engels!) met mij nog even door te praten.

Dhr. Piet FONTAINE (1921-2012)
Over de doden niets dan goeds. Dat moeten de journalisten van De Volkskrant en de NRC hebben gedacht toen ze in september 2012 een necrologie over hem publiceerden. Veel interessanter, want veel genuanceerder en beter onderbouwd, was de bespiegeling in de weblog van Huub Mous, al ben ik van mening dat je niet, zoals Huub doet, alle Jezuïeten uit die tijd over één kam mag scheren. Ook binnen die kring viel namelijk zo af en toe een scherpe tweedeling te bespeuren.
Fontaine was wel iemand die met grote overtuigingskracht, soms zelfs wat verongelijkt, zijn historische opvattingen aan de man wist te brengen. Voortdurend straalde hij klasse uit, maar had moeite met tegenspraak. Zijn (in De Volkskrant zo bejubelde) leermethode Van oermens tot wereldburger -wij kregen al die jaren geen enkel ander boek onder ogen, dus misten wij elke referentie naar alternatieven- werd door mij al vrij vroeg verafschuwd. Niet om zijn filosofische, of noem het spirituele, dualistische insteek, maar omdat de inhoud van de leergang zo onbeschaamd indoctrinerend was. Al vanaf de tweede klas weigerde ik daar in te trappen. Ik heb de boeken niet meer. In een grimmige bui van mij zijn ze bij het oud papier beland, dus ik kan er nu niet meer uit citeren. Maar mijn herinnering is nog vrij levend. Zolang het over de Babyloniërs of Farao’s ging, kon ik geen weerwoord bieden, maar vanaf het heidense Romeinse Rijk ging bij Fontaine de deksel van de beerput. Katholicisme en anti-communisme waren de peilers die in elk volgend deel in beton waren gegoten.

Nu trof het dat ik op een Jezuïetenschool zat (dus toch weer die Jezuïeten, Huub) die onder meer erop hamerden dat je je gelijk moest halen uit eigen bevindingen, eigen analyse en goed geformuleerde conclusies. Zo liet pater Dionysius (Nies) van Lier S.J. mij in IV-Gym een werkstuk schrijven over Kerk, Communisme en Wereldvrede, waarin ik mijn standpunten voor of tegen scherp op papier moest zien te krijgen. Het vervelende (voor Fontaine) was dat ik het communisme hoger aansloeg dan de Kerk. De door hem aangedragen schrijfsels van pater Werenfried van Straten over de “pletrol van het communisme” die weldra “Europa zou vermorzelen” beschouwde ik als drogredenen en een bewijs van onmacht en Koude-oorlogsretoriek.
Een jaar later schreef ik bij Nederlands, voor pater Merx (hé, alweer een Jezuïet) een opstel onder de titel “verwachting”. Zonder hoofdletters en in de voor die tijd gebruikelijke spelling -dat mocht van Merx-, waarin ik konsekwent het woord god had vervangen door goed. Links boven stond, zoals bij al onze schriftelijke producties “A.M.D.G.” met daaronder de datum, i.c. 24.3.1965. Rechts boven mijn naam en de klas. Enkele citaten: “Op school leert de mens de tegenpolen kennen van vrede en welvaart”; en over de mens die eindelijk van school af is en dan voor twee jaar met een geweer het veld wordt ingestuurd: “hij sukkelt maar door tot zijn dood, het summum van rust, misschien wel het summum van vrede. Maar is dat de zin van het leven?”; en, over het merendeel van de bevolking: “moeten zij zich maar troosten met de verwachting van het komende rijk?”. Ik kreeg een 8 voor dit opstel, vanwege twee vermeende stijlfouten, hetgeen ik vermag te betwisten.
Maar hoe het gebeurde, weet ik niet, dit opstel kwam Fontaine ter oge en de rapen waren gaar. Subiet werd ik ontboden te zijnen huize. Ergens in Nieuw-West, ik fiets er nu niet meer blindelings naar toe. En ik moest zowat regel voor regel uitleggen wat ik er mee bedoelde en waar ik dat allemaal vandaan had gehaald. En als klap op de vuurpijl kwam de slotvraag of ik eigenlijk überhaupt nog wel in God geloofde. “Ja, maar ik geloof op mijn manier”, gaf ik toen als dubbelzinnig antwoord.
Gelukkig was geschiedenis geen eindexamenvak en het opstel is me bij Nederlands op mijn eindexamen nog goed van pas gekomen; even doorscrollen tot de letter M van Merx.
Knappe man, die Fontaine, maar mij een beetje te eenkennig.

