Het GEBOEFTE – een bijzonder soort

Een collectivum is een woord waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende mensen of dingen. Voorbeelden: “hersenen”, “ingewanden”, “kudde”, “visite”. Veel van deze woorden, zoals de eerste twee voorbeelden, kennen we uitsluitend in het meervoud. Andere, zoals de laatste twee voorbeelden, staan meestal in het enkelvoud. Hieronder volgt een niet compleet overzicht, met bijzondere aandacht voor een speciale subgroep van enkelvoudige collectiva: de woorden van het type “geboefte”.

Meervoudige collectiva
Het gaat bij een collectivum (meervoud: collectiva of collectieven) om woorden als de reeds genoemde hersenen en ingewanden, verder ook luitjes, werklieden, zeelieden, wegwerkzaamhedenOlympische Spelen enzovoort. Kenmerkend daarbij is, dat je er van die verzameling niet eentje kunt aanduiden, zoals één ingewand of één Olympisch Spel. En als een dergelijk enkelvoud wel bestaat, heeft het een andere betekenis dan “eentje uit het geheel”. Zo kan “het ingewand” wel duiden op het inwendige, het binnenste, de gemoedstoestand, maar niet op één darm of één maag. In de meeste gevallen wordt het enkelvoudige woord helemaal nooit gebruikt. Er bestaat niet zoiets als één luitje of één wegwerkzaamheid.
Alles bij elkaar lijkt dit volstrekt logisch: we duiden in het Nederlands een meervoudig begrip ook aan met een meervoudig woord. Maar het kan ook anders.

Enkelvoudige collectiva
Nog vaker dan meervoudige collectiva kent het Nederlands enkelvoudige collectiva. Enkelvoudige woorden dus waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende eenheden, zoals het haar (in tegenstelling tot de haar). In de dierenwereld: de grote groep waartoe ook horde, kudde, meute, roedel, troep, vee en vlucht behoren. In de mensenwereld: bevolking, familie, gezin, lui (werklui, zeelui,…), natie, publiek, visite, volk; vaak in negatieve zin ook wel meute, horde, troep enzovoort, als het om toeristen, demonstranten, hooligans of andere ontevredenen gaat. In de geüniformeerde wereld: bataljon, eskader, leger, marechaussee, peloton, politie. In de sport: achterhoede, as, middenlinie, voorhoede, elftal, (reserve-)bank, bus, kopgroep, peloton en vele andere. In het huishouden: afwas, bestek, couvert, meubilair, servies, vaat, zitje. Daarnaast nog woorden als archipel, gewas, kwartet, vracht. De meeste van deze woorden kennen we ook in het meervoud: voor een voetbalwedstrijd zijn immers twee elftallen nodig en in Friesland lopen heel wat kuddes of kudden koeien in de wei. Ook al staan deze collectiva in het enkelvoud, ze betreffen altijd een meervoudig begrip. Dat wordt in het Engels bijvoorbeeld benadrukt door achter deze woorden dan ook een meervoudige persoonsvorm te zetten: Het volk heeft gesproken is niet * The people has spoken, maar The people have spoken.

Een bijzondere soort
Binnen de enkelvoudige collectiva kunnen we in het Nederlands een speciale groep ontdekken, namelijk van enkelvoudige collectiva die beginnen met ge- en eindigen op -te. Een redelijk compleet rijtje van deze woorden staat in de tabel hieronder.

gebeente
gedoente
gesteente
gebefte
geduinte
gesternte
gebergte
gehalte
gestoelte
gebinte
? gehemelte
getakte
geboefte
gelofte
getimmerte
geboomte
gemeente
gevaarte
gebladerte
gemuurte
gevederte
? geboorte
genachte
geveerte
gebuurte
geneugte
gevleugelte
? gedaante
gepluimte
gevogelte
? gedachte
geraamte
gewolkte
gedarmte
gestalte
gewoonte
? gedeelte
gestarnte
gewormte
gedierte/ongedierte
 
gezindte

We kunnen deze woorden beschouwen als voorbeelden van hun overkoepelende betekenis: “het geheel van …” of “de verzameling van …”. In die betekenis is er geen verschil met de eerder genoemde enkelvoudige collectiva; de woorden van het type geboefte zijn daarvan dan ook een echte deelverzameling.

Een aantal eigenaardigheden van deze deelverzameling is het vermelden waard:

  • In het Nederlands zijn alle woorden van het type geboefte onzijdig (het-woorden).
  • De woordvorming ge-STAM-te is typisch Nederlands. In het Duits kennen we woorden als GebäckGebälk, Geflügel, Geschirr en Gehirn, ook collectiva, wel beginnend met Ge-, maar zonder de uitgang -te.
  • De groep collectiva ge-STAM-te lijkt niet productief te zijn, dat wil zeggen, er ontstaan niet met enige regelmaat nieuwe vormen van dit type. Op zich zou het wel kunnen: naast meubilair zou er ook gemeubelte kunnen bestaan (welk woord ik ook in deze blog heb gebruikt in het bericht Schaalvergroting !), en naast tegelwerk bijvoorbeeld getegelte, maar dit soort neologismen komen we niet of nauwelijks tegen. De groep collectiva van het type geboefte noemen we dan ook een gesloten groep.
  • Die productiviteit zou er best wel kunnen zijn, maar vaak kiest het Nederlands voor een meervoudsvorm (klanten) of een enkelvoudig collectivum (klantenkring). Dat doet het Frans ook: les clients naast la clientèle, maar als we in het Nederlands daarvoor het geklante zouden hebben, was daar niks vreemds aan. Sterker nog geldt dat voor het Franse collectivum le pneumatique, waarmee het geheel van de banden van bv. een auto wordt bedoeld. Ook les pneus is gangbaar. Onze auto’s hebben alleen maar banden, maar waarom dan niet ook het gebandte?
  • Bij sommige woorden is het twijfelachtig of ze wel tot de collectiva mogen worden gerekend: geboorte, gedaante, gedachte, gedeelte en gehemelte lijken niet noodzakelijkerwijs te duiden op een verzameling van bij elkaar horende dingen. Daarom staat er in de tabel ook een vraagteken voor vermeld.
  • Lang niet alle Nederlandse woorden die beginnen met ge- en eindigen op -te zijn collectiva. Sterker nog, het aantal woorden ge(…)te die niet een collectivum zijn is groter dat het bovenstaande aantal collectiva. Denk aan woorden als gekte en geste, en aan samenstellingen als geslachtsziekte, geldboete, gemeentebeambte en gebedsruimte. Hun aantal loopt zeker tegen de 60, tegenover de 41 genoemde collectiva.

 

Lidwoorden weglaten – wanneer en waarom ?

In een aantal gevallen mag of moet het lidwoord in het Nederlands worden weggelaten. Wie van huis uit Nederlands spreekt, maakt daarbij weinig fouten. Maar voor wie Nederlands moet leren is het een hele opgave erachter te komen wanneer het lidwoord wel en wanneer niet moet worden gebruikt. Er bestaat ook niet één regel daarvoor; er zijn er minstens 31. Een beknopt overzicht.

Inleiding
Traditioneel kennen we in het Nederlands drie lidwoorden: de, het en een. Binnen de taalkunde zijn er ook goede argumenten genoemd voor vier lidwoorden, of voor minder dan drie, maar die discussie is hier nu niet aan de orde. Van oudsher gebruiken we de en het voor zogenaamde “bepaalde” begrippen en een voor zogenaamde “onbepaalde” begrippen. “Bepaald” betekent dat de spreker denkt dat de hoorder weet waarover het gaat; “onbepaald” betekent dat de spreker ervan uitgaat dat de genoemde zaak of het genoemde ding (taalkundigen noemen een zaak of ding een entiteit) nieuw is in het gesprek en tot dan toe voor de hoorder nog niet bekend was.

Mannelijke en vrouwelijke bepaalde entiteiten krijgen de in het enkelvoud en het meervoud voor zich; onzijdige bepaalde entiteiten krijgen het in het enkelvoud en de in het meervoud. Onbepaalde entiteiten (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) krijgen een in het enkelvoud en niks in het meervoud voor zich.

Dat zijn in het kort de regels voor het gebruik van het lidwoord. Maar wat is er aan de hand wanneer we het lidwoord helemaal weglaten, zoals bijvoorbeeld in de uitdrukking met hart en ziel, waarbij je echt niet kunt zeggen *met het hart en de ziel ? (Een * voor een zin of groep woorden betekent dat we die niet welgevormd vinden.)

Hieronder volgen 31 gevallen waarin het lidwoord in het Nederlands achterwege kan of moet blijven. Waarschijnlijk is de lijst nog wel niet eens helemaal compleet en is de rubricering nog wel te verbeteren.
Onderaan dit artikel staat welke bronnen ik heb gebruikt bij het samenstellen van deze lijst.

De 31 gevallen

1. Bij een niet-telbaar substantief (=zelfstandig naamwoord):

  • Er is onrust ontstaan.
  • Aan water is hier geen gebrek.

2. Bij een telbaar, onbepaald substantief in het meervoud:

  • Er liepen koeien in de wei.
  • Eten we nu alweer spruitjes?

3. Bij gebruik van een demonstratief (aanwijzend) of possessief (bezittelijk) voornaamwoord of telwoord:

  • Waar heb je dat doosje gelaten?
  • Ik heb mijn sleutels vergeten.
  • Koop maar één kilo suiker.

4. In krantenkoppen, onderschriften, titels:

  • Einde kabinetscrisis nog niet in zicht.
  • Man bijt hond.

5. Bij opsommingen van min of meer bij elkaar horende zaken:

  • Met naald en draad voor u paraat.
  • Hij slaagde met vlag en wimpel.

6. Bij opsommingen die tevoren zijn genoemd en waartussen verband bestaat:

  • Bij het afrekenen vergat zij zowel het pakje rozijnen als het zakje amandelen in haar boodschappentas te doen. Toen ze na een paar minuten bij de kassa terugkwam, waren rozijnen en amandelen verdwenen.
  • Jarenlang hebben Talpa en RTL de uitzendingen verzorgd van wedstrijden van de eredivisie, de Europacup en van het Nederlands elftal. Sinds enige tijd zitten eredivisie en Nederlands elftal weer gewoon bij de NOS.

7. In woordgroepen die met zonder beginnen:

  • Met dit weer moet je niet zonder jas naar buiten gaan.
  • Zonder pc kan ik thuis niet werken.

8. In woordgroepen die beginnen met met waarin dat contrasteert met zonder:

  • Als er weinig licht is, kan ik even weinig zien zonder als met bril.
  • Ik ga liever op vakantie met reisverzekering dan zonder.

9. In woordgroepen die beginnen met met die een specificatie inhouden in de technische of commerciële sfeer:

  • Ik kies toch liever voor een auto met open dak.
  • Er bestaan geen tandenborstels met afstandsbediening.

10. In woordgroepen die beginnen met Franse of Latijnse voorzetsels (ex, per, qua, sub, hors, sans, enz.; in totaal ruim 50 stuks):

  • Zij reisden per schip naar Amerika.
  • De ploeg speelde technisch goed, maar qua instelling waardeloos.

11. In woordgroepen die beginnen met de voorzetsels de of het in de betekenis “per”:

  • De snijbonen kosten momenteel bijna € 3,00 de kilo. (= per kilo; = voor een kilo)
  • Kan ik alleen de hele set kopen, of verkoopt u die bordjes ook het stuk? (= per stuk)

12. Na voorzetsels in min of meer vaste verbindingen, waarbij het gaat om een abstracte entiteit:

  • Ik ga naar school. (school als instelling, tegenover school als gebouw: Dit grindpad loopt naar de school.)
  • Zij bleef in huis (abstract “woonverblijf”, naast: in het huis. Je kunt ook niet zeggen: *in kamer of *in kelder)
  • Hij verstopte zich op zolder (ook een abstract begrip; niet mogelijk zijn *op vliering of *op wc)
  • De kippen gaan op stok. De duiven gaan op til. (abstracte plaatsbepaling met betekenis “gaan slapen”. Niet mogelijk *op nest of *op kooi)
  • Hij stond al langer onder verdenking.

13. Voor een aanduiding van beroep, hoedanigheid, rol of functie, als naamwoordelijk deel:

  • Ik word later tramconducteur.
  • Wat is onderwerp van de zin “Hier mag niet worden gedanst” ?
  • Ik ben vanmorgen vader geworden!

14. Bij uitoefening van een hobby of andere vorm van vrijetijdsbesteding, waarbij ook meer aan de abstracte bezigheid wordt gedacht dan aan een unieke gebeurtenis:

  • Ze gingen op/met vakantie. (maar niet: *Zij gingen naar werk).
  • Hij is op toernee / jacht / vrijersvoeten / pad / strooptocht / ….

15. In wat meer journalistieke stijl aan het begin van een zin met een naamwoordelijk gezegde:

  • Feit is dat je nu alweer je boek niet bij je hebt.
  • Doel van de regeling blijft het terugdringen van de werkloosheid.

16. Bij gebruik van een substantief dat wordt voorafgegaan door een comparatief (vergrotende trap), terwijl de zin een ontkenning bevat:

  • Meer eer viel er niet te behalen.
  • Dieper belediging kon je haar niet aandoen.

17. Voor de zgn. genitivus partitivus (waar soms van tussen past, of in het Frans: de):

  • Een verzameling vrouwvolk; niet veel soeps; een heleboel herrie; een hoop ongenoegen.

18. Bij eigennamen/aardrijkskundige namen die ook wel met lidwoord kunnen voorkomen:

  • Hij wachtte geduldig tot Magere Hein hem kwam halen.
  • Dronken zwalkten zij door donker Amsterdam.

19. Bij aardrijkskundige namen van streken of koloniën die nu een zelfstandige natie zijn geworden:

  • De Ukraine (deel van de Sovjet-Unie) → Ukraine (zelfstandige staat)
  • De Kongo (Belgische kolonie) → Kongo (zelfstandige staat)
  • De Libanon (Frans protectoraat) → Libanon (zelfstandige staat)

20. Bij aanduidingen van week- en maanddagen en van bijzondere dagen of gelegenheden:

  • Maandag kom ik bij je langs.
  • Dit jaar was februari de koudste maand.
  • Komend weekend is het kermis. (het is hier geen lidwoord!)
  • Als je slaagt, houden wij open huis.

21. In een aantal zegswijzen, uitdrukkingen of driewoordige voorzetselverbindingen:

  • Dat is kat in het bakkie.
  • Daar kun je donder op zeggen.
  • Tegen beter weten in
  • Naar aanleiding van
  • Naar analogie van
  • In tegenstelling tot
  • Op aandrang / aangeven / aanraden / aanreiken / advies / bevel / initiatief / instigatie / verzoek / straffe van

22. Bij muziekinstrumenten, kinderspelen en sportbeoefening:

  • Ik speel klarinet.
  • Doktertje spelen.
  • Ik zit op voetbal. (In Noord-Brabant: Ik zit onder voetbal.)

23. Bij reduplicaties (=herhalingen):

  • Ik heb je keer op keer gewaarschuwd.
  • Hij miste kans na kans.
  • Het regende dag in dag uit.
  • Voetje voor voetje kwam zij dichterbij.

