Acht op Sebastiaan (1/8)- inleiding

In vooral Christelijke kringen (na de reformatie: met name katholieke kringen) zijn afbeeldingen van heiligen uitermate populair. Allereerst die van Christus, Maria en Jozef, maar daarnaast ook van talloze apostelen, martelaren, bisschoppen en andere religieuzen. Dat verschijnsel laat zich vanuit verschillende perspectieven verklaren.
In de eeuwen dat analfabetisme nog weid verbreid was, kon niet zozeer via tekst, als wel door afbeeldingen een verhaal brede verspreiding krijgen. Daarom bieden sommige afbeeldingen niet slechts één persoon of situatie, maar proberen zij een heel verhaal weer te geven die een geschiedenis of ontwikkeling uitbeeldt. De in veel kerken aanwezige 14 afbeeldingen van de kruiswegstatie zijn daarvan een duidelijk voorbeeld: het hele passieverhaal wordt als een soort stripverhaal langs de wanden van de kerk uitgebeeld.

Een andere verklaring is van gelovige of bijgelovige aard: wie de beeltenis van een bepaalde heilige aanschouwt, kan zich ermee identificeren ter verhoging van de eigen vroomheid, ofwel: door een beeltenis bij zich te dragen gaat men ervan uit de bescherming van de afgebeelde heilige te zullen genieten. Een van de treffendste voorbeelden daarvan is een afbeelding van St.-Christoffel die soms in auto’s of op de sleutelhanger aanwezig is. Als patroon van de “veilige overtocht” zal hij de inzittenden van de auto beschermen tegen ongelukken. Dit is tevens een verklaring van het feit dat sommige heiligen aanmerkelijk vaker worden uitgebeeld dan anderen: als het een beschermheilige is of een patroon, zal die heilige frequenter worden aangetroffen. 

Naomé

Processievaandel van Sebastiaan in Naomé (B)

De heilige Sebastiaan
Zo ook de heilige Sebastiaan. Zijn marteldood, in eerste instantie door hem overleefd, maakte hem onder meer tot de beschermheilige tegen ziekte, in het bijzonder de pest en andere epidemieën. Dat dateert al van eind zevende eeuw toen er, naar verluidt door zijn invloed, een einde kwam aan een pestepidemie in Rome. Sindsdien hebben tal van kerken Sebastiaan als schutpatroon aangenomen in de hoop epidemische ziekten te bestrijden of tegen te kunnen gaan. Enigszins wrang is dat hij later ook patroon werd van boogschuttersgilden, alsmede van soldaten, atleten en tal van andere groeperingen. In de laatste decennia wordt hij in homoseksuele kringen ook genoemd als patroon tegen aids.

Al met al kunnen we daarmee drie “doelgroepen” afbakenen waarbinnen Sebastiaanverering plaatsvindt en waarbinnen afbeeldingen van Sebastiaan hun eigen karakter en verspreiding kennen :

 

Evrard, Sebastiaanaltaar (1750), Awenne (B)

De katholieke kerk
Allereerst de (katholieke) kerk. Er zijn, vooral in de overwegend katholieke streken in Europa, tal van kerken naar Sebastiaan vernoemd. In Nederland, met een zo grote protestante invloed, zijn er dat niet zoveel: Bierum (Groningen), Haarle (Overijssel), Herpen (N.-Brabant), Sevenum (Limburg; HH.Fabianus en Sebastianus) en Eygelshoven (Limburg) bijvoorbeeld. Maar ook in niet naar Sebastiaan vernoemde kerken kunnen afbeeldingen van Sebastiaan te vinden zijn, al is het veel moeilijker die te inventariseren. In België zijn dat er in ieder geval meer dan 500.
Als voorbeelden kan ik noemen het prachtige houten beeld op het marmeren Sebastiaanaltaar van de Saint-Martinkerk in Awenne (België), gemaakt in 1750 door de Luikse beeldhouwer Guillaume Evrard, en het rond 1800 vervaardigde houten altaarbeeld van Sebastiaan in de kerk van Saint-Barthélémy in Helfrantzkirch in N.O.-Frankrijk. Verreweg de meeste afbeeldingen treffen we echter uiteraard aan in de tientallen Sebastiaankerken, als altaarbeelden of vrijstaande beelden, op schilderijen, in glas-in-loodramen. Het belang dat de kerk had bij deze zo frequente uitbeelding is niet uitsluitend gelegen in de algemeen-katholieke cultuur van heiligenverering, maar meer specifiek in de aan Sebastiaan toegedichte bescherming tegen pest en andere epidemieën. In tijden dat de pest heerste werden er niet alleen kerken gebouwd die aan Sebastiaan werden gewijd, maar werd ook aan reeds bestaande kerken Sebastiaan als schutspatroon toegevoegd.
Een niet compleet overzicht van Sebastiaanafbeeldingen in kerken in de Benelux en Frankrijk heb ik eerder al gepubliceerd op http://www.rosoy.nl/iconography.htm

Perugino, Sebastiaan (1494)

De beeldende kunst
Een tweede kring waarbinnen Sebastiaan grote populariteit verwierf, is die van de beeldende kunst, zowel de beeldhouw- als schilderkunst, later ook de fotografie. Aanvankelijk lag dit nogal voor de hand: de kerk drukte eeuwenlang, zeker tot in de renaissance, zo sterk haar stempel op ook buitenkerkelijke kunstuitingen, dat in hoofdzaak religieuze kunst werd geproduceerd, ook al waren er heel wat kunstenaars die probeerden aan dat geestelijke keurslijf te ontsnappen. We zien dan ook Sebastiaan als het ware seculariseren, afgebeeld worden zonder aureool, niet meer als bijfiguur aan de rand van bijvoorbeeld Maria-afbeeldingen en niet meer omgeven door andere heiligen of kerkelijke gezagsdragers. Bovendien stellen veel kunstenaars Sebastiaan voor als een schone jongeling waarbij het meer om de uitbeelding van het mannelijk naakt gaat dan om de dood van een volhardende christen. In die zin kan Sebastiaan worden vergeleken met mythologische figuren als Apollo, Adonis en Ganymedes, Narcissus, Hiacynthus, Hylas en Mercurius/Hermes: ook bij hen blijft altijd wel iets van het mythologische verhaal zichtbaar in de afbeelding, maar de aandacht wordt vaak toch het meeste getrokken door de lichamelijke schoonheid van de persoon in kwestie.De homobeweging
Daaruit vloeit de specifieke interesse voor binnen de (mannelijke) homoseksuele wereld voor Sebastiaan, zoals dat ook voor mythologische figuren als Adonis en Ganymedes geldt: hij is vooral jong en mooi en daarmee een toonbeeld en begeerlijk tegelijk. Dat hij daarnaast wel wordt beschouwd als patroon tegen aids is uiteraard iets van recenter datum.

Alles bij elkaar kennen wij nu nog vele duizenden Sebastianoïde afbeeldingen, sculpturen, schilderijen, tekeningen, in de wetenschap dat er in de loop der eeuwen ook duizenden in boeken, kerken en musea verloren zullen zijn geraakt door brand, diefstal, vernielingen (beeldenstorm!), overstromingen, oorlogen &c.
Rond de figuur van Sebastiaan is er in al die eeuwen een mythe ontstaan die meer te maken heeft met de patroon Sebastiaan dan met de feitelijk historische persoon Sebastiaan. Daarover meer in het artikel Acht op Sebastiaan (2/8) – feiten en fictie.

7 Sacramenten (1959-1966) – 5/7

De lol was er voortaan af, schreef ik aan het einde van mijn vorige bericht. Dat klopt ook wel, maar het betekende niet dat ik helemaal niks meer ondernam.
Bovenal was er het koor, waar ik helemaal aan verslingerd raakte. Het levert nu een aparte bijdrage op. Naar er waren mog minstens twee memorabele activiteiten: de fietstocht door Engeland en mijn poging een schooljaar in te lopen.

Laat ik maar positief beginnen. In 1964, ik zat in Gym IV-a, kwam ik op het lumineuze idee om met een paar lieve vriendjes een fietstocht door Zuid-Engeland te gaan maken. Ik ben zoals ik ben: ik stippelde een hele route uit, vanaf Dover langs de kust  met Hastings (1066) naar Chichester en Winchester, dan via Stonehenge naar boven en over Oxford en London terug naar Dover. Alles bij elkaar rond de1200 km in 23 dagen. Ik ben zoals ik ben, dus dat plakboek heb ik nog en ook de routebeschrijving, uitgetikt op een Underwood mitrailleursnest op flinterdun papier met carbonnetjes ertussen zodat je in één klap 5 exemplaren had. Omdat we in jeugdherbergen verbleven, die je ruim tevoren moest reserveren, lagen data en route vast, reden ook dat alle betrokken ouders helemaal gerustgesteld waren en hun toestemming gaven.
Wie waren de gelukkigen die met mij mee gingen? Vanaf rechts op de foto vlak voor ons vertrek:
Carlo: Altijd rustig en een bindende factor in de groep.
Hans: Altijd goed voor de vrolijke noot. Nu nog steeds trouwens. Zo presteerde hij het, zoon van een fietsenmaker, om al op de eerste dag ergens in de buurt van Dordrecht de voorvork van zijn fiets te breken. Is stante pede bij een plaatselijke smid gelast, zodat we weer verder konden.
Leo: Gaaf jong. Ik geloof niet dat er iemand was die ook maar ooit iets tegen hem had of kon hebben.
Hugo: Tot hem was ik, nadat we samen waren blijven zitten in Gym-IB, min of meer veroordeeld. Ik bedoel dat niet negatief, het was meer een soort broederschap en we hebben jaren lang heel veel met elkaar opgetrokken, ook bij hem en mij thuis.

Bij de voorbereiding van de reis was ook Ted de Cloet betrokken, ons aller leraar Engels. Hij had mij (ons?) bij hem thuis zelfs geadviseerd omtrent de route en bezienswaardigheden en voor ons vertrek kregen we van hem zowaar een briefje van £ 1/0/0 (een heel Brits Pond) mee ter aanmoediging en besteding. Bedenk dat dat destijds een waarde van meer dan ƒ 10,= vertegenwoordigde.

Mijn herinnering zegt mij dat het een heerlijke en geslaagde vakantie was, maar de andere vier moeten dat in een reactie maar beamen of weerspreken.

Project nummer twee was een solo-actie en tevens minder succesvol. Ik heb al eerder vermeld dat het mijn vader dwars zat dat ik geen uitstel van militaire dienst zou kunnen krijgen omdat ik eindexamen zou doen in het jaar waarin ik 20 werd. Hij kwam met een geweldig plan: in Culemborg was het door paters Augustijnen gerunde Nederlands Schriftelijk Studiecentrum. Een soort voorloper van wat we nu kennen als LOI of PBNA. Je kon daar, net als nu nog bij Luzac, “2 jaar in 1” doen, dus het rekensommetje was gauw gemaakt: als ik op het IG Gym-V deed en daarnaast bij het NSSC V en VI in datzelfde jaar, kon ik een jaar eerder klaar zijn. We gingen er samen naartoe om een kijkje te nemen, het contract werd getekend en ik bouwde op mijn kamer een apart kastje met allemaal verticale schotjes om het schriftelijke materiaal ordelijk in te bewaren.

Op het IG (ik was daar niet bij betrokken, dat regelde mijn vader) zullen ze er niet blij mee zijn geweest, shoppen bij de concurrent. Maar ze konden hem niet tegenhouden; hooguit hadden ze mij van school kunnen trappen wegens “ongeoorloofde nevenactiviteiten” of zoiets. Er waren leerlingen voor minder van school gestuurd (luiheid bijvoorbeeld!). Mijn schatting was dat ik het, met de steun van familieleden, wel zou trekken, zeker de ß-vakken en de moderne talen. Alleen voor Latijn en Grieks was ik beducht. Dat werd opgelost doordat Jan-Maarten Bremer S.J. zich bereid verklaarde geheel belangeloos mij van tijd tot tijd te assisteren. Een werkelijk genereus gebaar van hem, waarvan ik ook gretig gebruik heb gemaakt. Verder was met school afgesproken dat het in de docentenkamer bekend werd gemaakt, maar dat het ook binnen die muren zou blijven. Geen rumor naar buiten toe, geen slapende honden, &c. Logisch en geheel in orde.

Ik deed heel erg mijn best en de start, al in de grote vakantie tussen klas IV en V, was voortvarend. Ik geloof dat ik nog nooit zo veel tijd aan mijn huiswerk had besteed. Maar een tweetal zware klappen gooiden zand en suiker in de tank.

De eerste werd me uitgedeeld door Louis Lorié S.J. Ik weet het nog goed: we hadden Latijn in het hoofdgebouw, oude vleugel, eerste verdieping, einde van de gang links. Ik zal wel een of ander dom antwoord hebben gegeven, waarop hij snerpend de klas in riep, met de voor hem zo kenmerkende grijns om de lippen en zelfgenoegzame pretoogjes achter zijn +12-bril: “O, en jij wou nog wel eindexamen doen dit jaar!”

In een bevroren pose reageerde ik niet; van binnen kookte ik. Hij had de code doorbroken, en net als bij de meeste van zijn geweldige grappen ging dat natuurlijk weer ten koste van een van zijn leerlingen. Zelden heb ik iemand zo gehaat als hem op dat moment.

Na afloop van die les liepen we over de gang naar de cour. Michel kwam vlak naast me lopen en vroeg zachtjes: “Wat bedoelde hij daarmee?” “Ach, niks”, zei ik. “Die man is gek.” Ik was nog steeds te zeer van mijn stuk om er een serieus gesprek over te beginnen. Ook later niet. Dat is wel jammer, want hij bood me werkelijk een opening. En tot op de dag van vandaag ben ik Michel innig dankbaar dat hij zich op zo’n precair moment om mij heeft willen bekommeren. Ik bracht hem dit voorval nog in herinnering via de mail in juli 2007, waarop hij reageerde: De Lorié-stoot: goed dat ik je daar mee heb kunnen helpen, hoewel ik me het moment niet meer voor de geest kan halen. Fijn dat ik je met mijn belangstelling toen even uit de shit heb kunnen helpen. Lorié was een valse pater, een slecht mens, hield van sarren en kleineren, kortom, een gefrustreerd wezen. Wijs mij een deur, en ik garandeer je dat Michel en ik daar ook nu nog samen doorheen kunnen.

De tweede klap kwam in de kerstvakantie eind 1964. Al deed ik nog zo mijn best, het lukte niet. De waarderingen voor mijn ingestuurde huiswerk liepen achteruit, ik kon het vereiste tempo niet meer volhouden, waardoor er te veel in de fraaie schapjes bleef steken. Mijn vader zag dat ook wel in. En omdat ik vermoed dat er in termijnen betaald moest worden, zette hij het project stop, om niet nog meer geld in tranen te moeten zien oplossen.

Ik bleef dus braaf een gewone volbloed Ignatiaan, ging over naar de zesde en slaagde uiteindelijk met twee kletsnatte hakken over de sloot: met vier 5-en. Hoe je dat flikt? Destijds, toen er nog geen Mammoet was, stond het in de kleitabletjes geschreven dat het eindexamen was onderverdeeld in groepen. Bepalend voor slagen, zakken of herexamen waren de gemiddelden binnen één groep. Ik had het keurig voor elkaar:

  • groep Nederlands: 8-8-8 ; gemiddelde 8
  • groep Latijn-Grieks: 6-5 ; gemiddelde 6
  • groep Frans-Duits-Engels: 7-7-5 ; gemiddelde 6⅓
  • groep wiskunde  (algebra, gonio, stereo): 5-6-7 ; gemiddelde 6
  • groep NSB-vakken (nat., scheik., biol.): 5-6-7 ; gemiddelde 6

Je kunt dus ook zeggen dat ik slaagde met geen een onvoldoende. En ik kon op naar het grote leven.
Het blijft een a-von-tuur, met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.

 

 

 

 

Acht op Sebastiaan (2/8) – feiten en fictie

Van de persoon Sebastiaan weten we al met al niet bijzonder veel. Daardoor ontstaat de ruimte om rond zijn persoon een mythe te laten ontstaan die de bron is geworden van zijn grote populariteit. En het heeft kunstenaars alle ruimte verschaft om Sebastiaan naar eigen goeddunken neer te zetten. Vandaar de zo grote variëteit van zijn afbeeldingen, zoals in deze reeks berichten naar voren komt.

Personalia
Er zijn van Sebastiaan meer feiten die we niet historisch kunnen verifiëren dan wel. Zo weten we wel dat hij in of rond 288 is overleden, maar niet waneer hij is geboren, noch waar; Narbonne en Milaan worden soms als geboorteplaatsen genoemd.
Feitelijk is de enige historische bron de Latijnse Historia de Sancto Sebastiano, te vinden in de Legenda Aurea van Jacobus de Voragine uit ±1265. Maar dan zitten we al bijna tien eeuwen af van de periode waarin Sebastiaan leefde.

We kennen dus ook niet zijn leeftijd ten tijde van zijn martelaarschap. Omdat er geen betrouwbare bron is die zijn geboortejaar vermeldt, blijft het gissen. Gelet op zijn functie als officier zal hij toch minstens tussen de 25 en 30 jaar geweest moeten zijn. Maar in de talloze afbeeldingen komen we hem tegen binnen een wijde marge van circa 15 tot ver over de 30. Was hij het jongetje links, dat Niccolò da Foligno detto l’Alunno (±1480) op zijn schilderij uitbeeldde? Dan overheerst het beeld van de ‘schone jongeling’. Was hij de baarddragende volwassen man, zoals te zien aan een anoniem terracottabeeld rechts, uit een kerk in Neuvy-en-Champagne (2e helft 16e eeuw)? Dan dringt zich de vergelijking met de gekruisigde Christus op.

Dat hij een officier was van de keizerlijke garde van Diocletianus, keizer van 284-305, lijkt wel vast te staan, maar van een eventuele liefde van de keizer voor Sebastiaan staat niet veel vast. Volgens dat idee zou Sebastiaan de avances van de keizer naast zich neer hebben gelegd, om welke reden de afgewezen minnaar besloot zijn onbereikbare liefde te doden. Wie de filmSebastiane (1976) van Derek Jarman ziet, de roman Sebastiaan van Adriaan Litzroth (1986) of Thomas Mann Dood in Venetië (1912) leest zal de geschetste lezing wel als waarschijnlijk voorkomen, en tal van Sebastiaanafbeeldingen doen ook vermoeden dat het hier ging om een begerenswaardige jongeman. Maar historisch feitenmateriaal onderschrijft dat niet.

We kunnen als vaststaand aannemen dat Sebastiaan zowel kapitein van de keizerlijke pretoriaanse garde als een christen was die in zijn geloof volhardde en de marteldood stierf, eerst door met pijlen te worden doorzeefd, en toen dat toch niet dodelijk bleek en hij zich weer aan de keizer vertoonde, door te worden doodgeknuppeld.

Geseling

Sommige bronnen vermelden dat Sebastiaan, na met pijlen te zijn doorzeefd, ook nog werd gegeseld. Dit lijkt mij om twee redenen onwaarschijnlijk. Ten eerste: bij de Romeinen werd geseling beschouwd als lijfstraf, niet als doodstraf. Vaak, zoals in het lijdensverhaal van Christus, werd geseling vooraf toegepast om het lijden te verergeren, niet om eraan dood te gaan (afbeelding links: Signorelli, 1480). Om die reden ook werd gewoonlijk de rug gegeseld en niet de veel kwetsbaarder borst en buik, zoals we uit tal van afbeeldingen en geschreven bronnen kunnen weten, ook al doet Signorelli’s uitbeelding wel anders vermoeden. Ten tweede: als Sebastiaan inderdaad gegeseld zou zijn, vooraf of achteraf, dan is het toch wel erg vreemd dat dat op geen van de duizenden Sebastiaanafbeeldingen wordt uitgebeeld, en dat ook op geen enkele afbeelding de striemen van zo’n geseling te zien zijn. Eerder denk ik dat het vermelden van die geseling de parallel met Christus’ lijdensverhaal wordt verscherpt, zoals ook veel afbeeldingen van Christus aan de folterpaal opvallende gelijkenis vertonen met die van Sebastiaan tijdens zijn marteling (afbeelding rechts: Botticelli, 1474).

Genezer

Baldur wordt door geen enkele pijl geraakt.Tekening door Elmer Boyd Smith (1902)

Dat hij ook weldoende rondging en genezingen tot stand bracht, zoals op sommige afbeeldingen tot uitdrukking wordt gebracht, mist voldoende historische grond; oude bronnen vermelden slechts de genezing door Sebastiaan van de dove Zoe, met een groot aantal bekeerlingen als gevolg. Zijn verering als genezer heeft hij naar alle waarschijnlijkheid eerder te danken aan het feit dat hij zijn executie met pijlen overleefde, waardoor de mythe kon ontstaan dat hij schier dodelijke verwondingen kon overleven. Juist daardoor is Sebastiaan gaan lijken op de figuur van Baldur uit de Noorse mythologie, die ook bestand bleek tegen dodelijke aanslagen, zoals er wel meer onkwetsbare personen optreden in mythologische verhalen.

Maar het zijn mede de rond hem ontstane mythen geweest die Sebastiaan zijn populariteit hebben bezorgd, met een zo groot aantal uitbeeldingen als gevolg. Daarvoor is het zinvol eerst de verschilende episoden uit zijn leven te onderscheiden. Zie daarvoor Acht op Sebastiaan (3/8) – episoden.

 

Deutschland, Deutschland, über was eigentlich?

Ik geef het je ook te doen: eerst in 1870, 1914 en 1939 actief in een oorlog verwikkeld zijn, dan worden gevierendeeld en de facto in tweeën worden gesplitst, dan dat enorme Wirtschaftwunder moeten meemaken, dan, aan het einde van de koude oorlog de DDR annexeren en vandaag de dag de rol van Europa’s leidende economie spelen.

Hoe kan het anders dan dat dat allemaal zijn weerslag vindt in bijvoorbeeld de Duitse cinematografie, iets correcter: in de grote reeks films die aan Duitsland en wat er al niet onder de Deutschlandfrage moge vallen is gerelateerd. Alleen al het naast elkaar beschouwen van het vooroorlogse werk van Leni Riefenstahl (bv. Triumph des Willens, 1935 en Fest der Völker, 1938) en de megaproductie Heimat (Edgar Reiz, 1984) stelt ons voor een reusachtig probleem.

Er was een tijd dat ik categorisch weigerde naar Duitse tv te kijken. Vanuit mijn gezinssituatie zou ik eigenlijk moeten weigeren naar Japse tv te kijken, maar dat kon ik niet weigeren, doodeenvoudig omdat het niet beschikbaar was. Bovendien merkte ik bij mezelf dat ik, als enige thuis, niet zo sterk anti-nippongevoelens koesterde. Bij ons leefden die sentimenten voort bijvoorbeeld bij de aanschaf van luxe goederen: geen Sony, maar Philips; geen Nissan, maar een degelijke Ford Taunus. Uiteindelijk viel dat niet vol te houden, al weet ik dat tot op de dag van vandaag noch mijn ouders, noch ikzelf, noch mijn broer of een van mijn zussen ooit een auto van Japanse makelij heeft gekocht of zal kopen. Het wachten is nog steeds op een vergoeding voor de 12-cilinder Dodge van mijn vader die in 1942 opeens niet meer voor de deur stond.

Voor mij werden die wrange gevoelens overwoekerd door een destijds in Amsterdam niet ongebruikelijk ander sentiment: het anti-Duits zijn. Onder het motto “Duits is een mooie taal, maar het moest een dooie taal zijn” waren er tal van Amsterdammers die elk contact uit de weg gingen, Germanismen (“Nipte zege Ajax over mat Volewijckers”; dec.1961) verafschuwden, zeker niet naar dat land op vakantie gingen (als ik door West-Duitsland naar het Oostblok reed, deed ik dat bij voorkeur ’s nachts, om zo min mogelijk te hoeven zien) en het hoogtepunt van hun grimmige afschuw beleefden in 1974, alsof zij daar hun houding mee konden rechtvaardigen.

Het Oostblok. Nooit zal ik die meer dan vijftig reizen vergeten die ik tussen 1968 en 1992 vanuit het repressieve Vrije Westen naar het onderdrukkende Volksdemokratische Oosten maakte, De ČSSR, de DDR, Polen. Al die opwinding, ellende, onzekerheid, spanning aan de grens. Oeverloze wachttijden, slinkse smokkelmethoden, situaties waarvan je niet wist of ze nou belachelijk of lachwekkend waren, flesje Bols jenever of een zakje mandarijnen ostentatief op het dashboardkastje in de hoop wat eerder door te mogen rijden.
Dat IJzeren Gordijn, aan beide kanten vervloekt en gekoesterd. En uitgebuit. Zo niet om politieke redenen (aan beide zijden), dan toch zeker ook om economische redenen. De wapenindustrie (ook aan beide zijden). Een soort ramptoerisme van Noord tot Zuid, aan de westkant dan. De staalfabrieken waar prikkeldraad werd gefabriceerd, stonden naar verluid in West-Duitsland. Of het labeltje “Made in West-Germany” er door de Vopo’s is afgeknipt, weet ik niet. West-Berlijn kon, mede dankzij de blokkade van 1948 en het daarop volgende propaganda-offensief vanuit het Westen uitgroeien tot een uit de voegen barstende etalage van het Luxe Westen, waarop men in de DDR, en in Oost-Berlijn het meest, alleen maar stikjaloers kon worden. Propaganda als economische aanjager – economie als propagandamiddel. Het boekje Mitten in Deutschland – mitten im 20. Jahrhundert. Die Zonengrenze. Bonn. Bundesministerium für gesamtdeutsche Fragen. 4e druk 1959. Met 95 z/w-foto’s geeft een even illustratief als schrikbarend beeld van hoe er vanuit het Westen officieel tegenaan werd gekeken. Internetantiquariaat Lu et approuvé had het in de verkoop (inmiddels helaas verkocht), evenals nog meer propagandistische uitgaven van zowel BRD- als DDR-zijde.


De laatst overgebleven leugenachtige gotspe is de alom gehanteerde melding over
de VAL van de Berlijnse muur. Die muur viel helemaal niet, alsof het een slecht gemetseld bouwwerk ware van door Vopo’s op elkaar gepleurde betonblokken die bij het minste of geringste zuchtje Westenwind wel omver zouden donderen. Die muur werd, zie de tv-beelden, door boze of enthousiaste of op wat dan ook beluste sterke mensen moedwillig en hardhandig omvergehakt. Dat noemen we niet vallen, maar botweg vernielen. Het enige wat er viel, was het doek. Kijk voor verdere berichtgeving en de gevolgen maar naar Good bye, Lenin!
(2003).