Pater Jan HIRS S.J. (Zandvoort 1913), uitgetreden 1977
Ik herinner mij hem als een degelijke, serieuze godsdienstleraar (mijn eerste eerste klas), waar niet mee te sollen viel, maar die altijd vriendelijk en soms zelfs humoristisch overkwam. Wel een beetje van bovenaf. Een aantal malen is hij bij ons thuis geweest om samen met Jan van Kilsdonk als partner te bridgen met mijn ouders, iets wat na mijn zittenblijven wel zal zijn bekoeld, schat ik zo.
Dat ik hem hier in beeld breng, heeft echter te maken met een detail dat verre van onbenullig bleek te zijn; het trof mij als een bliksemschicht in mijn vroegrijpe kijk op lichamelijkheid. Ik herinner mij nog goed die les waarin hij aandacht besteedde aan het verschil dat er bestaat tussen de religieuze en de historische waarde van de bijbel. Hij adstrueerde dat met voorbeelden als van het scheppingsverhaal, dat fysisch gezien natuurlijk nooit in zeven dagen kon zijn voltooid, maar de getallensymboliek en Gods almacht mochten het desondanks wel zo verwoorden. Had hij het daar nou maar bij gelaten, maar hij kwam nog met een ander voorbeeld: alle ons bekende bestaande afbeeldingen van Christus aan het kruis ten spijt beweerde hij dat het historisch gezien waarschijnlijk was dat de Zoon van God spiernaakt aan het kruis had gehangen. Op dat moment gingen bij mij alle zwaailichten op 78 toeren tollen. Net in een periode waarin mijn adrenaline, tegen alle geschreven en ongeschreven verboden in, zich onbeheersbaar en hardvochtig en met toenemend repeterend succes een weg poogde te banen naar mijn voor-uitgang, kreeg ik opeens, nota bene tijdens godsdienstles, het beeld voorgeschoteld dat mijn voorgeschreven R.K.-Idool, weerloos en wijdarms vastgenageld aan een houten kruis, in de Golgotha-etalage te bezichtigen zou zijn geweest in zijn blote piem.
Hirs had dat vast niet zo bedoeld. Hij had het overigens ook niet zelf bedacht, heb ik pas veel later ontdekt toen er eenmaal internet en Google bestonden, want hij stond op de schouders van bijvoorbeeld ene Michelangelo die dat in 1493 ook al had laten aanschouwen. En voor hem ook al Donatello (1460) en Michelozzo (1440) om er maar een paar te noemen. Maar Hirs wist dat, en had dat, zonder plaatjes, speciaal voor ons gegoogled. En het verhaal kunnen we dan ook nog wel even rondmaken: nu pas enkele jaren geleden liet beeldhouwer Marcel Joosen een aantal kleine, heel erg blote Christusjes in brons gieten, waarvan er prompt enkele werden verkocht aan… een pater Jezuïet die ze als relatiegeschenk aan vrienden wilde geven.

Bij mij braken tijdens die godsdienstles een aantal remleidingen. Gedekt, nee, liever geruggesteund door een serieuze pater, besefte ik dat zelfs de Groten der Aarde Naakten zijn. En wij die Hen moeten volgen, wat zouden wij meer of minder zijn dan zulk een ontwapenend, onbedekt vel? Ik betrok dat in een flits op mezelf. Telkens als ik thuis weer alles moest uittrekken om helemaal bloot een pak slaag in ontvangst te mogen nemen, of als ik in identiek costuum bad zat, of in bed lag, dan wist ik: zo zag X-tus er dus normaal gesproken ook uit. Wat mooi. Wat geweldig. Ik werd er bijna vroom van. En vanaf dat moment was ik van mening dat ieder mens recht heeft op zijn eigen naaktheid, waarbij ik meer dan eens in botsing kwam met het besef dat die dan wel het voorwerp diende te zijn van je ultieme zeggenschap.
Niet dat ik er beter van ben geworden; de maatschappij hanteert kennelijk andere normen, enkele excentrieke kunstenaars daargelaten. Het werd voor mij dus een lang gevecht tussen natuurlijke vrijheid, “normaal fatsoen” en afgedwongen oneer. Met ook een wel verrassende wending, maar we zijn nog niet bij de letter Z aanbeland.

Misschien is uit dit alles ook wel te verklaren dat ik aan de films van Pasolini verslingerd ben geraakt. En aan De Sade. En aan de Heilige Sebastiaan. Met dank aan pater Hirs.

Pater Bernard HUIJBERS S.J. (Rotterdam 1922-Espeilhac 2003), uitgetreden 1974
De naam is in heel wat Sacramentsberichten van deze weblog al gevallen. Niet voor niets. Ik denk dat van alle mensen die ik in mijn IG-tijd ben gaan leren kennen hij degene is aan wie ik het meeste heb te danken, te beginnen met de stemtest toen ik voor het eerst door het groene poortje was geslopen, tot vlak voor zijn dood bij hem op bezoek in Espeilhac (aan de ene kant van het dorp staat een bordje Espeillac, aan de andere kant heet het Espeilhac). Het was een optelsom van feiten en ontwikkelingen. De muzieklessen (klas 1, 2 en 4) vond ik heerlijk en leverden mij ook constant negens en tienen op het rapport op. Dat Orff-instrumentarium was mij een zegen; in de tweede klas moesten wij daarop de Bolero van Ravel in Klavarskribo spelen, en ik kreeg zowaar de zo cruciale partij van de kleine trom toebedeeld. In de vierde ging het meer om muziektheorie en compositieleer, uiterst nuttig voor je begrip van klassieke muziek. En dan was er natuurlijk door al die jaren heen, en nog lang daarna, het koor, de ontsnapping naar het Huis van Bewaring, de dirigentencursus, waarover ik in het zesde Sacramentsbericht uitvoerig heb gesproken. Sinds zijn verterk naar Zuid-Frankrijk heb ik hem daar nog een aantal malen bezocht en altijd bleef die goede verstandhouding, bijna een vader-zoonrelatie, waarin ik met mijn leergierigheid veel van mijn muzikale behoeften bevredigd kon zien.
Lange tijd heb ik gedacht dat de wereld zou instorten, althans de volkstaalliturgie, als hij zou komen te overlijden. Maar gelukkig heeft hij voldoende gezaaid om tal van vruchten levend te laten doorwerken.
Neemt niet weg dat ik hem erg mis.