24. Bij aan- of uitroepen:

  • Wilt u allemaal even opzij gaan, mensen !
  • Jongen, wat ben jij gegroeid !

25. Bij substantieven die de functie van voorzetsel hebben aangenomen. Tot deze reeks horen ongeveer 17 Nederlandse zelfstandige naamwoorden, zoals:

  • Ze zijn gisteren vertrokken richting Italië.
  • Bij het tweede doelpunt stond Bruins randje buitenspel.
  • Klokslag twaalf kwam zij eindelijk aanzetten.
  • Verder ook nog: begin, bestemming, eind(e), halte, hartje, hoek, kantje, klokke, lank(e), midden, omgeving, punt, spijt, station.

26. Bij de meeste ziektes:

  • Hij heeft griep / mazelen / pokken / malaria / longontsteking / geelzucht / diarree / rode hond / tbc / syfilis / aids / kanker / bloederziekte / hemofilie / astma / suiker(ziekte) / buikpijn / kinkhoest / …
  • maar: Hij heeft de bof / de pest / … ; overigens is de mazelen / de pokken ook mogelijk.
  • Nepziektes krijgen altijd het; bijnamen van ziektes krijgen de: Krijg het leplazarus / het heen-en-weer / … ; de sief / de tering / de schurft / de klere / …

27. Bij tijdsbepalingen is er vaak keuze, maar die gaat dan wel met een subtiel betekenisverschil gepaard:

  • De komende week zit ik in het buitenland. (gedurende de hele week), tegenover:
  • Komende week zit ik in het buitenland. (tijdens een onbepaald deel van de week)
  • Het afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (het hele uur lang), tegenover:
  • Afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (tijdens een onbepaald deel van het afgelopen uur)
28. Vooral, maar niet uitsluitend, in de sportjournalistiek (die vaak tot versnelde berichtgeving leidt) vele aanduidingen van de situatie, voortgang, positie van de handelende persoon:
  • Op (volle) toeren / (volle) snelheid, tempo, koers
  • Op kop (rijden) (maar niet: *op/aan staart)
  • Aan kop (gaan) (maar niet: *aan staart)
  • Op schot / dreef zijn
  • In samenvatting / herhaling / slow motion
29. Ter aanduiding van het begin van een handeling of gebeurtenis:
  • Van acquit / start (gaan),
  • op slag van (rust)
  • op handen / til (zijn)
  • van bil gaan
30. Ter aanduiding van een waarschijnlijkheid, zekerheid, juistheid, verwachting:
  • Op schaal / ware grootte
  • Op zeker / safe / goed geluk / hoop van zegen (maar niet: *op tast, *op gok)
  • In wezen / feite / aanvang / principe (maar: In de grond, in het begin, in de aard)
 
31. Ter aanduiding van een kwaliteit of hoedanigheid:
  • In gebreke / overtreding
  • Voor lul / paal (staan)
  • Op zicht / proef
  • Te geef / leen / huur / koop (maar: ter verkoop / inzage / overname)
Didactisch gezien, voor wie beter Nederlands wil leren, is dit allemaal veel te veel en veel te rommelig. Misschien moeten we zoeken naar een grootste gemene deler en dan uitkomen bij (a) vaste uitdrukkingen, inclusief reduplicaties als keer op keer, en (b) bij meer abstracte begrippen als school en vakantie. Hier is nog veel onderzoek te doen, lijkt mij zo.

__________________________________________

Bronvermeldingen:

  • Algemene Nederlandse Spraakkunst, in het bijzonder §4.5 en §4.6 (blz.195-223)
  • W. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands, in het bijz. §4.1.2 en §4.1.3 (blz.64-69)
  • Eigen lesmateriaal 

0-5 ; maar liefde maakt blind

AFL. 1 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; enigszins gewijzigd)

________________________________________________________________________________
Eigenlijk heb ik wel een en ander uit te leggen. Bijvoorbeeld hoe ik als Brabander die van zijn eerste tot bijna dertigste jaar in Amsterdam woont bij Feijenoord ben terecht gekomen.
Maar gelukkig denk ik het te kunnen verklaren.

Ik woonde in Oud-Zuid en was een jaar of twaalf, toen ik me voor voetbal ging interesseren. Dikke kans dat dat onder meer kwam doordat ik elke zondag Frits van Turenhout op de radio zo indringend de uitslagen van de eredivisie, eerste divisie A en B en tweede divisie A en B hoorde voorlezen. Ons huis lag op een paar honderd meter van het Olympisch Stadion en ik kreeg in de gaten dat je voor een kwartje (of was het een dubbeltje?), inclusief vermakelijkheidsbelasting, bij de bekende voorverkoopadressen een jongensstaanplaats kon halen voor thuiswedstrijden van Blauw-Wit en DWS-Amsterdam, achter het doel, onder het handmatig bediende scorebord. Had je geluk dat ze allebei op dezelfde zondag thuis speelden, dan kon je beide wedstrijden op één kaartje bijwonen, om 12 uur en 2 uur. Had je nog meer geluk, dan tekende een van beide teams na afloop van de wedstrijd protest aan tegen een vermeende scheidsrechterlijke dwaling. Dan bleef al het publiek op de tribunes en verschenen na een paar minuten een speler van de protesterende partij, de keeper van de tegenpartij en de scheidsrechter, en werd er een penalty genomen. Ging die erin, dan werd het protest door de KNVB in behandeling genomen; werd de strafschop gemist, dan was het protest automatisch afgewezen. Dat waren nog eens tijden.

Een favoriete club had ik nog niet, maar voetbal is voetbal, en zo toog ik op 1 maart 1959 met nog 36.999 andere liefhebbers naar dat magnifieke stadion om mijn eerste eredivisiewedstrijd te gaan bijwonen: DWS/A-Feijenoord. Het zei me verder niks.

Koud twee uur later wist ik opeens een heleboel. Feijenoord had DWS volkomen van de mat gespeeld en won met 0-5 (hoofdrol voor Kees Rijvers; goals van Rijvers (2x), Van der Gijp, Schouten en Moulijn). Ik was zo onder de indruk van het spel der Rotterdammers, dat ik op slag mijn levenskeuze had bepaald: Feijenoord was voor nu en voor altijd mijn club.

Hoe wankel zo’n liefdesverklaring is, bleek 5 speeldagen later, toen een andere Amsterdamse club in de Kuip op bezoek kwam en er uiteindelijk dezelfde stand van 0-5 op het bord stond. Maar liefde maakt blind, dus ik zag dat gewoon niet, althans, ik liet me er niet door van gedachte veranderen.

Dat had nog een extra reden. Op mijn middelbare school, ook in Oud-Zuid, zaten jongens in de klas uit alle hoeken en gaten van Amsterdam en er heerste nogal wat rivaliteit tussen de verschillende wijken, die zich onder meer uitte in een grote voorliefde voor de daar gehuisveste club. Voor mij was Centrum, West en Zuid in principe wel in orde – niemand had ook eigenlijk veel bezwaar tegen DWS of Blauw-Wit. Een enkeling kwam uit Noord, van over het IJ, en hield het met De Volewijckers. Dat werd wel geaccepteerd als ongevaarlijke lokale folklore. Maar ronduit eng waren de jongens uit Oost, want die hadden doorgaans de blik gericht op de Watergraafsmeer en wat daar speelde. En zoals je ook al op die leeftijd doet: je gaat je afzetten tegen de concurrent. Ik wist intussen ook wel hoe het zat tussen Feijenoord en Ajax en was dus dubbel blij dat ik mij in de klas kon profileren als Feijenoordaanhanger tegenover al dat nare geweld uit Oost. In de hele klas had ik één medestander. Iemand uit Oud-West. De paters op school poogden nog wel de verzuiling in stand te houden door te bepalen dat je zelf alleen maar lid mocht wezen van de voetbalclub van de school zelf: RKAVIC, wat ik ook braaf deed. Alleen de jongens uit Noord kregen dispensatie en mochten daar bij De Meteoor, Rood-Wit A of T.O.B. blijven spelen (T.O.B.: spannend onderwerp voor mijn volgende artikel), maar over je betaald-voetballiefde deden ze geen uitspraak.

Fanatiek als ik was begon ik de stapels oude kranten van maanden terug door te spitten en haalde er alle mogelijke maandagedities uit, want ik wilde mijn nieuwe liefde zichtbaar en tastbaar in een plakboek gaan vereeuwigen. Wel wat laat, als je daar pas in maart mee begint, maar het was niet anders en ik kon een heel eind in de tijd terugkomen. Alle Feijenoordverslagen, uitslagen en standen en statistieken van de eredivisie en wat al niet. Ik meen me nog te kunnen herinneren dat Feijenoord dat jaar thuis een gemiddelde van 42.000 toeschouwers trok – net zoveel dus als nu ongeveer. Bovendien: als Feijenoord uit speelde, waren die stadions haast altijd uitverkocht. Ja ja, Feijenoord komt op bezoek!

Ik was nijver aan het plakboeken en een jaar of twaalf. Hoopte vurig dat Feijenoord ook kampioen zou worden. Maar liefde maakt blind. Precies een week na mijn bezoekersdebuut werd in de Kuip Feijenoord-Sparta gespeeld. Sparta was toen koploper, vijf punten voor op Feijenoord, met Rapid JC daar nog tussenin. Ajax stond volkomen kansloos negende, met zelfs ook nog een negatief doelsaldo. Dat waren nog eens tijden. Bij winst op Sparta zou Feijenoord inderdaad een serieuze titelkandidaat zijn met nog tien wedstrijden te gaan.

Het werd 0-3. Weg titelkansen, besefte ik. En omdat ik geen masochist wilde zijn, stopte ik acuut met het plakboek, zodat ik die 0-5 in Rotterdam (en die 2-1 in Tilburg en die 4-2 in Venlo) gelukkig niet ook nog hoefde in te plakken. Sparta werd onbedreigd kampioen.

Het plakboek heb ik intussen al lang niet meer. Kwijt bij een verhuizing of zo. Feijenoord is gebleven.

Een oud-klasgenoot van mij, Carlo, van wie ik later ook merkte dat hij Feijenoordfan was (“Volgens mij was het zo dat in klas IIIB er 7 Ajaxfanaten in de klas zaten en 7 Feijenoordfans, en dan nog een Blauw-Witter, een Volewijcker, en een Volendammer”, schreef hij me onlangs), stuurde me nevenstaande knipsels uit zijn plakboek. Helaas hebben we nog niet kunnen achterhalen uit welke dagbladen deze twee zijn geknipt. Rondneuzend op Delpher vind je wel nog enkele andere pagina’s van maandag 2 maart 1959, resp. uit het Algemeen Handelsblad, De Tijd, het Vrije Volk, de Telegraaf en de Waarheid, waaruit onomstotelijk blijkt dat Feijenoord daags ervoor een van zijn allerbeste wedstrijden van het seizoen had gespeeld. En ik was erbij. Geen wonder dat het tot een eeuwige liefde leidde.

___________________

Zondag 1 maart 1959, Olympisch Stadion, 14.30u
DWS-Amsterdam – Feijenoord 0-5
Toeschouwers: 37.000
Rijvers (0-1), Rijvers (0-2), Schouten (0-3), Van der Gijp (0-4), Moulijn (0-5)
DWS/A: Visser, Corbran, Schenkel, Vonhof, De Jong, Klein, Mesman, Niessen, Tolmeyer, Kick, Smit.
Feijenoord: Pieters Graafland, Kerkum, Veldhoen, Walhout, Steenbergen, Bak, Schouten, Meijers, Van der Gijp, Rijvers, Moulijn.

___________________

In dagblad De Tijd heeft op maandag 2 maart 1959 een foto gestaan uit deze wedstrijd van achter het Feijenoord-doel, waarop we een zweefduik van keeper Bram Panman zien. Kan iemand mij alsnog aan die foto helpen? Reacties graag naar info@nardloonen.nl 

 

 

 

4-11; dat levert wat op

AFL. 2 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; enigszins gewijzigd)

__________________________________________________________________________________
Ik moet ruiterlijk toegeven dat ik niet vaak een gelukkige hand heb gehad bij het uitzoeken van te bezoeken wedstrijden van Feijenoord. Ok, ik had een goede start bij DWS-Feijenoord in 1959 (0-5) en ik heb mijn hoogtepunt beleefd in november 1997 bij de 2-0 van Feijenoord-Juventus, maar daar tussendoor was het toch vaak afzien. Ik bedoel maar: als je uren in de auto moet zitten om in oktober 1992 in een voor tweederde lege Kuip Feijenoord met hangen en wurgen vlak voor tijd in een draak van een wedstrijd de verlossende 1-0 te zien scoren tegen Partizan Tirana, dan word je daar niet vrolijk van (aan die wedstrijd zat een heel verhaal vast: zie de Foxsports-docu daarover van mei 2017). Maar het kon nog erger.

Schuin tegenover mij in Amsterdam woonde Henk Terlingen, bij de ouderen nog wel bekend als de presentator van NTS-Sport in Beeld, later nog meer bekend als “Apollo Henkie” die de eerste maanlanding voor de NOS versloeg. Hij zat een paar klassen boven mij op school en wij voetbalden regelmatig samen op straat, tegen een blinde muur waarop een doel was gekrijt. Op twee momenten heeft hij zich voor mij onsterfelijk gemaakt. Eerst was dat de periode dat ik, in het begin van mijn puberteit, een tijdje groeipijn had in mijn rechterknie, waardoor het schieten niet zo best meer ging. Met eindeloos geduld heeft hij mij toen geleerd met links te schieten, met als gevolg dat ik tot op de dag van vandaag volstrekt tweebenig ben. Hij had ook wel nadelen, bijvoorbeeld dat hij fervent aanhanger van de verkeerde club was. Maar dat leek zich in mijn voordeel te keren toen hij mij een tweede onsterfelijke daad voorschotelde. Feijenoord had zich in het seizoen 1959-1960 aardig hersteld van het mindere afgelopen seizoen; wat zeg ik: na een eclatante 3-0 op Abcoude-Noord in de Kuip waren beide teams gelijk bovenaan de ranglijst geëindigd en moest een beslissingswedstrijd de landskampioen uitwijzen. Dat werd 26 mei 1960, in het Olympisch Stadion. Vraag me niet hoe hij het had klaargespeeld, maar Henk had een kaartje voor die wedstrijd weten te bemachtigen. En omdat hij een groot hart had, wilde hij dat kaartje wel met mij delen, ook al was ik van de verkeerde kant. Dat ging zo: samen liepen we naar het stadion. Eenmaal tussen de drommen mensen beland, schuifelden we naar de hekken die langs de controlepoortjes stonden, omringd door oproerpolitie te paard. Vlak voor het controlepoortje trok hij mij naar zich toe, sloeg zijn lange regenjas open (eind mei, maar wie let daarop) en liet mij strak tegen hem aan doorschuifelen met zijn weer om mij heen dichtgeslagen jas. Zonder ook maar een enkel probleem sjokten vier voeten langs de controle op één kaartje. Ik was de koning te rijk, de eerste helft: een bomvol Olympisch Stadion, geweldige sfeer, en Feijenoord bij rust met 0-1 voor. Om het verhaal niet te lang te maken zal ik de tweede helft verder niet beschrijven, waarin ene Bleijenberg het op z’n heupen kreeg en de eindstand 5-1 werd.