Maar goed, laat ik mezelf niet te veel afleiden; ik had het over anti-Duitse sentimenten en hoe die bij mij geworteld waren. Immers, ik kreeg niet lang na 1974, eenmaal in Venray en Eindhoven woonachtig, waar ARD, ZDF en WDR3 op de kabel zaten, in de gaten dat er in Duitsland iets was veranderd. Het meeste frappeerde mij de ZDF-serie Das kleine Fernsehspiel, waar verrekt goede films werden vertoond. En vanaf toen zette ik mijn anti-sentimenten stukje bij beetje om in belangstelling en ben ik inmiddels op het punt gekomen dat ik vind dat alle rottigheid van Duitsland van 1870 tot nu eigenlijk hún probleem is en moet blijven – niet het mijne. Dus kijk ik met grote verwondering, en ook wel een beetje bewondering, naar die oude films van Riefenstahl. Wat stellen wij Nederlanders daar tegenover? Niets, gelukkig. En met grote bewondering, en ook wel een beetje verwondering, naar Heimat. Wat stellen wij Nederlanders daar tegenover? Haanstra-producties als Alleman en Fanfare?

In deze weblog ga ik een aantal films bespreken vanuit mijn visie. Niet alleen Duitse; Italië, Spanje en Portugal zullen ook vertegenwoordigd worden. Maar in eerste instantie zet ik in op Europa Europa (Agnieszka Holland, 1990) en Führer Ex (Winfried Bonengel, 2002). Dan kan ik voorlopig wel even voldoende stoom afblazen en proberen boven tafel te krijgen über was het eigenlijk gaat in Duitsland.

 

 

Führer ex (Duitsland 2002)

Alweer die DDR. Alweer die Wende. Alweer tegen die muur aan lopen. Kunnen die Duitsers nou niet eens eindelijk…
Totdat je in de gaten hebt dat deze uitstekende film helemaal niet gaat over Duitsland dat zijn trauma’s maar niet verwerkt krijgt, maar over mensen. En dat wat Tommy en Heiko doormaken ook best in Roemenië, Chili, Finland of Nederland had kunnen worden gesitueerd. Want een verstikkend staatsbestel, ploertige politie, uitzichtloosheid, drang om te ontsnappen en de kous op de kop krijgen, daarop heeft Duitsland net zo min het primaat als het monopolie.

Inhoud
Al tijdens de titelrol worden we in het diepe gegooid: we horen een rauwe, verkrachte electropunkversie van de Nationalhynme der DDR (“Auferstanden aus ruinen und der Zukunft zugewandt…”) en dan weten we al dat er iets niet pluis is.

Als Tommy (Thomas) Zierer (18) en Heiko Degner (18) aan het begin van de film, nadat de voorttuffende Trabants, de voetgangers met allemaal een tasje in hun hand, en Erich Honecker himself onze blikken hebben gericht, ostentatief staan te urineren op een stapeltje exemplaren van Neues Deutschland, dan is het wel duidelijk dat ze het helemaal hebben gehad met hun DDR. Korte flits van het Ampelmännchen op rood. Een van de zeer vele geraffineerde details in deze film.
Tommy accentueert het nog maar even: slenterend over straat passeert hij een oudere bewoner die bezig is met het wassen van zijn Trabant, voor de man vermoedelijk het hoogst haalbare in de heilstaat. Tommy trapt nonchalant de emmer sop omver, daarmee zijn afkeer van de maatschappij en haar mogelijkheden demonstrerend. 
Het is 1986. Het gras van de buurman is altijd groener: ze willen weg. Niet naar Praag of Moskou, nee, naar Australië.

Zo gezegd, zo gedaan. Bepakt met plunjezakken en draadtang wurmen ze zich door de eerste twee versperringen. De door relaties aangeleverde kaart blijkt echter niet gedetailleerd genoeg: er is nog een derde versperring en vlak daarvoor blijven ze achter een struikeldraadlichtsein hangen en komen de Vopo’s in actie. Het tweetal belandt in de Strafsvollzugseinrichtung Torgau. Fotografieren verboten! (Het zijn dit soort minidetails die de film “echt” maken; net zoals het feit dat ze erheen worden gebracht in een vrachtwagen van de VE Backwarenkombinat, Betriebsabteil Magdeburg/Süd). Daar worden ze met nog een aantal opgepakte criminelen afgesnauwd door een bewaarder (Tino Floß; zelden een acteur gezien die zo perfect past in de rol die hij moet spelen!) die ze beveelt zich uit te kleden en onder de douche te gaan – waar heb ik dat eerder gelezen. Heiko belandt daarna in een cel en komt al snel in contact met medegevangene Hagen, Erziehungsbereichsälteste, EBA, die hem de regels van het gevangeniswezen onthult. In de praktijk blijkt het met de onderlinge verhoudingen niet al te zachtzinnig te verlopen: geweld en seksuele uitspattingen zijn aan de orde van de dag. “Als je het hier overleeft, is de rest van je leven één grote vakantie”, vertrouwt Hagen Heiko toe. Natuurlijk een flash forward van de regisseur. Natuurlijk onzin. Het zij gezegd, want het is diezelfde Hagen die Heiko, we zitten op bijna één uur film, tijdens het douchen verkracht. Voor Hagen betekent het dat hij door Tommy en zijn neo-nazivriendjes in elkaar wordt getrapt en verder uit beeld verdwijnt; voor Haiko is de ommekeer in zijn leven. Het is ook het kantelpunt in de film.

Als we “tempo” van een film of boek definiëren als de voortgang van de verhouding tussen verteltijd (het aantal minuten film) en vertelde tijd (het aantal uren/dagen der gebeurtenissen), dan blijkt het tempo van het eerste uur van deze film redelijk contstant, in ieder geval goed te volgen. Dat heeft ook te maken met begrippen als continuïteit en discontinuïteit: volgen de gebeurtenissen elkaar in de film successievelijk op, of zitten er gaten, grote tijdsprongen in. Vanaf het moement echter dat het tweetal de laatste vluchtpoging onderneemt, wordt dat anders.

3 augustus 1989. Het is Tommy en Heiko gelukt de Hugo de Grootmethode te volgen: in kisten die zij in de werkplaats hebben moeten maken worden ze de gevangenis uitgereden en naar het “vrije Westen” geëxporteerd. De kijker moet nu echter een hoop zelf invullen: we zien Tommy opeens opduiken in Münchberg, Beieren, waar hij wordt opgepakt door de politie omdat hij geen papieren bij zich heeft, en krijgen we tv-beelden te zien van de Bondsdag waarin wordt gerept van de ommekeer in de DDR, waardoor de muur geen functie meer heeft.
Weer zo’n sterk detail: ter afsluiting van die parlementszitting zingen de aanwezigen het West-Duitse volkslied (dus dat met “Einigkeit un Recht und Freiheit…”). Daartijdens vloeit het beeld over naar de binnenplaats van de gevangenis in Torgau en horen we dezelde melodie, maar nu van het Groot-Duitse volkslied (dus met “Deutschland, Deutschland über alles…”), gezongen door de nazi-freundliche gevangenen van achter de tralies, zwaaiend met naar buiten gehangen witte lakens. “Ruhe! Ruhe!”, roepen vanaf de binnenplaats de Vopo’s, die ongetwijfeld niet lang daarna zelf met hunne Trabanten naar West-Berlijn pruttelen. Bijkomend sterk detail: we zien die binnenplaats door een haast geheel ontbladerde boom heen: het verval van de bloei in beeld.

Pal daarop (gelukkig staat erbij vermeld: 24 mei 1990, een behoorlijke tijdsprong dus) verschijnt Tommy met een degelijke Ford Taunus, kenteken SW-DK 972, uit Schweinfurt dus, voor het huis van de familie Degner in Oost-Berlijn (ja hoor: met McDonald’s op de achtergrond, zodat we goed weten hoe laat het is) waar hij te horen krijgt dat Heiko niet thuis is, maar in de Weitlingstraße, waar zich een kantoor blijkt te bevinden van de rechts-radicale DNP. Net op dat moment betreedt Heiko het podium, in neo-nazi uniform met hakenkruis en al, en begint een hitserige toespraak over het gewenste toekomstbeeld. Tommy applaudiseert even hard als de andere aanwezigen.
De rollen zijn nu omgedraaid: Heiko is vanaf nu de initiatiefnemer, Tommy de volger. Tempo en coninuïteit zijn weer in orde en we zien hoe de kring van neo-nazi’s zich gewelddadig manifesteert, in het bijzonder tegenover (meestal Turkse) buitenlanders. Maar boven alles blijft de vriendschap en trouw tussen Tommy en Heiko een rol spelen. Als uit de geroofde Stasi-archieven blijkt dat Tommy in de gevangenis als informant heeft gewerkt en daarvoor een document heeft ondertekend, ook al was dat in feite om Heiko uit de isoleercel te krijgen, besluit de bende dat Tommy moet worden geliquideerd. Heiko krijgt een pistool om het vonnis te voltrekken. Hij weigert op het moment suprème echter te schieten – de vriendschap wint het. Dan nemen de bendeleden het heft in eigen handen en slaan Tommy in elkaar tot hij er het leven bij laat. De film eindigt met een nu verloren lopende Heiko die in schimmige, wazige beelden geblondeerd over straat sjokt. 

Analyse/Commentaar
Men neme een ijzeren, vierkanten staaf. Klem die stevig vast met twee klemmen ongeveer op halve lengte en draai dan die klemmen een kwartslag t.o.v. elkaar. Doe hetzelfde op driekwart lengte. Je krijgt dan een staaf zoals je die ook wel in tuinhekken ziet. Daarmee heb je de best mogelijke representatie gekregen van de karakterontwikkelingen in deze film. Dat zijn in ieder geval deze drie: die van Tommy, die van Heiko, die tussen Tommy en Heiko. Waar andere films het na één beslissende wending wel mooi vinden, gaat de torsie bij Führer ex nog zeker één slag verder.

  • Tommy (Aaron Hildebrand, 1980) is aanvankelijk de DDR-anarcho met een grote bek, die van alles bedenkt, maar niks bereikt. Eenmaal in de gevangenis gaat hij noodgedwongen dimmen, en aan het eind is hij verworden tot het (onmisbare) aanhangsel van Heiko, dat het niet redt.
  • Heiko (Christian Blümel, 1983) is de wat schuchtere volger van zijn vriend Tommy, bij wie verleden, heden en toekomst in hoofdzaak lege begrippen zijn. Eenmaal in de gevangenis wordt hij door Hagen op onconventionele wijze in de douche wakker geschud, d.w.z. in hem ontwaakt het besef dat hij initiatief moet gaan nemen. Tegen het eind is hij dan ook de volovertuigde, activistische neo-nazi. Maar uiteindelijk ziet hij daarin ook geen toekomst voor hem weggelegd.
  • Tommy en Heiko zijn aanvankelijk vrienden in een perspectiefloze, lege omgeving. In de gevangenis worden ze zogenaamd uit elkaar gehaald (Abteilung A en B), maar het contact  en de vriendschap blijven bestaan. Is het eerst Tommy die nazi-sympathieën uit tegen een afwijzend reagerende Heiko, na hun ontsnapping is het Heiko die de DNP-gelederen gaat versterken en Tommy als verbijsterde toeschouwer weer terugziet. Het muntje kan twee kanten op vallen, maar per saldo zijn er twee verliezers: de een is dood, de ander staat gedesillusioneerd met lege handen.

Op geen enkel moment is deze film “onecht”. Hoe komt dat? Laat ik het op het conto schrijven van zowel de regisseur en scriptschrijver(s), als op dat van de montageafdeling, als op dat van de acteurs. Hun samenwerking leidt tot een harmonieus geheel, waarin wij bijna geen minuut als kijker worden teleurgesteld. Dan neem ik de wat rommelige fase rond de geslaagde ontsnapping maar even voor lief.

Straatbeeld in Oost-Berlijn. © Nadja Klier. Zie http://www.nadjaklier.de/filme/fuehrerex/index.htm

De film blijft boeien door de herkenbaarheid van de erin optredende karakters, door de setting en entourage. Bedenk daarbij dat er af en toe oude DDR-beelden zijn ingelast, bijvoorbeeld in het begin het optreden van Erich Honecker; ook de straatbeelden uit Oost-Berlijn, met al die Trabants en Wartburgs, stammen uit 1988, maar zijn naadloos als “heden” in de film gemonteerd; de tv-reportage uit de Bondsdag is historisch materiaal, soepeltjes en als vanzelfsprekend ingeschoven; de IFA-vrachtwagen van de VE Backwarenkombinat, Betriebsabteil Magdeburg/Süd zal vast wel zijn gehuurd van C.S.T.-Autoservice GmbH te Gremsdorf, die daarvoor bij de aftiteling ook vriendelijk wordt bedankt, maar juist doordat hij is vermond als bakkerswagen en niet als politiebusje, concentreer je je aandacht op die camouflage – niet op het tijdsverschil tussen tijdens en na de DDR. Het enige wat ik eigenlijk mis, is het “hoogtepunt” als het tweetal dan eindelijk de zonegrens tussen DDR en BRD passeert.  Dat moet voor veel DDR-burgers toch een onuitwisbare ervaring hebben betekend, maar om een of andere reden, misschien van technische aard, blijven wij daarvan verstoken.

Het verschil wordt gemaakt door de details. Dat geldt eigenlijk op tal van momenten door de hele film heen verspreid. Een aantal daarvan heb ik hierboven al genoemd. Ze zijn vaak zo geraffineerd, dat je er als kijker misschien niet eens erg in hebt, omdat het allemaal zo natuurgetrouw, levensecht of eventueel normaal overkomt. Maar bij elk detail stijgt de film weer een paar puntjes.

Beate (Jule Flierl, 1982) vervult een gans andere rol dan die van vleesgeworden sekspop die in zo vele films ten gerieve van zich heteroseksueel verklarenden en andere snottebellen op tweederde van de film zo bloot mogelijk met haar benen wijd moet gaan liggen om de verkoopcijfers te stuwen. Zij ontpopt zich hier als een sturende factor in het verhaal: eerst door Heiko het waanidee te geven dat er iets hogers in het leven te bereiken valt (van seks is er geen sprake, hij heeft alleen het gevoel dat er iets onbedaarlijk kriebelt); dan door de vriendschapsrelatie tussen Tommy en Heiko te beproeven (het femme fatale-effect) als zij opeens met Tommy in bed ligt – maar de slipjes blijven aan; en ultimo door op de Bühne te verschijnen als Turkse buikdanseres, die aan Heiko heel fijntjes weet uit te leggen dat hij met al dat hakenkruisgedoe zijn doel nooit zal bereiken. Had zij hem in de gevangenis nog met een kort bezoekje vereerd, nu geeft ze hem de bons. Ook bij haar dus is er een ontwikkeling waarneembaar.

Op een of andere manier houd ik van deze film. Dat zit hem niet alleen in al het bovenstaande of in de personages zelve, hoezeer ik hun acteertalenten ook waardeer. Meer nog dan dat alles is dat Bonengel er voor mij in is geslaagd een universeel probleem in een casus te vatten die historisch verantwoord is, op geen enkel moment onecht overkomt, en bovenal een trieste ervaring op niet-moraliserende wijze tot een aanmoediging weet te transformeren om aan de dagelijkse tristesse te gaan ontsnappen.
De thematiek overstijgt immers het Duits-Duitse probleem. Wat je in Führer ex tegenkomt, kun je in vergelijkbare mate ook wel tegenkomen in Nederland, België, Engeland, Frankrijk. En Oostenrijk natuurlijk, niet te vergeten.

Anders Breivik had er beter aan gedaan ons te dwingen naar Führer ex te kijken, dan om zijn eigen verhaal te gaan regisseren.

_________________________

Führer ex (Duitsland 2002). Regie: Winfried Bonengel. 101 minuten.
Alternatieve titel: Les enfants de la colère
Details: http://www.imdb.com/title/tt0329106/
Nederlandse (nou ja, Vlaamse) ondertitels als .srt-file: http://www.nlondertitels.com/subtitle/14791/F%FChrer+Ex.html

(NB: Als nlondertitels.com zegt dat de file niet te vinden is, zoek er dan op het IMDB-nummer 0329106, dan snapt hij het ineens wel.) 

 

 

 

Acht op Sebastiaan (3/8) – episoden

In de reeks artikelen over afbeeldingen van Sebastiaan is het goed even stil te staan bij de diverse episoden, al dan niet fictief, van zijn leven en dood. We hebben in het artikel over Feiten en fictie al gezien dat we meer niet van hem weten dan wel. Toch kunnen we vijf momenten/gebeurtenissen onderscheiden die meer of minder vaak in zijn afbeeldingen terugkeren.

Sebastiaan als genezer

Dieulouard (F), “Guérison par St.-Sébastien”


Relatief schaars zijn de afbeeldingen waarin hij wordt weergegeven als genezer van zieken. Ik kwam er een tegen op een glas-in-loodraam uit ±1935 van André Pierre in de Sebastiaankerk te Dieulouard (bij Nancy, Frankrijk) waar hij, naar zijn kleding te oordelen, voorkomt als geestelijke. Dat is hij bij mijn weten echter nooit geweest.

Sebastiaan als Romeins officier

Ook niet talrijk zijn de voorbeelden waarin hij staat afgebeeld als Romeins officier. In de periode voor de renaissance en in de 19e eeuw was er meer aandacht voor de “heilige soldaat van Christus” dan in de tussenliggende eeuwen. Deze weergave treffen we onder meer aan als altaarbeeld in de Sebastiaankerk van Rumelange (Luxemburg), in 1896 vervaardigd door Jean-Pierre Decker (afbeelding links) en op de voorgevel van de Sebastiaankerk in Nancy, gemaakt in 1886 door Victor Huel (afbeelding rechts). Beide afbeeldingen vertonen opmerkelijke gelijkenissen: Sebastiaan draagt de kledij van een Romeins officier, maar zijn helm ligt voor zijn voet op de grond (ten teken dat hij zijn aardse carrière lager acht dan zijn geloofsovertuiging?). In zijn rechter hand heeft hij een kruisbeeld. In de iconografie is dat het teken van geloofsverkondiging. In zijn linker hand een afgebroken palmtak, teken van martelaarschap. Deze uitbeelding van Sebastiaan is zo ongebruikelijk dat de officiële website van de VVV-Nancy in het beeld niet Sebastiaan herkent, maar ten onrechte spreekt van de heilige Stanislas. Hoewel men in Nancy (correspondentie uit 2008) mijn argumenten correct vindt, is men daar toch niet van plan hun heilige Stanislas op te offeren voor een lokaal minder aansprekende heilige als Sébastien, ook al is de betreffende kerk aan hem gewijd. Maar dat was alleen maar ter voorkoming van de pest.
Prof. Allesandro Giua, die is gespecialiseerd in de iconografie van Sebastiaan en er een (inmiddels onbereikbare) uitgebreide site (The Iconography of Saint Sebastian) over bijhoudt, mailde mij in 2009 n.a.v. deze kwestie:
“Leonard; it is unlikely the statue is St Stanilas. The only detail consistent with Stanilas (but also with Sebastian) is the palm of martyrdom. However: 1 – the statue represents a young man while St Stanilas died at the age of 49; 2 – the statue represents a Roman soldier while St Stanilas was a scholar and a bishop; 3 – below the statue one can see an arc and a quiver attributes of St Sebastian (arrows are missing though) while the attributes of St Stanilas are the Episcopal insigna, the sword (instrument of his martyrdom) and resurrected Piotr (a guy he resurrected) at his feet. (http://en.wikipedia.org/wiki/Stanislaus_of_Szczepanów).  Alessandro”.
Hierop  valt overigens ook wel weer wat af te dingen. De in Nancy geëerde Stanislas is namelijk niet bisschop en martelaar Stanislas Szczepanowski (Stanisław Szczepanowski, 1030-1079), maar de Poolse koning Stanislas Leszczinski (Stanisław Leszczyński, 1677-1766), tevens van 1737-1766 hertog van Lotharingen, waar Nancy deel van uitmaakt. Het beroemde Place Stanislas in Nancy is ook naar hem vernoemd.

Sebastiaan als martelaar

In veruit de meeste gevallen treffen we Sebastiaan aan tijdens zijn martelaarschap, op het moment dat zijn lichaam met pijlen wordt doorboord. Dat is ook niet onbegrijpelijk. Enerzijds mogen we spreken van het meest dramatische en ook meest aansprekende moment uit Sebastiaans leven, anderzijds is het een gebeurtenis waarbij de kunstenaar een enorme speelruimte heeft om de situatie uit te beelden en zijn vakmanschap te tonen waar het gaat om anatomische weergave, dynamische expressie en gelaatsuitdrukking. Wat dat betreft spreekt de ook al eerder weergegeven Sebastiaan op het hoogaltaar in Awenne (B) boekdelen. Op de setting waarin dat zoal plaatsvindt, kom ik in andere artikelen in deze reeks artikelen nog uitgebreid terug. Voor desbetreffende afbeeldingen zie aldaar.

Sebastiaan verzorgd
Het is vooral op enkele schilderijen dat we de daarop volgende scène zien afgebeeld: Sebastiaan wordt verzorgd door Irene die de pijlen uit zijn lichaam verwijdert en zijn wonden verzorgt, zoals op onderstaand schilderij van Jacques Blanchard (± 1630) in de collectie van het Rijksmuseum Amsterdam. Binnen de officiële kerk zal men niet ongelukkig zijn geweest met deze meer pietà-achtige afbeeldingen naast al die kronkelende, nagenoeg naakte lichamen in de martelscènes.

Sebastiaan vermoord

Soms, en vooral in combinatie met andere episodes, treffen we de uiteindelijke moord op Sebastiaan aan wanneer hij met knuppels wordt doodgeslagen, en er bestaat een gering aantal afbeeldingen waarin we zien dat de dode Sebastiaan in de cloaca maxima, het grote riool van Rome wordt geworpen. Bij Lieferinxe (1497) zien we op de voorgrond het doodknuppelen afgebeeld en op de achtergrond het werpen van het lijk in een put, een voorbeeld van fragmenten uit een verhaal in één afbeelding samengevat.

 

De diverse entourages waarin afbeeldingen van Sebastiaan zijn gesitueerd komen aan bod in het volgende bericht Acht op Sebastiaan (4/8) – entourages.

 

Acht op Sebastiaan (4/8) – entourages

In de reeks artikelen over afbeeldingen van de heilige Sebastiaan staan we ook even stil bij de entourage waarbinnen schilders en tekenaars de executie van Sebastiaan laten plaatsvinden. Ruw gezegd localiseren zij dat ofwel binnen, ofwel buiten de stadsmuren. Wat kunnen daarvoor de redenen zijn? En wat zijn de attributen die binnen de iconografie worden gebruikt om aan te geven dat we te maken hebben met Sebastiaan?

Bij de beschrijving van de entourage beperk ik me tot de afbeeldingen waarop Sebastiaan gebonden te zien is en met pijlen wordt doorboord. Tevens beperk ik me tot de schilderijen en tekeningen, omdat bij de sculpturen van een entourage geen sprake is. Die spelen weer wel een rol als het gaat om de afgebeelde attributen.

Binnen of buiten de stadsmuren
Als we naar de honderden afbeeldingen kijken, vindt de gebeurtenis grosso modo plaats ofwel binnen de stadsmuren ofwel daarbuiten. Voor beide is, gelet op historische correctheid, wel iets te zeggen. In Europa en het Middellandse-Zeegebied vonden executies vaak plaats buiten de stadsmuren, om praktische en hygiënische redenen. Het slachtoffer kon dan gewoon blijven hangen of liggen, roofvogels ten prooi, zonder dat er besmettingsgevaar was voor de stadsbevolking. Zo kennen we in Nederland nog de Volewijk (< “Vogelwijk”; Amsterdam), Galgewaard (Utrecht), Galgeveld (Nijmegen, Zeist) en in Wallonië La corne-du-Bois-des-Pendus (bij Martelange). Ook in het ons bekende Reinaertverhaal wordt de galg voor Reinaert opgericht een eind buiten het hof van koning Nobel. Christus werd gekruisigd op de berg Golgotha (= “schedelplaats”; ook wel: Calvarieberg, van Latijn calva = schedel) die buiten de muren van Jeruzalem lag.

Uit dien hoofde is het dus begrijpelijk dat de meeste Sebastiaanafbeeldingen zijn gesitueerd in het open veld, met hooguit huizen of andere gebouwen op de achtergrond. Een oude bron situeert de gebeurtenis op “het veld van Mars“, aan de Tiber, net buiten Rome. Daarmee correspondeert het hier weergegeven schilderij van Sodoma (1525), waarop een stadspoort (de Flumentaanse poort?) en een rivier (de Tiber?) te zien zijn. Aan de horizon zien we een stad (Rome?) op de heuvels liggen.

Anderzijds: lijfstraffen en executies werden ook wel uitgevoerd midden in de stad; het waren publieke evenementen waar veel volk naar kwam kijken en nog los van het entertainmentgehalte speelde daarbij mee dat de tenuitvoerlegging gold als waarschuwing aan het publiek. Of we nu denken aan het schandblok op de Dam in Amsterdam of het Colosseum in Rome waar christenen voor de leeuwen werden geworpen, de entourage is min of meer identiek. Het is dus niet ondenkbaar dat Sebastiaan binnen de muren werd geëxecuteerd.

Dit is onder meer het geval bij het schilderij van Antonello da Messina (1476 of 1478) hiernaast. Hier staat Sebastiaan gebonden aan een (dode?) boom die oprijst vanuit een marmeren plavuizen vloer in een overigens vrij ruime setting, waaruit in ieder geval duidelijk wordt dat het is gesitueerd binnen de stadsmuren. De compositie komt niet erg realistisch over als we letten op de andere personen op het doek: niemand schijnt de aanwezigheid van deze perspectivisch veel te grote, blote man op te merken, laat staan zich ervoor te interesseren. In onze dagen wekt het geheel de indruk dat iemand het heeft gephotoshopt: de vrijgemaakte Sebastiaan heeft geplakt over een achtergrond met stadstafereel. Over de wel erg geprononceerde houding die Sebastiaan hier aanneemt, kom ik nog te spreken in het artikel Afbeeldingen van Sebastiaan – houdingen. Van het schilderij zijn er uitvoerige beschrijvingen te vinden op Wikipedia.