Pater Jan VAN KILSDONK S.J. (Zeeland 1917-Amsterdam 2008)
“Ik ben geboren in het dorpje Zeeland”, sprak hij vele malen met die kenmerkende, sonore stem.
Les heb ik nooit van hem gehad, maar ik was wel met hem verbonden al die tijd. Voor zeer vele Amsterdammers, voor het IG, voor de hele Jezuïetenorde was hij een monument dat nauwelijks verdere introductie behoeft. Onverslijtbaar, onvermoeibaar (lange tijd dacht ik ook: onsterfelijk) met een fabelachtig geheugen. Had je hem 20 jaar niet ontmoet of gesproken, dan nog wist hij feilloos zich de namen van mijn broer en zussen te noemen. Hij was er mede de aanstichter van, ik geloof samen met Huub Oosterhuis, dat mijn broer Piet na zijn eindexamen in 1959 en een paar maanden studie aan de UvA besloot in te treden in de orde, zulks zeer tegen de wens van mijn vader, die weinig heil zag in een vage, celibataire en quasi-intellectuele toekomst van zijn oudste zoon, maar daarentegen liever gewoon een stamhouder uit hem zag groeien. Dat ben ik dan uiteindelijk geworden, met hangen en wurgen.

In zeker jaar werd De Kils mijn biechtvader. Dat had je toen nog. Op zijn kamer in de Pieter de Hoochstraat, bezijden het IG, zaten we dan op twee lullige stoeltjes tegenover elkaar, hij om functionele redenen met een paarse stola om zijn nek, en ik mij suf piekerend wat ik nou weer moest verzinnen aan stouts. Als ik dan, na de suikerpot en door rood fietsen, bij de climax was beland en ruiterlijk bekende dat ik weer eens x-maal per dag aan mezelf zat, hield hij de ogen gesloten en lachte hij minzaam. Meer dan wat Weesgegroetjes had hij niet als reactie. Tot het hem op een dag de keel begon uit te hangen en hij mij ronduit vroeg of ik niks beters kon verzinnen. Met jezelf bezig zijn was immers heel gezond en nodig om je voor te bereiden op een gelukkig leven.
Sindsdien heb ik nooit meer gebiecht. Ik had wel wat beters te doen.

Dhr. Ben KORSTJENS (Haarlem 1927-Amsterdam 2014)
Klassicus met een aan lompigheid grenzende nonchalance. Het zou best wel eens kunnen dat hij goed les gaf. Hoe beoordeel je dat op die leeftijd? Maar wat blijft hangen is die ene les in II-Gym toen ik weer eens zat te kloten en hij me zonder enige gele kaart vooraf toeblafte: “3x bladzij 24 en 25 vanEllhmikh Glotta overschrijven voor volgende les”. Ik nog protesteren ook, want ik had niks misdaan, vond ik. “6x bladzij 24 en 25”, was zijn koele reactie. Gemummel in de klas, die het kennelijk ook wel wat grof vond. En toen ik zelfs het lef had om ook daartegen in beroep te gaan: “9x bladzij 24 en 25”. Ik heb dat die avond thuis opgelost met carbonpapier, waardoor ik het per saldo toch maar 3x hoefde uit te schrijven. En zoals te verwachten viel, gooide hij het werk ongelezen in de prullenbak nog voor ik het goed en wel had ingeleverd. Zo lomp was hij inderdaad. Mooi zo.
Later kwam ik hem weer eens tegen, toen ik anderhalf jaar als invaldocent wat uren Nederlands op het IG gaf. Nu dus als collega. Hij vroeg of hij mijn Gotisches Elementarbuch van H. Hempel een tijdje mocht lenen. Ik had kort tevoren op de UvA mijn verplicht bijvak Gotisch net afgerond, dus dat was geen probleem. Tot op de dag van vandaag heb ik het boek nimmer teruggezien. Daarmee is hij voor mij echt door het ijs gezakt. En ditmaal definitief.

Pater Louis LORIÉ S.J. (Den Haag 1916-Groesbeek 1997)
Het boek ’n Eeuw IG leunt nogal sterk op deze klassicus die zo lang aan het IG was verbonden. Het begint al meteen op blz. 7 en siepelt door alle hoofdstukken heen tot hij achteraan op blz. 143 wordt bedankt. Misschien was hij een der Mohikanen die nog niet dood was, over een nog zeer geslepen geheugen beschikte en gaarne tot medewerking bereid was. Misschien ook liepen de auteurs van het boek erg met hem weg. Ik weet het niet.
De man is te waarderen om zijn eruditie en fabelachtige kennis van de klassieke wereld en de kerkgeschiedenis die hij met grote stelligheid en drang aan ons openbaarde, zij het onder Latijn of Grieks, zij het onder godsdienstlessen.
Maar bovenal is hij te herinneren als een man met een uitermate grote dosis onvoorspelbare humor, absurdistisch tot op het morbide af, die hij met zijn snerpende stem over ons heen stortte. Daar zou ik op zich ook nog wel waardering voor kunnen opbrengen, ware het niet dat telkenmale bleek dat hij anderen, bijna altijd dus leerlingen voor hem in de klas, tot mikpunt en slachtoffer van zijn eigen idioterieën maakte. Daardoor riep hij elke keer angsten op, nog voordat hij ook maar één woord had gesproken. Voor je het wist, ging jíj er immers aan deze les.
Mij overkwam dat in de vijfde, zoals ik in een ander Sacramentsbericht al uit de doeken heb gedaan. Noem mij maar rancuneus, maar weet dat ik in mijn hele IG-tijd niemand meer als deze man zo hartgrondig heb gehaat.