Minstens zo rampzalig verliep het dik vier jaar later. Vraag me niet hoe, maar ik had een kaartje weten te bemachtigen voor Feijenoord-Ajax op 29 november 1964. Nu wilde het toeval dat ik in die tijd mezelf had weten op te werken tot bestuurslid van het niet onverdienstelijke schoolkoor. En net op die 29e november werd het Ceciliafeest gevierd. Cecilia, als schutspatrones van zangkoren, was de jaarlijkse aanleiding voor een feestelijke dag met een uitvoering en andere festiviteiten eromheen, en de koorleiding vond het absoluut ongepast dat ik dan net op die dag afwezig zou zijn om een of andere burgerlijke voetbalwedstrijd te gaan bezoeken. Ik had geen keus, en kon zo Henk Terlingen een pleziertje terugdoen door hem mijn kaartje te geven. Het leek wel lik-op-stukbeleid, want het werd dus 9-4 voor Feijenoord. Toen ik later die middag die uitslag hoorde, was ik laaiend en kon ik me wel de haren uit de kop trekken.

Hoe betrekkelijk alles is, was mij overigens in 1960 al eens gebleken, een paar maanden voor die jammerlijke beslissingswedstrijd in Amsterdam. Immers, in januari van dat jaar overstroomde na een dijkdoorbraak Tuindorp-Oostzaan in Amsterdam-Noord. Dat was vervelend. Gelukkig verdronk er niemand, maar de materiële en emotionele schade voor de 10.000 inwoners was enorm. Nu had Nederland intussen al aardige ervaringen opgedaan met watersnoodwedstrijden (zoals de fabuleuze 1-2 van de Nederlandse profs tegen Frankrijk in Parijs in 1953!), en dus werd er besloten tot een benefietwedstrijd in het Olympisch Stadion tussen vertegenwoordigende elftallen van Amsterdam en Rotterdam op 17 februari 1960. Op verzoek van Rotterdam was die wedstrijd overigens een week uitgesteld, zo meldt de KNVB-Sportkroniek van 8 februari 1960. Het batig saldo voor de gedupeerden bedroeg ƒ 25.000. Vreemd is dat er maar heel weinig over dat treffen is terug te vinden, maar ik was erbij, op de Marathontribune zelfs, want kennelijk gingen die kaartjes tegen gereduceerd tarief. Rotterdam kwam aanzetten met een veredelde Feijenoordselectie, waaraan twee of drie Spartanen waren toegevoegd. In die tijd had Sparta overigens een zeer verdienstelijk team – het was zelfs regerend landskampioen, dus het betrof zeker een versterking. De Leeuwarder Courant meldde een week voor de wedstrijd de selectie. Zie inzet. Voor Kees Rijvers moet het een belangrijke wedstrijd zijn geweest, omdat hij al een tijdje geen deel meer uitmaakte van de eerste selectie van Feijenoord; via deze wedstrijd kon hij zich weer in de kijker spelen, en met succes: 3 goals.

De Amsterdamse selectie heb ik niet meer kunnen achterhalen. Ongetwijfeld zal het een allegaartje zijn geweest van spelers uit Oost, aangevuld met wat sprekende namen van DWS (Jongbloed niet; Vonhof wel) en Blauw-Wit (Erwin Sparendam, of zat die toen al bij Elinkwijk?) en wellicht een verdwaalde Volewijcker (Hassie van Wijk?). Hoe het ook zij, Rotterdam had geen enkele moeite met het Amsterdamse samenraapsel en won de wedstrijd met 4-11, waardoor ik getuige was geweest van de doelpuntrijkste Nederlandse betaald-voetbalwedstrijd ooit, bij mijn weten. Net één goaltje meer dan Feijenoord-Reykjavik (12-2) in september 1969. Het verslag in de Nieuwe Noordhollandse Courant is volstrekt duidelijk.

Die hoge uitslag had nog een bijkomend voordeel. Bij de overstroming was namelijk ook het hele complex van T.O.B. in Tuindorp-Oostzaan onder water komen te staan en een onderdeel van de deal was dat die vereniging voor elk gescoord doelpunt een nieuwe voetbal zou krijgen. Zo gingen er dus in februari 1960 vijftien nieuwe lederen voetballen naar Amsterdam-Noord.

Over die club valt trouwens nog wel wat aardigs te melden. In 1947 legde een frater in Amsterdam-Noord bij een buurtvereningsbijeenkomst zomaar een voetbal op tafel en zei: “We gaan een voetbalclub oprichten”. Een naam had hij ook al bedacht: T.O.B., Tuindorp-Oostzaanse Boys, want Engels was vlak na de bevrijding erg hip. Wat verder voor de man pleitte, was dat hij als tenue de negatieve variant had bedacht van het “grote” Ajax, dus rode shirts met een witte baan, en daaronder het Feijenoord-tenue: zwarte broeken en rood-wit geringde kousen. Dat dat later een wit shirt met een blauwe baan is geworden, doet nu verder niet ter zake. Naast voetbal werd nog handbal aan T.O.B. toegevoegd, ook voor meisjes. Die begonnen zich, feministes-in-de-dop, amper tien jaar later te ergeren aan de naam Boys in T.O.B., waarop vanuit het bestuur lankmoedig en met typisch Amsterdamse humor werd voorgesteld die afkorting dan maar te wijzigen in Tot Overspel Bereid. Wellicht kon dat de teamgeest aanwakkeren, maar kerkelijke goedkeuring kreeg die benaming niet, waarop als compromis uiteindelijk de huidige naam Trouw Ons Beginsel werd vastgelegd. Welk beginsel, staat er niet bij. Ik verzin het allemaal niet zelf, ik heb het van de officiële T.O.B.-site (zie rksv-tob.nl).

Triest is dat men zich vandaag de dag bij T.O.B. niets meer blijkt te kunnen herinneren van die benefietwedstrijd en die vijftien spiksplinternieuwe ballen, maar ik had mijn 11-4 in de knip en dat maakte bij voorbaat een hoop goed van alle Feijenoord-ellende die mij daarna nog te wachten stond…



Heeft iemand meer informatie over deze bijzondere wedstrijd?
Met name ben ik op zoek naar de complete opstelling van het Amsterdams elftal.

 

(Deze laatste vraag is inmiddels afdoende beantwoord: zie
http://nardloonen.nl/2014/04/19/delpher-haalt-oud-goud-naar-boven/ 

 

 

___________________

Woensdag 17 februari 1960, Olympisch Stadion, 20.00u
Amsterdam – Rotterdam 4-11
Toeschouwers: 15.000
Doelpunten Amsterdam: Jos Vonhof (DWS), Cees Groot (Ajax, 2x), Hans van Doorneveld (DWS)
Doelpunten Feijenoord: Kerkum (Feijenoord, pen.), Rijvers (Feijenoord, 3x), Schouten (Feijenoord, 2x), Meijers (Feijenoord), Moulijn (Feijenoord, 2x), Cor vd.Gijp (Feijenoord), Schouten (Feijenoord).
Amsterdam: Jan van Drecht (Ajax), Van der Klink (Blauw-Wit), Hans Boskamp (DWS-A), Soetekouw (Volewijckers), Niessen (DWS-A), Bennie Muller (Ajax), Slaak Swart (Ajax)/Arie den Ouden (DWS-A), Cees Groot (Ajax), Jos Vonhof (DWS-A), Mul (Blauw-Wit), Hans van Doorneveld (DWS-A).
Rotterdam: Pieters Graafland (Feijenoord), Kerkum (Feijenoord), vd.Lee (Sparta), Villerius (Sparta), Schouten (Feijenoord), Klaassens (Feijenoord), Walhout (Feijenoord), Meijers (Feijenoord), Van der Gijp (Feijenoord), Rijvers (Feijenoord), Moulijn (Feijenoord).

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7

Het wordt in dit zevende en laatste Sacramantsbericht tijd voor de finale afrekening. Niet zo zalvend als het Heilig Oliesel, maar meer een balans met zware gewichten “ter rechter en ter luchter side”. Uiterst subjectief, zoals alles van mij in deze weblog. Zoals het in mijn hoofd zit. Zoals het hoort.

Laat ik maar weer positief beginnen: ik heb het St.-Ignatiuscollege tussen 1959 en 1966 ervaren als een zeer goede school, misschien wel een van de beste van Nederland. Ik heb er uitermate veel geleerd, niet alleen in de achttien vakken die mij werden onderwezen, maar ook van de vormende, geestelijke ontwikkeling die ons werd bijgebracht, zo niet ingeslepen, en de vele mogelijkheden om je ook buitenschools te bekwamen en verrijken, variërend van liturgische muziek tot ordinair voetbal. Ik heb er een aantal zeer goede contacten aan overgehouden, zowel met (ex-)docenten als met (ex-)klasgenoten. Het IG heeft voor vele procenten de mens gemaakt die ik daarna bleek te zijn en nog ben.

Dat niet alles daarvan positief te noemen is, wil ik met nadruk in eerste instantie op het bord leggen van mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik kan niet zo veel IG-invloeden noemen waarvan valt te beweren dat ze mij hebben misvormd.

Hieronder zal ik, in navolging eigenlijk van wat ik op de weblog van Jos Heitmann aantrof, een aantal van mijn ex-docenten en enkele andere paters aan een eindoordeel onderwerpen. Ik wijk daarbij wat af van zijn inhoud en werkwijze: hij zat op de HBS en had dus met veel anderen te maken dan ik, maar bovendien is hij over het algemeen voortdurend gematigd tot zeer positief. Ik betoon mij veel zwart-witter, want zo ben ik. Voor sommige besprokenen geldt dan ook, dat (om maar eens een gruwelijke stijlfout te hanteren) als ze nog leefden, zij zich zouden omdraaien in hun graf. Leg er je eigen oordeel maar naast, het mijne zal er niet wezenlijk door veranderen.

Ik heb me beperkt tot een achttiental personen. Er liepen er natuurlijk veel meer rond, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die voor mij terecht zijn gekomen in een grote, grijze middenmoot; prima docenten ongetwijfeld, maar in mijn geval niet imposant genoeg, en zij brengen mij ook geen smeuïge details in herinnering die ik jullie niet zou willen onthouden. Een enkeling komt bovendien al aan de orde in eerdere Sacramentsberichten. Ik noem er een aantal op als voorbeeld:

Wim Bennink S.J. (Nederlands)(Den Haag 1920-Nijmegen 2000)
Jan Brinkhoff S.J. (Duits)(Nijmegen1912-Nijmegen 1996)
Paul Dresen S.J. (Maastricht 1919-Nijmegen 1991)
Nol Janssen S.J. (Nederlands)(Weert 1924-Helmond 2009), uitgetreden 1966
Wim van der Lee S.J. (biologie)(Amsterdam 1925-Nijmegen 2014)
Dionysius (Nies) vanLier S.J. (geb. Roggel/Heibloem 1925-Nijmegen 2020)
Jan Mooijman S.J. (Engels)(Stompwijk 1915-Nijmegen 2003)
Huub Oosterhuis S.J. (geb. Amsterdam 1933), uitgetreden 1969, woont nog in Amsterdam
Kees Wessels S.J. (Helmond 1880-Maastricht 1964)
Ton Wiewel S.J. (natuurkunde)(Amsterdam 1925-Nijmegen 1997)
Hans Wilting S.J. (geb. Pengkalan Brandan, Indonesia 1932), woont nog in Nijmegen

Maar voor ik aan die eindlijst begin, nog eerst even twee andere memorabilia.

Het eerste is de onuitwisbare herinnering aan het misdienaar zijn op het IG. Je moest, of mocht, of kon, bij toerbeurt misdienaar zijn bij een van de vele missen die er uiteraard dagelijks werden gelezen. Dan moest je wel eerder op school zijn, maar daar stond vaak wat tegenover, zo niet diezelfde dag, dan ongetwijfeld in het hiernamaals. Voor mij was het echter niet de vrome bijgedachte die mij in de superplie deed glijden. Wat mij bijstaat, was dat het een voortdurende competitie met de anderen was, wie er het eerste klaar was met de mis. Waarschijnlijk waren het nog niet gewijde paters die dagelijks bepaalden wie bij wie moest dienen, waarna zij met een zak vol tennisballen op de cour moesten gaan surveilleren. Alleen eersteklassers mochten met een tennisbal op het geasfalteerde middenterrein ballen, de grote jongens mochten alleen mediterende rondjes lopen rond de cour, en zulks uitsluitend linksom, net als op de atletiekbaan of bij het langebaanschaatsen. De dictatuur van de rechtshandigen dus.
Die misdienaarsbeurten werden volgens mij wel eerlijk verdeeld, zodat je niet dag na dag de klos was. Een beetje mis duurde tegen de 25 minuten. Had je geluk, bijvoorbeeld bij Zaat of Lorié, dan was je in een kwartier klaar. Ooit heb ik een record van 13 minuten geklokt. Had je pech, dan werd je verbannen naar boven in het patershuis om pater Wessels van dienst te zijn, die er standaard meer dan 35 minuten voor nodig had. Slaapverwekkend.
Ik herinner mij nog goed de triomfantelijke blik waarmee je, komend van een van de zijaltaren van die geweldig mooie kapel, hierboven met koor en orkest, oogcontact zocht met de zich verbijtende klasgenoot die op een van de andere altaren nog bezig was de consecratie met een rinkelbelletje aan te kondigen voor een niet aanwezig publiek. Had je hem even mooi met 5 à 7 minuten verslagen die dag!
En dan verder: als het even meezat, in de sacristie wachten tot de anderen weg zijn en dan gauw een stuk of 10 van die kleine hosties in je mond proppen. Niet van die tegenwoordige dikke volkorenhosties, maar die lekkere ouwe witte van ouwel. Had je veel geluk en lef, dan deed je het met een of twee van die grote hosties, maar die waren er niet zoveel voorhanden. De ampullen leegdrinken, vooral die met miswijn, was tamelijk riskant, want dat zouden ze wellicht gaan ruiken in de eerste les.

Heilige, veilige haven
Het tweede memorabilium is een vandaag de dag onontkoombare.

In ’n Eeuw IG (1995) staat op blz. 13 een citaat van Midas Dekker: “Jezuïeten staan erom bekend heel goed op het randje te kunnen manoeuvreren… Zij gingen bij mijn weten dus nooit over de schreef, in tegenstelling tot de paters franciscanen, waar we iedere zondag naar de mis gingen en die hun handen níet konden thuis houden…”. Ik vind het oneerlijk om nu de franciscanen alle schuld in de schoenen te schuiven. Waarom niet dan ook de Salesianen, of gewone seculieren, of voor mijn part bisschop Gijsen? Erger nog is dat het niet aannemelijk is dat Dekker gelijk heeft. Zelfs de eenvoudigste wetten der kansberekening wijzen uit dat als het rapport van de commissie-Deetman op zo grote schaal overal in Nederland poelen des verderfs heeft geboekstaafd (en in Vlaanderen kan een soortgelijk verhaal worden volgehouden), dat het dan uitgerekend de Jezuïetenscholen zouden zijn geweest waar in de tweede helft van de 20e eeuw helemaal niks gebeurde, met aan de blanke top der zuiverheid het Sint-Ignatiuscollege te Amsterdam als de Enige Echte Veilige Heilige Haven des Lands. Het is tè argeloos, zo niet naïef je aan die illusie te blijven laven.