Details
Tal van schilderijen en tekeningen van Sebastiaan laten nog veel meer details zien, zoals bijvoorbeeld het subtiele detail van geschilderde pijlen die hun doel gemist hebben en in de boom zijn terecht gekomen. Zie daarvoor onder andere de afbeelding van Sodoma hierboven. Op dat schilderij zien we links boven ook al een engel komen aanvliegen met een kroon in de hand om Sebastiaan premortaal alvast te heiligen! Over afgebeelde attributen kom ik in de volgende paragraaf nog te spreken; ik wil nu alleen nog de aandacht vestigen op het feit dat zeer veel schilders, vooral van de wat oudere schilderijen, ervoor kozen niet alleen Sebastiaan als hoofdpersoon neer te zetten, maar dat zij ook als het ware de gebeurtenis wilden verlevendigen door ook de boogschutters af te beelden.

Afhankelijk van de gekozen setting en de beheersing van het perspectief zien we die dan op enige afstand hun boog spannen of hun pijlen afschieten, op weer andere staan ze pal tegen Sebastiaan aan, hetgeen me minder realistisch lijkt. 


Van beide geef ik hier een oud voorbeeld: eerst (boven) de ruimtelijke werking van Jacques Callot (1631) die, in termen van fotografie, een groothoeklens gebruikt om zoveel mogelijk omgeving te vangen en voor wie het geen probleem is dat het hoofdonderwerp Sebastiaan welhaast onherkenbaar ergens ver weg in het midden staat opgesteld. De schutters staan op ruime afstand. Daar tegenover zien we bij Hans Paur (1472) dat zoveel mogelijk informatie in een zo smal mogelijk kader is gegroepeerd: de opdrachtgever (?), de schutters, het slachtoffer. Door het in onze ogen slechte perspectief ontbreekt elke suggestie van ruimtelijke werking.

Attributen
In de iconografie is het gebruikelijk dat een afbeeldingen een aantal elementen bevat waaraan wij de afgebeelde persoon eenduidig kunnen herkennen. Deze zogeheten attributen (eigenschappen of voorwerpen) zijn in de loop der eeuwen gekoppeld aan een bepaalde persoon, zodat ook zij die niet konden lezen zeker wisten om wie het ging. Zo weten we met grote zekerheid dat we met Sebastiaan te maken hebben als we de volgende attributen waarnemen, alleen of in combinatie:

  • Het uniform van een Romeins officier, maar dan in combinatie met pijlen en/of boog en/of kruisbeeld en/of gebroken palmtak. Voorbeelden: de beelden uit Pécs en Remerschen in het artikel Afbeeldingen van Sebastiaan – Kleding, en die van Huel en Decker in het artikel Afbeeldingen van Sebastiaan – Episoden. Vaak zien we dan bovendien dat de helm aan zijn voeten ligt ten teken van het feit dat hij zijn officiersfunctie heeft moeten opgeven.
  • Een ruggelings aan boom of paal vastgebonden (bijna) naakte mannelijke figuur. Dit is de meest voorkomende wijze waarop Sebastiaan wordt afgebeeld. Zie bijvoorbeeld het schilderij van Sodoma hierboven.
  • Een of meer pijlen, al dan niet in combinatie met een boog. De pijlen hebben Sebastiaans lichaam getroffen, of hij houdt ze in de hand.
  • Verwondingen op het lichaam, veroorzaakt door pijlen die op het zijn afgevuurd en daarna zijn verwijderd. Dat laatste kan duiden op een latere fase van het verhaal waarbij de heilige Irene Sebastiaan verpleegt, maar het kan ook een technische kwestie zijn: de door de kunstenaar aangebrachte pijlen zijn in de loop der tijd verwijderd of om andere reden verloren geraakt.
  • Een gebroken palmtak in de hand, het iconografisch symbool dat wijst op een martelaar.
  • Een kruisbeeld in de hand, het iconografisch symbool dat wijst op een geloofsverkondiger.
  • Een aureool of anderszins oplichtende krans achter het hoofd, het iconografisch symbool dat wijst op een heilige.

Het volgende bericht, Acht op Sebastiaan (5/8) – kleding, gaat meer specifiek in op de kleding die we in Sebastiaanafbeeldingen tegenkomen.

 

 

Acht op Sebastiaan (5/8) – kleding

Afbeeldingen van Sebastiaan – Kleding

In de reeks artikelen over afbeeldingen van Sebastiaan concentreren we nu op de wijze waarop Sebastiaan in die afbeeldingen gekleed gaat. Dat is uiteraard afhankelijk van de uitgebeelde scène. Meestal spoort dat met een van de episoden uit zijn leven; soms ook combineert een afbeelding kleding en attributen uit twee episoden, vermoedelijk om meer elementen van zijn verhaal in één beeld te kunnen vangen.

Diverse episoden
De door Sebastiaan gedragen kledij is in eerste instantie afhankelijk van de episode uit zijn leven die wordt uitgebeeld : 

  • Als genezer (zie het glas-in-loodraam uit Dieulouard in het artikel Episoden draagt Sebastiaan een toga met daarover een superplie en een stola: kenmerken van een priester in functie.
  • Als Romeins officier is hij als zodanig uitgedost en goed herkenbaar. Zie de afbeeldingen uit Nancy en Rumelange, ook in het artikel Episoden.

    De uitbeelding door Kiss (links), detail van een standbeeld in het Hongaarse Pécs, combineert (delen van) het uniform met de martelscène, iets wat uiterst zelden voorkomt. Op de voorgevel van de Sebastiaankerk in Remerschen (bij Schengen, Luxemburg)(rechts) zien we hem ook als officier gekleed, maar dan met 2 pijlen in zijn hand; ook een combinatie dus van twee episoden.
  • Tijdens de verzorging door Irene is Sebastiaan naakt of bijna naakt, maar steeds in een decente houding gepositioneerd (bijvoorbeeld: voorste been opgetrokken) waardoor het bedoelde piëte karakter van de afbeelding behouden blijft.
  • Bij zijn uiteindelijke dood en bij het wegwerken van zijn lijk is enige kledij nauwelijks relevant, in dit geval omdat Sebastiaan op deze afbeeldingen nogal klein of vaag is geschilderd. Zie bijvoorbeeld het schilderij van Lieferinxe in het artikel Episoden.

De grote verschillen treden op bij al die afbeeldingen waarop Sebastiaan gebonden staat en met pijlen wordt doorboord. De variatie loopt hier van Romeins uniform (uniek; zie de afbeelding van Kiss hierboven) via rijkelijk gekleed (zeldzaam; het voorbeeld hiernaast is te zien in de Sebastiaankerk in Cetturu, Wallonië) tot, al even zeldzaam, geheel naakt. Ik wijs op werken van bijvoorbeeld Baccio Bandinelli (begin XVIe), Mantegna (±1500), Severo da Ravenna (±1500), Vittoria (1566), Chimenti (±1600) en Fedi (1844), alsmede op een prachtig klein terracotta beeldje van 55 cm hoog in de Sint-Niklaaskerk te Perk bij Brussel. Zie hieronder.

Naaktheid
Jan van Scorel was een van de weinige (Nederlandse) oudere schilders die het aandurfde een compleet naakte Sebastiaan te portretteren. In 1542 verscheen zijn werk, waarbij een tweetal opmerkingen op zijn plaats zijn: (1) als model heeft hij een figuur gebruikt uit Michelangelo’s Laatste Oordeel, helemaal links, waarbij nota bene het origineel nog een kuis lapje boven aan het been heeft; (2) zoals we wel vaker tegenkomen bij Christelijk mannelijk naakt wordt de aandacht op de geslachtsorganen sterk teruggedrongen door die disproportioneel klein uit te beelden. Je zou toch mogen verwachten dat een zo vlezig gevormd lijf à la Rubens als op dit schilderij wel wat forser geschapen was…
Pas in de laatste halve eeuw zien we een grote toename van naaktafbeeldingen, bijvoorbeeld bij Henricot, Heidelbach, Haring, Hernandez, Joosen, Karalla, Leta, Litzroth, Lozano, Mills, Ojeda, Pellettier, Redondo, e.a. Bij sommige van deze recente afbeeldingen is een sm-achtige combinatie van pijn en genot invoelbaar. In vroeger eeuwen lag dat wellicht anders. Immers, het was bij de Romeinen bepaald niet ongebruikelijk dat naaktheid een onderdeel was van de strafoplegging, waarbij een aspect van doelbewuste ontering niet ontbrak. Zo is het waarschijnlijk dat Christus ook naakt aan het kruis heeft gehangen, maar de christelijke kerken gaan niet zover dat ze die realiteit in hun godshuizen ook gevisualiseerd willen zien. De naakte Christusfiguren zijn dan ook schaars, maar ze zijn er wel, zoals van Michelangelo.

Het verst op dit punt, voor zover ik in kerken ben tegengekomen, gaat de Sint-Niklaaskerk in Perk. Daar staat het bovengenoemde terracotta beeldje uit ±1700 van een geheel naakte Sebastiaan op een zijaltaar. Aanvankelijk stond het op ooghoogte boven op het tabernakel, maar in de jaren-80 heeft men het (uit bescherming of uit kuisheidsoverwegingen?) helemaal boven op het altaarstuk in de bekroningsnis geplaatst, op ruim 4 meter hoogte. Curieus is dat links en rechts van hem aan de boomtakken een koperen boog hangt waarmee pijlen zijn afgevuurd. Ook opvallend: één van de drie pijlen heeft zijn lichaam gemist en zit naast zijn hoofd in de boomstam gespiest. De auteur is helaas onbekend, maar hij had wel degelijk oog voor details en getuigt daarbij van grote realteitzin.


Kunst is een spiegel van de tijd. Zo drukken het Concilie van Trente en koningin Victoria evenzeer hun stempel op de kunst in preutse zin als dat de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw dat deden in “bevrijdende” zin. Vandaar dat vroeger veel kunstuitingen in later tijd voorzien werden van vijgenblaadjes, lendendoeken, een heel toevallig door de wind bewogen tak e.d. Het betreft puriteinse ingrepen die we in feite al bij veel afbeeldingen van Adam en Eva aantreffen, zelfs in de fase voor de verdrijving uit het paradijs. Kunstenaars zoeken echter ook de grenzen op van wat wordt getolereerd en dat betekent dat Sebastiaan op zeer veel afbeeldingen dusdanig schaars gekleed is, dat we dat heden ten dage in feite op het randje van pornografisch of althans prikkelend kunnen vinden, zoals de weergaven door Kuppfer (±1930) en Moreau (1876). Bovendien verraden in een aantal gevallen schetsen die aan het uiteindelijke werk vooraf gingen dat het wel degelijk om een naakte figuur ging, waar later een doek of kledingstuk overheen is aangebracht, bv. bij Perugino (±1495), die daarbij toch echter wel tot het uiterst minimale randje lijkt te zijn gegaan.

Kledingvarianten

Als hij gekleed gaat, zien we dus alle mogelijke varianten tussen een groot kleed dat van de schouders afvalt (maar nog wel een of meer verwondingen vrij laat zien) tot een iel lendendoekje of doorschijnende strook stof. Die zit dan rond zijn heupen met een knoop vast of wordt door een koord om zijn middel op zijn plaats gehouden. Een heel enkele maal (bijvoorbeeld Kuppfer (1930), De Barbari (1509) en Dossi (±1530)) is er geen knoop of touw nodig, maar blijft het doek “vanzelf” aan Sebastiaans voorkant hangen, iets waaraan kunstenaar en toeschouwer hun eigen interpretatie mogen geven.

 

Op oudere afbeeldingen draagt Sebastiaan ook wel een zogenaamde braie, de middeleeuwse voorloper van onze slip. Hier is daarvan een voorbeeld te zien op de afbeelding door Messina (±1478), een afbeelding die in het artikel Entourages uit deze reeks om nog een andere reden interessant blijkt te zijn. De braie zien we bij nog wel enkele tientallen gravures en schilderingen van Sebastiaan en vele andere mannelijke figuren uit de periode voor 1600.

Sebastiaan als schijnheilige

Na het achttal berichten over afbeeldingen van Sebastiaan laat ik er nog een heuse nastoot op volgen. Deels onder de gordel. Want net als in mijn bijdragen komt in tal van artikelen van anderen over de Sebastiaancultus naar boven drijven dat het bij maker en beschouwer veel minder gaat om de religieuze beleving van een artistiek-hagiografisch deel van de christelijke kerkgeschiedenis, maar veeleer om de meer op de anatomie gebaseerde weergave van het mannelijk lichaam. Dan is dus Sebastiaan een schijnheilige die zich uitermate goed leent -dat moet gezegd- om ofwel de kunstenaar de kans te geven zijn artistieke niveau te etaleren, en/of de beschouwer de kans te geven ervan te genieten – in extremo: zich eraan te verlustigen. De heilige Sebastiaan kan dan de pest buiten de deur houden, de mooie Sebastiaan roept emoties op. Ik verzin het niet zelf; hoe kan anders deze martelaar tot symbool worden van èn de pestbestrijding, èn de schuttersgilden, èn de homobeweging?

Ik kwam ertoe deze nastoot uit te delen bij het dieper bestuderen van een van de duizenden afbeeldingen, die van Antonello da Messina uit ± 1478, waarvan niet vaststaat of het is vervaardigd in Venetië of op Sicilië. Het schilderij bracht ik al eerder ter sprake in mijn verhandeling over de kleding (met name zijn braie) en over de entourages (met name het feit dat hij binnen de stadsmuren wordt beschoten). Maar er is met dit schilderij eigenlijk nog veel meer aan de hand. Tot het moment dat ik vanuit professionele kunstkringen (bv. uit Dresden, waar het schilderij zich bevindt in de Gemäldegalerie, inv.nr.52, en waar het recentelijk nog geheel is gerestaureerd) meer gefundeerde uitspraken erover kan doen, behelp ik me nu vooralsnog met de bevindingen die mij zo al opvallen of van elders heb vergaard. In zijn algemeenheid: van heel veel kunstwerken (schilderijen, sculpturen, muziek, literatuur) is nooit helemaal duidelijk in hoeverre zij zijn geïnspireerd door eerder werk, of daarvan zelfs een regelrechte kopie zijn. Daarvoor is onderzoek nodig, met een kwalificatie als gevolg die kan variëren van “origineel” tot “plagiaat”. We weten dat Antonello da Messina bekend was met de Sebastiaanschilderijen van Mantegna en Piero della Francesca, maar als je die er naast legt, kun je hooguit concluderen dat ze Messina op een idee hebben gebracht; gekopieerd heeft hij ze beslist niet. En terzijde: de weergave bij Messina vind ik van beduidend grotere klasse dan die bij de twee genoemde andere. Niet gekopieerd dus, wel overtroffen.
Maar ik sla een andere richting in, omdat er naast bedoeld schilderij van Da Messina nog een Sebastiaanschilderij bestaat, waarvan we helaas de exacte datering niet kennen, maar die ligt niet ver van 1476 af, namelijk dat van Liberale da Verona (1445-1530). Ik zet ze even naast elkaar; links Da Messina, rechts Da Verona. En de gelijkenissen zijn menigvoud.

  • 1. Hoofdpersoon: een jongen van 16-19 jaar, zo te schatten.
  • 2. Uitbeeldend de marteling van Sebastiaan. Meer precies: het historisch onwaarschijnlijke wordt uitgebeeld: Sebastiaan is geraakt door vier of vijf pijlen. Uit niets blijkt dat de schutters nog een volgend salvo in petto hebben, maar Sebastiaan is nog geheel bij bewustzijn, dus als de schutters zijn vertrokken, hebben ze hem niet voor dood achtergelaten, zoals de overlevering vermeldt.
  • 3. Nergens op een der afbeeldingen is te zien dat er pijlen zijn die hun doel hebben gemist. Dat is geen flauwe opmerking, want bij Sodoma bijvoorbeeld, of het beeldje in Perk, is dat wèl uitgebeeld.
  • 4. Staande en frontaal geportretteerd (bij Messina heup- en schouderlijn licht naar links gedraaid); invloed van Rafaël?
  • 5. Identieke stand van de voeten: rechter voet naar rechts, linker voet naar links.
  • 6. Beide handen op de rug. Gezien de afhangende touwen zijn ze gebonden. Merk tevens op dat de voeten niet zijn gebonden – dat zou immers de houding te geforceerd gaan maken!
  • 7. Het hoofd licht naar rechts neigend; de blik ten hemel gericht.
  • 8. Slechts gekleed in een lendenbedekking.
  • 9. Pijl in de rechter borst, net naast het borstbeen, met druppelend, vaag bloedspoor.
  • 10. Pijl rechts van de navel, met duidelijk bloedspoor dat leidt naar de schaamstreek.
  • 11 Situering binnen de stadsmuren.
  • 12. Geplaatst tegen een niet al te dikke boom die midden op de weg/het pad staat, en die midden boven hun hoofd naar boven uitloopt.
  • 13. Naast de linker voet een in identieke richting liggend brokstuk van een zuil, symbool van het verval van het (heidense?) Romeinse rijk; bij Messina is het onduidelijk waar die zuil opeens vandaan komt, bij Verona is duidelijk dat Sebastiaan staat op het restant van de zuil dat is blijven staan.
  • 14. Andere personages in, op of voor de huizen lijken zich in het totaal niet te bemoeien met het executietafereel.
  • 15. Omdat de “camerapositie” in beide gevallen van onderaf is, bevindt de horizon zich op ± 1/3 van onderen en zien we boven de stad een blauw-grijze, bewolkte lucht. Dit is opvallend voor wie heeft geleerd dat voor een goede vlakverdeling bijvoorbeeld op foto’s de horizon zich juist op 1/3 van boven moet bevinden.
  • 16. Beider gelaatsuitdrukking verraadt geen pijn of angst, eerder lijdzaamheid of desnoods verveling (“Hoe lang moet ik zo nog blijven staan?”); een zweem van blos is op beider wangen zichtbaar.
  • 17. De lichtinval is van linksboven, o.a. te zien aan de schaduw onder hun voeten.
  • 18. Er is geen spoor te bekennen van borsthaar, schaamhaar of haar op de benen; de lichamen zijn wat dat betreft even glad als gaaf. Deze eigenschap gold lang tijd als behorend tot de uitbeelding van het perfecte lichaam, al dan niet corresponderend met de werkelijke beharing van het model in kwestie.
  • 19. Proportioneel gezien is de hoofdfiguur veel te groot voor de omgeving; het vermoeden dat het hier om een perspectivische tekortkoming gaat legt het m.i. af tegen de bewuste poging een onderscheid tussen hoofd- en bijzaken te maken: de achtergrond is slechts decor dat zich niet mag opdringen, maar louter dient om de Sebastiaan te situeren.

Ja, er zijn ook een paar verschillen:

  • 1. Het aantal pijlen en de positie van sommige is niet identiek. Merk op dat in geen van beide gevallen er een pijl in de lies of schaamstreek is geschoten, iets wat ook maar zelden of nooit in de iconografie van Sebastiaan te zien is; je zou toch denken dat bij de gegeven positie er toch ook wel eens eentje welgemikt of verdwaald daar terecht zou komen…
  • 2. Er is een verschil in haardracht.
  • 3. Messina lijkt te zijn gesitueerd op een plavuizenvloer van een palazzo, terwijl Verona de indruk wekt te zijn gesitueerd in Venetië (zie de gondel links in beeld).
  • 4. De braie bij Messina is duidelijk van grotere hoogte dan die bij Verona, maar die heeft dan als extra ter compensatie van zijn pudiciteit de op curieuze wijze rond zijn braie en heupen bevestigde lange doek die onderaan van franjes is voorzien.
  • 5. Bij Messina is de linker hak een weinig los van de vloer, hoewel de heupstand doet vermoeden dat zijn linker been het standbeen is (kan, maar is niet erg stabiel; lastig bij het poseren); bij Verona komt de rechter hak iets los van de sokkel, terwijl ook bij hem het linker been het standbeen is (veel natuurlijker).

De genoemde verschillen vallen echter in het niet bij de vele overeenkomsten. Hier is ongetwijfeld gekopieerd, alleen ik weet niet door wie. Laat ik het nog iets ingewikkelder maken en er Pietro Vannucci detto il Perugino bij betrekken. Die produceert tussen 1493 en 1500 een vijftal Sebastiaanafbeeldingen (zie hieronder), vermoedelijk steeds gemaakt van hetzelfde model, en in ieder geval steeds in dezelfde houding. Exact dezelfde houding ook als die we bij Messina en Verona zien.

(Klik op de miniaturen voor een groter formaat.)
Bij afb.2 kunnen we het niet zien, maar bij 1, 3 en 4 is het predicaat “pornografisch” voor de hand liggend: bij de minste of geringste beweging van zijn heupen zal het zo kunstig gedrapeerde doek zijn houvast verliezen en zinloos aan zijn voeten neerdwarrelen. Ik houd het erop dat Perugino niet zozeer pornograaf was, maar eerder last had van bekrompen opdrachtgevers (ook dat moet wetenschappelijke studie maar eerst eens staven overigens). In het Cleveland museum of Art (Ohio, USA), bevindt zich namelijk de pentekening die hier als afb.5 te zien is. Dan komt de aap uit de mouw, denk ik: Perugino heeft een aantrekkelijk model gevraagd een uurtje voor hem te poseren, à la viande, zoals dat bij ons in dialect heet, om als basis te dienen voor de Sebastiaan die hij in opdracht moet maken. De klant wil echter geen totaal bloot schilderij. Perugino schikt zich en tekent als voorzorgsmaatregel een veel te klein piemeltje (de penisfobie van zo vele eeuwen en culturen) en een half ingetrokken scrotum, waardoor hij later moeiteloos er een lapje overheen kan schilderen. En wat voor een! Om toch nog iets van zijn voorkeur intact te laten krijgt hij (afb.1) een opvallend dunne, doorschijnende sjaal om de heupen die, probeer het maar eens, nooit op z’n plek blijft zitten, tenzij hij met zijn linkerhand achter zijn rug het niet-zichtbare andere uiteinde van de sjaal angstvallig vastklemt. Ik photoshop de afbb. 1 en 5 even over elkaar heen, voor wie nog twijfelt. Merk tevens op dat elk spoor van borst- of schaamhaar ontbreekt, maar dat heeft eerder met de tijdgeest en bijbehorende schoonheidsidealen te maken, dan met Perugino’s voorkeur, schat ik in. Ik zou over dat laatste een heel artikel kunnen vullen, ware het niet dat er op internet inmiddels zo veel over is te vinden dat ik me de moeite kan besparen. Ik beperk me dus maar tot drie constateringen: (1) Er kan door alle eeuwen en culturen heen een wezenlijk verschil bestaan tussen hoe men op het punt van lichaamsbeharing er werkelijk uitzag en hoe men werd uitgebeeld. (2) Een simpele vergelijking tussen twee topstukken der beeldhouwkunst: de David van Michelangelo (1504; met schaamhaar) en die van Donatello (± 1440; volledig glad zonder haar) toont in ieder geval aan dat er rond 1500 in Italië geen eenduidig oordeel bestond over de “ideale” weergave van het “ideale” lichaam. (3) De schaamhaarcultuur, of beter: -cult, van de laatste decennia laat zien dat velen zich met dit onderwerp bezighouden en dat het een onderdeel is van de mode, zoals hoofdhaardracht en gelakte nagels, piercings en tatouages dat ook zijn.

Keren we terug naar Perugino en zijn gladgeschoren model. Wat blijkt nu: (a) Perugino heeft daadwerkelijk zijn schets gebruikt om zijn schilderij te maken, en (b) de sjaal is werkelijk tot aan de uiterste limiet gezakt om geen uitvoeringsproblemen te veroorzaken.
Maar het resultaat is, behalve weinig realistisch, ook van een voor mijn part onbedoelde sensualiteit, erotiek, geilheid, die nota bene aan de originele tekening ontbrak: die was alleen maar bloot. Niks aan, zeggen we dan.

Zo. Nou weer terug naar Messina en Verona en hun aan de mode aangepaste kledij. Eerst moeten we even bij Verona van die weinig ter zake doende lange lap stof zien af te komen. Met Photoshop is dat zo geregeld, en dan krijgen we, met schending van allerhande rechten ongetwijfeld, het volgende te zien:

Het probleem (voor Liberale da Verona? Voor de opdrachtgever? Voor ons?) is duidelijk: Liberale heeft zijn model een maatje S gegund, waar het L of XL had moeten wezen, zoals Messina heel correct een passende maat M uit de la heeft gehaald. Maar Verona’s model is forser van postuur, en dat vraagt om aangepaste maatvoering.

Van het schilderij van Verona zijn mij geen schetsen of voorstudies bekend; ik weet dus niet of hij heeft gewerkt vanuit een (al dan niet naakt) modelfiguur. En omdat we ook al ten aanzien van de datering in het ongewisse blijven, kunnen we voorlopig ook niet vaststellen of uitsluiten dat Verona wellicht gebruik heeeft gemaakt van de pentekening van Perugino. Ik kom nu niet verder dan een suggestie, en leg Perugino’s schets maar eens over het schilderij heen:

De gelijkheid tussen Perugino en Verona is aantoonbaar afwezig. Niet alleen is de Veronafiguur forser, d.w.z. breder in schouders, romp en heupen, de beenstand niet corresponderend, maar nog treffender is het feit dat de proporties niet overeenkomen. Bij gelijkblijvende totale lengte en de ogen over elkaar heen vallend, zijn de schouders bij Perugino veel lager en is het kruis verder uitgezakt, oftewel, zijn de bovenbenen korter, want de knieën corresponderen min of meer weer wel. Wellicht heeft hij zich laten inspireren, maar ik ga er toch maar van uit dat Verona een ander model heeft laten poseren dan dat waarvan Perugino zo vaak profijt heeft gehad. Sebastiaan als schijnheilige.


Wat Messina betreft: daar ligt het mogelijkerwijs iets anders. In het Albertina te Wenen, inv.nr.15v, bevindt zich namelijk bijgaande schets voor Sint Sebastiaan van Antonello da Messina. Los van het feit dat de verhoudingen en de draaiing van het lichaam niet echt geslaagd zijn en dat dit beslist niet een directe voorstudie is geweest voor zijn hier behandelde schilderij, mogen er twee aspecten niet onopgemerkt blijven:

(a) Het gaat zo te zien wel om hetzelfde model als dat hij voor zijn schilderij heeft gebruikt.
(b) Om in termen te blijven: dit studiemodel gaat gekleed in maat XL, duidelijk afwijkend van de braie op het schilderij.