Pater Ad MERX S.J. (Nijmegen 1920-Nijmegen 2005)
Erudiet, innemend en sympathiek, ook al ken ik ook wel signalen dat hij minder positief werd beoordeeld: als te afstandelijk bijvoorbeeld. Dat speelde bij mij allerminst, misschien wel omdat hij Nederlands doceerde en dat nou net voor mij het vak bij uitstek was – al heel vroeg in mijn IG-tijd. De enige keer dat hij mij in negatieve zin heeft verbaasd, was tijdens een ontleedles in II-Gym toen ik hem vroeg hoe je eigenlijk de zin “Laat hem dat maar doen” redekundig moest ontleden. Hij dacht even na, en zei toen: “Ik weet het niet”. Ik zou over die zin wel een apart artikeltje kunnen schrijven, maar dat laat ik voorlopig maar even achterwege. In ieder geval ken ik intussen het antwoord.
Ik kwam hem weer tegen als docent Nederlands in V- en VI-Gym. Nog steeds werd hij voor mij gekermerkt door de gunstige eigenschappen waarmee ik dit hoofdstukje begon. Ik herinner me alleen geen voorbeelden meer om dat te staven. Het enige wat ik wel weet: op mijn eindexamen-cijferlijst prijken drie achten voor Nederlands. Ik schrijf die voor een deel aan hem toe, want een docent kan de prestaties van een leerling sterk beïnvloeden, twee kanten op. En dan nog iets: nadat ik in januari van mijn eindexamenjaar had besloten dat de KMA echt niks voor mij was, wist ik één ding zeker: als een man als Merx neerlandicus is, wil ik ook neerlandicus worden. En zo is het gekomen.

Bij het Schriftelijk Eindexamen der Gymnasia in 1966, vrijdag 29 april 13.30-16.00 uur Nederlands (Opstel) deed zich een saillant detail voor. Zoals gebruikelijk kregen we 8 titels voorgeschoteld. De nummers 2 t/m 8 daarvan met een vast omschreven titel, de eerste echter met de opdracht “Schrijf onder een zelfgekozen titel een beschouwing naar aanleiding van bovenstaand citaat”. En dat citaat was een gedeelte uit de Troonrede van koningin Juliana, september 1965, beginnend met: “Wij moeten vaststellen dat vele landen steeds verder in welvaart bij ons achterblijven…”. Weliswaar was ik al sinds enige jaren overtuigd republikein, maar ditmaal zag ik mijn kans schoon om het inkoppertje van die dame uit Soestdijk met een flitsgoal te verzilveren. Mede dankzij de voorbereiding op mijn verdediging van mijn vijfdeklasopstel in huize Fontaine kende ik de tekst van dat opstel nog steeds compleet uit mijn hoofd. Het sloot naadloos aan op gemeld citaat. Ik schreef dus, eerst in klad, toen in net, hetzelfde verhaal neer als een jaar tevoren, de twee vermeende stijlfouten inkluis. En Merx zou geen Jezuïet zijn als hij me niet consequent weer met een 8 beloonde.
Als eerste van de klas stond ik weer op straat.

Pater Kees MINDEROP S.J. (Rotterdam 1888-Nijmegen 1970)
Een man van imposante statuur, nog uit de vorige eeuw en niet weg te denken van het IG. Tijdens de wiskundeles stond hij vaak aan de zijkant van de klas, tegen het raam of de verwarming geleund, nagelbijtend van ergernis te staren naar wat wij, na lange aarzeling, allemaal aan onzin op het bord krijtten. Niet zelden vloog er dan een bordenwisser door de klas, want hij kon het niet langer aanzien.
Befaamd was ook zijn plastische uitleg over het begrip “congruente driehoeken”, de befaamde propositie IV van Euclides. Je tekende een driehoek, zei hij, en schreef dan op een papiertje de lengte van twee zijden ervan en de grootte van de ingesloten hoek. Dan stencilde je dat papiertje duizenden malen, stapte in een vliegtuig en strooide die papiertjes boven Afrika uit. Alle negertjes die zo’n papiertje vonden, haalden dan hun passertjes uit hun zwembroekjes en tekenden daarmee precies dezelfde driehoek als die van jou. Wij waren volstrekt overtuigd van zijn gelijk door deze mondiale evidentie.
Als eersteklasser zie je dat natuurlijk niet, maar ik denk dat we heel veel van hem hebben geleerd.
Vooral door hun toga’s waren alle paters voor ons minstens 70 jaar oud, maar in zijn geval was dat nog waar ook.

Dhr. A. PELS
Uit Alkmaar. Zoiets onthoud je. Gaf tot en met mijn eindexamen uitstekend wiskundeles. Elders heb ik eens gelezen dat hij zelfs bereid en in staat was zijn vak met oeverloos geduld aan alfa’s uit te leggen. Ik heb dat als ß niet kunnen nagaan. Wat ik met hem deelde, was zijn grote passie voor het spoorwezen. Ik had de indruk dat hij het hele NS-spoorboekje uit z’n hoofd kende en hij genoot zichtbaar als hij ons uitgebreid kon toelichten hoe de NS-dienstregeling wiskundig verantwoord werd ontworpen.
Op mijn mondeling eindexamen stereometrie had hij mij helaas tuk. Het was mijn beste wiskunde-onderdeel waarvoor ik over het hele zesde jaar op een dikke 8 gemiddeld stond. Hij meende mij dus wel iets pittigs te kunnen voorleggen, wetende dat ook vliegtuigen tot mijn grote hobby’s behoorde. Je vliegt van Amsterdam naar New York. Hoe teken je op een aardbol de kortste route?
Ik wist het niet. Ik wist alleen dat de KLM van Amsterdam naar Tokyo vloog over de Noordpool, dus om tijd te winnen begon ik te zeggen dat je natuurlijk niet op een platte, tweedimensionale wereldkaart een rechte lijn van A’dam naar NY moest trekken. Mijn 8 stond nog overeind. Maar het juiste antwoord moest ik hem helaas schuldig blijven. Hij heeft mij toen, ook weer heel geduldig en misschien ook wel om tijd te rekken, uitgelegd dat er door drie punten één en niet meer dan één vlak gaat. En dat het dus logisch was dat je Amsterdam, New York en het middelpunt der aarde als drie punten moest beschouwen waardoorheen je virtueel een vlak projecteerde. De snijlijn van dat vlak met de aardbol was dan de kortste te vliegen route. Ik snapte het meteen helemaal en ik vond mezelf vreselijk stom dat ik dat niet zelf had weten te bedenken. Met een nederige 7 moest ik het toen voor de rest van mijn leven maar doen.