Waarom staat er dan niks over het IG? Simpel: onze cultuur zorgt er niet alleen voor dat bepaalde spannende dingen alleen in het duister en in afzondering dienen plaats te vinden, maar tevens dat het niet well done is dat later nog eens uitgebreid aan de grote klok te hangen. Schaamte dus, vermoedelijk ontstaan uit een (opgedrongen) gevoel van mogelijke medeplichtigheid en zondigheid. Als je openlijk verklaart dat je aan je hebt laten zitten of zoiets, word je mogelijk maatschappelijk net zo gewantrouwd als al die verkrachte vrouwen die immers toch ook duidelijk aanleiding hebben gegeven tot. Had je toen maar niet zo jong en zo mooi moeten wezen, dan was hij wel van je afgebleven.

Het is niet alleen niet aannemelijk dat Midas Dekker ongelijk had, het is gewoonweg ook niet waar. Alleen moet je dan helaas dit hele artikel tot de bodem toe doorlezen om het bewijs ervoor te vinden. Sorry, maar ik zal het nu alvast van commentaar voorzien.

Eerlijk gezegd kijk ik er een beetje tweeslachtig tegenaan. Wat mij rond 1965 is overkomen vond ik op zich helemaal niet zo erg. Ik was oud genoeg (18 of zo) om te weigeren of me eraan te onttrekken. Het was niet zo dat ik meeging in de avances om een beter punt te krijgen of om juist te voorkomen dat ik bij weigering een slechter punt zou krijgen. Zo was hij niet. Eerder voelde ik me wel gevleid door deze vorm van aandacht die voor mij geheel nieuw was. Maar met die insteek kon ik moeilijk bij Deetman aankloppen.

Vrij recente gesprekken met oud-klasgenoten leverden een boeiend scala van reacties op, variërend van “Heel schokkend dat zoiets op het IG heeft plaatsgevonden”, via “Laten we van de doden de goede dingen onthouden en de slechte vergeten” tot “Ach gut, de ouwe snoeperd!”. Daarmee schoot ik dus ook niet zo veel op. Het zijn uiteindelijk twee overwegingen geweest die mij hebben doen besluiten een melding bij de commissie-Deetman in te dienen. Uit die melding heb ik hele passages geciteerd hier verderop onder de letter Z. Niet een klacht dus; de man is dood en een zak met geld hoef ik niet. En als ik hem met e.e.a. een plezier heb gedaan, dan zij hem dat van harte gegund. Wat dan wel?

De eerste is deze: bij een affaire als de onderhavige is niet alleen een persoonlijk belang gediend, maar ook een publiek belang. Daarmee bedoelde degene die mij deze fraaie formulering influisterde dat het niet alleen zo is dat ik er persoonlijk in eniger mate last van heb kunnen gaan krijgen, maar eerder dat het niet verborgen mag blijven dat ook in die veilige, heilige haven van het IG wel eens een deurtje op slot, gordijntje dicht, snaveltje toe en gulpje open ging. Ik vind dat een legitiem argument om een melding te doen.

De tweede is een direct uitvloeisel van het alom gepredikte non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Ik heb in de bewuste fase onbewust, onwillekeurig, ongewild een attitude aangeleerd gekregen, dat er weliswaar geschreven en ongeschreven regels bestaan, normen en wetten, maar dat het heel simpel mogelijk en uitvoerbaar is die ten eigen gerieve te omzeilen. En dat heeft bij mij niet goed uitgepakt, vind ik nu. Het is iets anders dan door oranje rijden of 60 waar maar 50 mag.

De commissie-Deetman heeft de Orde op de hoogte gebracht. Ik heb de schriftelijke excuses van pater Provinciaal ontvangen. Sterker nog, ik heb een jaar geleden een heel prettig en lang gesprek met hem gehad in Den Haag. Daarin verklaarde hij overigens dat dit de eerste melding vanuit het IG was, en dat er vanuit alle andere Nederlandse Jezuïetenscholen ook geen klachten of meldingen waren ontvangen, behoudens een aantal uit Canisius (Nijmegen), die al met al op één persoon blijken te zijn terug te voeren.

Ik handhaaf mijn argwaan die ik hierboven uitsprak op grond van de wetten der kansberekening. Ik geloof er geen barst van dat ik in 100 jaar IG de enig uitverkorene geweest zou zijn die dit heeft mogen ervaren. Maar daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd.

 

Dramatis personæ (in alfabetische volgorde)

Pater Jan-Maarten BREMER S.J. (Wijk bij Duurstede 1932), uitgetreden 1964
De enige pater die in onze beperkte optiek nou eens niet 70 of 80 was. Klopt ook, want toen wij hem in 1960 voor Latijn kregen, was hij 28. Dat hij, zoals Jezuïeten betaamt, uitermate intellectueel was, viel ons in eerste instantie nog niet zo zeer op. Hij doceerde ons, net als heer Bos die ik het jaar daarvoor had gehad, keurig netjes het hele Tirocinium Latinum, van rosa rosæ rosæ rosam rosa tot en met fero – tuli – latus. Bos was uit een ander hout gesneden, by the way. Van een degelijke oude stempel. Een van de zeer weinigen die plat Amsterdams praatte, bovendien. Befaamd is zijn gevleugelde oneliner: “Je èètsproak is fnèèkent foor je èndeksoame”.
Jan-Maarten Bremer ging anders met zijn vak om. Die kreeg het georganiseerd dat wij klassikaal bij ons thuis in de Lomanstraat tussen de schuifdeuren in het Latijn een opvoering gaven van Plautus’ komedie De Menæchmi. Dat hij na zijn uittreden in 1964 academisch verder ging met een promotie in 1969, gevolgd door een hoogleraarschap aan de UvA was ons (en hem) toen uiteraard nog niet bekend. Wel is blijven hangen dat het altijd een plezier was om met hem samen in één klaslokaal te vertoeven.

Pater Herman BRUSEKER S.J. (Amsterdam 1924-Amsterdam 2003)
Voor ons Pater Prefect, alias Pater Pens. Vanaf de cour de trappen van het bordes op, patershuis in en dan eerste deur rechts om een strafbriefje te halen of om andere praktische niet-vakgebonden zaken te regelen. Een uiterst joviaal man die wel met iedereen goed leek te kunnen opschieten. Zie mijn voorbeeld bij de letter R van Reijnders hieronder. Een meester in conflictbeheersing en voor iedereen aanvaardbare, creatieve oplossingen. Zijn populariteit werd nog aanmerkelijk vergroot in de periode van de verbouwing (1964-1965) toen de oude gymzaal was afgebroken en wij voor gymnastiek naar de Rozengracht moesten, ik meen in het Roothaanhuis. Niet zelden was hij daar dan ook om met ons als vijfdeklassers mee te gymmen.

Dhr.Ted DE CLOET (Rotterdam 1913-Amsterdam 1982)
Even vooraf: het is echt DE CLOET en niet DE CLOETH zoals in diverse bronnen abusievelijk wordt vermeld. Dus zonder H, gewoon de arme tak. Zie zijn stamboom.
Er zijn twee soorten mensen: degenen die hem enorm mochten, en degenen die hem vreselijk vonden. Ik geloof dat het van hem uit ook zo was gesteld. Ik heb nooit een andere leraar Engels gehad dan hem, dus op dat punt kan ik geen vergelijking maken, maar wel weet ik dat ik altijd erg met hem wegliep. Dat is eigenlijk vreemd, want op bijna alle punten des levens was ik het van harte met hem oneens. Zijn conservatieve inslag, zijn houding t.a.v. volkstaalliturgie e.d. botste voortdurend met mijn visie, maar er heeft al die jaren kennelijk een soort niet-aanvalsverdrag tussen hem en mij bestaan.
Hij beschikte over een niet onaanzienlijke dosis humor, maar ook daarover zijn de meningen weer erg verdeeld: sommigen konden er kostelijk van genieten, anderen vonden het geprogrammeerde, ingestudeerde grapjes voor de Bühne waar hoofdzakelijk hijzelf het hardste om moest lachen. Zoiets wat ik zelf sterk voel bij Paul de Leeuw en vooral Jörgen Raymann.
Bij Ted de Cloet viel het muntje voor mij toch de andere kant op. Zo kon ik het erg waarderen dat hij ook actief was als violist, pianist en organist (dat laatste overigens ook in de Engelse Hervormde Kerk op het Begijnhof) in het schoolorkest, waarmee het schoolkoor zo vaak samenwerkte.
Eveneens was ik uitermate gecharmeerd van zijn presentatie van
Winnie-the-Pooh, de psychologie van het boek, de humor, het fraaie taalgebruik. Zo sterk zelfs, dat ik het boek in diverse talen ben gaan verzamelen en lezen, bijvoorbeeld in het Latijn (Winnie ille Pu) en in het Tsjechisch (Medvídek Pú), welke titel ik op de literatuurlijst van mijn mondeling bijvakexamen Tsjechisch heb weten te plaatsen.
Oorzaak en gevolg van onze goed werkende verstandhouding was natuurlijk ook de fietstocht door Engeland in 1964, waarbij De Cloet ons enthousiast en zinvol heeft ondersteund. En last but not least, hij was de enige der docenten die bij de diploma-uitreiking in 1966 naar mij toe kwam om over het resultaat (en de verbazingwekkende 5 voor Engels!) met mij nog even door te praten.

Dhr. Piet FONTAINE (1921-2012)
Over de doden niets dan goeds. Dat moeten de journalisten van De Volkskrant en de NRC hebben gedacht toen ze in september 2012 een necrologie over hem publiceerden. Veel interessanter, want veel genuanceerder en beter onderbouwd, was de bespiegeling in de weblog van Huub Mous, al ben ik van mening dat je niet, zoals Huub doet, alle Jezuïeten uit die tijd over één kam mag scheren. Ook binnen die kring viel namelijk zo af en toe een scherpe tweedeling te bespeuren.
Fontaine was wel iemand die met grote overtuigingskracht, soms zelfs wat verongelijkt, zijn historische opvattingen aan de man wist te brengen. Voortdurend straalde hij klasse uit, maar had moeite met tegenspraak. Zijn (in De Volkskrant zo bejubelde) leermethode Van oermens tot wereldburger -wij kregen al die jaren geen enkel ander boek onder ogen, dus misten wij elke referentie naar alternatieven- werd door mij al vrij vroeg verafschuwd. Niet om zijn filosofische, of noem het spirituele, dualistische insteek, maar omdat de inhoud van de leergang zo onbeschaamd indoctrinerend was. Al vanaf de tweede klas weigerde ik daar in te trappen. Ik heb de boeken niet meer. In een grimmige bui van mij zijn ze bij het oud papier beland, dus ik kan er nu niet meer uit citeren. Maar mijn herinnering is nog vrij levend. Zolang het over de Babyloniërs of Farao’s ging, kon ik geen weerwoord bieden, maar vanaf het heidense Romeinse Rijk ging bij Fontaine de deksel van de beerput. Katholicisme en anti-communisme waren de peilers die in elk volgend deel in beton waren gegoten.

Nu trof het dat ik op een Jezuïetenschool zat (dus toch weer die Jezuïeten, Huub) die onder meer erop hamerden dat je je gelijk moest halen uit eigen bevindingen, eigen analyse en goed geformuleerde conclusies. Zo liet pater Dionysius (Nies) van Lier S.J. mij in IV-Gym een werkstuk schrijven over Kerk, Communisme en Wereldvrede, waarin ik mijn standpunten voor of tegen scherp op papier moest zien te krijgen. Het vervelende (voor Fontaine) was dat ik het communisme hoger aansloeg dan de Kerk. De door hem aangedragen schrijfsels van pater Werenfried van Straten over de “pletrol van het communisme” die weldra “Europa zou vermorzelen” beschouwde ik als drogredenen en een bewijs van onmacht en Koude-oorlogsretoriek.
Een jaar later schreef ik bij Nederlands, voor pater Merx (hé, alweer een Jezuïet) een opstel onder de titel “verwachting”. Zonder hoofdletters en in de voor die tijd gebruikelijke spelling -dat mocht van Merx-, waarin ik konsekwent het woord god had vervangen door goed. Links boven stond, zoals bij al onze schriftelijke producties “A.M.D.G.” met daaronder de datum, i.c. 24.3.1965. Rechts boven mijn naam en de klas. Enkele citaten: “Op school leert de mens de tegenpolen kennen van vrede en welvaart”; en over de mens die eindelijk van school af is en dan voor twee jaar met een geweer het veld wordt ingestuurd: “hij sukkelt maar door tot zijn dood, het summum van rust, misschien wel het summum van vrede. Maar is dat de zin van het leven?”; en, over het merendeel van de bevolking: “moeten zij zich maar troosten met de verwachting van het komende rijk?”. Ik kreeg een 8 voor dit opstel, vanwege twee vermeende stijlfouten, hetgeen ik vermag te betwisten.
Maar hoe het gebeurde, weet ik niet, dit opstel kwam Fontaine ter oge en de rapen waren gaar. Subiet werd ik ontboden te zijnen huize. Ergens in Nieuw-West, ik fiets er nu niet meer blindelings naar toe. En ik moest zowat regel voor regel uitleggen wat ik er mee bedoelde en waar ik dat allemaal vandaan had gehaald. En als klap op de vuurpijl kwam de slotvraag of ik eigenlijk überhaupt nog wel in God geloofde. “Ja, maar ik geloof op mijn manier”, gaf ik toen als dubbelzinnig antwoord.
Gelukkig was geschiedenis geen eindexamenvak en het opstel is me bij Nederlands op mijn eindexamen nog goed van pas gekomen; even doorscrollen tot de letter M van Merx.
Knappe man, die Fontaine, maar mij een beetje te eenkennig.