Er is, na al deze overwegingen, geen ruimte meer voor vrome gedachten. Vind de besproken schilderijen mooi of niet, ophitsering of nietszeggend, geil of asensueel, maar geloof niet dat je er, door er lang naar te kijken en er een kaarsje bij te branden, heel veel dagen aflaat mee kunt verwerven.
Want laten we er geen doekjes om winden: al sinds de renaissance heeft de wereld de schone Sebastiaan van de kerk afgepakt om hem als lustobject, in elk denkbare houding en omstandigheid, in processie te voeren langs de mannenfantasie. Die kan er zijn pijlen op richten, zoals Eros, Cupido, Amor de pijl richten in de hoop dat de in het hart geraakte op slag verliefd zou worden. Daar zit wel iets merkwaardigs aan: ik ken niet één Sebastiaanafbeelding waarop hij onderdeel uitmaakt van een amoureuze handeling met een of meer van zijn folteraars, bovengeschikten of minnaars. In een heel enkel geval vertoont Sebastiaan een erectie, maar daar moet de fantasie dan maar genoegen mee nemen. In zijn roman Sebastiaan gaat Adriaan Litzroth wel een stap verder: hij laat Sebastiaan het ondubbelzinnig lustobject zijn van zijn protagonist. Als die liefde niet wordt beantwoord, is dat de voornaamste reden voor de afgewezen minnaar om Sebastiaan te folteren en te doden, ja zelfs om hem te sodomiseren – de enige keer dat er op Sebastiaan niet frontaal, maar van achteren wordt gefocust. Maar het is een fictief verhaal, geen historisch document, en er zijn ook geen afbeeldingen van.
De afbeeldingen die we wel hebben vertonen een onbenaderbare Sebastiaan, die, symbolisch haast, de gedachten en waardering van de toeschouwer naar believen kan richten. Dat begon in de renaissance en het houdt sindsdien niet op. In januari 2013 won de in Frankrijk woonachtige beeldhouwer Marcel Joosen tijdens de 9e Biennale des Artistes haut-marnais de “Prix de la ville de Chaumont 2013, sélection sculpture” voor zijn bekende, bronzen Afrikaanse Sebastiaan. Het beeld is inmiddels (2015) verkocht, want ook kunst is handel.

 

 

 

Acht op Sebastiaan (6/8) – kunstvorm en -stijl

We kennen afbeeldingen van Sebastiaan vanaf de 14e eeuw tot op heden. Daarom is het niet verrassend dat in die zeven eeuwen geldende kunstopvattingen en stijlen hun stempel op de weergaven hebben gedrukt. Ook de wijze waarop de schaarse informatie over Sebastiaan in die afbeeldingen is verwerkt, verschilt van eeuw tot eeuw. Daarover gaat dit artikel in de reeks over Afbeeldingen van Sebastiaan.

Stijlverschillen
De wijze waarop Sebastiaan wordt weergegeven zegt in de meeste gevallen meer over de kunstenaar en zijn tijd (inderdaad, de meesten zijn mannen) dan over Sebastiaan. Een kleine vergelijking van 4 beeltenissen zegt al genoeg. Op de linker afbeelding zien we een weergave door Master ES (1467, primitieve kunst) en door Pieter-Paul Rubens (1618, Vlaamse barok); op de rechter afbeelding van Gustave Moreau (1870, symbolisme, voorloper van de art nouveau) en van Jan Verkade (1892, post-impressionisme).

Hoewel alle vier weergaven het lijden van de martelaar uitbeelden, zitten er grote verschillen in de wijze waarop een menselijk lichaam eruit “hoorde” te zien in de eigentijdse stijl. Wat dat betreft is er geen sprake van een realistische weergave van de historische werkelijkheid. Dat kan ook niet, want wij missen de gegevens om die realiteit weer te geven. Dat heeft allereerst met zijn niet-bekende leeftijd te maken, maar verder ook met alle andere uiterlijke kenmerken van Sebastiaan die we niet kennen.

In de vroegere weergaven, die wij met “de primitieven” aanduiden, is hij vaak een onderdeel van een verhaal waarvan diverse fasen in één afbeelding staan vervat, en is zijn gezicht vrij emotieloos. Maar vanaf de renaissance komt hij meer als centrale figuur op de voorgrond te staan en verschijnt er meer expressie in de gelaatsuitdrukking. We zien dan ook veelal dat hij zijn hoofd, althans zijn ogen, ten hemel richt in een mengeling van pijnlijke smart en verlangen naar het hiernamaals. Dat is geheel in de stijl waarop martelaren doorgaans werden uitgebeeld. Nog later,vanaf de barok tot tegen 1900, verdringen weer andere kunstopvattingen die smartelijke emotie die plaats moet maken voor symboliek en/of andere expressies. Zo maakt bijvoorbeeld in de barok het medelijden met de gemartelde plaats voor bewondering voor hem. 

Positie
Het gros van de afbeeldingen vertoont Sebastiaan staande en ruggelings vastgebonden. In enkele gevallen zien we hem zittend, heel soms zelfs liggend, ofwel door de schutters zo neergezet, ofwel door de verwondingen neergezegen. In nog minder gevallen, en dan vooral uit de laatste halve eeuw, staat hij met de rug naar ons toe. Er lijkt voor die positie geen historische grond aanwezig te zijn, maar vanuit de bestaande opvatting dat Sebastiaan een begeerde jongeman was, is zij wel enigszins verklaarbaar.
Meestal staat hij op de grond. Soms echter is hij verhoogd vastgebonden, staande op een voetstuk, tak, stronk of steun, zoals we bijvoorbeeld zien bij Pollaiolo (1475), netjes buiten de stadsmuren van Florence, met de stad en de rivier de Arno op de achtergrond. Door die verhoogde positie is hij prominenter het middelpunt van de afbeelding, en niet op de laatste plaats dringt zich zo des te meer de vergelijking met de kruisiging van Christus op.

Omdat er zoveel te gissen overblijft, is het misschien goed om wederom even stil te staan bij de oudste bron die ons wat vertelt over leven en dood van Sebastiaan.

Overlevering
We mogen aannemen dat tal van kunstenaars, voor zover ze niet al van elkaars werk elementen kopieerden, zich hebben laten inspireren door de oudste bron die enige informatie over de feitelijke gang van zaken rond 288 oplevert, de al eerder genoemde Legenda Aurea van Jacobus de Voragine uit ± 1260. Dat is dan al wel 1000 jaar na dato, dus erg exact zal het vermoedelijk niet wezen. Qua tijdspanne is dat min of meer vergelijkbaar met Thea Beckmanns Kruistocht in spijkerbroek dat terugvoert op de kinderkruistochten begin 13e eeuw. Niemand zal van haar vergen dat ze een historisch correct verslag schrijft, integendeel, ze gebruikt een historisch gegeven (in welke mate dat dan ook vaststaat) om een eigentijds verhaal te schrijven.
De Voragine schrijft in zijn Aurea Legenda:
“Tunc Diocletianus iussit eum in medium campum ligari et a militibus sagittari, qui ita eum sagittis impleverunt, ut quasi hericius videretur, et aestimantes illum mortuum abierunt.”
(“Toen liet Diocletianus hem midden in het veld vastbinden en liet hij soldaten pijlen op hem afschieten. Zij schoten zoveel pijlen in hem dat hij er als een stekelvarken uitzag. In de veronderstelling dat hij dood was, gingen ze daarna weer weg.”)

Vanuit dit citaat is verklaarbaar dat Sebastiaan buiten de stadspoort werd geëxecuteerd en dat er op zoveel afbeeldingen in de verte een stad is geschilderd of getekend. Het is echter ook voor veel kunstenaars aanleiding geweest niet te bezuinigen op het aantal pijlen in Sebastiaans lichaam.

Hoewel het uiterst subtiel is om maar één pijl te schilderen, zoals we o.a. zien bij Adriaan Litzroth (zie de afbeelding rechts) en Guillaume Evrard (zie de afbeelding van zijn prachtige altaarstuk in het artikel Inleiding), komen we nogal wat afbeeldingen tegen waar het resultaat hilarische kenmerken gaat aannemen. Daarvan noem ik als voorbeelden het schilderij van Del Biondo (1348) en van Baleison (1484), alsmede het hier links afgebeelde schilderij van de Master of the Saint Lucy Legend (±1485). Maar het moet gezegd: deze laatste drie afbeeldingen zijn wel conform het gestelde bij De Voragine die het stekelvarken als richtsnoer neemt.

Over de houdingen die Sebastiaan tijdens de martelscène in de diverse afbeeldingen zoal aanneemt, gaat het artikel Afbeeldingen van Sebastiaan (7/8) – Houdingen, ook in deze reeks.

 

 

 

Acht op Sebastiaan (7/8) – houdingen

Als we goed kijken naar de vele Sebastiaanafbeeldingen, dan valt het op dat er drie veelvoorkomende houdingen zijn die hij tijdens de martelscène aanneemt. Dat heeft voornamelijk te maken met de wijze waarop zijn handen zijn gebonden. In de reeks over afbeeldingen van Sebastiaan gaan we daarom ook wat dieper in op die houdingen en de mogelijke motieven van kunstenaars om daarvoor te kiezen.

Inleiding
Hoe de stijl van de kunstenaar en de gewoonten en gebruiken van de kunststromingen hun invloed hebben gehad op afbeeldingen van Sebastiaan, blijkt ook uit de positie die hij inneemt en de wijze waarop hij is gebonden. In de meeste gevallen zijn zijn voeten niet vastgebonden. Dat geeft de kunstenaar de ruimte de benen naar eigen smaak en inzicht te positioneren; met de onderbenen strak tegen de boom zou het lichaam al te stijf komen te staan.
De handen of armen zijn in de meeste gevallen wel gebonden, soms één, meestal beide. Daarbij zijn drie houdingen veel voorkomend: beide handen gebonden achter de rug (al dan niet ook nog eens achter de boom of paal), één hand diagonaal naar boven, de ander diagonaal naar beneden, of beide handen diagonaal (cf. Christus aan het kruis!) of recht omhoog.

Bij gebrek aan hagiografische of iconografische sturing is de kunstenaar vrij in de keuze van binden van de armen en het blijkt dat elk van de drie genoemde mogelijkheden in elke periode voorkomt. Ik zal dat aan de hand van enkele voorbeelden illustreren.

Beide handen op de rug
Een viertal voorbeelden, die ook al in andere artikelen van deze reeks berichten om andere redenen is weergegeven.

Bij (van links naar rechts) Rubens (1618), Schwemminger (1839), Bou (2e helft XXe) en Joosen (1992) zijn de handen achter de rug gebonden. Los van de vraag of dat voor de boogschutters de beste houding is, kunnen we constateren dat de kunstenaar slechts met moeite in deze houding nog een dynamisch effect weet te bewerkstelligen. Met andere woorden, Sebastiaan staat er wat stijfjes, emotieloos of zelfs ongeïnteresseerd bij, zoals we dat ook al zagen en constateerden bij Messina (±1478) en Liberale da Verona. De houding suggereert berusting en kan daardoor zelfs wat sloom overkomen – niet echt passend bij de gebeurtenis in kwestie. Rubens lukt het nog enigszins om beweging aan te brengen, maar bij hem is het meer wringen dan bewegen. Ik kan daaraan toevoegen dat in de vijf andere Sebastiaanafbeeldingen die van Rubens bekend zijn telkens wel minstens één arm geheel zichtbaar is.

Beide handen omhoog
Zijn beide armen omhoog gebonden, dan is de kans op een dynamische uitbeelding fysiek nog onmogelijker geworden. Naast het schilderij van Jan van Scorel (1542) dat ik elders in deze reeks heb opgenomen in het artikel Afbeeldingen van Sebastiaan – kleding, zien we hieronder van links naar rechts de Master van de Saint Lucy Legende (±1485), verder Perugino (±1500), Régnier (1620) en Reni (1615).

De eerste is volstrekt statisch; bij Perugino komt de houding wat onbeholpen over. Reni en Régnier weten nog enige dynamiek aan te brengen door enerzijds de armen niet te hoog te binden en anderszijds door een beweging met het hoofd te suggereren. Maar doordat op deze schilderijen de benen niet staan afgebeeld, is een totaalindruk van die dynamiek niet goed te krijgen.
Het “voordeel” van deze houding is de uitdrukking van ontwapening, zonder enige bescherming, omdat het de boogschutters de kans geeft alles te raken wat hun goeddunkt. Maar in artistieke zin levert deze houding eerder beperkingen op dan dat zij de uitbeelding verrijkt.

Eén arm omhoog
De beste mogelijkheden voor een dynamische weergave verkrijgt de kunstenaar door de houding te componeren waarbij één arm omhoog en de andere omlaag is gebonden. Daardoor ontstaat er min of meer een diagonaal langs beide armen en kan het torso een andere diagonaal vormen, eventueel doorlopend in een der benen.

Ook daarvan hier vier voorbeelden. Dat die diagonale dynamiek lang niet altijd slaagt, bewijst het beeld op het altaar in Remerschen (bij Schengen, Luxemburg; ±1766) hier links boven, maar de voorbeelden daarnaast uit Eibertingen (Duitstalig België; ±1705), Stavelot (Wallonië; 1717)  en in extremo het beeld uit Awenne (Wallonië; 1750)  laten zien dat de makers die dynamische mogelijkheden volop hebben benut. Voor de kijker is, bewust of onbewust de hoek van belang die de fictieve lijn door de schouders maakt met die door de heupen; naarmate die, in het 3D-model, een hoek van 90º benadert, wordt de dynamische kwaliteit van het lichaam vergroot.
Merk bij dit alles ook op dat in alle hier getoonde voorbeelden Sebastiaan recht van voren wordt geportretteerd of gemodelleerd. Maar in de tekening hiernaast van Guercino uit 1642 ligt dat anders. Bij een schilderij of tekening is de point of view onverbiddelijk; bij een sculptuur kan dat “camerastandpunt” min of meer worden beperkt door de opstelling van het beeld, zoals in een nis of boven een altaar, waardoor er nauwelijks een zijaanzicht mogelijk is, laat staan een achteraanzicht. Men zou het beeld ook meer onder een hoek kunnen opstellen, zoals Guercino die aanhoudt. Dat biedt weer heel andere mogelijkheden om lijnen en rondingen in de afbeelding te prononceren, met name die van rug, bil en bovenbeen. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het merendeel van de duizenden afbeeldingen van Sebastiaan die er nog te vinden zijn sprake is van een frontale weergave.

 

 

Acht op Sebastiaan (8/8) – conclusies

“De ideale” afbeelding van Sebastiaan bestaat niet, net zomin als “de beste” of “de meest historisch correcte”, simpelweg omdat daarvoor geen objectieve criteria bestaan. Elke kunstenaar, elke tijd creëert zijn eigen Sebastiaan en we mogen aannemen dat het geschetste beeld voor die kunstenaar en zijn omgeving op adequate wijze in een behoefte heeft voorzien. Als aanschouwers mogen wij een mening hebben, liever dan een oordeel. En natuurlijk voorkeur, op grond van smaak of welk criterium dan ook.

Die criteria kunnen te maken hebben met religie, passie, kunstzinnigheid, schoonheid of naaktheid, maar ook met boogschutterij of bijgeloof.
Feit blijft in ieder geval dat Sebastiaan al vanaf de 7e eeuw kunstenaars, en dus ook opdrachtgevers of kunstminnaars – vergeet dat niet: ook kunst is handel, heeft geïnspireerd tot het maken van duizenden representaties van totaal uiteenlopende aard. Mijn vermoeden is dat het om meer dan tienduizend representaties gaat; schilderijen, sculpturen, tekeningen, en in mindere mate ook films (natuurlijk Sebastiane van Derek Jarman, 1976, maar meer verstopt ook andere films, zoals Der Rosenkönig van Werner Schroeter, 1986, waaraan ik een afzonderlijke bespreking wijd). Dat alles is oorzaak en gevolg tegelijk van dat andere feit, namelijk dat Sebastiaan voor zoveel uiteenlopende groepen mensen tot een symbool is geworden, een patroon, een beschermheilige, een toonbeeld. Vast staat dat het Christendom geen andere heilige heeft opgeleverd met een dergelijk pluriforme staat van dienst, kwalitatief en kwantitatief.

Sebastiaan als schutspatroon
Kijken we naar de religieuze Sebastiaanverering dan is het niet toevallig te noemen dat de Sebastiaankerken in het door mij bezochte gebied, te weten Zuid- en Midden-Nederland, België, Luxemburg en Noordoost-Frankrijk, veelal dicht op elkaar liggen, terwijl er in andere gebieden helemaal geen is. In de Belgische Ardennen en de Franse Elzas liggen er veel bij elkaar in de buurt, zeg maar langs een sikkelvormige lijn van Luik via Luxemburg naar Colmar. Iets meer naar het westen in Frankrijk komen er nauwelijks Sebastiaankerken of -kapellen voor, maar juist weer wel veel Sint-Rochuskapellen – ook vernoemd naar een pestheilige. In de niet zo uitgesproken katholieke gebieden, zoals Midden- en Noord-Nederland, is de spoeling dun sinds de reformatie (en natuurlijk de beeldenstorm) de mogelijkheid tot verering van heiligen behoorlijk aan banden heeft gelegd. Hoe dan ook, ik vermoed dat hoge concentraties van plaatsen met Sebastiaanverering rechtstreeks in verband kunnen worden gebracht met pestepidemieën die tussen de middeleeuwen en begin vorige eeuw van tijd tot tijd heersten.

Sebastiaan als inspirator
Los van de vraag of kunstenaars kerkelijke of wereldlijke opdrachtgevers hadden, of op andere wijze aan kerkelijke kunstopvattingen waren gebonden, kunnen we een duidelijke tweedeling maken met de renaissance als scheidslijn. Bijna alle Sebastiaanafbeeldingen van voor de renaissance tonen een emotieloze Sebastiaan en zij laten vaak ook iets zien van de “omgeving” van het verhaal: de boogschutters zijn zichtbaar, een eerdere of latere fase uit zijn leven is ook afgebeeld en het uitbeelden van het verhaal lijkt de voorkeur te hebben boven de uitdrukking van emoties. Vanaf de renaissance neemt dat alles een wending: Sebastiaan wordt middelpunt, niet langer “een deel van”, laat staan een randfiguur. Zijn houding en gezicht vertonen dynamiek en vaak ook emotie. En niet op de laatste plaats lijken nogal wat kunstenaars in Sebastiaan de figuur te hebben gevonden om een ideaal jong mannenlichaam vorm te geven in de door hen gewenste stilering. We zien dat in toenemende mate vanaf eind 19e eeuw, bijvoorbeeld bij schilders/tekenaars als Gustave Moreau en Elisár von Kupffer.

Bronnen

  • Een omvangrijke bron van afbeeldingen van Sebastiaan is de Italiaanse Iconography of Saint Sebastian van prof. Alessandro Giua.
    De collectie omvat meer dan 1500 schilderijen, beelden, tekeningen e.d. met waar mogelijk datering, vindplaats en andere gegevens. Een uitgebreide opgave van referenties wijst de weg naar verdere studies en collecties.
    Zie http://bode.diee.unica.it/giua/SEBASTIAN/ .
    (Deze site is al enige jaren niet meer bereikbaar; er is wel een overzicht van de ±7.000 werken te vinden op https://favsub.com/bookmarks/edit/12262-iconography-of-saint-sebastian-iconografia-di-san-sebastiano-iconographie-de-saint-s%C3%A9bastien.)
  • Sebastiano Corrà verzorgt een bijzonder uitgebreide site Iconografia di San Sebastiano nell’arte figurativa italiana (meer dan 7.000 afbeeldingen) met allerhande zoekmogelijkheden en verwijzingen naar beschrijvingen en vakliteratuur. Te raadplegen via http://www.sansebastiano.com/copertina.htm. De zoekpagina’s werken (nog?) niet goed met Google Chrome, maar wel met Internet Explorer 8.
  • Nog een Italiaanse website, “L’Angolo dei Sogni” bevat veel bibliografische informatie over tal van kunstvormen, waaronder ook schilderkunst, vooral, maar niet uitsluitend, van Italiaanse kunstenaars.
    Zie http://langolodeisogni.altervista.org
  • Voor nog meer afbeeldingen en toelichtingen ter documentatie is het nuttig de Hongaarse Web Gallery of Art te raadplegen via http://www.wga.hu/index1.html .
  • Voor een Belgische kunstcollectie kun je terecht bij het Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium op http://www.kikirpa.be.
    Daar is te filteren op Sebastiaan of Sébastien.
  • Hetzelfde geldt voor de grote Franse museumcollectie Réunion des Musées Nationaux op http://www.rmn.fr en op http://www.photo.rmn.fr/cf/htm/Home.aspx met zeer uitgebreide en gedetailleerde zoekmogelijkheden en documentatie.
  • Andere in dit artikel weergegeven afbeeldingen zijn, in hoge resolutie, in mijn privébezit en zijn inmiddels  aan genoemde Italiaanse iconografie gelinkt.
    Het betreft hier foto’s door mij gemaakt in
    kerken in Nederland, België, Luxemburg en Noordoost-Frankrijk.
    Deze collectie is direct te raadplegen via http://www.rosoy.nl/iconography.htm.
  • Een uitgebreide studie over Sebastiaan in de kunst vinden we in
    J. JacobsSebastiaan. Martelaar of mythe.
    Uitgeverij Waanders. ISBN 978 90 6630 425 3. Nog leverbaar.
    Ik heb het boek overigens niet gebruikt bij het samenstellen van deze special over afbeeldingen van Sebastiaan.
  • Een indrukwekkende, maar moeilijke roman over Sebastiaan verscheen in 1986 van de hand van Adriaan Litzroth onder de titel Sebastiaan. Leven en lijden.
    Uitgeverij Ambo/Atheneum, Polak & Van Gennep.
    Vermoedelijk uitverkocht, maar tweedehands nog wel te krijgen.
  • Interessant is ook de uitgebreide studie van René Jean-Paul Dewil uit 2007:
    A Visual Journey in to the Bible, Apostles, Saints and Spiritual Themes.
    Het 287 pagina’s tellende document met een lang hoofdstuk over Sebastiaan is te raadplegen via http://www.theartofpainting.be .

 

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 6/7

Het is puur geluk dat ik net in de goede periode (1959-1966) op het IG en het schoolkoor zat. Het was de revolutionaire omwenteling van Latijn naar volkstaalliturgie, van besloten naar open, van uittredende en al dan niet trouwende Jezuïeten, van Mgr. Bekkers en Vaticanum-II. En voor mij bleef dit allemaal behapbaar op tonen van gezang.

Het begon in 1959 nog wel zo klassiek: een mis van Perosi (ben vergeten welke precies), muziek van Buxtehude, Schütz (“Da Jesu an dem Kreuze stund”) en Mozart (“D’Bäurin hat d’Katz verlor’n”) en heel af en toe iets Engels of Nederlands daarnaast, waaronder een complete Johannespassie.
Het eerste hoogtepunt dat ik beleefde, was een opname voor een heus singletje “Ambrozijn en Groggelgijn” dat werd opgenomen ten bate van “scholen op de Libanon”.
OP DE Libanon.
OP: alsof de Libanon een paramilitaire missiepost was, een soort Kamp Holland, in plaats van een land.
DE: alsof Libanon geen onafhankelijke staat was, maar dat was het sinds 1943 wel: het was daarvoor een Frans mandaat, en dan krijg je dat lidwoord, net als bij DE (Belgische) Congo en DE (Sovjet) Ukraïne. Maar goed, (neo-)koloniale en missietradities laten zich niet zomaar uitroeien.
En om die arme schoolkindjes in de Libanese schoolbankjes een beetje te helpen, gingen wij zingen en een 45-toerenplaatje verkopen.
En kroketten. Of waren het croquetten? Ik had nog nooit zo’n ding gegeten; het kwam bij ons thuis niet voor op de postkoloniale Nederlandsch-Indische menukaart. Voor ƒ 0,25 waagde ik mij eraan, en nu nog steeds proef ik die eerste croquette mijns levens. Daarna oeverloos veel gegeten. Bij de FeBo, ook voor een kwartje uit de muur, maar die waren minder lekker.
Op het singletje “Ambrozijn en Groggelgijn” stonden wel vijf nummers bijeengeperst: op kant A “Het lied van de uittocht” met Bernard Huijbers als baritonsolo (“Toen Israël uit Egypte trok…”; trokken ze maar uit de Libanon, dacht ik een kwart eeuw later) en “Het lied van de wederkomst”. Op kant B “Het lied van de wijnstok”, de niet-vertaalde spiritual “Live a-humble”, en dan eindelijk, omdat er nog plek op het vinyl over was, “Muzeldicht”.

(Spreekt na afloop van de opnamen de oude pater Minderop mij aan: “Heb je dat goed gehoord, Nardje, dat je humble moet leven! Humble!”)

Al die kerkelijke liederen waren natuurlijk onvermijdelijk; het project moest immers vooralsnog worden gefinancierd door de school. En Jezuïeten kunnen dan wel centen hebben, maar als het op uitgeven aankomt, kijken ze wel uit. Dat is oorzaak en gevolg tegelijk, uiteraard.
Voor ons als koorleden waren het verplichte nummertjes waar we niet moeilijk over deden. Die spiritual bracht de stemming er wel goed in, maar het toppunt was toch echt dat Muzeldicht. Het hardnekkige verhaal gaat dat Pieter Nieuwint die tekst, zie de achterkant van het hoesje hierboven, had geschreven toen hij op III-Gym zich tijdens een les Latijn stierlijk zat te vervelen. Se non è vero…
Mocht iemand heel erg geïnteresseerd zijn: ik heb nog de vierstemmige partituur met pianobegeleiding liggen in Huijbers’ handschrift. Gescand heb ik die foliobladen nog niet, maar bij leven en welzijn, en voor twee croquetten, wil ik dat wel doen.

In die eerste jaren dat ik er deel van uitmaakte, was het koor een grootse eenheid van 30 sopranen, alten, bassen en tenoren, 120 man sterk dus, bij uitvoeringen dan ook nog vaak in samenspel met het niet onverdienstelijke schoolorkest. In ’n Eeuw IG staat deze prachtfoto van Louis van Paridon. Hoe langer ik ernaar kijk, hoe meer ik me daar nog zie staan op die veel te kleine koorvloer boven-achterin de kapel. De ruimte was zo krap, dat de bassen (rechts) zelfs nog achter de manualen van het orgel moesten plaatsnemen. Midden voor staat dirigent Bernard Huijbers, op de rug gezien. Vlak voor hem zit orkestleider Ted de Cloet. Verder herken ik mezelf, rechts bij de alten in mijn rood-geruite kiel met rechts naast mij Hugo van den Hombergh. Bij de sopranen, links, Michel van Overbeek in zijn ook al rode, gestreepte trui en links van hem Huub Mous met lichtgrijze stropdas. Is het jullie ook opgevallen dat al deze vier klasgenoten dezelfde kleding aan hebben als op de klassefoto 1960-1961 in een eerder Sacramentsbericht op deze weblog? Misschien is die klassefoto wel genomen op dezelfde septemberdag als de koorfoto hierboven. Want wij hadden heus wel nog meer kleren in de kast liggen.