Dhr. Carel REIJNDERS
Alles en iedereen bij elkaar genomen meen ik te mogen stellen dat hij de meest vooruitstrevende docent was die ik in al die jaren heb gehad. Met een vanzelfsprekende, bijna ontwapenende allure koppelde hij de droge geografiestof aan bij de tijd passende opvattingen over natuur en milieu. Dat deed hij thuis, aan de Cornelis Krusemanstraat, ook, getuige de carrière van zijn zoon Lucas.
Dat wij daarop maar matig waren voorbereid blijkt uit zo’n op zich onbelangrijk moment waarop hij uitlegde dat je steentjes in je fietsband maar beter met een mesje eruit kon peuteren om erger te voorkomen. Wij, in onze meer destructieve leeftijd bivakkerend, konden met messen alleen maar fietsbanden lek prikken.
Ik doe hem dan waarschijnlijk ook alleen maar oneer aan door me een voorval te herinneren dat zich zo sterk in mijn geheugen heeft vastgezet:
Reijnders was niet alleen groot van stuk, maar beschikte ook over een bovenmodaal grote neus. Wij zaten in III-Gym, en Jaap en ik zaten meestal naast elkaar helemaal achterin de klas bij het raam. Dat was voor Jaap didactisch gezien niet zo best, want hij kon onmogelijk over al die hoofden voor hem heen kijken en bovendien kon hij van die afstand volgens mij ook niks lezen van wat er op het bord stond, maar de gezelligheid vergoedde veel. Op dien fatalen dag kwam Reijnders de klas binnen met aan zijn neus een pulkje hangend. Een kodok, noemden wij dat thuis, refererend aan het Maleise woord kodok (=kikker). Zo slechtziend was Jaap nou ook weer niet, of hij merkte het op en stootte mij aan. Wij schoten in een volstrekt zinloze, maar niettemin onbedaarlijke lachbui. Toen die niet na vijf seconden over was, vroeg Reijnders ons wat er aan de hand was. Tja, wat moet je dan. Jaap, klein van stuk, edoch reeds goed voorbereid op zijn aanstaande carrière, kon zich met de hem toebedeelde atletische vermogens moeiteloos onder de schoolbanken laten wegglijden, de verdere afhandeling dezer precaire quæstie aan zijn eerste secretaris overlatend. Onopgemerkt kon hij daar zijn proestbui voortzetten. Het was aan mij om tot niets anders te komen dan een ontwijkend “niets; zo maar”. Reijnders echter was behalve vooruitstrevend ook opvallend recht door zee en gesteld op eerlijkheid. Hij stuurde mij de klas uit.
Ik zag het niet zitten om naar de prefect te gaan, zoals voorgeschreven. Wat moest ik dan? Over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en dan stamelend “Tuan besar hidung kodok” opbiechten? Ik ging dus door het groene poortje naar buiten, naar de sigarenboer op de hoek van de Pieter de Hoochstraat en de Ruysdaelstraat, die, slimmerik, sigaretten per stuk verkocht voor 1 cent (of misschien was het toen al 5 cent).
De volgende aardrijkskundeles begon opwindend. Reijnders vroeg mij koeltjes of ik er al achter was gekomen waarom het vorige les zo lollig was. Ik was me van het hele voorval helaas niet meer bewust. Ik kon opnieuw inrukken. De jurist in mij zei dat ik ditmaal niet de klas was uitgestuurd, maar dat mij slechts de toegang tot het klaslokaal was ontzegd, dus hoefde ik niet naar de prefect. Maar toen de komedie zich de daarop volgende les wederom voordeed, en ik er dus weer uit moest, vond ik het welletjes, tevens onhoudbaar. Ik liep over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en vertelde pater Bruseker onomwonden wat de aanleiding en het gevolg van de situatie was. Zijn reactie was ongeveer dezelfde lachbui als die van Jaap en mij. Hij loste de situatie op zijn geheel eigen wijze op. Ik kreeg een strafbriefje, voor de pura pura, en hij zou er in de docentenkamer dan wel voor zorgen dat het conflict de wereld uit werd geholpen, om te beginnen bij Reijnders.
Nooit meer iets over gehoord verder. 

Dhr. Wim SLIJPEN
De vleesgeworden kettingroker (zo leer je van iedereen weer iets anders); hij stak in de klas elke volgende sigaret aan de vorige aan. Chief Whip, meen ik. Of was het Golden Fiction? Stom dat ik dat niet meer weet.
De compromisloze Carillonbespeler. Aan het eind van het eerste jaar kende je de helft of meer van Tervoorts gedichtenbundel uit je hoofd en moest je daaruit ook “voor punt” declameren voor de klas, iets waarin Huub Mous aanmerkelijk beter was dan ik, al laat hij zelf in zijn weblog de eer liever aan Martine Bijl. Ik meen dat Slijpen “De achttien doden” van Jan Campert voor iedereen verplicht stelde; verder mocht je je eigen keuzes maken. Dit feit heeft overigens niks te maken met het feit dat ik hier 18 docenten bespreek.
Groot liefhebber van Velogram, welke ontleedmethode ik bij het schrijven van mijn proefschrift (1997-2003) nog eens grondig tegen het licht heb gehouden en waarvan ik heb geconstateerd dat die een lust voor docenten was vanwege het nakijkgemak, maar voor leerlingen nogal tweeslachtig: de goede leerling leerde er scherp analytisch door denken en ontleden, de wat zwakkere leerling was de klos, want er werd totaal niets uitgelegd wat zijn positie ook maar iets kon verbeteren.
Oprichter en eerste directeur van het Contardo Ferrinicollege in Amsterdam, een avondschool als een soort tweede-kansonderwijs voor mensen die het regulier niet hadden gered, om wat voor reden ook. Dat konden mensen zijn die door de oorlog niet aan hun eindexamen waren toegekomen (zoals ik er later bij de C-cursus in Eindhoven en de MO-opleidingen van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen ook talrijke heb gehad: ofwel vroegtijdig afgebroken door de oorlog, zodat ik wel eens heb meegemaakt dat ik als docent de jongste van de klas was, ofwel vrouwen die kinderen hadden gekregen en dus moesten stoppen met hun opleiding. Eens de kinderen de deur uit, pakten ze hun studie weer op).