Pater Jan HIRS S.J. (Zandvoort 1913), uitgetreden 1977
Ik herinner mij hem als een degelijke, serieuze godsdienstleraar (mijn eerste eerste klas), waar niet mee te sollen viel, maar die altijd vriendelijk en soms zelfs humoristisch overkwam. Wel een beetje van bovenaf. Een aantal malen is hij bij ons thuis geweest om samen met Jan van Kilsdonk als partner te bridgen met mijn ouders, iets wat na mijn zittenblijven wel zal zijn bekoeld, schat ik zo.
Dat ik hem hier in beeld breng, heeft echter te maken met een detail dat verre van onbenullig bleek te zijn; het trof mij als een bliksemschicht in mijn vroegrijpe kijk op lichamelijkheid. Ik herinner mij nog goed die les waarin hij aandacht besteedde aan het verschil dat er bestaat tussen de religieuze en de historische waarde van de bijbel. Hij adstrueerde dat met voorbeelden als van het scheppingsverhaal, dat fysisch gezien natuurlijk nooit in zeven dagen kon zijn voltooid, maar de getallensymboliek en Gods almacht mochten het desondanks wel zo verwoorden. Had hij het daar nou maar bij gelaten, maar hij kwam nog met een ander voorbeeld: alle ons bekende bestaande afbeeldingen van Christus aan het kruis ten spijt beweerde hij dat het historisch gezien waarschijnlijk was dat de Zoon van God spiernaakt aan het kruis had gehangen. Op dat moment gingen bij mij alle zwaailichten op 78 toeren tollen. Net in een periode waarin mijn adrenaline, tegen alle geschreven en ongeschreven verboden in, zich onbeheersbaar en hardvochtig en met toenemend repeterend succes een weg poogde te banen naar mijn voor-uitgang, kreeg ik opeens, nota bene tijdens godsdienstles, het beeld voorgeschoteld dat mijn voorgeschreven R.K.-Idool, weerloos en wijdarms vastgenageld aan een houten kruis, in de Golgotha-etalage te bezichtigen zou zijn geweest in zijn blote piem.
Hirs had dat vast niet zo bedoeld. Hij had het overigens ook niet zelf bedacht, heb ik pas veel later ontdekt toen er eenmaal internet en Google bestonden, want hij stond op de schouders van bijvoorbeeld ene Michelangelo die dat in 1493 ook al had laten aanschouwen. En voor hem ook al Donatello (1460) en Michelozzo (1440) om er maar een paar te noemen. Maar Hirs wist dat, en had dat, zonder plaatjes, speciaal voor ons gegoogled. En het verhaal kunnen we dan ook nog wel even rondmaken: nu pas enkele jaren geleden liet beeldhouwer Marcel Joosen een aantal kleine, heel erg blote Christusjes in brons gieten, waarvan er prompt enkele werden verkocht aan… een pater Jezuïet die ze als relatiegeschenk aan vrienden wilde geven.

Bij mij braken tijdens die godsdienstles een aantal remleidingen. Gedekt, nee, liever geruggesteund door een serieuze pater, besefte ik dat zelfs de Groten der Aarde Naakten zijn. En wij die Hen moeten volgen, wat zouden wij meer of minder zijn dan zulk een ontwapenend, onbedekt vel? Ik betrok dat in een flits op mezelf. Telkens als ik thuis weer alles moest uittrekken om helemaal bloot een pak slaag in ontvangst te mogen nemen, of als ik in identiek costuum bad zat, of in bed lag, dan wist ik: zo zag X-tus er dus normaal gesproken ook uit. Wat mooi. Wat geweldig. Ik werd er bijna vroom van. En vanaf dat moment was ik van mening dat ieder mens recht heeft op zijn eigen naaktheid, waarbij ik meer dan eens in botsing kwam met het besef dat die dan wel het voorwerp diende te zijn van je ultieme zeggenschap.
Niet dat ik er beter van ben geworden; de maatschappij hanteert kennelijk andere normen, enkele excentrieke kunstenaars daargelaten. Het werd voor mij dus een lang gevecht tussen natuurlijke vrijheid, “normaal fatsoen” en afgedwongen oneer. Met ook een wel verrassende wending, maar we zijn nog niet bij de letter Z aanbeland.

Misschien is uit dit alles ook wel te verklaren dat ik aan de films van Pasolini verslingerd ben geraakt. En aan De Sade. En aan de Heilige Sebastiaan. Met dank aan pater Hirs.

Pater Bernard HUIJBERS S.J. (Rotterdam 1922-Espeilhac 2003), uitgetreden 1974
De naam is in heel wat Sacramentsberichten van deze weblog al gevallen. Niet voor niets. Ik denk dat van alle mensen die ik in mijn IG-tijd ben gaan leren kennen hij degene is aan wie ik het meeste heb te danken, te beginnen met de stemtest toen ik voor het eerst door het groene poortje was geslopen, tot vlak voor zijn dood bij hem op bezoek in Espeilhac (aan de ene kant van het dorp staat een bordje Espeillac, aan de andere kant heet het Espeilhac). Het was een optelsom van feiten en ontwikkelingen. De muzieklessen (klas 1, 2 en 4) vond ik heerlijk en leverden mij ook constant negens en tienen op het rapport op. Dat Orff-instrumentarium was mij een zegen; in de tweede klas moesten wij daarop de Bolero van Ravel in Klavarskribo spelen, en ik kreeg zowaar de zo cruciale partij van de kleine trom toebedeeld. In de vierde ging het meer om muziektheorie en compositieleer, uiterst nuttig voor je begrip van klassieke muziek. En dan was er natuurlijk door al die jaren heen, en nog lang daarna, het koor, de ontsnapping naar het Huis van Bewaring, de dirigentencursus, waarover ik in het zesde Sacramentsbericht uitvoerig heb gesproken. Sinds zijn verterk naar Zuid-Frankrijk heb ik hem daar nog een aantal malen bezocht en altijd bleef die goede verstandhouding, bijna een vader-zoonrelatie, waarin ik met mijn leergierigheid veel van mijn muzikale behoeften bevredigd kon zien.
Lange tijd heb ik gedacht dat de wereld zou instorten, althans de volkstaalliturgie, als hij zou komen te overlijden. Maar gelukkig heeft hij voldoende gezaaid om tal van vruchten levend te laten doorwerken.
Neemt niet weg dat ik hem erg mis.

Pater Jan VAN KILSDONK S.J. (Zeeland 1917-Amsterdam 2008)
“Ik ben geboren in het dorpje Zeeland”, sprak hij vele malen met die kenmerkende, sonore stem.
Les heb ik nooit van hem gehad, maar ik was wel met hem verbonden al die tijd. Voor zeer vele Amsterdammers, voor het IG, voor de hele Jezuïetenorde was hij een monument dat nauwelijks verdere introductie behoeft. Onverslijtbaar, onvermoeibaar (lange tijd dacht ik ook: onsterfelijk) met een fabelachtig geheugen. Had je hem 20 jaar niet ontmoet of gesproken, dan nog wist hij feilloos zich de namen van mijn broer en zussen te noemen. Hij was er mede de aanstichter van, ik geloof samen met Huub Oosterhuis, dat mijn broer Piet na zijn eindexamen in 1959 en een paar maanden studie aan de UvA besloot in te treden in de orde, zulks zeer tegen de wens van mijn vader, die weinig heil zag in een vage, celibataire en quasi-intellectuele toekomst van zijn oudste zoon, maar daarentegen liever gewoon een stamhouder uit hem zag groeien. Dat ben ik dan uiteindelijk geworden, met hangen en wurgen.

In zeker jaar werd De Kils mijn biechtvader. Dat had je toen nog. Op zijn kamer in de Pieter de Hoochstraat, bezijden het IG, zaten we dan op twee lullige stoeltjes tegenover elkaar, hij om functionele redenen met een paarse stola om zijn nek, en ik mij suf piekerend wat ik nou weer moest verzinnen aan stouts. Als ik dan, na de suikerpot en door rood fietsen, bij de climax was beland en ruiterlijk bekende dat ik weer eens x-maal per dag aan mezelf zat, hield hij de ogen gesloten en lachte hij minzaam. Meer dan wat Weesgegroetjes had hij niet als reactie. Tot het hem op een dag de keel begon uit te hangen en hij mij ronduit vroeg of ik niks beters kon verzinnen. Met jezelf bezig zijn was immers heel gezond en nodig om je voor te bereiden op een gelukkig leven.
Sindsdien heb ik nooit meer gebiecht. Ik had wel wat beters te doen.

Dhr. Ben KORSTJENS (Haarlem 1927-Amsterdam 2014)
Klassicus met een aan lompigheid grenzende nonchalance. Het zou best wel eens kunnen dat hij goed les gaf. Hoe beoordeel je dat op die leeftijd? Maar wat blijft hangen is die ene les in II-Gym toen ik weer eens zat te kloten en hij me zonder enige gele kaart vooraf toeblafte: “3x bladzij 24 en 25 vanEllhmikh Glotta overschrijven voor volgende les”. Ik nog protesteren ook, want ik had niks misdaan, vond ik. “6x bladzij 24 en 25”, was zijn koele reactie. Gemummel in de klas, die het kennelijk ook wel wat grof vond. En toen ik zelfs het lef had om ook daartegen in beroep te gaan: “9x bladzij 24 en 25”. Ik heb dat die avond thuis opgelost met carbonpapier, waardoor ik het per saldo toch maar 3x hoefde uit te schrijven. En zoals te verwachten viel, gooide hij het werk ongelezen in de prullenbak nog voor ik het goed en wel had ingeleverd. Zo lomp was hij inderdaad. Mooi zo.
Later kwam ik hem weer eens tegen, toen ik anderhalf jaar als invaldocent wat uren Nederlands op het IG gaf. Nu dus als collega. Hij vroeg of hij mijn Gotisches Elementarbuch van H. Hempel een tijdje mocht lenen. Ik had kort tevoren op de UvA mijn verplicht bijvak Gotisch net afgerond, dus dat was geen probleem. Tot op de dag van vandaag heb ik het boek nimmer teruggezien. Daarmee is hij voor mij echt door het ijs gezakt. En ditmaal definitief.

Pater Louis LORIÉ S.J. (Den Haag 1916-Groesbeek 1997)
Het boek ’n Eeuw IG leunt nogal sterk op deze klassicus die zo lang aan het IG was verbonden. Het begint al meteen op blz. 7 en siepelt door alle hoofdstukken heen tot hij achteraan op blz. 143 wordt bedankt. Misschien was hij een der Mohikanen die nog niet dood was, over een nog zeer geslepen geheugen beschikte en gaarne tot medewerking bereid was. Misschien ook liepen de auteurs van het boek erg met hem weg. Ik weet het niet.
De man is te waarderen om zijn eruditie en fabelachtige kennis van de klassieke wereld en de kerkgeschiedenis die hij met grote stelligheid en drang aan ons openbaarde, zij het onder Latijn of Grieks, zij het onder godsdienstlessen.
Maar bovenal is hij te herinneren als een man met een uitermate grote dosis onvoorspelbare humor, absurdistisch tot op het morbide af, die hij met zijn snerpende stem over ons heen stortte. Daar zou ik op zich ook nog wel waardering voor kunnen opbrengen, ware het niet dat telkenmale bleek dat hij anderen, bijna altijd dus leerlingen voor hem in de klas, tot mikpunt en slachtoffer van zijn eigen idioterieën maakte. Daardoor riep hij elke keer angsten op, nog voordat hij ook maar één woord had gesproken. Voor je het wist, ging jíj er immers aan deze les.
Mij overkwam dat in de vijfde, zoals ik in een ander Sacramentsbericht al uit de doeken heb gedaan. Noem mij maar rancuneus, maar weet dat ik in mijn hele IG-tijd niemand meer als deze man zo hartgrondig heb gehaat.

Pater Ad MERX S.J. (Nijmegen 1920-Nijmegen 2005)
Erudiet, innemend en sympathiek, ook al ken ik ook wel signalen dat hij minder positief werd beoordeeld: als te afstandelijk bijvoorbeeld. Dat speelde bij mij allerminst, misschien wel omdat hij Nederlands doceerde en dat nou net voor mij het vak bij uitstek was – al heel vroeg in mijn IG-tijd. De enige keer dat hij mij in negatieve zin heeft verbaasd, was tijdens een ontleedles in II-Gym toen ik hem vroeg hoe je eigenlijk de zin “Laat hem dat maar doen” redekundig moest ontleden. Hij dacht even na, en zei toen: “Ik weet het niet”. Ik zou over die zin wel een apart artikeltje kunnen schrijven, maar dat laat ik voorlopig maar even achterwege. In ieder geval ken ik intussen het antwoord.
Ik kwam hem weer tegen als docent Nederlands in V- en VI-Gym. Nog steeds werd hij voor mij gekermerkt door de gunstige eigenschappen waarmee ik dit hoofdstukje begon. Ik herinner me alleen geen voorbeelden meer om dat te staven. Het enige wat ik wel weet: op mijn eindexamen-cijferlijst prijken drie achten voor Nederlands. Ik schrijf die voor een deel aan hem toe, want een docent kan de prestaties van een leerling sterk beïnvloeden, twee kanten op. En dan nog iets: nadat ik in januari van mijn eindexamenjaar had besloten dat de KMA echt niks voor mij was, wist ik één ding zeker: als een man als Merx neerlandicus is, wil ik ook neerlandicus worden. En zo is het gekomen.

Bij het Schriftelijk Eindexamen der Gymnasia in 1966, vrijdag 29 april 13.30-16.00 uur Nederlands (Opstel) deed zich een saillant detail voor. Zoals gebruikelijk kregen we 8 titels voorgeschoteld. De nummers 2 t/m 8 daarvan met een vast omschreven titel, de eerste echter met de opdracht “Schrijf onder een zelfgekozen titel een beschouwing naar aanleiding van bovenstaand citaat”. En dat citaat was een gedeelte uit de Troonrede van koningin Juliana, september 1965, beginnend met: “Wij moeten vaststellen dat vele landen steeds verder in welvaart bij ons achterblijven…”. Weliswaar was ik al sinds enige jaren overtuigd republikein, maar ditmaal zag ik mijn kans schoon om het inkoppertje van die dame uit Soestdijk met een flitsgoal te verzilveren. Mede dankzij de voorbereiding op mijn verdediging van mijn vijfdeklasopstel in huize Fontaine kende ik de tekst van dat opstel nog steeds compleet uit mijn hoofd. Het sloot naadloos aan op gemeld citaat. Ik schreef dus, eerst in klad, toen in net, hetzelfde verhaal neer als een jaar tevoren, de twee vermeende stijlfouten inkluis. En Merx zou geen Jezuïet zijn als hij me niet consequent weer met een 8 beloonde.
Als eerste van de klas stond ik weer op straat.

Pater Kees MINDEROP S.J. (Rotterdam 1888-Nijmegen 1970)
Een man van imposante statuur, nog uit de vorige eeuw en niet weg te denken van het IG. Tijdens de wiskundeles stond hij vaak aan de zijkant van de klas, tegen het raam of de verwarming geleund, nagelbijtend van ergernis te staren naar wat wij, na lange aarzeling, allemaal aan onzin op het bord krijtten. Niet zelden vloog er dan een bordenwisser door de klas, want hij kon het niet langer aanzien.
Befaamd was ook zijn plastische uitleg over het begrip “congruente driehoeken”, de befaamde propositie IV van Euclides. Je tekende een driehoek, zei hij, en schreef dan op een papiertje de lengte van twee zijden ervan en de grootte van de ingesloten hoek. Dan stencilde je dat papiertje duizenden malen, stapte in een vliegtuig en strooide die papiertjes boven Afrika uit. Alle negertjes die zo’n papiertje vonden, haalden dan hun passertjes uit hun zwembroekjes en tekenden daarmee precies dezelfde driehoek als die van jou. Wij waren volstrekt overtuigd van zijn gelijk door deze mondiale evidentie.
Als eersteklasser zie je dat natuurlijk niet, maar ik denk dat we heel veel van hem hebben geleerd.
Vooral door hun toga’s waren alle paters voor ons minstens 70 jaar oud, maar in zijn geval was dat nog waar ook.