De jaren gingen voorbij en de tandem Oosterhuis-Huijbers bleek niet meer te stoppen, tot verdriet van sommige paters op het IG, tot vreugd van vele anderen. Nog voordat Rome de altaren 180° had laten omdraaien en de liturgie had vervolkstaald, deden wij in de IG-kapel allang niets anders meer. Wij hadden collectief het gevoel dat we, althans in de liturgische beweging, voor de troepen uit marcheerden. Dat het ging rommelen binnen de orde (met Oosterhuis, Vrijburg, Van Kilsdonk, Huijbers &c.) vonden wij een min of meer logisch en geaccepteerd uitvloeisel daarvan.

Binnen de veilige muren aan de Hobbemakade, voornamelijk in die magnifieke grote kapel, maar en petit comité ook wel eens in de huiskapel in het patershuis, draaiden wij onze gezongen missen. Buiten de deur werd de Studentenekklesia steeds prominenter, met vooral Huub Oosterhuis en Jan van Kilsdonk als roer- en voorgangers aan het Amstelveld, en met Antoine Oomen als uiterst betrouwbaar organist/pianist. De liedproductie van het duo Huijbers-Oosterhuis was overstelpend, werd ook een waar exportartikel binnen en buiten Nederland, maar toch werden vanaf 1964, zo ongeveer, de eerste barstjes zichtbaar, iets wat mij niet geruststelde, maar niettemin onvermijdelijk bleek. Uiteindelijk zou dat tot een soort van breuk leiden tussen beiden, althans op religieus vlak (Bernard Huijbers werd zo goed als atheïstisch), maar veel minder op persoonlijk vlak. Bernards vrouw, Annelou Koens, vertelde mij vlak na zijn dood in 2003, dat hij kort daarvoor nog een lang, ontroerend telefoongesprek met Huub Oosterhuis had gevoerd – tegelijk een afscheid en een vriendschapsbetoon. Ten bewijze hier het Laatste lied dat Huub schreef en dat Bernard nog wist te toonzetten, mij door Annelou toegestuurd in december 2003:

Ook het koor ging veranderen. Niet alleen werd het in de jaren na 1964 een gemengd koor, met aanvulling van meisjes van Fons Vitæ, zodat het koor verder door het leven ging als het Fons- en Igkoor, maar ook gebeurde er in 1964 of 1965 iets waarvan Bernard Huijbers tot aan zijn dood is blijven roepen tegen wie het horen wilde of niet dat ik het was die dat heeft veroorzaakt. Wat had ik op mijn geweten?

Het geviel op een dag dat ik werd benaderd door een aalmoezenier die onder andere diensten verzorgde in de Huizen van Bewaring bij het Haarlemmermeerstation en aan het Kleine Gartmanplantsoen, met de vraag of wij niet met een paar man op een zondag bij zo’n dienst wilden komen zingen. Mij leek dat wel wat, maar ik zag vooralsnog geen mogelijkheid tot praktische uitvoering. Ik zat, mijn denken zat zo ingesloten binnen de IG-muren dat ik elke uitbraak voelde als een vergrijp en regelrecht verraad. Maar het avontuur lonkte en ik pleegde in ’t geniep overleg met Eddy Poelman, die twee klassen onder mij zat en ook heel actief was binnen het koor. Ook benaderde ik Thom Jansen en Theo Spook die als organisten al geruime tijd hun sporen hadden verdiend bij de diverse liturgievieringen. Met nog een paar, maar er schieten mij nu geen namen te binnen, ontstond er zo een uiterst subversief groepje dat de klus wel aandurfde. Tijd hadden we wel, op zondagochtend om 10 uur of zo, want voetballen deden we op zaterdag en Eddy hoefde toen nog niet met de NOS-microfoon de tribunes op.
Nog één horde was er te nemen: hoe kwamen we aan zangbundels voor het koor en het volk in de kerk? Hoe ik het heb gedurfd, snap ik nog steeds niet, maar tientallen keren ben ik op een vrijdag of zaterdag het patershuis binnengeslopen en heb de benodigde bundels en partituren tijdelijk gejat, ervoor zorgend dat ze zondagavond of maandagochtend heel vroeg weer keurig op hun plek terug lagen. Nooit betrapt.
Die diensten in het HvB waren ervaringen op zich. We stonden, veilig afgezonderd van al die voorlopig vastzittende criminelen (in mijn herinnering voor 95% donker gekleurden, maar pin me er niet op vast), met een man of 8 tot 12, een organist en ik als dirigent ons repertoire ten gehore te brengen. Echte volkszang werd het niet, maar, zo vertrouwde de aalmoezenier ons herhaaldelijk toe, die gedetineerden waren o zo blij dat ze op zondag even extra uit hun cel konden om naar de mis te gaan.
Na verloop van enige maanden kreeg ik het toch wel te benauwd: dit móest een keer uitkomen en dan had ik het allemaal op mijn geweten. Er waren intussen al zo veel Ignatianen bij dit ongepermitteerde gedoe betrokken, dat ik het ergste begon te vrezen. En zoals een kind loert op het geschiktste moment om van zijn ouders een ijsje los te weten te peuteren, stapte ik op een dag de kamer van Bernard Huijbers binnen, trok mijn humbleste gezicht (dat woord had ik goddank onthouden!) en biechtte schuldbewust het hele verhaal op.
Zijn pijp viel uit zijn mond van verbazing. En waar ik er toch ernstig rekening mee had gehouden dat ik nu standrechtelijk onthoofd, ontmand of op z’n minst van school getrapt zou worden, deelde hij mij welhaast extatisch mee dat dit het beste was wat de volkstaalliturgie in deze tijd kon gebruiken: weg van het IG, de muren gesloopt, de wijde wereld in. Hij ging in datzelfde gesprek zelfs zo ver, dat hij mij bijna bedeesd vroeg of hij er ook een keer bij mocht zijn – dan mocht ik nog wel blijven dirigeren.
We hebben wat afgelachen in ons kleine subversieve clubje. Maar wel is het zo dat toen in rap tempo de hele beweging in groter formaat zich ging verplaatsen naar de Thomaskerk (Rijnstraat) en niet veel later, met de geestdriftige medewerking van Wim Tepe, naar de Dominicuskerk aan de Spuistraat. Daar kun je, meen ik, nu nog steeds terecht om te horen wat al schoons er uit dit penitentiair uitbraakje is ontsproten.
Daar ook was het dat ik, met nog enkele anderen, van Bernard Huijbers een tijd lang gratis een dirigentencursus heb gekregen. Als dank voor bewezen Diensten, zal ik maar zeggen.

 

 

Europa Europa (Duitsland 1990)

Jammer dat deze film van Agnieszka Holland uit 1990 zo’n wanproduct is, want het, historisch gezien, zeer aangrijpende en op ware feiten gebaseerde verhaal verdient een beter lot.

Dat vraagt om een uitgebreid en nogal dubbel commentaar. Eerst zal ik laten zien hoe en hoe goed het verhaal is, daarna poog ik te verklaren hoezeer ik de film een mislukking vind.

Het verhaal
Salomon Perel (Marco Hofschneider, Berlijn 1969) woont met broers David en Isaak en zus Bertha bij zijn ouders in Peine, waar vader Azriel een schoenwinkel drijft. WO-II staat op uitbreken.
De scripttekst begint aldus: “Ik ben geboren op 20 april 1925, in Peine, Duitsland, Europa. Ik was het jongste en vierde kind van Azriel Perel de eigenaar van een schoenwinkel, en zijn vrouw Rebecca”. Als van het ouderlijk huis alle ruiten worden ingegooid, wordt Bertha dodelijk geraakt en besluiten de ouders dat het hele gezin, met Poolse paspoorten die zijn vader weet te regelen, naar het oosten moet trekken om uit de handen van de nazi’s te blijven. Zo komen zij in Łódź terecht, de geboorteplaats van zijn vader. Als Isaak, inmiddels in Poolse krijgsdienst, komt melden dat de Duitsers zijn binnengevallen en binnen een dag of wat het hele land zullen hebben bezet, besluit Azriel dat Salomon verder naar het oosten moet trekken samen met zijn oudere broer David die hem moet beschermen (David is in werkelijkheid ook Salomons broer: René Hofschneider, 1960). Tijdens deze vlucht raken de broers uit elkaar en Salomon, gered door en Sovjet-soldaat, komt voor een verblijf van twee jaar terecht in een weeshuis in Grodno. Daar wordt hij met andere joden, Polen en Russen opgevoed tot ware Sovjet-patriotten. Het verder oostwaarts oprukkende Duitse leger beschiet de weeshuis en de bewoners slaan op de vlucht. Salomon valt in Duitse handen. In de chaos die tussen Duitsers en gevangen genomen vluchtelingen ontstaat, weet Salomon zich te redden doordat hij (uiteraard) perfect Duits spreekt, maar ook Pools en Russisch. De Duitsers zetten hem als tolk in onder de schuilnaam Joseph (Jupp) Peters en toegevoegd aan een legereenheid trekt hij in Duits uniform verder mee. Robert, een van zijn compagnons, die blijkt een meer dan platonische interesse voor Jupp te hebben, benadert hem als hij zich in een teil aan het baden is. Jupp vlucht naakt weg, de hele schuur door, maar struikelt uiteindelijk, waarbij het de ander niet ontgaat dat de jongen besneden is (en dus joods). Hij accepteert dat op amicale wijze en belooft te zwijgen. Als kort daarop de Duitse stellingen door het Rode Leger worden vernietigd, overleeft Salomon als enige. Zijn superieur, die hem als weesjongen wil adopteren, stuurt hem naar de Hitlerjugendschool, waar hij de eed van trouw op Hitler zweert. Het is daar, begin 1943, dat het einde van de Slag om Stalingrad wordt afgekondigd. Dit markeert ook het begin van zijn amoureuze verhouding met Leni, een van de serveersters op de school. Om problemen te voorkomen poogt hij vergeefs zijn voorhuid te verlengen: het dichtbinden levert hem slechts een ontsteking op. “Ik kon niet vluchten van mijn eigen lichaam”, zo beklaagt hij zich. Hij is het dan ook die een vrijpartij met Leni (jawel, achter een joods kerkhof), voortijdig afbreekt, omdat “zij daar nog te jong voor is”. Maar als hij later bij haar thuis verneemt dat zij van een ander in verwachting is, knakt er iets in hem en geëmotioneerd bekent hij aan haar moeder dat hij joods is. Zij zegt dat ze dat van meet af aan heeft geweten (moeders weten immers alles), maar belooft hem niet te zullen verraden. De hele affaire met Leni en haar moeder krijgt geen vervolg, want de Russen veroveren het gebied en nemen Salomon gevangen. Net als hij aan een pas bevrijde joodse kampgevangene wordt overgeleverd die hem mag fusilleren, roept een stem achter hem zijn naam: het is zijn eveneens net bevrijde broer Isaak. Zij lopen over naar de Amerikanen. Salomon emigreert later naar Palestina.

Analyse/Commentaar
In feite is de film één grote flash back in een starre, maar niet hinderlijke chronologie, decennia later verteld door de “echte” Salomon Peres die ook voortdurend, maar niet uitsluitend, als commentaarstem in de film optreedt en aan het einde ook als zodanig in beeld verschijnt, ook al heeft hij overduidelijk de stem van de jonge Salomon. Op zich is daar niks mis mee. Het is een stijlmiddel dat in films en in de literatuur wel vaker wordt gepraktijkt (denk aan Van Oorschot in Mijn tante Coleta / Twee vorstinnen en een vorst, zowel het boek als de film) en het biedt de mogelijkheid het vertelperspectief te leggen bij een alwetende verteller die vanuit eigen herinnering de gebeurtenissen goed kan overzien. Zeker bij de verwerking van oorlogstrauma’s kan dit stijlmiddel soelaas bieden, maar het is geen must, net zomin als dat het een excuus is. Herinneringen zijn selectief en subjectief, dat kan niet anders, maar als je ze in boekvorm of op het scherm aan de openbaarheid prijsgeeft, moeten minstens de vermelde feiten in hun tijds- en geografische aanduidingen zo juist mogelijk zijn. Behoudens een wel erg groot aantal “toevalligheden” heb ik nergens evidente fouten opgemerkt in tijd of plaats, dus in die zin is de film correct en tevens waardevol.

Maar, het toepassen van het stijlmiddel flash back op deze manier werkt als een enorme valkuil. Waar een speelfilm doorgaans fictie is, eventueel gebaseerd op een roman die al evenzeer fictie is, dan wel enigermate is gebaseerd op waar gebeurde feiten, komt een film als Europa Europa door zijn vorm akelig dicht in de buurt van een documentaire met een synchroon meelopende vertelstem. Ook daar is op zich niks mis mee, zelfs niet als die evident subjectief is. Maar Agnieszka Holland raakt met Europa Europa verstrikt in een soort vormcrisis: om de spanningsboog aan te brengen, de conflicten reliëf te geven, de hoofdpersoon scherpe contouren te blijven geven en ongetwijfeld te voldoen aan allerhande eisen en directieven van de producent, doet ze de (documentaire) werkelijkheid meer dan eens geweld aan. Ik leg dat hieronder uit, waarna ik mijn kritiek in een viertal punten zal rubriceren.

De spanningsboog is duidelijk: alsof het een prima klassiek toneelstuk in vijf bedrijven is, loopt de boog van de expositie (“Joods gezin in Duitsland aan de vooravond van WO-II”) in een keurige regelmaat naar de peripetie (“Salomon overleeft en haalt de bevrijding”). Maar daarvoor zijn nogal wat cinematografische kunstgrepen nodig die de film, zeker op documentair niveau, uiterst ongeloofwaardig maken. Dat is daarom ook zo jammer, omdat de behandelde conflictstof, en het levensverhaal van Salomon Peres sec al helemaal, een beter lot verdient, zoals ik in het begin al meldde.

De conflicten zijn in menigvoud aanwezig: op microniveau: die tussen de familieleden, te weten bij de beslissing om uit elkaar te gaan als de situatie in Łódź te bedreigend wordt; die binnen Salomon zelf in zijn amoureuze en relationele gevoelens; op grotere schaal: die tussen joden en nazi’s; die tussen Duitsers en Sovjets; die tussen burgers en militairen; die tussen het “ene” Europa en het “andere” Europa; die tussen kinderen en volwassenen; die tussen hoop en vrees; die tussen verleden en toekomst. “Wie was mijn vriend? Wie was mijn vijand?”, overpeinst hij later. En als hij even later in gesprek is met Robert, die zegt acteur te zijn: “Is het niet moeilijk om iemand anders te spelen?”. “Veel simpeler dan jezelf zijn”, is het rake antwoord.
Het wordt allemaal in een juiste melange en afwisseling verwerkt en even aangrijpend als inzichtelijk aan de kijker voorgeschoteld. In die zin is Europa Europa een heel goede film en absoluut de moeite van het bekijken en overpeinzen waard.

De hoofdpersoon mag er ook al wezen: mede dankzij het knappe acteerwerk van Marco Hofschneider krijgt Salomon Peres meer en meer gestalte, in zijn wezen, zijn denken, zijn overlevingsdrang, zijn karakterontwikkeling – noem maar op. Bovendien voldoet hij (zonder andere acteurs tekort te willen doen) aan een primaire eis in boeken en films: de lezer of kijker moet voldoende mogelijkheden krijgen aangereikt zich met de hoofdpersoon te kunnen identificeren, in positieve zin, of zich in die hoofdpersoon te kunnen inleven, in positieve of negatieve zin. Immers, een hoofdpersoon hoeft niet per se sympathiek te zijn om toch het publiek te kunnen treffen en boeien. Welnu, als je al kijkende het gevoel krijgt dat je Salomon zo sympa vindt dat je hem in al zijn problematiek graag zou willen helpen, dan is dat artistieke doel bereikt: de kijker heeft zich weten te identificeren met de hoofdpersoon.

Waarom begon ik dan met de vermelding dat ik de film een wanproduct vind?

Mijn grootste bezwaren tegen de film zijn de volgende vier:

1. Marco Hofschneider is geboren in 1969 en is dus tijdens de opnamen ± 20 jaar oud. Hij speelt echter, getuige het script, vlak voor de oorlog een veertienjarige. Alleen zijn verschijning al, maar ook zijn optreden, maakt dat uiterst ongeloofwaardig.  De scriptschrijver haalde zich natuurlijk ook wel de moeilijkheden op de hals, door een zo jonge hoofdpersoon continu te volgen over een periode van vlak voor het uitbreken van de oorlog tot de bevrijding van Polen door het Rode Leger: de opnamen duren aanmerkelijk korter dan de vertelde tijd van circa vijf of zes jaren. Pas op het einde van de film mag Salomon inderdaad twintig zijn – eerder niet.
Vermoedelijk zullen er commerciële en/of juridische motieven aan ten grondslag hebben gelegen, met name omdat Salomon een aantal malen in de film naakt acteert. Bij een veertienjarige acteur zou dat in diverse landen niet door de censuur komen. Resteert dan automatisch de vraag of die naaktheid functioneel is, d.w.z. nodig voor de loop van het verhaal of ter vergroting van het conflict of de spanning. Ik denk van niet. In alle gevallen had het “probleem” eenvoudig kunnen worden opgelost door weglating of een andere camerapositie of beelduitsnijding.
Dat begint al vroeg in de film: we zien Salomon in een long shot zich uitkleden en in de badkuip gaan zitten, als vlak daarna de ruiten worden ingegooid. Hij springt het bad uit, klimt uit het raam en verbergt zich buiten in een houten ton, waar hij pas uitkomt als hij van een serveerster stiekem een nazi-regenjas heeft aangereikt gekregen. Als dit al een voor het verhaal noodzakelijke scène is, had die ook wel door een jongere acteur kunnen worden gespeeld zonder een R-rating op te lopen.

2. De eerste scène van de film beeldt de besnijdenis uit van de pasgeboren Salomon. Prima en duidelijk voor het vervolg van het verhaal. Zoals wij weten betekende besneden zijn in die tijd, en zeker in het nazi-denken, automatisch: jood zijn. Wat men daarvan ook denken moge, voor Salomon wordt het de komende jaren van vitaal belang te verhullen dat hij besneden is. Dat valt hem niet mee; in tal van precaire situaties weet hij maar met moeite zijn “ware aard” te verhullen, zij het meestal op wel erg doorzichtige wijze die meer aan een deus-ex-machina doet denken dan aan listigheid of toeval.
Het moet gezegd dat de regisseuse, het camerateam en de montage-afdeling hier ook debet aan zijn. Hierboven vermeldde ik al dat het betwistbaar is of Salomon zich in de film wel bloot moet vertonen aan andere personages, zeker van voren, maar tevens of hij zich zo moet vertonen aan de kijker. Wat blijkt namelijk: dankzij de huidige techniek waarbij je simpelweg beeld voor beeld kunt bestuderen, lijkt het of Marco Hofschneider, alias Salomon, helemaal niet besneden is. We worden dus mateloos gefopt doordat er een (fictief) probleem wordt gemaakt van iets wat (realistisch) niet bestaat. Een tweede motief waarom ik de keuze van Marco Hofschneider voor de hoofdrol nogal ongelukkig vind. Het doet een onaanvaardbare aanslag op de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van het gegeven verhaal. En zo ik mij vergis in mijn waarneming: als Salomons besnijdenis zo opvallend in beeld wordt gebracht, waarom wordt zijn besneden zijn dan zo opvallend buiten beeld gehouden?

3. Europa Europa bulkt van de deus-ex-machina’s. Ook die tasten, anders dan bij Suske en Wiske, in een film van dit kaliber de geloofwaardigheid aan. Ik noem er een vijftal.

– Het ligt er wel erg duimendik bovenop. Om Salomon “onbelemmerd” te kunnen volgen, moet de rest van het gezin uit beeld verdwijnen. En dat gaat minder subtiel dan gewenst: eerst wordt zus Bertha tijdens de pogrom dodelijk geraakt door glasscherven; broer Isaak “verdwijnt” in Poolse krijgsdienst. De ouders verdwijnen uit beeld doordat ze hun twee andere zoons zomaar wegsturen naar het ongewisse oosten en zelf in Łódź blijven (“Ons zal niets overkomen”; een wel erg goedkope flash forward waar niemand in trapt). Broer David verdwijnt bij het chaotisch oversteken van een rivier. En zo heeft de regisseur de handen vrij om zich alleen met Salomon te kunnen bezighouden.

– Een van zijn protagonisten in de eerste helft van de film is Zenek Dracz, medebewoner in het weeshuis, een katholieke Pool die Salomon voortdurend aanvalt op diens jood zijn. Eenmaal in Duitse gevangenschap ontmoeten zij elkaar weer, Zenek als gevangene, Salomon als tolk. Weer roept Zenek dat Salomon een jood is, maar de Duitsers verstaan het niet. Salomon geeft hem een oorvijg, Zenek springt over het hek en vlucht. In plaats van te worden neergeschoten (wat normaal was voor Duitsers in geval van Flüchtigen), rent hij “per ongeluk” onder een rijdende vrachtauto en is dood. Zo ontsnapt Salomon aan de onthulling van zijn jood zijn, maar het is alsof Lambiek aan het stuur zat. Waarom deze hernieuwde ontmoeting? En waarom deze fatale afloop?. En een vergelijkbare, veel te gemakkelijke en nodeloze deus-ex-machina herhaalt zich verderop in het verhaal nog meer dan eens.

– De Duitse soldaat-acteur Robert, met wie Salomon tijdens de veldtocht een diepgaand gesprek heeft en die hem al badend betrapt op zijn besneden zijn, is door die kennis qualitate qua een bedreiging voor Salomon, veel meer dan een vriend. Maar de redding is nabij. Net als Salomon heeft beweerd dat “religie opium voor de massa” is, bombardeert het Rode Leger de Duitse stellingen en daarbij komt de acteur Robert om het leven. Pijnlijk detail: de Russen vliegen daarbij met een Hercules C-130, een Amerikaans toestel dat pas in augustus 1954 zijn eerste vlucht maakte. Als dat geen deus-ex-machina is…

– Kiespijn is de volgende ontsnappingsroute. Als op de Hitlerjugendschool de schoolarts zijn jaarlijkse bezoek aflegt en blijkt dat iedere leerling zich voor hem moet uitkleden, veinst Salomon een acute aanval van een zenuwontsteking in zijn onderkaak. Ieder ander zou de schoolarts een eerste diagnose hebben laten stellen, maar hij wordt door een van zijn kameraden weggevoerd. Hij moet er wel voor bloeden: de tandarts trekt de “rotte” kies er zonder verdoving uit.

– Op het politiebureau heeft men argwaan gekregen vanwege zo vele ontbrekende papieren van Salomon. Hij beseft: “Nu kan alleen een wonder mij nog redden”. Hij heeft het nog niet gezegd, of het gebouw wordt door een geallieerde bommenwerper in puin geschoten. Hij kijkt met een triomfantelijke glimlach naar de hemel.

4. Het zal wel een kwestie van het format zijn, en dus van verkoopcijfers, dat ergens in een film, het liefst op ongeveer tweederde van de lengte, iets gebeurt wat seksueel spannend is: de onvermijdelijke romantische noot, die aller harten moet doen bloeden. Mag Salomon dan niet een kind van zijn leeftijd zijn, ongeacht of hij nou 14, 16, 18 of 20 is, en zijn leven willen invullen naar eigen idee en verlangen? “Ik ben niet van steen. Ik ben een mens. Ik heb ook gevoelens”, roept hij wanhopig uit tegen Leni’s moeder, aan het einde van de film. En de entourage waarin hij leeft, werkt niet bepaald bemoedigend: de waarneembaarheid van zijn jood zijn belemmert hem uiting aan die gevoelens te geven. Mijn bezwaar is dan ook niet dat wordt aangestipt of Salomon wel of niet aan zijn gevoeg komt; ik zou het hem van harte gunnen. Maar het is ook weer in deze film (na 80 van de 110 minuten) van een zo trieste voorspelbaarheid, zo would be, en dan ook nog eens zo onrealistisch: Zij geeft aan dat ze graag wil. Van hem wisten we dat ook al. Ze liggen samen onbespied tussen de struiken. Er is weinig fantasie voor nodig om dat tot een mooie daad te laten worden, in de film of in het echt, zonder dat zij te zien krijgt dat er bij hem iets ontbreekt. Maar het past in het melodrama van de hele setting dat hem (en haar) dat plezier nou eenmaal dient te worden onthouden. Het enige wat mag vloeien zijn tranen. Zo niet bij de twee betrokkenen, dan toch zeker bij het publiek. Nog even, en ik ga beweren dat zijn ellende wordt misbruikt voor entertainment. Maar zoiets hoort thuis bij de commerciële omroepen, desnoods bij kwijlerige liklollies als Boer zoekt vrouw of Het familiediner, maar niet in een serieuze film als deze.

Ter afronding
Ik zal het dan niet ook nog eens gaan hebben over een paar technische onvolkomenheden. Zoals het opmerkelijke feit dat de Poolse bevolking, op de vlucht geslagen voor de aanstormende Duitse troepen, gezien hun schaduwen, westwaarts vlucht – niet echt voor de hand liggend, dunkt me; bovendien wordt de karavaan aangevallen door een soort Spitfire (of een radiografisch bestuurd model daarvan) in plaats van door een Stuka of Messerschmitt. Of over het feit dat de tram die op enkelspoor naar het ghetto Litzmannstadt in Łódź vertrekt, in beeld komt nadat tien seconden eerder een tram vanuit het ghetto over hetzelfde enkelspoor om de hoek is verdwenen. Of over die reeds vermelde prenatale Hercules C-130. Ik moet niet gaan zeuren, gelet op de ernst en omvang van het verbeelde verhaal.
Maar dat is het hem nou precies : door de bovengenoemde bezwaarpunten word ik juist afgeleid van die aandacht voor het verhaal. Ze storen me, ze tasten de geloofwaardigheid aan. Het is net als een brief of artikel vol met taalfouten: door die, voor mijn part fistenullige, foutjes wantrouw ik de inhoud van het geschrevene. Als er staat : “Hoe installeerd u de printplaat”, dan denk ik automatisch dat de beschrijving ondeugdelijk is en kortsluiting dreigt. En zo komt het dat Salomon Peres voor mij helemaal geen jood is, laat staan besneden, en dat het niet de film is die hem redt, maar dat hij het is die de film moet redden. Dat zal Agnieszka Holland toch niet hebben bedoeld.
En om het nog wat schrijnender te maken: rond de jaarwisseling 2013-2014 zond de VPRO de driedelige tv-film Unsere Mütter, Unsere Väter uit, een film waarin we opvallend veel overeenkomsten met Europa, Europa kunnen ontdekken, maar ook waarin we kunnen ervaren hoe voortreffelijk een dergelijke (joods-)Duitse oorlogsfilm kan worden geproduceerd. Ik zal daarover half januari 2014 op deze weblog een apart bericht publiceren.