Nu we het toch over de oorlog hebben: bijna geen enkele docent op het IG liet daarover ook maar iets los. En ze wisten zo veel. Jammer. Maar zo niet Wim Slijpen. Meer dan eens per jaar, namelijk iedere keer als hij had geconstateerd dat een leerling zijn brood niet opat, maar in de prullenbak deponeerde, vertelde hij roodaangelopen en met trillende stem hoe hij had gezien dat in de oorlogswinter een meneer, een echt heel nette mijnheer in colbert en stropdas, over straat liep, dan een lepel uit zijn binnenzak haalde, en daarmee in vuilnisbakken ging schrapen om er nog iets eetbaars uit te halen. Je schaamde je kapot als je net van thuis weer veel te veel brood had meegekregen met iets erop wat niet lekker was.
Nu nog steeds heb ik moeite met het weggooien van etensresten. Zal ook wel iets met Jappenkampen te maken hebben.

Dhr. L. SWEERTS (Haarlem 1896-Amsterdam 1980)
Naast het feit dat hij, als zovele andere docenten, een uitstekend vakman was, was hij in mijn ogen ook degene met het grootste didactisch vermogen. Altijd met dat aanwijsstokje in de hand wist hij iedereen van de eerste tot de laatste minuut prikkelend te boeien met natuurkundige theorieën (prakticumlokalen voor natuurkunde waren er nog niet – of niet door hem gebruikt), waarvan ik eerlijk moet bekennen dat ze me wat vaag bleven totdat ik later ging ontdekken dat je op de fiets zittend het hele natuurkundeboek aan het berijden bent: versnelling en vertraging, snelheid, gyroscopische werking, koppel, arbeid, vermogen, dynamo, warmte, wrijving, alles zit er in en op en aan een fiets.
Was er een stoel onbezet vanwege een zieke leerling, dan kwam hij quasi verbaasd daar naartoe lopen, tikte met het stokje op het tafeltje en vroeg ons bezorgd en tragi-komisch: “Sede vacante?”. Soms ook, als het over energie, arbeid en warmte ging, begon hij opeens te zingen: “Energie gaat NOOIT verloren!”. Indringend poogde hij ons ervan te overtuigen dat er helemaal geen middelpuntsvliedende kracht bestaat, maar dat alleen de wet van de traagheid functioneert. Louter het feit dat hij het zei, deed ons geloven dat het ook zo was. Werkelijk een topdocent.

Pater Karel VERHOFSTAD S.J. (Amsterdam 1905-Amsterdam 1982)
Meestal actief in HBS-gelederen, maar net in mijn eerste eerste jaar conrector van het Gym en mijn leraar geschiedenis.
Over hem deden verhalen de ronde dat hij het in de oorlog niet bepaald prettig had gehad. Iets met geïnterneerd of kamp. Maar net als zowat iedereen van het docentencorps liet hij daar geen woord over los. Alleen van Wijdeveld had ik dat kunnen begrijpen, achteraf.
Van meet af aan was hij niet bepaald mijn type, te grof, te ruw, onbenaderbaar. Bovendien tracteerde hij me aan het eind van het jaar op een 4 voor geschiedenis, waardoor ik bleef zitten. In de periode daarvoor heeft hij me nooit ertoe bewogen wat meer uit te voeren, noch heeft hij daarover met mijn ouders gesproken, hetgeen hem in huize Lomanstraat uitermate kwalijk is genomen. Omdat ik nog steeds het gevoel heb dat ik toen door hem mateloos ben genaaid, staat hij bijna onderaan mijn ladder van sympathie. Laat ik het daar maar bij laten.

Dhr. Gerard WIJDEVELD (Duiven 1905-Nijmegen 1997)
Tja. Met de kennis van nu…
Een wijs, gezaghebbend en sympathiek man, sterk als klassicus en vertaler van vooral Augustinus, maar ook enorm goed in de persoonlijke communicatie. Strikt in de leer, scherp in de humor. Als je, zoals zo vaak bij een vraag, zei: “Ik zou het niet weten”, verbeterde hij zelfs dát nog: “Je bedoelt: Ik weet het niet?”
En het getuigt toch ook wel van doceerkracht als je elk jaar opnieuw met aan geestdrift grenzende verve de eerste regels van de Odyssee voordraagt.
Ook hij dus zweeg over de oorlog, en dat was maar goed ook. Eigenlijk verbaast het me dat hij op het IG werd aangenomen, maar ik ken de bijbehorende beweegredenen niet, dan hooguit dat dat met Augustinus te maken had.
Misschien is dit wel even het moment om op te merken dat er in alle lagen van de Amsterdamse samenleving, het IG niet uitgezonderd, vaak behoorlijk werd geworsteld met de vraag hoe je met mensen moest omgaan die fout waren geweest, of waarvan dat althans werd beweerd. De tijd van de volkswoede en wraakacties was dan wel voorbij, maar in hoeverre kregen deze mensen de gelegenheid en ruimte het leven weer enigermate leefbaar in te richten? Typerend was het ook dat we in de jaren dat ik als docent aan het IG verbonden was, en we zowat een generatie verder waren wat de leerlingen betreft, de vervolgvraag in discussie kregen: hoe ga je in de klas om met leerlingen waarvan de ouders fout waren. Ik had er zo een in de klas, vandaar. De communis opinio op het IG was dat je kinderen nooit mag nadragen wat je hun ouders te verwijten hebt. Maar voor je het weet, ga je dan positief discrimineren of juist net de verkeerde grapjes maken. Er zat best wel wat spanning op deze kwestie.