Dhr. A. PELS
Uit Alkmaar. Zoiets onthoud je. Gaf tot en met mijn eindexamen uitstekend wiskundeles. Elders heb ik eens gelezen dat hij zelfs bereid en in staat was zijn vak met oeverloos geduld aan alfa’s uit te leggen. Ik heb dat als ß niet kunnen nagaan. Wat ik met hem deelde, was zijn grote passie voor het spoorwezen. Ik had de indruk dat hij het hele NS-spoorboekje uit z’n hoofd kende en hij genoot zichtbaar als hij ons uitgebreid kon toelichten hoe de NS-dienstregeling wiskundig verantwoord werd ontworpen.
Op mijn mondeling eindexamen stereometrie had hij mij helaas tuk. Het was mijn beste wiskunde-onderdeel waarvoor ik over het hele zesde jaar op een dikke 8 gemiddeld stond. Hij meende mij dus wel iets pittigs te kunnen voorleggen, wetende dat ook vliegtuigen tot mijn grote hobby’s behoorde. Je vliegt van Amsterdam naar New York. Hoe teken je op een aardbol de kortste route?
Ik wist het niet. Ik wist alleen dat de KLM van Amsterdam naar Tokyo vloog over de Noordpool, dus om tijd te winnen begon ik te zeggen dat je natuurlijk niet op een platte, tweedimensionale wereldkaart een rechte lijn van A’dam naar NY moest trekken. Mijn 8 stond nog overeind. Maar het juiste antwoord moest ik hem helaas schuldig blijven. Hij heeft mij toen, ook weer heel geduldig en misschien ook wel om tijd te rekken, uitgelegd dat er door drie punten één en niet meer dan één vlak gaat. En dat het dus logisch was dat je Amsterdam, New York en het middelpunt der aarde als drie punten moest beschouwen waardoorheen je virtueel een vlak projecteerde. De snijlijn van dat vlak met de aardbol was dan de kortste te vliegen route. Ik snapte het meteen helemaal en ik vond mezelf vreselijk stom dat ik dat niet zelf had weten te bedenken. Met een nederige 7 moest ik het toen voor de rest van mijn leven maar doen.

Dhr. Carel REIJNDERS
Alles en iedereen bij elkaar genomen meen ik te mogen stellen dat hij de meest vooruitstrevende docent was die ik in al die jaren heb gehad. Met een vanzelfsprekende, bijna ontwapenende allure koppelde hij de droge geografiestof aan bij de tijd passende opvattingen over natuur en milieu. Dat deed hij thuis, aan de Cornelis Krusemanstraat, ook, getuige de carrière van zijn zoon Lucas.
Dat wij daarop maar matig waren voorbereid blijkt uit zo’n op zich onbelangrijk moment waarop hij uitlegde dat je steentjes in je fietsband maar beter met een mesje eruit kon peuteren om erger te voorkomen. Wij, in onze meer destructieve leeftijd bivakkerend, konden met messen alleen maar fietsbanden lek prikken.
Ik doe hem dan waarschijnlijk ook alleen maar oneer aan door me een voorval te herinneren dat zich zo sterk in mijn geheugen heeft vastgezet:
Reijnders was niet alleen groot van stuk, maar beschikte ook over een bovenmodaal grote neus. Wij zaten in III-Gym, en Jaap en ik zaten meestal naast elkaar helemaal achterin de klas bij het raam. Dat was voor Jaap didactisch gezien niet zo best, want hij kon onmogelijk over al die hoofden voor hem heen kijken en bovendien kon hij van die afstand volgens mij ook niks lezen van wat er op het bord stond, maar de gezelligheid vergoedde veel. Op dien fatalen dag kwam Reijnders de klas binnen met aan zijn neus een pulkje hangend. Een kodok, noemden wij dat thuis, refererend aan het Maleise woord kodok (=kikker). Zo slechtziend was Jaap nou ook weer niet, of hij merkte het op en stootte mij aan. Wij schoten in een volstrekt zinloze, maar niettemin onbedaarlijke lachbui. Toen die niet na vijf seconden over was, vroeg Reijnders ons wat er aan de hand was. Tja, wat moet je dan. Jaap, klein van stuk, edoch reeds goed voorbereid op zijn aanstaande carrière, kon zich met de hem toebedeelde atletische vermogens moeiteloos onder de schoolbanken laten wegglijden, de verdere afhandeling dezer precaire quæstie aan zijn eerste secretaris overlatend. Onopgemerkt kon hij daar zijn proestbui voortzetten. Het was aan mij om tot niets anders te komen dan een ontwijkend “niets; zo maar”. Reijnders echter was behalve vooruitstrevend ook opvallend recht door zee en gesteld op eerlijkheid. Hij stuurde mij de klas uit.
Ik zag het niet zitten om naar de prefect te gaan, zoals voorgeschreven. Wat moest ik dan? Over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en dan stamelend “Tuan besar hidung kodok” opbiechten? Ik ging dus door het groene poortje naar buiten, naar de sigarenboer op de hoek van de Pieter de Hoochstraat en de Ruysdaelstraat, die, slimmerik, sigaretten per stuk verkocht voor 1 cent (of misschien was het toen al 5 cent).
De volgende aardrijkskundeles begon opwindend. Reijnders vroeg mij koeltjes of ik er al achter was gekomen waarom het vorige les zo lollig was. Ik was me van het hele voorval helaas niet meer bewust. Ik kon opnieuw inrukken. De jurist in mij zei dat ik ditmaal niet de klas was uitgestuurd, maar dat mij slechts de toegang tot het klaslokaal was ontzegd, dus hoefde ik niet naar de prefect. Maar toen de komedie zich de daarop volgende les wederom voordeed, en ik er dus weer uit moest, vond ik het welletjes, tevens onhoudbaar. Ik liep over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en vertelde pater Bruseker onomwonden wat de aanleiding en het gevolg van de situatie was. Zijn reactie was ongeveer dezelfde lachbui als die van Jaap en mij. Hij loste de situatie op zijn geheel eigen wijze op. Ik kreeg een strafbriefje, voor de pura pura, en hij zou er in de docentenkamer dan wel voor zorgen dat het conflict de wereld uit werd geholpen, om te beginnen bij Reijnders.
Nooit meer iets over gehoord verder. 

Dhr. Wim SLIJPEN
De vleesgeworden kettingroker (zo leer je van iedereen weer iets anders); hij stak in de klas elke volgende sigaret aan de vorige aan. Chief Whip, meen ik. Of was het Golden Fiction? Stom dat ik dat niet meer weet.
De compromisloze Carillonbespeler. Aan het eind van het eerste jaar kende je de helft of meer van Tervoorts gedichtenbundel uit je hoofd en moest je daaruit ook “voor punt” declameren voor de klas, iets waarin Huub Mous aanmerkelijk beter was dan ik, al laat hij zelf in zijn weblog de eer liever aan Martine Bijl. Ik meen dat Slijpen “De achttien doden” van Jan Campert voor iedereen verplicht stelde; verder mocht je je eigen keuzes maken. Dit feit heeft overigens niks te maken met het feit dat ik hier 18 docenten bespreek.
Groot liefhebber van Velogram, welke ontleedmethode ik bij het schrijven van mijn proefschrift (1997-2003) nog eens grondig tegen het licht heb gehouden en waarvan ik heb geconstateerd dat die een lust voor docenten was vanwege het nakijkgemak, maar voor leerlingen nogal tweeslachtig: de goede leerling leerde er scherp analytisch door denken en ontleden, de wat zwakkere leerling was de klos, want er werd totaal niets uitgelegd wat zijn positie ook maar iets kon verbeteren.
Oprichter en eerste directeur van het Contardo Ferrinicollege in Amsterdam, een avondschool als een soort tweede-kansonderwijs voor mensen die het regulier niet hadden gered, om wat voor reden ook. Dat konden mensen zijn die door de oorlog niet aan hun eindexamen waren toegekomen (zoals ik er later bij de C-cursus in Eindhoven en de MO-opleidingen van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen ook talrijke heb gehad: ofwel vroegtijdig afgebroken door de oorlog, zodat ik wel eens heb meegemaakt dat ik als docent de jongste van de klas was, ofwel vrouwen die kinderen hadden gekregen en dus moesten stoppen met hun opleiding. Eens de kinderen de deur uit, pakten ze hun studie weer op).

Nu we het toch over de oorlog hebben: bijna geen enkele docent op het IG liet daarover ook maar iets los. En ze wisten zo veel. Jammer. Maar zo niet Wim Slijpen. Meer dan eens per jaar, namelijk iedere keer als hij had geconstateerd dat een leerling zijn brood niet opat, maar in de prullenbak deponeerde, vertelde hij roodaangelopen en met trillende stem hoe hij had gezien dat in de oorlogswinter een meneer, een echt heel nette mijnheer in colbert en stropdas, over straat liep, dan een lepel uit zijn binnenzak haalde, en daarmee in vuilnisbakken ging schrapen om er nog iets eetbaars uit te halen. Je schaamde je kapot als je net van thuis weer veel te veel brood had meegekregen met iets erop wat niet lekker was.
Nu nog steeds heb ik moeite met het weggooien van etensresten. Zal ook wel iets met Jappenkampen te maken hebben.

Dhr. L. SWEERTS (Haarlem 1896-Amsterdam 1980)
Naast het feit dat hij, als zovele andere docenten, een uitstekend vakman was, was hij in mijn ogen ook degene met het grootste didactisch vermogen. Altijd met dat aanwijsstokje in de hand wist hij iedereen van de eerste tot de laatste minuut prikkelend te boeien met natuurkundige theorieën (prakticumlokalen voor natuurkunde waren er nog niet – of niet door hem gebruikt), waarvan ik eerlijk moet bekennen dat ze me wat vaag bleven totdat ik later ging ontdekken dat je op de fiets zittend het hele natuurkundeboek aan het berijden bent: versnelling en vertraging, snelheid, gyroscopische werking, koppel, arbeid, vermogen, dynamo, warmte, wrijving, alles zit er in en op en aan een fiets.
Was er een stoel onbezet vanwege een zieke leerling, dan kwam hij quasi verbaasd daar naartoe lopen, tikte met het stokje op het tafeltje en vroeg ons bezorgd en tragi-komisch: “Sede vacante?”. Soms ook, als het over energie, arbeid en warmte ging, begon hij opeens te zingen: “Energie gaat NOOIT verloren!”. Indringend poogde hij ons ervan te overtuigen dat er helemaal geen middelpuntsvliedende kracht bestaat, maar dat alleen de wet van de traagheid functioneert. Louter het feit dat hij het zei, deed ons geloven dat het ook zo was. Werkelijk een topdocent.

Pater Karel VERHOFSTAD S.J. (Amsterdam 1905-Amsterdam 1982)
Meestal actief in HBS-gelederen, maar net in mijn eerste eerste jaar conrector van het Gym en mijn leraar geschiedenis.
Over hem deden verhalen de ronde dat hij het in de oorlog niet bepaald prettig had gehad. Iets met geïnterneerd of kamp. Maar net als zowat iedereen van het docentencorps liet hij daar geen woord over los. Alleen van Wijdeveld had ik dat kunnen begrijpen, achteraf.
Van meet af aan was hij niet bepaald mijn type, te grof, te ruw, onbenaderbaar. Bovendien tracteerde hij me aan het eind van het jaar op een 4 voor geschiedenis, waardoor ik bleef zitten. In de periode daarvoor heeft hij me nooit ertoe bewogen wat meer uit te voeren, noch heeft hij daarover met mijn ouders gesproken, hetgeen hem in huize Lomanstraat uitermate kwalijk is genomen. Omdat ik nog steeds het gevoel heb dat ik toen door hem mateloos ben genaaid, staat hij bijna onderaan mijn ladder van sympathie. Laat ik het daar maar bij laten.

Dhr. Gerard WIJDEVELD (Duiven 1905-Nijmegen 1997)
Tja. Met de kennis van nu…
Een wijs, gezaghebbend en sympathiek man, sterk als klassicus en vertaler van vooral Augustinus, maar ook enorm goed in de persoonlijke communicatie. Strikt in de leer, scherp in de humor. Als je, zoals zo vaak bij een vraag, zei: “Ik zou het niet weten”, verbeterde hij zelfs dát nog: “Je bedoelt: Ik weet het niet?”
En het getuigt toch ook wel van doceerkracht als je elk jaar opnieuw met aan geestdrift grenzende verve de eerste regels van de Odyssee voordraagt.
Ook hij dus zweeg over de oorlog, en dat was maar goed ook. Eigenlijk verbaast het me dat hij op het IG werd aangenomen, maar ik ken de bijbehorende beweegredenen niet, dan hooguit dat dat met Augustinus te maken had.
Misschien is dit wel even het moment om op te merken dat er in alle lagen van de Amsterdamse samenleving, het IG niet uitgezonderd, vaak behoorlijk werd geworsteld met de vraag hoe je met mensen moest omgaan die fout waren geweest, of waarvan dat althans werd beweerd. De tijd van de volkswoede en wraakacties was dan wel voorbij, maar in hoeverre kregen deze mensen de gelegenheid en ruimte het leven weer enigermate leefbaar in te richten? Typerend was het ook dat we in de jaren dat ik als docent aan het IG verbonden was, en we zowat een generatie verder waren wat de leerlingen betreft, de vervolgvraag in discussie kregen: hoe ga je in de klas om met leerlingen waarvan de ouders fout waren. Ik had er zo een in de klas, vandaar. De communis opinio op het IG was dat je kinderen nooit mag nadragen wat je hun ouders te verwijten hebt. Maar voor je het weet, ga je dan positief discrimineren of juist net de verkeerde grapjes maken. Er zat best wel wat spanning op deze kwestie.

Ik heb Wijdeveld in ieder geval nooit iets verweten, maar hem, in tegendeel, steeds erg gewaardeerd.

Pater Gerard ZAAT S.J. (Den Haag 1921-Den Haag 1999)
What’s in a name. Of, om in zijn stijl te blijven: Nomen est omen.
Zo af en toe rook je in de gangen sigarenlucht en daar bleek dan Pater Zaat aan vast te zitten met zijn typerende, huppelende tred alsof hij op Nike Air liep (Jaap dHS vond dat altijd geweldig karakteristiek en imiteerde het ook graag).
Hoewel in principe altijd vriendelijk, op het minzame af, straalde hij in de klas in hoofdzaak gezag uit. Mocht ook wel voor iemand die klassieken gaf op het Gym, vaak klassepater was, op een gegeven moment ook zelfs rector van het Gym en/of van het patershuis. Ik heb zijn hele cv niet precies meer voor de geest.
Net als bij Verhofstad gingen er ook over Zaat wel wat verhalen rond; over vroeger bij hem thuis en heksen en kelders, maar het bleef voor mij bij dat soort ongeordende rumor.
Als bijbaantje was hij ook zo’n beetje de interne hoffotograaf van het IG. Als er maar iets collectiefs buitenschools plaatsvond schoot hij vele rolletjes vol, waarvan je dan later wel of niet nog iets te zien kreeg. In ieder geval staan er in n Eeuw IG wel een paar foto’s die tot zijn œuvre behoren. Op het IG genomen, binnen of op de cour, op de VIC-velden bij wat voor toernooi dan ook, alles werd minutieus op de gevoelige plaat vastgelegd. En hoe korter de witte of zwarte broekjes, hoe kleurrijker de foto’s. We zien op blz. 52 van genoemd boek een klein fotootje met bijschrift “Pater Vlugt schrobt een zwarte Piet schoon 1955-60”. Ik ken de auteur, want ik speelde zelf ook jaren lang voor Piet. Nog los van het feit dat het arme gefotografeerde jong, inmiddels gelukkig wel bijna helemaal blank op zijn gezicht na, daar blijkbaar 5 jaar in dat bad heeft moeten zitten (hoeveel foto’s heeft dat opgeleverd?), is op de foto ook het zwembroekje te zien dat tot de zwartepietenoutfit behoorde. Je kreeg namelijk een zwartepietenpak incl. zwembroek om te voorkomen dat moeders later kwam te zitten met een hele trommel vol zwartdoorlopen wasgoed. Wij vonden het allemaal prima. Ik heb nooit, maar dan ook nooit ook maar iemand een opmerking horen maken over het feit dat al dat gepoets en gebadder telkens weer werd vereeuwigd.