_________________________

Europa Europa (Duitsland/Frankrijk 1990). Regie: Agnieszka Holland. 112 minuten.
Alternatieve titel: Hitlerjunge Salomon.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0099776/
Nederlandse (nou ja, Vlaamse) ondertitels als .srt-file: http://www.nlondertitels.com/subtitle/21905/Europa+Europa.html

 

_________________________

TOEGIFT:Olivier, Olivier (1992)


Ik wil Agnieszka Holland een tweede kans geven, en richt me daartoe op de film die zij twee jaar later maakte, met de Franse slag nog wel.

Een niet zo gelukkig echtpaar ergens in de Vendée. Dochtertje en zoontje van rond de tien. Olivier gaat, met een rood capje op en een mandje op de bagagedrager, eten brengen naar zijn zieke oma, maar arriveert daar niet. Een grote boze wolf wordt gevreesd.
Prachtige beelden zien we intussen, van het begin af aan, en dat blijft ook zo; leent het Franse platteland zich daar beter voor dan het Duitse, Poolse, Russische? Daar doorheen voortdurend details met symbolische waarde. Subtiel, dat is de goede term ervoor. Om die allemaal te doorgronden zal iemand er eens goed de tanden in moeten zetten. Muziek die zich niet storend opdringt, maar synchroon meebeweegt met de spanningsboog van de beelden.
Een grote zoekactie levert niets op. Het gezin, met al zijn barsten, raakt nu helemaal verscheurd. Vader Serge Duval, dierenarts op het platteland, aanvaardt een betrekking in Tsjaad en laat vrouw en dochter radeloos achter. Ook de rechercheur die de vergeefse zoektocht leidde, vertrekt. Hij wordt overgeplaatst naar Parijs.

“Paris, 6 ans plus tard”, meldt het beeld.
Op het politiebureau duikt voor dezelfde rechercheur een 15-jarige jongen op met een rood capje op zijn hoofd, die zegt Sebastien Blanche te heten en op zoek te zijn naar zijn moeder.
De rechercheur vertelt hem de geschiedenis van Olivier, jaren geleden. Hij is ervan overtuigd de jongen eindelijk te hebben teruggevonden. Hij lijkt het ook te zijn, want hij kent zijn (oorspronkelijke) naam, die van zijn moeder en zusje en nog meer details. Zijn moeder komt hem ophalen en ze reizen per trein terug naar het ouderlijk huis.
Kort daarop keert ook Serge weer vanuit verre oorden en is het gezin herenigd. Alles wijst erop dat de omstandigheden nu aanmerkelijk beter zijn dan voorheen. Maar dat valt tegen. Men komt er niet achter waarom en hoe Olivier verdween, en hij zegt het ook niet. “Nadine haat me”, krijgt hij eruit (maar hij heeft haar foto al in zijn binnenzak gestopt). “Ze is jaloers, altijd al geweest”, repliceert zijn moeder. Nadine pretendeert niet te geloven dat Olivier echt haar broertje is, en juist dat opent de deur naar toenadering.
De ontknoping, als Olivier weer terugkeert naar Parijs en zijn eigen jeugd ontkent, is verrassend. Net als je zeker weet dat je alles begrijpt, snap je er niks meer van. Dat is surrealisme, of beter nog magisch realisme. Dat is kwaliteit. Op mij heeft het dezelfde uitwerking die De komst van Joachim Stiller (1976) of Rosemary’s baby (1968) ook ooit hadden.

De film straalt voortdurend kwaliteit uit en zuigt de kijker het verhaal in, waar Europa Europa ons de hele tijd op afstand houdt omdat de beelden zo nep zijn. Dat is het, maar ook de acteerprestaties van zowat alle personages, de temporisering van de gebeurtenissen, en, zoals gezegd, de talloze mystificerende details die je continu bezighouden en je ervan overtuigen dat je in het ongewisse dient te blijven. Voor zo’n klus ga je graag even anderhalf uur zitten.

Zijn er parallellen tussen Europa Europa en Olivier, Olivier? Ja, als je goed zoekt. De meest in het oog springende is de reduplicatie in de titel, maar so what? Een verhaal dat is gebaseerd op ware of beweerd ware feiten? Een verscheurd gezin en een jongen die stoeit met zijn identiteit? Je kunt het zeggen, maar het is gezocht. Misschien duidt het wel op een soort thematiek die Agnieszka Holland intrigeert en tot het maken van films brengt, maar daar moet het wat mij betreft dan ook maar bij blijven. Oordeel zelf.

_________________________

Olivier, Olivier (Frankrijk 1992). Regie: Agnieszka Holland. 110 minuten.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0102583/
Nederlandstalige ondertitels als .srt-file heb ik nog nergens gevonden.
Misschien maak ik die zelf nog wel een keer. 

 

 

 

Het GEBOEFTE – een bijzonder soort

Een collectivum is een woord waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende mensen of dingen. Voorbeelden: “hersenen”, “ingewanden”, “kudde”, “visite”. Veel van deze woorden, zoals de eerste twee voorbeelden, kennen we uitsluitend in het meervoud. Andere, zoals de laatste twee voorbeelden, staan meestal in het enkelvoud. Hieronder volgt een niet compleet overzicht, met bijzondere aandacht voor een speciale subgroep van enkelvoudige collectiva: de woorden van het type “geboefte”.

Meervoudige collectiva
Het gaat bij een collectivum (meervoud: collectiva of collectieven) om woorden als de reeds genoemde hersenen en ingewanden, verder ook luitjes, werklieden, zeelieden, wegwerkzaamhedenOlympische Spelen enzovoort. Kenmerkend daarbij is, dat je er van die verzameling niet eentje kunt aanduiden, zoals één ingewand of één Olympisch Spel. En als een dergelijk enkelvoud wel bestaat, heeft het een andere betekenis dan “eentje uit het geheel”. Zo kan “het ingewand” wel duiden op het inwendige, het binnenste, de gemoedstoestand, maar niet op één darm of één maag. In de meeste gevallen wordt het enkelvoudige woord helemaal nooit gebruikt. Er bestaat niet zoiets als één luitje of één wegwerkzaamheid.
Alles bij elkaar lijkt dit volstrekt logisch: we duiden in het Nederlands een meervoudig begrip ook aan met een meervoudig woord. Maar het kan ook anders.

Enkelvoudige collectiva
Nog vaker dan meervoudige collectiva kent het Nederlands enkelvoudige collectiva. Enkelvoudige woorden dus waarbij je noodzakelijkerwijs moet denken aan een verzameling van bij elkaar horende eenheden, zoals het haar (in tegenstelling tot de haar). In de dierenwereld: de grote groep waartoe ook horde, kudde, meute, roedel, troep, vee en vlucht behoren. In de mensenwereld: bevolking, familie, gezin, lui (werklui, zeelui,…), natie, publiek, visite, volk; vaak in negatieve zin ook wel meute, horde, troep enzovoort, als het om toeristen, demonstranten, hooligans of andere ontevredenen gaat. In de geüniformeerde wereld: bataljon, eskader, leger, marechaussee, peloton, politie. In de sport: achterhoede, as, middenlinie, voorhoede, elftal, (reserve-)bank, bus, kopgroep, peloton en vele andere. In het huishouden: afwas, bestek, couvert, meubilair, servies, vaat, zitje. Daarnaast nog woorden als archipel, gewas, kwartet, vracht. De meeste van deze woorden kennen we ook in het meervoud: voor een voetbalwedstrijd zijn immers twee elftallen nodig en in Friesland lopen heel wat kuddes of kudden koeien in de wei. Ook al staan deze collectiva in het enkelvoud, ze betreffen altijd een meervoudig begrip. Dat wordt in het Engels bijvoorbeeld benadrukt door achter deze woorden dan ook een meervoudige persoonsvorm te zetten: Het volk heeft gesproken is niet * The people has spoken, maar The people have spoken.

Een bijzondere soort
Binnen de enkelvoudige collectiva kunnen we in het Nederlands een speciale groep ontdekken, namelijk van enkelvoudige collectiva die beginnen met ge- en eindigen op -te. Een redelijk compleet rijtje van deze woorden staat in de tabel hieronder.

gebeente
gedoente
gesteente
gebefte
geduinte
gesternte
gebergte
gehalte
gestoelte
gebinte
? gehemelte
getakte
geboefte
gelofte
getimmerte
geboomte
gemeente
gevaarte
gebladerte
gemuurte
gevederte
? geboorte
genachte
geveerte
gebuurte
geneugte
gevleugelte
? gedaante
gepluimte
gevogelte
? gedachte
geraamte
gewolkte
gedarmte
gestalte
gewoonte
? gedeelte
gestarnte
gewormte
gedierte/ongedierte
 
gezindte

We kunnen deze woorden beschouwen als voorbeelden van hun overkoepelende betekenis: “het geheel van …” of “de verzameling van …”. In die betekenis is er geen verschil met de eerder genoemde enkelvoudige collectiva; de woorden van het type geboefte zijn daarvan dan ook een echte deelverzameling.

Een aantal eigenaardigheden van deze deelverzameling is het vermelden waard:

  • In het Nederlands zijn alle woorden van het type geboefte onzijdig (het-woorden).
  • De woordvorming ge-STAM-te is typisch Nederlands. In het Duits kennen we woorden als GebäckGebälk, Geflügel, Geschirr en Gehirn, ook collectiva, wel beginnend met Ge-, maar zonder de uitgang -te.
  • De groep collectiva ge-STAM-te lijkt niet productief te zijn, dat wil zeggen, er ontstaan niet met enige regelmaat nieuwe vormen van dit type. Op zich zou het wel kunnen: naast meubilair zou er ook gemeubelte kunnen bestaan (welk woord ik ook in deze blog heb gebruikt in het bericht Schaalvergroting !), en naast tegelwerk bijvoorbeeld getegelte, maar dit soort neologismen komen we niet of nauwelijks tegen. De groep collectiva van het type geboefte noemen we dan ook een gesloten groep.
  • Die productiviteit zou er best wel kunnen zijn, maar vaak kiest het Nederlands voor een meervoudsvorm (klanten) of een enkelvoudig collectivum (klantenkring). Dat doet het Frans ook: les clients naast la clientèle, maar als we in het Nederlands daarvoor het geklante zouden hebben, was daar niks vreemds aan. Sterker nog geldt dat voor het Franse collectivum le pneumatique, waarmee het geheel van de banden van bv. een auto wordt bedoeld. Ook les pneus is gangbaar. Onze auto’s hebben alleen maar banden, maar waarom dan niet ook het gebandte?
  • Bij sommige woorden is het twijfelachtig of ze wel tot de collectiva mogen worden gerekend: geboorte, gedaante, gedachte, gedeelte en gehemelte lijken niet noodzakelijkerwijs te duiden op een verzameling van bij elkaar horende dingen. Daarom staat er in de tabel ook een vraagteken voor vermeld.
  • Lang niet alle Nederlandse woorden die beginnen met ge- en eindigen op -te zijn collectiva. Sterker nog, het aantal woorden ge(…)te die niet een collectivum zijn is groter dat het bovenstaande aantal collectiva. Denk aan woorden als gekte en geste, en aan samenstellingen als geslachtsziekte, geldboete, gemeentebeambte en gebedsruimte. Hun aantal loopt zeker tegen de 60, tegenover de 41 genoemde collectiva.

 

Lidwoorden weglaten – wanneer en waarom ?

In een aantal gevallen mag of moet het lidwoord in het Nederlands worden weggelaten. Wie van huis uit Nederlands spreekt, maakt daarbij weinig fouten. Maar voor wie Nederlands moet leren is het een hele opgave erachter te komen wanneer het lidwoord wel en wanneer niet moet worden gebruikt. Er bestaat ook niet één regel daarvoor; er zijn er minstens 31. Een beknopt overzicht.

Inleiding
Traditioneel kennen we in het Nederlands drie lidwoorden: de, het en een. Binnen de taalkunde zijn er ook goede argumenten genoemd voor vier lidwoorden, of voor minder dan drie, maar die discussie is hier nu niet aan de orde. Van oudsher gebruiken we de en het voor zogenaamde “bepaalde” begrippen en een voor zogenaamde “onbepaalde” begrippen. “Bepaald” betekent dat de spreker denkt dat de hoorder weet waarover het gaat; “onbepaald” betekent dat de spreker ervan uitgaat dat de genoemde zaak of het genoemde ding (taalkundigen noemen een zaak of ding een entiteit) nieuw is in het gesprek en tot dan toe voor de hoorder nog niet bekend was.

Mannelijke en vrouwelijke bepaalde entiteiten krijgen de in het enkelvoud en het meervoud voor zich; onzijdige bepaalde entiteiten krijgen het in het enkelvoud en de in het meervoud. Onbepaalde entiteiten (mannelijk, vrouwelijk of onzijdig) krijgen een in het enkelvoud en niks in het meervoud voor zich.

Dat zijn in het kort de regels voor het gebruik van het lidwoord. Maar wat is er aan de hand wanneer we het lidwoord helemaal weglaten, zoals bijvoorbeeld in de uitdrukking met hart en ziel, waarbij je echt niet kunt zeggen *met het hart en de ziel ? (Een * voor een zin of groep woorden betekent dat we die niet welgevormd vinden.)

Hieronder volgen 31 gevallen waarin het lidwoord in het Nederlands achterwege kan of moet blijven. Waarschijnlijk is de lijst nog wel niet eens helemaal compleet en is de rubricering nog wel te verbeteren.
Onderaan dit artikel staat welke bronnen ik heb gebruikt bij het samenstellen van deze lijst.

De 31 gevallen

1. Bij een niet-telbaar substantief (=zelfstandig naamwoord):

  • Er is onrust ontstaan.
  • Aan water is hier geen gebrek.

2. Bij een telbaar, onbepaald substantief in het meervoud:

  • Er liepen koeien in de wei.
  • Eten we nu alweer spruitjes?

3. Bij gebruik van een demonstratief (aanwijzend) of possessief (bezittelijk) voornaamwoord of telwoord:

  • Waar heb je dat doosje gelaten?
  • Ik heb mijn sleutels vergeten.
  • Koop maar één kilo suiker.

4. In krantenkoppen, onderschriften, titels:

  • Einde kabinetscrisis nog niet in zicht.
  • Man bijt hond.

5. Bij opsommingen van min of meer bij elkaar horende zaken:

  • Met naald en draad voor u paraat.
  • Hij slaagde met vlag en wimpel.

6. Bij opsommingen die tevoren zijn genoemd en waartussen verband bestaat:

  • Bij het afrekenen vergat zij zowel het pakje rozijnen als het zakje amandelen in haar boodschappentas te doen. Toen ze na een paar minuten bij de kassa terugkwam, waren rozijnen en amandelen verdwenen.
  • Jarenlang hebben Talpa en RTL de uitzendingen verzorgd van wedstrijden van de eredivisie, de Europacup en van het Nederlands elftal. Sinds enige tijd zitten eredivisie en Nederlands elftal weer gewoon bij de NOS.

7. In woordgroepen die met zonder beginnen:

  • Met dit weer moet je niet zonder jas naar buiten gaan.
  • Zonder pc kan ik thuis niet werken.

8. In woordgroepen die beginnen met met waarin dat contrasteert met zonder:

  • Als er weinig licht is, kan ik even weinig zien zonder als met bril.
  • Ik ga liever op vakantie met reisverzekering dan zonder.

9. In woordgroepen die beginnen met met die een specificatie inhouden in de technische of commerciële sfeer:

  • Ik kies toch liever voor een auto met open dak.
  • Er bestaan geen tandenborstels met afstandsbediening.

10. In woordgroepen die beginnen met Franse of Latijnse voorzetsels (ex, per, qua, sub, hors, sans, enz.; in totaal ruim 50 stuks):

  • Zij reisden per schip naar Amerika.
  • De ploeg speelde technisch goed, maar qua instelling waardeloos.

11. In woordgroepen die beginnen met de voorzetsels de of het in de betekenis “per”:

  • De snijbonen kosten momenteel bijna € 3,00 de kilo. (= per kilo; = voor een kilo)
  • Kan ik alleen de hele set kopen, of verkoopt u die bordjes ook het stuk? (= per stuk)

12. Na voorzetsels in min of meer vaste verbindingen, waarbij het gaat om een abstracte entiteit:

  • Ik ga naar school. (school als instelling, tegenover school als gebouw: Dit grindpad loopt naar de school.)
  • Zij bleef in huis (abstract “woonverblijf”, naast: in het huis. Je kunt ook niet zeggen: *in kamer of *in kelder)
  • Hij verstopte zich op zolder (ook een abstract begrip; niet mogelijk zijn *op vliering of *op wc)
  • De kippen gaan op stok. De duiven gaan op til. (abstracte plaatsbepaling met betekenis “gaan slapen”. Niet mogelijk *op nest of *op kooi)
  • Hij stond al langer onder verdenking.

13. Voor een aanduiding van beroep, hoedanigheid, rol of functie, als naamwoordelijk deel:

  • Ik word later tramconducteur.
  • Wat is onderwerp van de zin “Hier mag niet worden gedanst” ?
  • Ik ben vanmorgen vader geworden!

14. Bij uitoefening van een hobby of andere vorm van vrijetijdsbesteding, waarbij ook meer aan de abstracte bezigheid wordt gedacht dan aan een unieke gebeurtenis:

  • Ze gingen op/met vakantie. (maar niet: *Zij gingen naar werk).
  • Hij is op toernee / jacht / vrijersvoeten / pad / strooptocht / ….

15. In wat meer journalistieke stijl aan het begin van een zin met een naamwoordelijk gezegde:

  • Feit is dat je nu alweer je boek niet bij je hebt.
  • Doel van de regeling blijft het terugdringen van de werkloosheid.

16. Bij gebruik van een substantief dat wordt voorafgegaan door een comparatief (vergrotende trap), terwijl de zin een ontkenning bevat:

  • Meer eer viel er niet te behalen.
  • Dieper belediging kon je haar niet aandoen.

17. Voor de zgn. genitivus partitivus (waar soms van tussen past, of in het Frans: de):

  • Een verzameling vrouwvolk; niet veel soeps; een heleboel herrie; een hoop ongenoegen.

18. Bij eigennamen/aardrijkskundige namen die ook wel met lidwoord kunnen voorkomen:

  • Hij wachtte geduldig tot Magere Hein hem kwam halen.
  • Dronken zwalkten zij door donker Amsterdam.

19. Bij aardrijkskundige namen van streken of koloniën die nu een zelfstandige natie zijn geworden:

  • De Ukraine (deel van de Sovjet-Unie) → Ukraine (zelfstandige staat)
  • De Kongo (Belgische kolonie) → Kongo (zelfstandige staat)
  • De Libanon (Frans protectoraat) → Libanon (zelfstandige staat)

20. Bij aanduidingen van week- en maanddagen en van bijzondere dagen of gelegenheden:

  • Maandag kom ik bij je langs.
  • Dit jaar was februari de koudste maand.
  • Komend weekend is het kermis. (het is hier geen lidwoord!)
  • Als je slaagt, houden wij open huis.

21. In een aantal zegswijzen, uitdrukkingen of driewoordige voorzetselverbindingen:

  • Dat is kat in het bakkie.
  • Daar kun je donder op zeggen.
  • Tegen beter weten in
  • Naar aanleiding van
  • Naar analogie van
  • In tegenstelling tot
  • Op aandrang / aangeven / aanraden / aanreiken / advies / bevel / initiatief / instigatie / verzoek / straffe van

22. Bij muziekinstrumenten, kinderspelen en sportbeoefening:

  • Ik speel klarinet.
  • Doktertje spelen.
  • Ik zit op voetbal. (In Noord-Brabant: Ik zit onder voetbal.)

23. Bij reduplicaties (=herhalingen):

  • Ik heb je keer op keer gewaarschuwd.
  • Hij miste kans na kans.
  • Het regende dag in dag uit.
  • Voetje voor voetje kwam zij dichterbij.

24. Bij aan- of uitroepen:

  • Wilt u allemaal even opzij gaan, mensen !
  • Jongen, wat ben jij gegroeid !

25. Bij substantieven die de functie van voorzetsel hebben aangenomen. Tot deze reeks horen ongeveer 17 Nederlandse zelfstandige naamwoorden, zoals:

  • Ze zijn gisteren vertrokken richting Italië.
  • Bij het tweede doelpunt stond Bruins randje buitenspel.
  • Klokslag twaalf kwam zij eindelijk aanzetten.
  • Verder ook nog: begin, bestemming, eind(e), halte, hartje, hoek, kantje, klokke, lank(e), midden, omgeving, punt, spijt, station.

26. Bij de meeste ziektes:

  • Hij heeft griep / mazelen / pokken / malaria / longontsteking / geelzucht / diarree / rode hond / tbc / syfilis / aids / kanker / bloederziekte / hemofilie / astma / suiker(ziekte) / buikpijn / kinkhoest / …
  • maar: Hij heeft de bof / de pest / … ; overigens is de mazelen / de pokken ook mogelijk.
  • Nepziektes krijgen altijd het; bijnamen van ziektes krijgen de: Krijg het leplazarus / het heen-en-weer / … ; de sief / de tering / de schurft / de klere / …

27. Bij tijdsbepalingen is er vaak keuze, maar die gaat dan wel met een subtiel betekenisverschil gepaard:

  • De komende week zit ik in het buitenland. (gedurende de hele week), tegenover:
  • Komende week zit ik in het buitenland. (tijdens een onbepaald deel van de week)
  • Het afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (het hele uur lang), tegenover:
  • Afgelopen uur had ik haar aan de telefoon. (tijdens een onbepaald deel van het afgelopen uur)
28. Vooral, maar niet uitsluitend, in de sportjournalistiek (die vaak tot versnelde berichtgeving leidt) vele aanduidingen van de situatie, voortgang, positie van de handelende persoon:
  • Op (volle) toeren / (volle) snelheid, tempo, koers
  • Op kop (rijden) (maar niet: *op/aan staart)
  • Aan kop (gaan) (maar niet: *aan staart)
  • Op schot / dreef zijn
  • In samenvatting / herhaling / slow motion
29. Ter aanduiding van het begin van een handeling of gebeurtenis:
  • Van acquit / start (gaan),
  • op slag van (rust)
  • op handen / til (zijn)
  • van bil gaan
30. Ter aanduiding van een waarschijnlijkheid, zekerheid, juistheid, verwachting:
  • Op schaal / ware grootte
  • Op zeker / safe / goed geluk / hoop van zegen (maar niet: *op tast, *op gok)
  • In wezen / feite / aanvang / principe (maar: In de grond, in het begin, in de aard)
 
31. Ter aanduiding van een kwaliteit of hoedanigheid:
  • In gebreke / overtreding
  • Voor lul / paal (staan)
  • Op zicht / proef
  • Te geef / leen / huur / koop (maar: ter verkoop / inzage / overname)
Didactisch gezien, voor wie beter Nederlands wil leren, is dit allemaal veel te veel en veel te rommelig. Misschien moeten we zoeken naar een grootste gemene deler en dan uitkomen bij (a) vaste uitdrukkingen, inclusief reduplicaties als keer op keer, en (b) bij meer abstracte begrippen als school en vakantie. Hier is nog veel onderzoek te doen, lijkt mij zo.

__________________________________________

Bronvermeldingen:

  • Algemene Nederlandse Spraakkunst, in het bijzonder §4.5 en §4.6 (blz.195-223)
  • W. Klooster, Grammatica van het hedendaags Nederlands, in het bijz. §4.1.2 en §4.1.3 (blz.64-69)
  • Eigen lesmateriaal 

0-5 ; maar liefde maakt blind

AFL. 1 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; enigszins gewijzigd)

________________________________________________________________________________
Eigenlijk heb ik wel een en ander uit te leggen. Bijvoorbeeld hoe ik als Brabander die van zijn eerste tot bijna dertigste jaar in Amsterdam woont bij Feijenoord ben terecht gekomen.
Maar gelukkig denk ik het te kunnen verklaren.

Ik woonde in Oud-Zuid en was een jaar of twaalf, toen ik me voor voetbal ging interesseren. Dikke kans dat dat onder meer kwam doordat ik elke zondag Frits van Turenhout op de radio zo indringend de uitslagen van de eredivisie, eerste divisie A en B en tweede divisie A en B hoorde voorlezen. Ons huis lag op een paar honderd meter van het Olympisch Stadion en ik kreeg in de gaten dat je voor een kwartje (of was het een dubbeltje?), inclusief vermakelijkheidsbelasting, bij de bekende voorverkoopadressen een jongensstaanplaats kon halen voor thuiswedstrijden van Blauw-Wit en DWS-Amsterdam, achter het doel, onder het handmatig bediende scorebord. Had je geluk dat ze allebei op dezelfde zondag thuis speelden, dan kon je beide wedstrijden op één kaartje bijwonen, om 12 uur en 2 uur. Had je nog meer geluk, dan tekende een van beide teams na afloop van de wedstrijd protest aan tegen een vermeende scheidsrechterlijke dwaling. Dan bleef al het publiek op de tribunes en verschenen na een paar minuten een speler van de protesterende partij, de keeper van de tegenpartij en de scheidsrechter, en werd er een penalty genomen. Ging die erin, dan werd het protest door de KNVB in behandeling genomen; werd de strafschop gemist, dan was het protest automatisch afgewezen. Dat waren nog eens tijden.

Een favoriete club had ik nog niet, maar voetbal is voetbal, en zo toog ik op 1 maart 1959 met nog 36.999 andere liefhebbers naar dat magnifieke stadion om mijn eerste eredivisiewedstrijd te gaan bijwonen: DWS/A-Feijenoord. Het zei me verder niks.