Ik heb Wijdeveld in ieder geval nooit iets verweten, maar hem, in tegendeel, steeds erg gewaardeerd.

Pater Gerard ZAAT S.J. (Den Haag 1921-Den Haag 1999)
What’s in a name. Of, om in zijn stijl te blijven: Nomen est omen.
Zo af en toe rook je in de gangen sigarenlucht en daar bleek dan Pater Zaat aan vast te zitten met zijn typerende, huppelende tred alsof hij op Nike Air liep (Jaap dHS vond dat altijd geweldig karakteristiek en imiteerde het ook graag).
Hoewel in principe altijd vriendelijk, op het minzame af, straalde hij in de klas in hoofdzaak gezag uit. Mocht ook wel voor iemand die klassieken gaf op het Gym, vaak klassepater was, op een gegeven moment ook zelfs rector van het Gym en/of van het patershuis. Ik heb zijn hele cv niet precies meer voor de geest.
Net als bij Verhofstad gingen er ook over Zaat wel wat verhalen rond; over vroeger bij hem thuis en heksen en kelders, maar het bleef voor mij bij dat soort ongeordende rumor.
Als bijbaantje was hij ook zo’n beetje de interne hoffotograaf van het IG. Als er maar iets collectiefs buitenschools plaatsvond schoot hij vele rolletjes vol, waarvan je dan later wel of niet nog iets te zien kreeg. In ieder geval staan er in n Eeuw IG wel een paar foto’s die tot zijn œuvre behoren. Op het IG genomen, binnen of op de cour, op de VIC-velden bij wat voor toernooi dan ook, alles werd minutieus op de gevoelige plaat vastgelegd. En hoe korter de witte of zwarte broekjes, hoe kleurrijker de foto’s. We zien op blz. 52 van genoemd boek een klein fotootje met bijschrift “Pater Vlugt schrobt een zwarte Piet schoon 1955-60”. Ik ken de auteur, want ik speelde zelf ook jaren lang voor Piet. Nog los van het feit dat het arme gefotografeerde jong, inmiddels gelukkig wel bijna helemaal blank op zijn gezicht na, daar blijkbaar 5 jaar in dat bad heeft moeten zitten (hoeveel foto’s heeft dat opgeleverd?), is op de foto ook het zwembroekje te zien dat tot de zwartepietenoutfit behoorde. Je kreeg namelijk een zwartepietenpak incl. zwembroek om te voorkomen dat moeders later kwam te zitten met een hele trommel vol zwartdoorlopen wasgoed. Wij vonden het allemaal prima. Ik heb nooit, maar dan ook nooit ook maar iemand een opmerking horen maken over het feit dat al dat gepoets en gebadder telkens weer werd vereeuwigd.