Ik zou deze Sinterklaasactie misschien helemaal niet hebben gememoreerd als zich niet jaren later een pikant vervolg had voorgedaan. Op zekeren dag… (daar ga ik al: ik weet de datum niet meer, niet eens precies het jaar, dus juridisch kan het de prullenbak in). Op zekeren dag vroeg deze fotograaf mij of ik na afloop van de lessen even op zijn kamer wilde komen. Voor mij was dat niets vreemds; ik kwam zeer frequent bij deze of gene pater op de kamer vanwege mijn uitbundige buitenschoolse betrokkenheden.
Na een hoop koetjes en kalfjes en meer van dat gedrentel kwam de prangende vraag of ik misschien (maar het hoefde niet als ik niet wilde) voor zijn camera wilde poseren. Ik had geen benul welke kant hij op wilde, enerzijds misschien door argeloosheid, anderzijds omdat ik me vrij genoeg voelde om ja of nee te zeggen. Per slot van rekening was ik al 18 of daaromtrent – geen klein kind meer dat zich makkelijk laat in- of uitpakken. De eerste fotosessie vond geheel gekleed plaats, op zijn kamer. En of ik nog eens terug wilde komen. En of ik er dan misschien bezwaar tegen zou hebben om ook in zwembroek te poseren. Ik zei hem dat dat in orde was en dat ik thuis wel een tweetal geschikte exemplaren had liggen, maar dat hoefde niet, want die had hij zelf ook wel genoeg op voorraad.
De volgende keer vroeg ik allereerst of ik de vorige reeks foto’s mocht zien. Het bleken kleurendia’s te zijn, die hij zonder aarzeling ook voor mij projecteerde. Ik was niet ontevreden, maar was er ook niet ondersteboven van, noch van de kwaliteit, noch van de mate waarin het mijn al dan niet latente narcisme wist te prikkelen.
Van onder zijn bed haalde hij een grote bananendoos tevoorschijn waarin zich allerhande aquatisch textiel bevond. Het waren de zwartepietenbroekjes. Hij zocht een geschikt exemplaar uit en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het, trok daarna de rest van mijn kleren uit en liet me in alle gewenste standen fotograferen. Maar, om met zijn woorden te spreken, variatio delectat, en dus vroeg hij mij een aantal keren van zwembroekje te wisselen. Niks op tegen, op zich, maar alleen stond je dan enige seconden met zonder niks aan. Daarvan maakte hij geen foto’s, maar hij hield wel nauwlettend in de gaten of ik wel het goede broekje pakte en of het wel paste. De volle glorie is hem dus meermaals bepaald niet ontgaan. Ik herinner me daarbij één voorval in het bijzonder: hij had uit de doos een echt heel mooi, sensueel, spierwit zwembroekje gepakt en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het vorige uit en stapte in het gewenste broekje, maar dat bleek toch meer een maat voor 12-jarigen te zijn. Wat ik ook sjorde, ik kreeg het zijdeachtige ding maar net tot boven de knieën getrokken. Ik voelde me bijna schuldig, en zei: “Kijk, ik denk dat dit veel te klein is. Hij bestudeerde de situatie zorgvuldig, zag dat broekje daar klem zitten en ongetwijfeld ook vlak daarboven wat er allemaal hulpeloos hing te bungelen. Zijn conclusie was, dat ik maar een ander broekje moest proberen.
Sessies van dit soort hebben zich een paar maal herhaald, in totaal zo’n drie tot vijf keer, ik weet het niet meer, maar het doet ook niet ter zake. De laatste ontwikkeling in het proces was dat hij mij vroeg of ik misschien namen kon noemen van andere jongens op school waarvan ik het vermoeden zou hebben dat ze dit misschien ook wel wilden doen voor hem. Handig maakte hij daarbij dus gebruik van mijn wijdvertakte vriendenkring op school. Ik zei hem dat ik geen geschikte kandidaten kende. Deels was dat ook waar, maar vooral was het zo dat ik er geen zin in had anderen erin te betrekken, niet thuis, niet op school, al was het maar omdat dan zou blijken dat ik me met dat soort praktijken inliet, en ik ook wel op mijn klompen aanvoelde dat er grenzen werden overschreden. Daarom zei ik hem dat ik alleen een aantal namen kon noemen (en dat deed ik ook) van jongens van wie ik zeer zeker wist dat hij het ze juist NIET moest vragen. Daarmee was de kous verder af. Nooit heeft hij mij gevraagd om zonder zwembroekje te poseren. Ik heb het hem ook niet aangeboden. En nooit is hij in zijn activiteiten verder gegaan dan wat hierboven staat.
Of zijn latere overplaatsing van het IG naar Nijmegen enig verband houdt met eventueel uitgelekte praktijken, is mij niet bekend; Jezuïeten werden met regelmaat overgeplaatst zonder dat er van een disciplinaire maatregel sprake was.

Pater Zaat is dood, en naar de foto’s, die ik de laatste tijd heel erg graag terug zou willen hebben, kan ik gevoeglijk fluiten. De Orde heeft verklaard in geen enkel archief in Nijmegen of Amsterdam er nog iets van terug te hebben kunnen vinden, en aan de familie zijn ze na zijn dood ook stellig niet overgedragen. Ik kan dat allemaal natuurlijk niet controleren, maar ik moet het er maar mee doen.
Voor de rest verwijs ik naar wat ik hieromtrent heb vermeld in het hoofdstukje Heilige, veilige haven hierboven.

Ik sluit hiermee mijn IG-tijd af. Maar niet in mijn hoofd. Dat mag ook niet:

En komt het grote leven
-het blijft een avontuur-
met ingespannen streven,
met plichten zwaar en duur,
dan willen wij met ere
de levensstrijd doorstaan
voor land en volk ons weren
als oud-Ignatiaan.

 

 

1-0; elend und heimweh

AFL. 3 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; aangepast 2015)

__________________________________________________________________________________
Nederland had de DDR nog niet eens erkend; dat gebeurde pas begin 1973. Maar het UEFA-lot had begin 1970 toch twee Nederlandse clubs gekoppeld aan teams uit dat niet bestaande land. De ene moest het opnemen tegen Carl Zeiss Jena, voor Feijenoord kwam FC Vorwärts Berlin uit de koker. In beide gevallen betrof het een uitwedstrijd op 4 maart 1970 en de return in Nederland 14 dagen later.

Kennissen van mij in Berlijn hadden vier kaartjes voor het Walter-Ulbricht-Stadion klaarliggen, eretribune nog wel, en ondanks de slechte weersvooruitzichten polste ik wat mensen om samen naar het oostfront te rijden. Uiteindelijk besloten er twee om mee te gaan, zodat we op 3 maart met z’n drieën in een gehuurde Kever op weg gingen. Al op de West-Duitse snelwegen bleek het een barre tocht te gaan worden: veel sneeuw en maar één rijstrook beschikbaar. Dat schoot niet echt op en even overwogen we de hele trip maar te skippen en terug te rijden, maar de verlokkingen van het avontuur (we waren nog nooit in de DDR geweest) wonnen het van de angst voor ongelukken.

(Foto: Huub probeert de bevroren kofferklep van de Kever te openen om een voetbal te pakken, opdat we even de spieren konden lostrappen op de West-Duitse Parkplatz; “bitte sauber halten”)

Destijds was de situatie zo: na de oorlog was Duitsland in vieren geknipt, Amerika, Engeland, Frankrijk en de Sovjet-Unie bezetten elk één deel, maar de meest oostelijke zone, de Russische, had zich tot een onafhankelijk land verklaard: de DDR. Omdat heel Berlijn binnen het grondgebied van de DDR lag, was ook die stad in vieren geknipt door dezelfde bezettingsmachten, met Oost-Berlijn als hoofdstad van de DDR en West-Berlijn als lastig Westers eiland in een vreemde, niet-erkende staat. Om daar te kunnen komen, was afgesproken dat er drie corridors tussen West-Duitsland en West-Berlijn liepen waarlangs in principe vrijelijk heen en weer kon worden gereisd. Daarvoor had je dan een Transitvisum nodig, plus een verblijfsvisum voor elke dag dat je in Oost-Berlijn, dus de DDR wilde verblijven. Dat was allemaal aan de grens te regelen, als je maar betaalde.
Alle prijzen stonden vermeld in DDR-Marken, maar je moest afrekenen in Westmarken tegen de woekerkoers van 1:1. Op straat in de DDR kreeg je wel 5 tot 7 Oostmark voor een Westmark, ook al was dat zwart wisselen natuurlijk streng verboden. Ik had intussen wel wat ervaringen met Oostbloklanden, maar voor mijn gevoel was de DDR toch anders. Was het in wat liberalere landen als Tsjechoslowakije en Hongarije zo dat alles mocht, tenzij het was verboden, van de DDR had ik eerder de indruk dat alles was verboden, tenzij het was toegestaan. Het bleven toch Duitsers.

Bij Marienborn/Helmstedt, aan de zonegrens tussen West en Oost, beleefden we echter de eerste positieve verrassing. Omdat het gedoe met die visa en paspoortcontrole zoals gebruikelijk lang duurde -als je er binnen een uur door was, had je geluk- stonden er rijen auto’s te wachten, ditmaal opvallend veel Nederlandse. En omdat alles en iedereen door elkaar heen liep, was ook goed te zien dat het allemaal rood-witte supporters waren in opperbeste stemming. Nu hadden wij van de Westerse propaganda geleerd dat de zonegrens werd bewaakt door Vopo’s (VOlksPOlizei) die op alles schoten wat bewoog. En inderdaad, bij de grenspost was het lange prikkeldraad van het IJzeren Gordijn, dat liep van Finland tot Griekenland, heel beperkt onderbroken en waren er slagbomen en andere wegversperringen met opzij ervan een hoge wachttoren waar bovenop een groot aantal Vopo’s op de uitkijk stonden. Wat die ook gewend waren, dit supportersgehos toch zeker niet, en in plaats van gewoon te gaan schieten, begonnen ze enthousiast naar ons te zwaaien, niet beseffend dat ze naar twee groepen tegelijk zwaaiden die onder normale omstandigheden elkaars bloed wel kunnen drinken. Maar ja, allebei rood en wit; wisten zij veel. Wij zwaaiden goedgemutst terug.

Eenmaal door de controlepost heen, sloeg de ene helft van de file rechtsaf, naar het zuiden richting Jena; de harde kern reed gewoon rechtdoor naar Berlijn, over een snelweg waarvan ook maar één rijstrook was geveegd. Het wegdek bestond overigens niet uit beton of asfalt, maar uit bakstenen klinkers en er gold over het hele traject van bijna 200 kilometer een maximumsnelheid van 60 km/u. Nou bepalen Nederlanders in principe zelf wel hoe hard ze rijden, dus de hele karavaan tufte met 80 ongeveer oostwaarts. Sporadisch was er een parkeerplaats langs de weg, waar je vervolgens helemaal niks kon krijgen, ook al was je in Oostbloklanden verplicht voor elke dag dat je visum geldig was een vast bedrag aan zo broodnodige harde westerse valuta om te wisselen voor het lokale geld. Ik meen in dit geval 25 Westmark per persoon per dag, waarvoor je dan 25 Oostmark kreeg die je met geen mogelijkheid kon opmaken, want ofwel er was niks te krijgen, ofwel de winkels waren dicht, ofwel de prijzen waren zo laag dat je niet van je geld afkwam.

Gelukkig liep dat bij een van de parkeerplaatsen anders. Ongetwijfeld gealarmeerd door de grenswachten dat er een horde wel erg vrolijke Nederlandse voetbalsupporters onderweg was naar Berlijn, hadden zich op die parkeerplaats enkele Vopo’s verdekt, maar vastberaden opgesteld met verrekijkers, en toen de colonne dichtbij genoeg was, sprongen ze de weg op en dirigeerden ons allemaal naar de afrit. Paspoortcontrole. Visumcontrole. Een vluchtige blik in de auto of daar niks verdachts in zat. En of we niet wisten dat je maar 60 mocht rijden. Spijtig genoeg kon niemand van ons Duits, dus het gesprek kwam niet echt los. Maar de voorbedrukte bonnen waren al uit de boekjes gescheurd: “Verwarnung mit Ordnungsgeld. 10 M”. Nou was 10 Oostmark op straat zo ongeveer € 1,00 waard, dus als ze niet ook nog de auto in beslag namen, kwamen we er heel schappelijk van af. Het bedrag moest contant worden afgerekend. Helaas kon dat alleen in Westerse valuta, zodat we, omgerekend, € 5,00 kwijt waren en met al dat Oostgeld bleven zitten. Hoe we het verder hebben klaargespeeld om nog voor donker in Berlijn te komen, weet ik niet meer, maar het is gelukt.

(Foto: Achter de muur: de Brandenburger Tor)

Daags daarop eerst de toerist uitgehangen in Oost-Berlijn, zoveel mogelijk knakworst met Brot&Pommes en koffie verorberend om van het geld af te komen en toen maar eens een keer naar het stadion. De wedstrijd begon al om 4 uur, want ze hadden destijds bij de bouw vergeten een lichtinstallatie aan te brengen. We waren ruim op tijd, wat goed uitkwam, want ik zat nog steeds met één kaartje teveel bij me en dat wilde ik graag op straat verpatsen. Die kaartjes waren relatief wel duur: 8,10 M voor de eretribune. De plaatsen achter de doelen gingen voor 4 M. Bedenk dat de staanplaatsen in de Kuip bij de return voor ƒ 4,= gingen, dus dat lijkt inderdaad 1:1, maar afgezet tegen de koopkracht in de DDR was het wel erg veel. Je kon er in ieder geval goed van uit eten gaan, dus ik wilde als zuinige Hollander dat kaartje niet zomaar weggeven aan een aardige Duitser.
Terzijde: die overvloed aan Oostmarken ben ik toch wel kwijtgeraakt aan nuttige dingen: een hogedrukverfspuit en een slingerklokje met gewicht eraan – nu, net 40 jaar later, functioneren beide nog steeds prima; er werd in de DDR heus wel kwaliteit gefabriceerd.