Koud twee uur later wist ik opeens een heleboel. Feijenoord had DWS volkomen van de mat gespeeld en won met 0-5 (hoofdrol voor Kees Rijvers; goals van Rijvers (2x), Van der Gijp, Schouten en Moulijn). Ik was zo onder de indruk van het spel der Rotterdammers, dat ik op slag mijn levenskeuze had bepaald: Feijenoord was voor nu en voor altijd mijn club.

Hoe wankel zo’n liefdesverklaring is, bleek 5 speeldagen later, toen een andere Amsterdamse club in de Kuip op bezoek kwam en er uiteindelijk dezelfde stand van 0-5 op het bord stond. Maar liefde maakt blind, dus ik zag dat gewoon niet, althans, ik liet me er niet door van gedachte veranderen.

Dat had nog een extra reden. Op mijn middelbare school, ook in Oud-Zuid, zaten jongens in de klas uit alle hoeken en gaten van Amsterdam en er heerste nogal wat rivaliteit tussen de verschillende wijken, die zich onder meer uitte in een grote voorliefde voor de daar gehuisveste club. Voor mij was Centrum, West en Zuid in principe wel in orde – niemand had ook eigenlijk veel bezwaar tegen DWS of Blauw-Wit. Een enkeling kwam uit Noord, van over het IJ, en hield het met De Volewijckers. Dat werd wel geaccepteerd als ongevaarlijke lokale folklore. Maar ronduit eng waren de jongens uit Oost, want die hadden doorgaans de blik gericht op de Watergraafsmeer en wat daar speelde. En zoals je ook al op die leeftijd doet: je gaat je afzetten tegen de concurrent. Ik wist intussen ook wel hoe het zat tussen Feijenoord en Ajax en was dus dubbel blij dat ik mij in de klas kon profileren als Feijenoordaanhanger tegenover al dat nare geweld uit Oost. In de hele klas had ik één medestander. Iemand uit Oud-West. De paters op school poogden nog wel de verzuiling in stand te houden door te bepalen dat je zelf alleen maar lid mocht wezen van de voetbalclub van de school zelf: RKAVIC, wat ik ook braaf deed. Alleen de jongens uit Noord kregen dispensatie en mochten daar bij De Meteoor, Rood-Wit A of T.O.B. blijven spelen (T.O.B.: spannend onderwerp voor mijn volgende artikel), maar over je betaald-voetballiefde deden ze geen uitspraak.

Fanatiek als ik was begon ik de stapels oude kranten van maanden terug door te spitten en haalde er alle mogelijke maandagedities uit, want ik wilde mijn nieuwe liefde zichtbaar en tastbaar in een plakboek gaan vereeuwigen. Wel wat laat, als je daar pas in maart mee begint, maar het was niet anders en ik kon een heel eind in de tijd terugkomen. Alle Feijenoordverslagen, uitslagen en standen en statistieken van de eredivisie en wat al niet. Ik meen me nog te kunnen herinneren dat Feijenoord dat jaar thuis een gemiddelde van 42.000 toeschouwers trok – net zoveel dus als nu ongeveer. Bovendien: als Feijenoord uit speelde, waren die stadions haast altijd uitverkocht. Ja ja, Feijenoord komt op bezoek!

Ik was nijver aan het plakboeken en een jaar of twaalf. Hoopte vurig dat Feijenoord ook kampioen zou worden. Maar liefde maakt blind. Precies een week na mijn bezoekersdebuut werd in de Kuip Feijenoord-Sparta gespeeld. Sparta was toen koploper, vijf punten voor op Feijenoord, met Rapid JC daar nog tussenin. Ajax stond volkomen kansloos negende, met zelfs ook nog een negatief doelsaldo. Dat waren nog eens tijden. Bij winst op Sparta zou Feijenoord inderdaad een serieuze titelkandidaat zijn met nog tien wedstrijden te gaan.

Het werd 0-3. Weg titelkansen, besefte ik. En omdat ik geen masochist wilde zijn, stopte ik acuut met het plakboek, zodat ik die 0-5 in Rotterdam (en die 2-1 in Tilburg en die 4-2 in Venlo) gelukkig niet ook nog hoefde in te plakken. Sparta werd onbedreigd kampioen.

Het plakboek heb ik intussen al lang niet meer. Kwijt bij een verhuizing of zo. Feijenoord is gebleven.

Een oud-klasgenoot van mij, Carlo, van wie ik later ook merkte dat hij Feijenoordfan was (“Volgens mij was het zo dat in klas IIIB er 7 Ajaxfanaten in de klas zaten en 7 Feijenoordfans, en dan nog een Blauw-Witter, een Volewijcker, en een Volendammer”, schreef hij me onlangs), stuurde me nevenstaande knipsels uit zijn plakboek. Helaas hebben we nog niet kunnen achterhalen uit welke dagbladen deze twee zijn geknipt. Rondneuzend op Delpher vind je wel nog enkele andere pagina’s van maandag 2 maart 1959, resp. uit het Algemeen Handelsblad, De Tijd, het Vrije Volk, de Telegraaf en de Waarheid, waaruit onomstotelijk blijkt dat Feijenoord daags ervoor een van zijn allerbeste wedstrijden van het seizoen had gespeeld. En ik was erbij. Geen wonder dat het tot een eeuwige liefde leidde.

___________________

Zondag 1 maart 1959, Olympisch Stadion, 14.30u
DWS-Amsterdam – Feijenoord 0-5
Toeschouwers: 37.000
Rijvers (0-1), Rijvers (0-2), Schouten (0-3), Van der Gijp (0-4), Moulijn (0-5)
DWS/A: Visser, Corbran, Schenkel, Vonhof, De Jong, Klein, Mesman, Niessen, Tolmeyer, Kick, Smit.
Feijenoord: Pieters Graafland, Kerkum, Veldhoen, Walhout, Steenbergen, Bak, Schouten, Meijers, Van der Gijp, Rijvers, Moulijn.

___________________

In dagblad De Tijd heeft op maandag 2 maart 1959 een foto gestaan uit deze wedstrijd van achter het Feijenoord-doel, waarop we een zweefduik van keeper Bram Panman zien. Kan iemand mij alsnog aan die foto helpen? Reacties graag naar info@nardloonen.nl 

 

 

 

4-11; dat levert wat op

AFL. 2 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; enigszins gewijzigd)

__________________________________________________________________________________
Ik moet ruiterlijk toegeven dat ik niet vaak een gelukkige hand heb gehad bij het uitzoeken van te bezoeken wedstrijden van Feijenoord. Ok, ik had een goede start bij DWS-Feijenoord in 1959 (0-5) en ik heb mijn hoogtepunt beleefd in november 1997 bij de 2-0 van Feijenoord-Juventus, maar daar tussendoor was het toch vaak afzien. Ik bedoel maar: als je uren in de auto moet zitten om in oktober 1992 in een voor tweederde lege Kuip Feijenoord met hangen en wurgen vlak voor tijd in een draak van een wedstrijd de verlossende 1-0 te zien scoren tegen Partizan Tirana, dan word je daar niet vrolijk van (aan die wedstrijd zat een heel verhaal vast: zie de Foxsports-docu daarover van mei 2017). Maar het kon nog erger.

Schuin tegenover mij in Amsterdam woonde Henk Terlingen, bij de ouderen nog wel bekend als de presentator van NTS-Sport in Beeld, later nog meer bekend als “Apollo Henkie” die de eerste maanlanding voor de NOS versloeg. Hij zat een paar klassen boven mij op school en wij voetbalden regelmatig samen op straat, tegen een blinde muur waarop een doel was gekrijt. Op twee momenten heeft hij zich voor mij onsterfelijk gemaakt. Eerst was dat de periode dat ik, in het begin van mijn puberteit, een tijdje groeipijn had in mijn rechterknie, waardoor het schieten niet zo best meer ging. Met eindeloos geduld heeft hij mij toen geleerd met links te schieten, met als gevolg dat ik tot op de dag van vandaag volstrekt tweebenig ben. Hij had ook wel nadelen, bijvoorbeeld dat hij fervent aanhanger van de verkeerde club was. Maar dat leek zich in mijn voordeel te keren toen hij mij een tweede onsterfelijke daad voorschotelde. Feijenoord had zich in het seizoen 1959-1960 aardig hersteld van het mindere afgelopen seizoen; wat zeg ik: na een eclatante 3-0 op Abcoude-Noord in de Kuip waren beide teams gelijk bovenaan de ranglijst geëindigd en moest een beslissingswedstrijd de landskampioen uitwijzen. Dat werd 26 mei 1960, in het Olympisch Stadion. Vraag me niet hoe hij het had klaargespeeld, maar Henk had een kaartje voor die wedstrijd weten te bemachtigen. En omdat hij een groot hart had, wilde hij dat kaartje wel met mij delen, ook al was ik van de verkeerde kant. Dat ging zo: samen liepen we naar het stadion. Eenmaal tussen de drommen mensen beland, schuifelden we naar de hekken die langs de controlepoortjes stonden, omringd door oproerpolitie te paard. Vlak voor het controlepoortje trok hij mij naar zich toe, sloeg zijn lange regenjas open (eind mei, maar wie let daarop) en liet mij strak tegen hem aan doorschuifelen met zijn weer om mij heen dichtgeslagen jas. Zonder ook maar een enkel probleem sjokten vier voeten langs de controle op één kaartje. Ik was de koning te rijk, de eerste helft: een bomvol Olympisch Stadion, geweldige sfeer, en Feijenoord bij rust met 0-1 voor. Om het verhaal niet te lang te maken zal ik de tweede helft verder niet beschrijven, waarin ene Bleijenberg het op z’n heupen kreeg en de eindstand 5-1 werd.

Minstens zo rampzalig verliep het dik vier jaar later. Vraag me niet hoe, maar ik had een kaartje weten te bemachtigen voor Feijenoord-Ajax op 29 november 1964. Nu wilde het toeval dat ik in die tijd mezelf had weten op te werken tot bestuurslid van het niet onverdienstelijke schoolkoor. En net op die 29e november werd het Ceciliafeest gevierd. Cecilia, als schutspatrones van zangkoren, was de jaarlijkse aanleiding voor een feestelijke dag met een uitvoering en andere festiviteiten eromheen, en de koorleiding vond het absoluut ongepast dat ik dan net op die dag afwezig zou zijn om een of andere burgerlijke voetbalwedstrijd te gaan bezoeken. Ik had geen keus, en kon zo Henk Terlingen een pleziertje terugdoen door hem mijn kaartje te geven. Het leek wel lik-op-stukbeleid, want het werd dus 9-4 voor Feijenoord. Toen ik later die middag die uitslag hoorde, was ik laaiend en kon ik me wel de haren uit de kop trekken.

Hoe betrekkelijk alles is, was mij overigens in 1960 al eens gebleken, een paar maanden voor die jammerlijke beslissingswedstrijd in Amsterdam. Immers, in januari van dat jaar overstroomde na een dijkdoorbraak Tuindorp-Oostzaan in Amsterdam-Noord. Dat was vervelend. Gelukkig verdronk er niemand, maar de materiële en emotionele schade voor de 10.000 inwoners was enorm. Nu had Nederland intussen al aardige ervaringen opgedaan met watersnoodwedstrijden (zoals de fabuleuze 1-2 van de Nederlandse profs tegen Frankrijk in Parijs in 1953!), en dus werd er besloten tot een benefietwedstrijd in het Olympisch Stadion tussen vertegenwoordigende elftallen van Amsterdam en Rotterdam op 17 februari 1960. Op verzoek van Rotterdam was die wedstrijd overigens een week uitgesteld, zo meldt de KNVB-Sportkroniek van 8 februari 1960. Het batig saldo voor de gedupeerden bedroeg ƒ 25.000. Vreemd is dat er maar heel weinig over dat treffen is terug te vinden, maar ik was erbij, op de Marathontribune zelfs, want kennelijk gingen die kaartjes tegen gereduceerd tarief. Rotterdam kwam aanzetten met een veredelde Feijenoordselectie, waaraan twee of drie Spartanen waren toegevoegd. In die tijd had Sparta overigens een zeer verdienstelijk team – het was zelfs regerend landskampioen, dus het betrof zeker een versterking. De Leeuwarder Courant meldde een week voor de wedstrijd de selectie. Zie inzet. Voor Kees Rijvers moet het een belangrijke wedstrijd zijn geweest, omdat hij al een tijdje geen deel meer uitmaakte van de eerste selectie van Feijenoord; via deze wedstrijd kon hij zich weer in de kijker spelen, en met succes: 3 goals.

De Amsterdamse selectie heb ik niet meer kunnen achterhalen. Ongetwijfeld zal het een allegaartje zijn geweest van spelers uit Oost, aangevuld met wat sprekende namen van DWS (Jongbloed niet; Vonhof wel) en Blauw-Wit (Erwin Sparendam, of zat die toen al bij Elinkwijk?) en wellicht een verdwaalde Volewijcker (Hassie van Wijk?). Hoe het ook zij, Rotterdam had geen enkele moeite met het Amsterdamse samenraapsel en won de wedstrijd met 4-11, waardoor ik getuige was geweest van de doelpuntrijkste Nederlandse betaald-voetbalwedstrijd ooit, bij mijn weten. Net één goaltje meer dan Feijenoord-Reykjavik (12-2) in september 1969. Het verslag in de Nieuwe Noordhollandse Courant is volstrekt duidelijk.

Die hoge uitslag had nog een bijkomend voordeel. Bij de overstroming was namelijk ook het hele complex van T.O.B. in Tuindorp-Oostzaan onder water komen te staan en een onderdeel van de deal was dat die vereniging voor elk gescoord doelpunt een nieuwe voetbal zou krijgen. Zo gingen er dus in februari 1960 vijftien nieuwe lederen voetballen naar Amsterdam-Noord.

Over die club valt trouwens nog wel wat aardigs te melden. In 1947 legde een frater in Amsterdam-Noord bij een buurtvereningsbijeenkomst zomaar een voetbal op tafel en zei: “We gaan een voetbalclub oprichten”. Een naam had hij ook al bedacht: T.O.B., Tuindorp-Oostzaanse Boys, want Engels was vlak na de bevrijding erg hip. Wat verder voor de man pleitte, was dat hij als tenue de negatieve variant had bedacht van het “grote” Ajax, dus rode shirts met een witte baan, en daaronder het Feijenoord-tenue: zwarte broeken en rood-wit geringde kousen. Dat dat later een wit shirt met een blauwe baan is geworden, doet nu verder niet ter zake. Naast voetbal werd nog handbal aan T.O.B. toegevoegd, ook voor meisjes. Die begonnen zich, feministes-in-de-dop, amper tien jaar later te ergeren aan de naam Boys in T.O.B., waarop vanuit het bestuur lankmoedig en met typisch Amsterdamse humor werd voorgesteld die afkorting dan maar te wijzigen in Tot Overspel Bereid. Wellicht kon dat de teamgeest aanwakkeren, maar kerkelijke goedkeuring kreeg die benaming niet, waarop als compromis uiteindelijk de huidige naam Trouw Ons Beginsel werd vastgelegd. Welk beginsel, staat er niet bij. Ik verzin het allemaal niet zelf, ik heb het van de officiële T.O.B.-site (zie rksv-tob.nl).

Triest is dat men zich vandaag de dag bij T.O.B. niets meer blijkt te kunnen herinneren van die benefietwedstrijd en die vijftien spiksplinternieuwe ballen, maar ik had mijn 11-4 in de knip en dat maakte bij voorbaat een hoop goed van alle Feijenoord-ellende die mij daarna nog te wachten stond…



Heeft iemand meer informatie over deze bijzondere wedstrijd?
Met name ben ik op zoek naar de complete opstelling van het Amsterdams elftal.

 

(Deze laatste vraag is inmiddels afdoende beantwoord: zie
http://nardloonen.nl/2014/04/19/delpher-haalt-oud-goud-naar-boven/ 

 

 

___________________

Woensdag 17 februari 1960, Olympisch Stadion, 20.00u
Amsterdam – Rotterdam 4-11
Toeschouwers: 15.000
Doelpunten Amsterdam: Jos Vonhof (DWS), Cees Groot (Ajax, 2x), Hans van Doorneveld (DWS)
Doelpunten Feijenoord: Kerkum (Feijenoord, pen.), Rijvers (Feijenoord, 3x), Schouten (Feijenoord, 2x), Meijers (Feijenoord), Moulijn (Feijenoord, 2x), Cor vd.Gijp (Feijenoord), Schouten (Feijenoord).
Amsterdam: Jan van Drecht (Ajax), Van der Klink (Blauw-Wit), Hans Boskamp (DWS-A), Soetekouw (Volewijckers), Niessen (DWS-A), Bennie Muller (Ajax), Slaak Swart (Ajax)/Arie den Ouden (DWS-A), Cees Groot (Ajax), Jos Vonhof (DWS-A), Mul (Blauw-Wit), Hans van Doorneveld (DWS-A).
Rotterdam: Pieters Graafland (Feijenoord), Kerkum (Feijenoord), vd.Lee (Sparta), Villerius (Sparta), Schouten (Feijenoord), Klaassens (Feijenoord), Walhout (Feijenoord), Meijers (Feijenoord), Van der Gijp (Feijenoord), Rijvers (Feijenoord), Moulijn (Feijenoord).

 

7 Sacramenten (1959-1966) – 7/7

Het wordt in dit zevende en laatste Sacramantsbericht tijd voor de finale afrekening. Niet zo zalvend als het Heilig Oliesel, maar meer een balans met zware gewichten “ter rechter en ter luchter side”. Uiterst subjectief, zoals alles van mij in deze weblog. Zoals het in mijn hoofd zit. Zoals het hoort.

Laat ik maar weer positief beginnen: ik heb het St.-Ignatiuscollege tussen 1959 en 1966 ervaren als een zeer goede school, misschien wel een van de beste van Nederland. Ik heb er uitermate veel geleerd, niet alleen in de achttien vakken die mij werden onderwezen, maar ook van de vormende, geestelijke ontwikkeling die ons werd bijgebracht, zo niet ingeslepen, en de vele mogelijkheden om je ook buitenschools te bekwamen en verrijken, variërend van liturgische muziek tot ordinair voetbal. Ik heb er een aantal zeer goede contacten aan overgehouden, zowel met (ex-)docenten als met (ex-)klasgenoten. Het IG heeft voor vele procenten de mens gemaakt die ik daarna bleek te zijn en nog ben.

Dat niet alles daarvan positief te noemen is, wil ik met nadruk in eerste instantie op het bord leggen van mijn eigen verantwoordelijkheid. Ik kan niet zo veel IG-invloeden noemen waarvan valt te beweren dat ze mij hebben misvormd.

Hieronder zal ik, in navolging eigenlijk van wat ik op de weblog van Jos Heitmann aantrof, een aantal van mijn ex-docenten en enkele andere paters aan een eindoordeel onderwerpen. Ik wijk daarbij wat af van zijn inhoud en werkwijze: hij zat op de HBS en had dus met veel anderen te maken dan ik, maar bovendien is hij over het algemeen voortdurend gematigd tot zeer positief. Ik betoon mij veel zwart-witter, want zo ben ik. Voor sommige besprokenen geldt dan ook, dat (om maar eens een gruwelijke stijlfout te hanteren) als ze nog leefden, zij zich zouden omdraaien in hun graf. Leg er je eigen oordeel maar naast, het mijne zal er niet wezenlijk door veranderen.

Ik heb me beperkt tot een achttiental personen. Er liepen er natuurlijk veel meer rond, maar de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat die voor mij terecht zijn gekomen in een grote, grijze middenmoot; prima docenten ongetwijfeld, maar in mijn geval niet imposant genoeg, en zij brengen mij ook geen smeuïge details in herinnering die ik jullie niet zou willen onthouden. Een enkeling komt bovendien al aan de orde in eerdere Sacramentsberichten. Ik noem er een aantal op als voorbeeld:

Wim Bennink S.J. (Nederlands)(Den Haag 1920-Nijmegen 2000)
Jan Brinkhoff S.J. (Duits)(Nijmegen1912-Nijmegen 1996)
Paul Dresen S.J. (Maastricht 1919-Nijmegen 1991)
Nol Janssen S.J. (Nederlands)(Weert 1924-Helmond 2009), uitgetreden 1966
Wim van der Lee S.J. (biologie)(Amsterdam 1925-Nijmegen 2014)
Dionysius (Nies) vanLier S.J. (geb. Roggel 1925), woont nog in Heythuysen
Jan Mooijman S.J. (Engels)(Stompwijk 1915-Nijmegen 2003)
Huub Oosterhuis S.J. (geb. Amsterdam 1933), uitgetreden 1969, woont nog in Amsterdam
Kees Wessels S.J. (Helmond 1880-Maastricht 1964)
Ton Wiewel S.J. (natuurkunde)(Amsterdam 1925-Nijmegen 1997)
Hans Wilting S.J. (geb. Pengkalan Brandan, Indonesia 1932), woont nog in Nijmegen

Maar voor ik aan die eindlijst begin, nog eerst even twee andere memorabilia.

Het eerste is de onuitwisbare herinnering aan het misdienaar zijn op het IG. Je moest, of mocht, of kon, bij toerbeurt misdienaar zijn bij een van de vele missen die er uiteraard dagelijks werden gelezen. Dan moest je wel eerder op school zijn, maar daar stond vaak wat tegenover, zo niet diezelfde dag, dan ongetwijfeld in het hiernamaals. Voor mij was het echter niet de vrome bijgedachte die mij in de superplie deed glijden. Wat mij bijstaat, was dat het een voortdurende competitie met de anderen was, wie er het eerste klaar was met de mis. Waarschijnlijk waren het nog niet gewijde paters die dagelijks bepaalden wie bij wie moest dienen, waarna zij met een zak vol tennisballen op de cour moesten gaan surveilleren. Alleen eersteklassers mochten met een tennisbal op het geasfalteerde middenterrein ballen, de grote jongens mochten alleen mediterende rondjes lopen rond de cour, en zulks uitsluitend linksom, net als op de atletiekbaan of bij het langebaanschaatsen. De dictatuur van de rechtshandigen dus.
Die misdienaarsbeurten werden volgens mij wel eerlijk verdeeld, zodat je niet dag na dag de klos was. Een beetje mis duurde tegen de 25 minuten. Had je geluk, bijvoorbeeld bij Zaat of Lorié, dan was je in een kwartier klaar. Ooit heb ik een record van 13 minuten geklokt. Had je pech, dan werd je verbannen naar boven in het patershuis om pater Wessels van dienst te zijn, die er standaard meer dan 35 minuten voor nodig had. Slaapverwekkend.
Ik herinner mij nog goed de triomfantelijke blik waarmee je, komend van een van de zijaltaren van die geweldig mooie kapel, hierboven met koor en orkest, oogcontact zocht met de zich verbijtende klasgenoot die op een van de andere altaren nog bezig was de consecratie met een rinkelbelletje aan te kondigen voor een niet aanwezig publiek. Had je hem even mooi met 5 à 7 minuten verslagen die dag!
En dan verder: als het even meezat, in de sacristie wachten tot de anderen weg zijn en dan gauw een stuk of 10 van die kleine hosties in je mond proppen. Niet van die tegenwoordige dikke volkorenhosties, maar die lekkere ouwe witte van ouwel. Had je veel geluk en lef, dan deed je het met een of twee van die grote hosties, maar die waren er niet zoveel voorhanden. De ampullen leegdrinken, vooral die met miswijn, was tamelijk riskant, want dat zouden ze wellicht gaan ruiken in de eerste les.

Heilige, veilige haven
Het tweede memorabilium is een vandaag de dag onontkoombare.

In ’n Eeuw IG (1995) staat op blz. 13 een citaat van Midas Dekker: “Jezuïeten staan erom bekend heel goed op het randje te kunnen manoeuvreren… Zij gingen bij mijn weten dus nooit over de schreef, in tegenstelling tot de paters franciscanen, waar we iedere zondag naar de mis gingen en die hun handen níet konden thuis houden…”. Ik vind het oneerlijk om nu de franciscanen alle schuld in de schoenen te schuiven. Waarom niet dan ook de Salesianen, of gewone seculieren, of voor mijn part bisschop Gijsen? Erger nog is dat het niet aannemelijk is dat Dekker gelijk heeft. Zelfs de eenvoudigste wetten der kansberekening wijzen uit dat als het rapport van de commissie-Deetman op zo grote schaal overal in Nederland poelen des verderfs heeft geboekstaafd (en in Vlaanderen kan een soortgelijk verhaal worden volgehouden), dat het dan uitgerekend de Jezuïetenscholen zouden zijn geweest waar in de tweede helft van de 20e eeuw helemaal niks gebeurde, met aan de blanke top der zuiverheid het Sint-Ignatiuscollege te Amsterdam als de Enige Echte Veilige Heilige Haven des Lands. Het is tè argeloos, zo niet naïef je aan die illusie te blijven laven.

Waarom staat er dan niks over het IG? Simpel: onze cultuur zorgt er niet alleen voor dat bepaalde spannende dingen alleen in het duister en in afzondering dienen plaats te vinden, maar tevens dat het niet well done is dat later nog eens uitgebreid aan de grote klok te hangen. Schaamte dus, vermoedelijk ontstaan uit een (opgedrongen) gevoel van mogelijke medeplichtigheid en zondigheid. Als je openlijk verklaart dat je aan je hebt laten zitten of zoiets, word je mogelijk maatschappelijk net zo gewantrouwd als al die verkrachte vrouwen die immers toch ook duidelijk aanleiding hebben gegeven tot. Had je toen maar niet zo jong en zo mooi moeten wezen, dan was hij wel van je afgebleven.

Het is niet alleen niet aannemelijk dat Midas Dekker ongelijk had, het is gewoonweg ook niet waar. Alleen moet je dan helaas dit hele artikel tot de bodem toe doorlezen om het bewijs ervoor te vinden. Sorry, maar ik zal het nu alvast van commentaar voorzien.

Eerlijk gezegd kijk ik er een beetje tweeslachtig tegenaan. Wat mij rond 1965 is overkomen vond ik op zich helemaal niet zo erg. Ik was oud genoeg (18 of zo) om te weigeren of me eraan te onttrekken. Het was niet zo dat ik meeging in de avances om een beter punt te krijgen of om juist te voorkomen dat ik bij weigering een slechter punt zou krijgen. Zo was hij niet. Eerder voelde ik me wel gevleid door deze vorm van aandacht die voor mij geheel nieuw was. Maar met die insteek kon ik moeilijk bij Deetman aankloppen.