Ik zou deze Sinterklaasactie misschien helemaal niet hebben gememoreerd als zich niet jaren later een pikant vervolg had voorgedaan. Op zekeren dag… (daar ga ik al: ik weet de datum niet meer, niet eens precies het jaar, dus juridisch kan het de prullenbak in). Op zekeren dag vroeg deze fotograaf mij of ik na afloop van de lessen even op zijn kamer wilde komen. Voor mij was dat niets vreemds; ik kwam zeer frequent bij deze of gene pater op de kamer vanwege mijn uitbundige buitenschoolse betrokkenheden.
Na een hoop koetjes en kalfjes en meer van dat gedrentel kwam de prangende vraag of ik misschien (maar het hoefde niet als ik niet wilde) voor zijn camera wilde poseren. Ik had geen benul welke kant hij op wilde, enerzijds misschien door argeloosheid, anderzijds omdat ik me vrij genoeg voelde om ja of nee te zeggen. Per slot van rekening was ik al 18 of daaromtrent – geen klein kind meer dat zich makkelijk laat in- of uitpakken. De eerste fotosessie vond geheel gekleed plaats, op zijn kamer. En of ik nog eens terug wilde komen. En of ik er dan misschien bezwaar tegen zou hebben om ook in zwembroek te poseren. Ik zei hem dat dat in orde was en dat ik thuis wel een tweetal geschikte exemplaren had liggen, maar dat hoefde niet, want die had hij zelf ook wel genoeg op voorraad.
De volgende keer vroeg ik allereerst of ik de vorige reeks foto’s mocht zien. Het bleken kleurendia’s te zijn, die hij zonder aarzeling ook voor mij projecteerde. Ik was niet ontevreden, maar was er ook niet ondersteboven van, noch van de kwaliteit, noch van de mate waarin het mijn al dan niet latente narcisme wist te prikkelen.
Van onder zijn bed haalde hij een grote bananendoos tevoorschijn waarin zich allerhande aquatisch textiel bevond. Het waren de zwartepietenbroekjes. Hij zocht een geschikt exemplaar uit en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het, trok daarna de rest van mijn kleren uit en liet me in alle gewenste standen fotograferen. Maar, om met zijn woorden te spreken, variatio delectat, en dus vroeg hij mij een aantal keren van zwembroekje te wisselen. Niks op tegen, op zich, maar alleen stond je dan enige seconden met zonder niks aan. Daarvan maakte hij geen foto’s, maar hij hield wel nauwlettend in de gaten of ik wel het goede broekje pakte en of het wel paste. De volle glorie is hem dus meermaals bepaald niet ontgaan. Ik herinner me daarbij één voorval in het bijzonder: hij had uit de doos een echt heel mooi, sensueel, spierwit zwembroekje gepakt en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het vorige uit en stapte in het gewenste broekje, maar dat bleek toch meer een maat voor 12-jarigen te zijn. Wat ik ook sjorde, ik kreeg het zijdeachtige ding maar net tot boven de knieën getrokken. Ik voelde me bijna schuldig, en zei: “Kijk, ik denk dat dit veel te klein is. Hij bestudeerde de situatie zorgvuldig, zag dat broekje daar klem zitten en ongetwijfeld ook vlak daarboven wat er allemaal hulpeloos hing te bungelen. Zijn conclusie was, dat ik maar een ander broekje moest proberen.
Sessies van dit soort hebben zich een paar maal herhaald, in totaal zo’n drie tot vijf keer, ik weet het niet meer, maar het doet ook niet ter zake. De laatste ontwikkeling in het proces was dat hij mij vroeg of ik misschien namen kon noemen van andere jongens op school waarvan ik het vermoeden zou hebben dat ze dit misschien ook wel wilden doen voor hem. Handig maakte hij daarbij dus gebruik van mijn wijdvertakte vriendenkring op school. Ik zei hem dat ik geen geschikte kandidaten kende. Deels was dat ook waar, maar vooral was het zo dat ik er geen zin in had anderen erin te betrekken, niet thuis, niet op school, al was het maar omdat dan zou blijken dat ik me met dat soort praktijken inliet, en ik ook wel op mijn klompen aanvoelde dat er grenzen werden overschreden. Daarom zei ik hem dat ik alleen een aantal namen kon noemen (en dat deed ik ook) van jongens van wie ik zeer zeker wist dat hij het ze juist NIET moest vragen. Daarmee was de kous verder af. Nooit heeft hij mij gevraagd om zonder zwembroekje te poseren. Ik heb het hem ook niet aangeboden. En nooit is hij in zijn activiteiten verder gegaan dan wat hierboven staat.
Of zijn latere overplaatsing van het IG naar Nijmegen enig verband houdt met eventueel uitgelekte praktijken, is mij niet bekend; Jezuïeten werden met regelmaat overgeplaatst zonder dat er van een disciplinaire maatregel sprake was.

Pater Zaat is dood, en naar de foto’s, die ik de laatste tijd heel erg graag terug zou willen hebben, kan ik gevoeglijk fluiten. De Orde heeft verklaard in geen enkel archief in Nijmegen of Amsterdam er nog iets van terug te hebben kunnen vinden, en aan de familie zijn ze na zijn dood ook stellig niet overgedragen. Ik kan dat allemaal natuurlijk niet controleren, maar ik moet het er maar mee doen.
Voor de rest verwijs ik naar wat ik hieromtrent heb vermeld in het hoofdstukje Heilige, veilige haven hierboven.

Ik sluit hiermee mijn IG-tijd af. Maar niet in mijn hoofd. Dat mag ook niet:

En komt het grote leven
-het blijft een avontuur-
met ingespannen streven,
met plichten zwaar en duur,
dan willen wij met ere
de levensstrijd doorstaan
voor land en volk ons weren
als oud-Ignatiaan.

 

 

6 gedachten over “7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7

  1. Afsluiten? Dat kan niet eens, Immanuel Kant zei dat je niet kàn vergeten. Het is een deel van de hersenpan geworden, onwrikbaar geschroefd. Daarom moet je blijven denken, zij het alleen, je eigen existentie die als je herinneringen opschrijft misschien ooit een (latere) ander ten dienste kan zijn.

    • Hold a minute. Ik sluit mijn berichtgeving af, niet mijn herinnering en nadenken. “Maar niet in mijn hoofd”, zei ik toch! Als van een soort adventskalender heb ik in zeven afleveringen alle raampjes en deurtjes opengezet, ook die van het patershuis. En nou ben ik benieuwd welke in- en uitheemse vogeltjes er in en uit komen vliegen.
      Nard.

  2. waar blijft een anekdote van Pater van Hees ? “Het Paard ” recordhouder van een af te werken H. Mis aan een zijaltaar .. tijd ; .. 12 minuten ..( omstreeks 1955 ). ( hij zat in de filmcommissie … )
    ook uitgetreden .. verbaasde mij niet ..

  3. Ter aanvulling aan uw “collectie” leraren:
    In September 1959 begon ik aan mijn lyceumtijd aan het St.Bonaventura te Leiden. In de eerste klas was (franciscaner) pater Ben (B.J.A.) Korstjens mijn leraar Latijn. (Aan het St.Bonaventura waren zo’n tien franciscanen als leraar werkzaam.) Inderdaad was Korstjens een man met weinig charisma. Het jaar daarna is hij uitgetreden en naar Amsterdam verhuisd.

    • Goh, wist ik niet. Dat hij als (ex-)franciscaan bij de jezuïeten terecht kon…
      Ook rond hem zoem(d)en er wat geruchten, maar die kan ik niet bevestigen.

  4. Net het laffe verhaal gelezen over pater Zaat: geen vriend van mij vroeger, maar om zó neergesabeld te worden met zulke lage verdachtmakingen….wat een loser met te veel tijd en met een te groot ego moet je zijn als je dit allemaal opschrijft. Dapper hoor!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.