Op het veel te grote plein voor het stadion liepen wel wat mensen. Echt druk was het niet, dus ik moest even rondkijken wie ik zou benaderen. Uiteindelijk zag ik iemand een beetje besluiteloos voor zich uit staren. Ik liet een kaartje zien en knikte even vragend met mijn hoofd. Gretiger dan ik had verwacht ging hij op die avance in en vroeg me even te wachten. Ik had geen flauw benul wat voor man het was. Een lopendebandarbeider van de Trabantfabriek? Een Stasi-informant? Een Vopo in burger? Alledrie tegelijk? Zou zo maar kunnen. Spaans benauwd kreeg ik het toen hij uit zijn binnenzak een loei van een portofoon haalde en iemand begon op te roepen. “Bitte kommen!”, was het enige wat ik kon verstaan. Ik keek even naar de anderen en zag dat we alle drie hetzelfde dachten: rap wegwezen. Ik wist immers ook wel dat nergens stond dat het was toegestaan voetbalkaartjes op de openbare weg te verkopen, dus was het verboden. Maar op zo’n open vlakte was dat eigenlijk geen optie; wegrennen zou schuldbekennen betekenen met alle gevolgen van dien. Een simpele melding in de oorlogsliteratuur “Auf der Flucht erschossen” flitste door mijn hoofd en ik wilde toch liever eerst nog die wedstrijd zien. En dus bleven we maar gewoon staan, om ons heen kijkend wat er op ons afkwam. Kort daarop verscheen de gealarmeerde collega, ook al in burger. Hij werd nader geïnformeerd, greep in zijn binnenzak en gaf mij een briefje van 10 M in ruil voor het kaartje. Hij leek er werkelijk heel gelukkig mee te zijn. Wij ook.

(Foto: Het Legioen, omringd door Vopo’s)

Het Walter-Ulbricht-Stadion, later omgedoopt tot Stadion der Weltjugend, was een ervaring op zich. Zelden zo iets triests gezien. Een overdadig grote, lompe betonnen kolos, niet hoog, maar daarentegen extra wijd en breed met een sintelbaan eromheen en tussen de doelen en de sintelbaan zou je met gemak nog een ijshockeybaan kunnen aanleggen conform IIHF-afmetingen. Op de tribunes had men goedwillig met sloophout her en der wat zitbanken geschroefd die echter door de winter en het vocht zo verweerd waren, dat zelfs erop gaan staan al hoogst onbetrouwbaar was. Het vijftiger jaren scorebord hing van ellende aan elkaar en leek te zullen bezwijken onder elke stand boven de 1-0. Dat kwam dus goed uit. Dit paradepaardje van socialistische betonbouw bood plaats aan 70.000 toeschouwers. Nu is een half lege Kuip al een troosteloos gezicht (bij de return twee weken later zaten daar toch mooi dik 63.000 mensen!), maar op deze wedstrijd waren nog geen 20.000 bezoekers afgekomen, ongeveer de helft ervan in uniform, hetgeen helemaal paste bij de kleur van het beton en de grauwe lucht erboven. En het was koud ook nog. Geen wonder dat alleen al de sloop van het gedrocht in 1992 ruim 32 miljoen Westmark heeft gekost. Bij dat stadion vergeleken was de oude Goffert in Nijmegen een pronkjuweel van verfijnde architectuur.

In het uitvak (mocht het die naam hebben?) was het Legioen met zo’n 100 man aanwezig, voor alle veiligheid omringd door een veelvoud ervan aan Vopo’s. Dat hadden ze, avant la lettre, van de politie uit Nancy geleerd. Midden in het stadion was bij de aanleg een speelveld ontworpen, waarvan de afmetingen min of meer overeenkwamen met FIFA- en UEFA-normen. Het valt Vorwärts niet echt kwalijk te nemen dat er aan het einde van die barre winter echter geen sprietje gras meer tussen de lijnen te bekennen viel. Het was één bruin-grijze steppe, waarvan het bovenste laagje uit modder bestond met daaronder bevroren klei.

Geen wonder dat Coen Moulijn aan Ernst Happel had gevraagd hem alsjeblieft niet op te stellen, want voor voetbal van zijn soort was dit een absoluut onmogelijke ambiance. Zo mocht Theo van Duivenbode uit het trainingspak om er nog het beste van te maken op een terrein dat in feite alleen nog maar geschikt was voor een demonstratiewedstrijd Grieks-Romeins worstelen voor pupillen. Maar wederom verraste de DDR-organisatie ons in positieve zin: zowel voor de wedstrijd als tijdens de rust reed een aantal Russische trucks het veld op, beladen met geel zand en strooizout dat door bereidwillige militairen over het veld werd verspreid. Dat moest de grond wat minder glibberig maken en was ook heel prettig bij slidings en zo. Misschien was het ook wel een idee van scheidsrechter Jones, die aanvankelijk het veld had willen afkeuren.

Hoe dan ook, er werd gespeeld. Het wedstrijdverloop is bekend: in de tweede helft 1-0 door Piepenburg en een minuut later een rode kaart voor Piet Romeijn na een welgeplaatste maagstomp op diezelfde Piepenburg. Voor wat hoort wat. Verder geen noemenswaardige schade en twee weken later werd in Rotterdam met 2-0 het eindresultaat prettig omgebogen.

Van de terugweg kan ik me niets meer herinneren dan dat we met een onbeschadigde Kever zijn thuisgekomen, zo vol als ik was van de ervaringen van de dagen ervoor. Gek misschien, maar ik heb er heimwee naar, die ouwe kouwe DDR.

___________________

Woensdag 4 maart 1970, Walter-Ulbricht-Stadion, 16.00u
FC Vorwärts Berlin – Feijenoord 1-0
Toeschouwers: 19.500
68. Piepenburg (1-0)
Vorwärts Berlin: Zulkowski, Frässdorf, Müller, Hamann, Withulz, Körner, Strübing, Nachtigall, Nöldner, Wruck, Begerad, Piepenburg.
Feijenoord: Treytel, Romeijn, Israel, Laseroms, Veldhoen, Hasil, Jansen, Van Duivenbode (46. Vrauwdeunt), Wery, Kindvall, Van Hanegem.

_______________________

Voor afl.1 : zie 0-5
Voor afl.2 : zie 4-11
Zie ook: Jaap Visser e.a., Willem de voetballer [jubileumboek Willem van Hanegem 70]. Kick Uitgevers 2014, p.94-95
_______________________

 

Schaalvergroting (1948-1959)

In juli 1948 verhuisde het nu achtkoppige gezin naar Amsterdam Oud-West, Anna Vondelstraat 1, driehoog voor en achter, maar geen wc of ander sanitair. Vier kamers, waarvan een met wastafel (koud stromend water) en een met een lampetkan, en een kleine keuken. Als kind vind je dat allemaal niet erg. Je hebt er geen last van zo opgehokt te zitten; je vindt het normaal, bij gebrek aan enig objectief referentiekader.

Iets van wat “normaal” heette te zijn, ondervond ik pas in de derde klas van de R.K. Lagere School aan de Pieter de Hoochstraat. Een prima school, zeker, maar niet op elk moment. Als meester had ik dat jaar een zekere meneer Van der Schaal, waarvan ik niet exact alle kwaliteiten kan noemen, maar wel een paar van zijn blijken van pedagogisch onvermogen: niet alleen had ik op een keer een schriftje ingeleverd met een “lelijk handschrift”, waarop ik naar voren moest komen en midden voor de klas een enorme klap in mijn gezicht kreeg, maar ook viel mij voor het eerst een regelrechte onvoldoende ten deel. Tot het leertraject behoorde schaaltekenen, wat bij mijn weten overigens niet naar hem was vernoemd. Het huiswerk omvatte de opdracht je eigen woonkamer thuis op schaal na te tekenen inclusief alle aanwezige gemeubelte. Met een meetkundige precisie, waar mijn lotgenoot, de kleine Richard uit W.F. Hermans’ De elektriseermachine van Wimshurst, nog een puntje aan kon zuigen, had ik met passer en liniaal op de millimeter nauwkeurig de kamer uitgetekend met daarin alle meubilair dat er zich daadwerkelijk in bevond op de geometrisch correcte plaats. De tekening werd afgekeurd, want de maatvoering deugde niet: zoveel grote meubels konden zich onmogelijk in een zo klein kamertje bevinden. Ik huilde. En ik begon te beseffen dat wij klein behuisd waren, alsof ik me daarvoor nog moest schamen ook.

Maar goed, ik ging dat jaar toch over als derde beste van de klas, met onder meer een 9 voor Nederlandse Taal en een 4 voor gymnastiek. Sterker nog, aan het einde van de zesde klas was ik nummer 1 van de klas, met onverminderd een 9 voor Nederlands, maar nu zelfs met een 7 voor gymnastiek. Als prijs voor beste leerling ontving ik Van wigwam en plaggenhut (door A. Snitjer; Zonnebloem Serie). Over kleinbehuisdheid gesproken.

Over kleinbehuisdheid gesproken: eindelijk, na oeverloze correspondentie en inschrijvingen bij het CBH, kregen wij toestemming om in mei 1956 (wellicht op instigatie van een gewroegde Meester Van der Schaal) te verhuizen van Oud-West naar Oud-Zuid, om precies te zijn naar de Lomanstraat 6hs.

Lomanstraat op een lentemorgen. Foto: Hans Aarsman, ± 1993. Te vinden in het Stadsarchief Amsterdam: (http://stadsarchief.amsterdam.nl/archief/10002/010002126009)

Alsof we in het paradijs terecht kwamen: die prachtige, statige Lomanstraat (al ben ik dat pas veel later gaan beseffen) waar we de benedenverdieping konden betrekken, een chique voordeur waarnaast nog een grote, witte S op de muur stond gekalkt, een hal met tussendeur, dan een gang waar je eerst links naar de voorkamer kon, verderop links naar de woonkamer die er en suite aan grensde met glas-in-lood-schuifdeuren en inbouwkasten ertussen, rechtdoor een kleine slaapkamer, aanvankelijk voor mij, later de vaste stek voor onze naaister, rechtsachter, net voorbij de wc (een eigen wc!) een zigzaggangetje naar de uitgebouwde keuken; rechts eerst de trap naar de kelder (hoofdstuk apart) onder het hele huis, maar overlangs in tweeën gesplitst: in het oostelijk deel kon je van voor tot achter makkelijk rechtop lopen, het westelijk deel was tot op halve hoogte vol met puin en zand. Het verhaal gaat dat daar in de oorlog joden in hadden gehuisd. Midden in de gang rechts de trap naar boven, en daar nog eens vier slaapkamers, twee grote en twee kleine, met tussen de grote kamers een heuse badkamer met wc, wastafel en ligbad. De gasgeiser (en ik meen ook de elektra) liepen op muntjes, die je om de hoek bij de drogist in de Okeghemstraat kon kopen.

Van gekkigheid wist ik me met al die ruimte geen raad. Ik weet nog, en als ik het niet meer weet, herinnert mijn familie mij daar nog wel eens aan, dat ik de eerste tijd niets liever deed dan hard hollend rondjes te draaien van de woonkamer de gang in, de voorkamer in, door naar de woonkamer en zo verder.

Aan de achterkant een heuse tuin, niet groot, geheel omschuttingd, met 2 hortensia’s en heel veel grind, want dat hoef je niet te maaien. Langs de keukenmuur een rozenstruik. Beetje wrang: toen we daar eenmaal met zijn achten waren ingetrokken, duurde het niet lang meer of de ene na de andere zus studeerde af en verliet het huis. Zes kinderen, allemaal Gym-ß en een vervolgstudie: voorwaar een compliment aan ouders die dat in de gegeven moeilijke omstandigheden hebben weten te vermogelijken. Het slot van het liedje was dat ik binnen enkele jaren de facto over twee kamers boven beschikte: een kleinere slaapkamer en een wat grotere daarnaast die verder nergens voor werd gebruikt dan bij gelegenheid als logeerkamer.

Dus per saldo toch de gewenste schaalvergroting.

Onder meer over mij (tot 1948)

Uitgelicht

Ik ben geboren in Oss.

Is dat nu het belangrijkste om mee te beginnen? Absoluut niet, dus ik kom er elders in deze weblog nog wel op terug.

Ik stam uit een doorsnee gezin met, zoals ieder doorsnee gezin, unieke kenmerken – uitschieters naar boven en beneden.

Mijn ouders trouwden in 1933, jawel: in Oss. Moeder was daar sinds 1926 als lerares verbonden aan de R.K. Bijzondere U.L.O.-school voor meisjes aan de Arendsvlucht, de latere IMMAC-Mavo. Vader was in 1928 op avontuur gegaan naar Ons Indië en daar ook als onderwijzer werkzaam, eerst aan de “R.K. Muloschool” van de Strada-Vereeniging te Weltevreden, later aan de “R.C. Hollandsch-Indische Kweekschool” te Moentilan, gevolgd door nog enkele onderwijsbetrekkingen.

In 1933 kwam hij kortstondig met verlof naar Oss, en wel om daar te trouwen. De huwelijksreis was een enkeltje Indië (althans, zo was de planning). Daar aangekomen leefden zij in koloniale welstand en toen ook werden tussen 1934 en 1940 mijn vier zussen en mijn ene broer geboren. Alles leek zich rustig, onbezorgd en comfortabel te ontwikkelen, tot de Keizer van de Rijzende Zon in 1942 roet in het koloniale eten strooide. Moeder en de kinderen werden geïnterneerd in diverse vrouwenkampen; zij overleefden het, zij het niet geheel traumaloos. Vader werd opgeroepen “in werkelijken dienst”, daarop krijgsgevangen gemaakt en verscheept naar Birma om daar, en in Siam, tot de bevrijding te werken aan de beruchte Birma-spoorlijn. Ook hij overleefde het, maar evenmin ongeschonden.

Eind 1945 behaagde het Onze Koningin een aantal jappenkampen in Siam te hernoemen als Beatrixkamp, Julianakamp, Emmakamp en Wilhelminakamp. Deze kampen waren bedoeld om de overhaast uit Indië overgevlogen vrouwen en kinderen (want daar dreigde weer het volgende gevaar) te herenigen met de vaders van de Birma-spoorlijn die nog in leven waren. En zo geviel het dat het gezin Loonen in het Emmakamp te Ta-Muang, ten westen van Bangkok, weer werd herenigd. Bijkomend detail: het was naar alle waarschijnlijkheid daar dat ik werd verwekt.

In mei 1946 kwam moeder met 5½ kind terug in Holland en vestigde zij zich bij haar ouders. Jawel: in Oss. Vader moest vanuit Siam eerst weer naar Java terug (in mijn herinnering: om Soekarno te bestrijden, maar daar kwam dan niet veel van terecht). Pas later voegde hij zich bij de rest van de familie in de Molenstraat 42, schuin tegenover dat prachtige oude raadhuis van Oss, het huidige Museum Jan Cunen.

Op vrijdag 11 oktober 1946, te 0 uur 30, werd in het St.Annaziekenhuis te Oss geboren Leonardus Johannes Maria Loonen.

Leonardus, omdat hij als tweede zoon patronymisch correct werd vernoemd naar Leonardus Walen, de vader van zijn moeder;

Leonardus Walen (1851-1937). Links een foto uit 1936, een jaar voor zijn dood; rechts een door H. van Rossum gemaakt portret, ook uit 1936.

Johannes, naar zijn peetoom Jan van Dieten, postkantoorhouder te Ravenstein, die op 15 november 1954 bij een roofoverval door de zwarte ruiter dodelijk werd getroffen;
Maria, omdat ge in een goed katholieke traditie niets aan het toeval moogt overlaten.