Vrij recente gesprekken met oud-klasgenoten leverden een boeiend scala van reacties op, variërend van “Heel schokkend dat zoiets op het IG heeft plaatsgevonden”, via “Laten we van de doden de goede dingen onthouden en de slechte vergeten” tot “Ach gut, de ouwe snoeperd!”. Daarmee schoot ik dus ook niet zo veel op. Het zijn uiteindelijk twee overwegingen geweest die mij hebben doen besluiten een melding bij de commissie-Deetman in te dienen. Uit die melding heb ik hele passages geciteerd hier verderop onder de letter Z. Niet een klacht dus; de man is dood en een zak met geld hoef ik niet. En als ik hem met e.e.a. een plezier heb gedaan, dan zij hem dat van harte gegund. Wat dan wel?

De eerste is deze: bij een affaire als de onderhavige is niet alleen een persoonlijk belang gediend, maar ook een publiek belang. Daarmee bedoelde degene die mij deze fraaie formulering influisterde dat het niet alleen zo is dat ik er persoonlijk in eniger mate last van heb kunnen gaan krijgen, maar eerder dat het niet verborgen mag blijven dat ook in die veilige, heilige haven van het IG wel eens een deurtje op slot, gordijntje dicht, snaveltje toe en gulpje open ging. Ik vind dat een legitiem argument om een melding te doen.

De tweede is een direct uitvloeisel van het alom gepredikte non scolæ sed vitæ discimus, pueri. Ik heb in de bewuste fase onbewust, onwillekeurig, ongewild een attitude aangeleerd gekregen, dat er weliswaar geschreven en ongeschreven regels bestaan, normen en wetten, maar dat het heel simpel mogelijk en uitvoerbaar is die ten eigen gerieve te omzeilen. En dat heeft bij mij niet goed uitgepakt, vind ik nu. Het is iets anders dan door oranje rijden of 60 waar maar 50 mag.

De commissie-Deetman heeft de Orde op de hoogte gebracht. Ik heb de schriftelijke excuses van pater Provinciaal ontvangen. Sterker nog, ik heb een jaar geleden een heel prettig en lang gesprek met hem gehad in Den Haag. Daarin verklaarde hij overigens dat dit de eerste melding vanuit het IG was, en dat er vanuit alle andere Nederlandse Jezuïetenscholen ook geen klachten of meldingen waren ontvangen, behoudens een aantal uit Canisius (Nijmegen), die al met al op één persoon blijken te zijn terug te voeren.

Ik handhaaf mijn argwaan die ik hierboven uitsprak op grond van de wetten der kansberekening. Ik geloof er geen barst van dat ik in 100 jaar IG de enig uitverkorene geweest zou zijn die dit heeft mogen ervaren. Maar daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd.

 

Dramatis personæ (in alfabetische volgorde)

Pater Jan-Maarten BREMER S.J. (Wijk bij Duurstede 1932), uitgetreden 1964
De enige pater die in onze beperkte optiek nou eens niet 70 of 80 was. Klopt ook, want toen wij hem in 1960 voor Latijn kregen, was hij 28. Dat hij, zoals Jezuïeten betaamt, uitermate intellectueel was, viel ons in eerste instantie nog niet zo zeer op. Hij doceerde ons, net als heer Bos die ik het jaar daarvoor had gehad, keurig netjes het hele Tirocinium Latinum, van rosa rosæ rosæ rosam rosa tot en met fero – tuli – latus. Bos was uit een ander hout gesneden, by the way. Van een degelijke oude stempel. Een van de zeer weinigen die plat Amsterdams praatte, bovendien. Befaamd is zijn gevleugelde oneliner: “Je èètsproak is fnèèkent foor je èndeksoame”.
Jan-Maarten Bremer ging anders met zijn vak om. Die kreeg het georganiseerd dat wij klassikaal bij ons thuis in de Lomanstraat tussen de schuifdeuren in het Latijn een opvoering gaven van Plautus’ komedie De Menæchmi. Dat hij na zijn uittreden in 1964 academisch verder ging met een promotie in 1969, gevolgd door een hoogleraarschap aan de UvA was ons (en hem) toen uiteraard nog niet bekend. Wel is blijven hangen dat het altijd een plezier was om met hem samen in één klaslokaal te vertoeven.

Pater Herman BRUSEKER S.J. (Amsterdam 1924-Amsterdam 2003)
Voor ons Pater Prefect, alias Pater Pens. Vanaf de cour de trappen van het bordes op, patershuis in en dan eerste deur rechts om een strafbriefje te halen of om andere praktische niet-vakgebonden zaken te regelen. Een uiterst joviaal man die wel met iedereen goed leek te kunnen opschieten. Zie mijn voorbeeld bij de letter R van Reijnders hieronder. Een meester in conflictbeheersing en voor iedereen aanvaardbare, creatieve oplossingen. Zijn populariteit werd nog aanmerkelijk vergroot in de periode van de verbouwing (1964-1965) toen de oude gymzaal was afgebroken en wij voor gymnastiek naar de Rozengracht moesten, ik meen in het Roothaanhuis. Niet zelden was hij daar dan ook om met ons als vijfdeklassers mee te gymmen.

Dhr.Ted DE CLOET (Rotterdam 1913-Amsterdam 1982)
Even vooraf: het is echt DE CLOET en niet DE CLOETH zoals in diverse bronnen abusievelijk wordt vermeld. Dus zonder H, gewoon de arme tak. Zie zijn stamboom.
Er zijn twee soorten mensen: degenen die hem enorm mochten, en degenen die hem vreselijk vonden. Ik geloof dat het van hem uit ook zo was gesteld. Ik heb nooit een andere leraar Engels gehad dan hem, dus op dat punt kan ik geen vergelijking maken, maar wel weet ik dat ik altijd erg met hem wegliep. Dat is eigenlijk vreemd, want op bijna alle punten des levens was ik het van harte met hem oneens. Zijn conservatieve inslag, zijn houding t.a.v. volkstaalliturgie e.d. botste voortdurend met mijn visie, maar er heeft al die jaren kennelijk een soort niet-aanvalsverdrag tussen hem en mij bestaan.
Hij beschikte over een niet onaanzienlijke dosis humor, maar ook daarover zijn de meningen weer erg verdeeld: sommigen konden er kostelijk van genieten, anderen vonden het geprogrammeerde, ingestudeerde grapjes voor de Bühne waar hoofdzakelijk hijzelf het hardste om moest lachen. Zoiets wat ik zelf sterk voel bij Paul de Leeuw en vooral Jörgen Raymann.
Bij Ted de Cloet viel het muntje voor mij toch de andere kant op. Zo kon ik het erg waarderen dat hij ook actief was als violist, pianist en organist (dat laatste overigens ook in de Engelse Hervormde Kerk op het Begijnhof) in het schoolorkest, waarmee het schoolkoor zo vaak samenwerkte.
Eveneens was ik uitermate gecharmeerd van zijn presentatie van
Winnie-the-Pooh, de psychologie van het boek, de humor, het fraaie taalgebruik. Zo sterk zelfs, dat ik het boek in diverse talen ben gaan verzamelen en lezen, bijvoorbeeld in het Latijn (Winnie ille Pu) en in het Tsjechisch (Medvídek Pú), welke titel ik op de literatuurlijst van mijn mondeling bijvakexamen Tsjechisch heb weten te plaatsen.
Oorzaak en gevolg van onze goed werkende verstandhouding was natuurlijk ook de fietstocht door Engeland in 1964, waarbij De Cloet ons enthousiast en zinvol heeft ondersteund. En last but not least, hij was de enige der docenten die bij de diploma-uitreiking in 1966 naar mij toe kwam om over het resultaat (en de verbazingwekkende 5 voor Engels!) met mij nog even door te praten.

Dhr. Piet FONTAINE (1921-2012)
Over de doden niets dan goeds. Dat moeten de journalisten van De Volkskrant en de NRC hebben gedacht toen ze in september 2012 een necrologie over hem publiceerden. Veel interessanter, want veel genuanceerder en beter onderbouwd, was de bespiegeling in de weblog van Huub Mous, al ben ik van mening dat je niet, zoals Huub doet, alle Jezuïeten uit die tijd over één kam mag scheren. Ook binnen die kring viel namelijk zo af en toe een scherpe tweedeling te bespeuren.
Fontaine was wel iemand die met grote overtuigingskracht, soms zelfs wat verongelijkt, zijn historische opvattingen aan de man wist te brengen. Voortdurend straalde hij klasse uit, maar had moeite met tegenspraak. Zijn (in De Volkskrant zo bejubelde) leermethode Van oermens tot wereldburger -wij kregen al die jaren geen enkel ander boek onder ogen, dus misten wij elke referentie naar alternatieven- werd door mij al vrij vroeg verafschuwd. Niet om zijn filosofische, of noem het spirituele, dualistische insteek, maar omdat de inhoud van de leergang zo onbeschaamd indoctrinerend was. Al vanaf de tweede klas weigerde ik daar in te trappen. Ik heb de boeken niet meer. In een grimmige bui van mij zijn ze bij het oud papier beland, dus ik kan er nu niet meer uit citeren. Maar mijn herinnering is nog vrij levend. Zolang het over de Babyloniërs of Farao’s ging, kon ik geen weerwoord bieden, maar vanaf het heidense Romeinse Rijk ging bij Fontaine de deksel van de beerput. Katholicisme en anti-communisme waren de peilers die in elk volgend deel in beton waren gegoten.

Nu trof het dat ik op een Jezuïetenschool zat (dus toch weer die Jezuïeten, Huub) die onder meer erop hamerden dat je je gelijk moest halen uit eigen bevindingen, eigen analyse en goed geformuleerde conclusies. Zo liet pater Dionysius (Nies) van Lier S.J. mij in IV-Gym een werkstuk schrijven over Kerk, Communisme en Wereldvrede, waarin ik mijn standpunten voor of tegen scherp op papier moest zien te krijgen. Het vervelende (voor Fontaine) was dat ik het communisme hoger aansloeg dan de Kerk. De door hem aangedragen schrijfsels van pater Werenfried van Straten over de “pletrol van het communisme” die weldra “Europa zou vermorzelen” beschouwde ik als drogredenen en een bewijs van onmacht en Koude-oorlogsretoriek.
Een jaar later schreef ik bij Nederlands, voor pater Merx (hé, alweer een Jezuïet) een opstel onder de titel “verwachting”. Zonder hoofdletters en in de voor die tijd gebruikelijke spelling -dat mocht van Merx-, waarin ik konsekwent het woord god had vervangen door goed. Links boven stond, zoals bij al onze schriftelijke producties “A.M.D.G.” met daaronder de datum, i.c. 24.3.1965. Rechts boven mijn naam en de klas. Enkele citaten: “Op school leert de mens de tegenpolen kennen van vrede en welvaart”; en over de mens die eindelijk van school af is en dan voor twee jaar met een geweer het veld wordt ingestuurd: “hij sukkelt maar door tot zijn dood, het summum van rust, misschien wel het summum van vrede. Maar is dat de zin van het leven?”; en, over het merendeel van de bevolking: “moeten zij zich maar troosten met de verwachting van het komende rijk?”. Ik kreeg een 8 voor dit opstel, vanwege twee vermeende stijlfouten, hetgeen ik vermag te betwisten.
Maar hoe het gebeurde, weet ik niet, dit opstel kwam Fontaine ter oge en de rapen waren gaar. Subiet werd ik ontboden te zijnen huize. Ergens in Nieuw-West, ik fiets er nu niet meer blindelings naar toe. En ik moest zowat regel voor regel uitleggen wat ik er mee bedoelde en waar ik dat allemaal vandaan had gehaald. En als klap op de vuurpijl kwam de slotvraag of ik eigenlijk überhaupt nog wel in God geloofde. “Ja, maar ik geloof op mijn manier”, gaf ik toen als dubbelzinnig antwoord.
Gelukkig was geschiedenis geen eindexamenvak en het opstel is me bij Nederlands op mijn eindexamen nog goed van pas gekomen; even doorscrollen tot de letter M van Merx.
Knappe man, die Fontaine, maar mij een beetje te eenkennig.

Pater Jan HIRS S.J. (Zandvoort 1913), uitgetreden 1977
Ik herinner mij hem als een degelijke, serieuze godsdienstleraar (mijn eerste eerste klas), waar niet mee te sollen viel, maar die altijd vriendelijk en soms zelfs humoristisch overkwam. Wel een beetje van bovenaf. Een aantal malen is hij bij ons thuis geweest om samen met Jan van Kilsdonk als partner te bridgen met mijn ouders, iets wat na mijn zittenblijven wel zal zijn bekoeld, schat ik zo.
Dat ik hem hier in beeld breng, heeft echter te maken met een detail dat verre van onbenullig bleek te zijn; het trof mij als een bliksemschicht in mijn vroegrijpe kijk op lichamelijkheid. Ik herinner mij nog goed die les waarin hij aandacht besteedde aan het verschil dat er bestaat tussen de religieuze en de historische waarde van de bijbel. Hij adstrueerde dat met voorbeelden als van het scheppingsverhaal, dat fysisch gezien natuurlijk nooit in zeven dagen kon zijn voltooid, maar de getallensymboliek en Gods almacht mochten het desondanks wel zo verwoorden. Had hij het daar nou maar bij gelaten, maar hij kwam nog met een ander voorbeeld: alle ons bekende bestaande afbeeldingen van Christus aan het kruis ten spijt beweerde hij dat het historisch gezien waarschijnlijk was dat de Zoon van God spiernaakt aan het kruis had gehangen. Op dat moment gingen bij mij alle zwaailichten op 78 toeren tollen. Net in een periode waarin mijn adrenaline, tegen alle geschreven en ongeschreven verboden in, zich onbeheersbaar en hardvochtig en met toenemend repeterend succes een weg poogde te banen naar mijn voor-uitgang, kreeg ik opeens, nota bene tijdens godsdienstles, het beeld voorgeschoteld dat mijn voorgeschreven R.K.-Idool, weerloos en wijdarms vastgenageld aan een houten kruis, in de Golgotha-etalage te bezichtigen zou zijn geweest in zijn blote piem.
Hirs had dat vast niet zo bedoeld. Hij had het overigens ook niet zelf bedacht, heb ik pas veel later ontdekt toen er eenmaal internet en Google bestonden, want hij stond op de schouders van bijvoorbeeld ene Michelangelo die dat in 1493 ook al had laten aanschouwen. En voor hem ook al Donatello (1460) en Michelozzo (1440) om er maar een paar te noemen. Maar Hirs wist dat, en had dat, zonder plaatjes, speciaal voor ons gegoogled. En het verhaal kunnen we dan ook nog wel even rondmaken: nu pas enkele jaren geleden liet beeldhouwer Marcel Joosen een aantal kleine, heel erg blote Christusjes in brons gieten, waarvan er prompt enkele werden verkocht aan… een pater Jezuïet die ze als relatiegeschenk aan vrienden wilde geven.

Bij mij braken tijdens die godsdienstles een aantal remleidingen. Gedekt, nee, liever geruggesteund door een serieuze pater, besefte ik dat zelfs de Groten der Aarde Naakten zijn. En wij die Hen moeten volgen, wat zouden wij meer of minder zijn dan zulk een ontwapenend, onbedekt vel? Ik betrok dat in een flits op mezelf. Telkens als ik thuis weer alles moest uittrekken om helemaal bloot een pak slaag in ontvangst te mogen nemen, of als ik in identiek costuum bad zat, of in bed lag, dan wist ik: zo zag X-tus er dus normaal gesproken ook uit. Wat mooi. Wat geweldig. Ik werd er bijna vroom van. En vanaf dat moment was ik van mening dat ieder mens recht heeft op zijn eigen naaktheid, waarbij ik meer dan eens in botsing kwam met het besef dat die dan wel het voorwerp diende te zijn van je ultieme zeggenschap.
Niet dat ik er beter van ben geworden; de maatschappij hanteert kennelijk andere normen, enkele excentrieke kunstenaars daargelaten. Het werd voor mij dus een lang gevecht tussen natuurlijke vrijheid, “normaal fatsoen” en afgedwongen oneer. Met ook een wel verrassende wending, maar we zijn nog niet bij de letter Z aanbeland.

Misschien is uit dit alles ook wel te verklaren dat ik aan de films van Pasolini verslingerd ben geraakt. En aan De Sade. En aan de Heilige Sebastiaan. Met dank aan pater Hirs.

Pater Bernard HUIJBERS S.J. (Rotterdam 1922-Espeilhac 2003), uitgetreden 1974
De naam is in heel wat Sacramentsberichten van deze weblog al gevallen. Niet voor niets. Ik denk dat van alle mensen die ik in mijn IG-tijd ben gaan leren kennen hij degene is aan wie ik het meeste heb te danken, te beginnen met de stemtest toen ik voor het eerst door het groene poortje was geslopen, tot vlak voor zijn dood bij hem op bezoek in Espeilhac (aan de ene kant van het dorp staat een bordje Espeillac, aan de andere kant heet het Espeilhac). Het was een optelsom van feiten en ontwikkelingen. De muzieklessen (klas 1, 2 en 4) vond ik heerlijk en leverden mij ook constant negens en tienen op het rapport op. Dat Orff-instrumentarium was mij een zegen; in de tweede klas moesten wij daarop de Bolero van Ravel in Klavarskribo spelen, en ik kreeg zowaar de zo cruciale partij van de kleine trom toebedeeld. In de vierde ging het meer om muziektheorie en compositieleer, uiterst nuttig voor je begrip van klassieke muziek. En dan was er natuurlijk door al die jaren heen, en nog lang daarna, het koor, de ontsnapping naar het Huis van Bewaring, de dirigentencursus, waarover ik in het zesde Sacramentsbericht uitvoerig heb gesproken. Sinds zijn verterk naar Zuid-Frankrijk heb ik hem daar nog een aantal malen bezocht en altijd bleef die goede verstandhouding, bijna een vader-zoonrelatie, waarin ik met mijn leergierigheid veel van mijn muzikale behoeften bevredigd kon zien.
Lange tijd heb ik gedacht dat de wereld zou instorten, althans de volkstaalliturgie, als hij zou komen te overlijden. Maar gelukkig heeft hij voldoende gezaaid om tal van vruchten levend te laten doorwerken.
Neemt niet weg dat ik hem erg mis.

Pater Jan VAN KILSDONK S.J. (Zeeland 1917-Amsterdam 2008)
“Ik ben geboren in het dorpje Zeeland”, sprak hij vele malen met die kenmerkende, sonore stem.
Les heb ik nooit van hem gehad, maar ik was wel met hem verbonden al die tijd. Voor zeer vele Amsterdammers, voor het IG, voor de hele Jezuïetenorde was hij een monument dat nauwelijks verdere introductie behoeft. Onverslijtbaar, onvermoeibaar (lange tijd dacht ik ook: onsterfelijk) met een fabelachtig geheugen. Had je hem 20 jaar niet ontmoet of gesproken, dan nog wist hij feilloos zich de namen van mijn broer en zussen te noemen. Hij was er mede de aanstichter van, ik geloof samen met Huub Oosterhuis, dat mijn broer Piet na zijn eindexamen in 1959 en een paar maanden studie aan de UvA besloot in te treden in de orde, zulks zeer tegen de wens van mijn vader, die weinig heil zag in een vage, celibataire en quasi-intellectuele toekomst van zijn oudste zoon, maar daarentegen liever gewoon een stamhouder uit hem zag groeien. Dat ben ik dan uiteindelijk geworden, met hangen en wurgen.

In zeker jaar werd De Kils mijn biechtvader. Dat had je toen nog. Op zijn kamer in de Pieter de Hoochstraat, bezijden het IG, zaten we dan op twee lullige stoeltjes tegenover elkaar, hij om functionele redenen met een paarse stola om zijn nek, en ik mij suf piekerend wat ik nou weer moest verzinnen aan stouts. Als ik dan, na de suikerpot en door rood fietsen, bij de climax was beland en ruiterlijk bekende dat ik weer eens x-maal per dag aan mezelf zat, hield hij de ogen gesloten en lachte hij minzaam. Meer dan wat Weesgegroetjes had hij niet als reactie. Tot het hem op een dag de keel begon uit te hangen en hij mij ronduit vroeg of ik niks beters kon verzinnen. Met jezelf bezig zijn was immers heel gezond en nodig om je voor te bereiden op een gelukkig leven.
Sindsdien heb ik nooit meer gebiecht. Ik had wel wat beters te doen.

Dhr. Ben KORSTJENS (Haarlem 1927-Amsterdam 2014)
Klassicus met een aan lompigheid grenzende nonchalance. Het zou best wel eens kunnen dat hij goed les gaf. Hoe beoordeel je dat op die leeftijd? Maar wat blijft hangen is die ene les in II-Gym toen ik weer eens zat te kloten en hij me zonder enige gele kaart vooraf toeblafte: “3x bladzij 24 en 25 vanEllhmikh Glotta overschrijven voor volgende les”. Ik nog protesteren ook, want ik had niks misdaan, vond ik. “6x bladzij 24 en 25”, was zijn koele reactie. Gemummel in de klas, die het kennelijk ook wel wat grof vond. En toen ik zelfs het lef had om ook daartegen in beroep te gaan: “9x bladzij 24 en 25”. Ik heb dat die avond thuis opgelost met carbonpapier, waardoor ik het per saldo toch maar 3x hoefde uit te schrijven. En zoals te verwachten viel, gooide hij het werk ongelezen in de prullenbak nog voor ik het goed en wel had ingeleverd. Zo lomp was hij inderdaad. Mooi zo.
Later kwam ik hem weer eens tegen, toen ik anderhalf jaar als invaldocent wat uren Nederlands op het IG gaf. Nu dus als collega. Hij vroeg of hij mijn Gotisches Elementarbuch van H. Hempel een tijdje mocht lenen. Ik had kort tevoren op de UvA mijn verplicht bijvak Gotisch net afgerond, dus dat was geen probleem. Tot op de dag van vandaag heb ik het boek nimmer teruggezien. Daarmee is hij voor mij echt door het ijs gezakt. En ditmaal definitief.

Pater Louis LORIÉ S.J. (Den Haag 1916-Groesbeek 1997)
Het boek ’n Eeuw IG leunt nogal sterk op deze klassicus die zo lang aan het IG was verbonden. Het begint al meteen op blz. 7 en siepelt door alle hoofdstukken heen tot hij achteraan op blz. 143 wordt bedankt. Misschien was hij een der Mohikanen die nog niet dood was, over een nog zeer geslepen geheugen beschikte en gaarne tot medewerking bereid was. Misschien ook liepen de auteurs van het boek erg met hem weg. Ik weet het niet.
De man is te waarderen om zijn eruditie en fabelachtige kennis van de klassieke wereld en de kerkgeschiedenis die hij met grote stelligheid en drang aan ons openbaarde, zij het onder Latijn of Grieks, zij het onder godsdienstlessen.
Maar bovenal is hij te herinneren als een man met een uitermate grote dosis onvoorspelbare humor, absurdistisch tot op het morbide af, die hij met zijn snerpende stem over ons heen stortte. Daar zou ik op zich ook nog wel waardering voor kunnen opbrengen, ware het niet dat telkenmale bleek dat hij anderen, bijna altijd dus leerlingen voor hem in de klas, tot mikpunt en slachtoffer van zijn eigen idioterieën maakte. Daardoor riep hij elke keer angsten op, nog voordat hij ook maar één woord had gesproken. Voor je het wist, ging jíj er immers aan deze les.
Mij overkwam dat in de vijfde, zoals ik in een ander Sacramentsbericht al uit de doeken heb gedaan. Noem mij maar rancuneus, maar weet dat ik in mijn hele IG-tijd niemand meer als deze man zo hartgrondig heb gehaat.

Pater Ad MERX S.J. (Nijmegen 1920-Nijmegen 2005)
Erudiet, innemend en sympathiek, ook al ken ik ook wel signalen dat hij minder positief werd beoordeeld: als te afstandelijk bijvoorbeeld. Dat speelde bij mij allerminst, misschien wel omdat hij Nederlands doceerde en dat nou net voor mij het vak bij uitstek was – al heel vroeg in mijn IG-tijd. De enige keer dat hij mij in negatieve zin heeft verbaasd, was tijdens een ontleedles in II-Gym toen ik hem vroeg hoe je eigenlijk de zin “Laat hem dat maar doen” redekundig moest ontleden. Hij dacht even na, en zei toen: “Ik weet het niet”. Ik zou over die zin wel een apart artikeltje kunnen schrijven, maar dat laat ik voorlopig maar even achterwege. In ieder geval ken ik intussen het antwoord.
Ik kwam hem weer tegen als docent Nederlands in V- en VI-Gym. Nog steeds werd hij voor mij gekermerkt door de gunstige eigenschappen waarmee ik dit hoofdstukje begon. Ik herinner me alleen geen voorbeelden meer om dat te staven. Het enige wat ik wel weet: op mijn eindexamen-cijferlijst prijken drie achten voor Nederlands. Ik schrijf die voor een deel aan hem toe, want een docent kan de prestaties van een leerling sterk beïnvloeden, twee kanten op. En dan nog iets: nadat ik in januari van mijn eindexamenjaar had besloten dat de KMA echt niks voor mij was, wist ik één ding zeker: als een man als Merx neerlandicus is, wil ik ook neerlandicus worden. En zo is het gekomen.

Bij het Schriftelijk Eindexamen der Gymnasia in 1966, vrijdag 29 april 13.30-16.00 uur Nederlands (Opstel) deed zich een saillant detail voor. Zoals gebruikelijk kregen we 8 titels voorgeschoteld. De nummers 2 t/m 8 daarvan met een vast omschreven titel, de eerste echter met de opdracht “Schrijf onder een zelfgekozen titel een beschouwing naar aanleiding van bovenstaand citaat”. En dat citaat was een gedeelte uit de Troonrede van koningin Juliana, september 1965, beginnend met: “Wij moeten vaststellen dat vele landen steeds verder in welvaart bij ons achterblijven…”. Weliswaar was ik al sinds enige jaren overtuigd republikein, maar ditmaal zag ik mijn kans schoon om het inkoppertje van die dame uit Soestdijk met een flitsgoal te verzilveren. Mede dankzij de voorbereiding op mijn verdediging van mijn vijfdeklasopstel in huize Fontaine kende ik de tekst van dat opstel nog steeds compleet uit mijn hoofd. Het sloot naadloos aan op gemeld citaat. Ik schreef dus, eerst in klad, toen in net, hetzelfde verhaal neer als een jaar tevoren, de twee vermeende stijlfouten inkluis. En Merx zou geen Jezuïet zijn als hij me niet consequent weer met een 8 beloonde.
Als eerste van de klas stond ik weer op straat.

Pater Kees MINDEROP S.J. (Rotterdam 1888-Nijmegen 1970)
Een man van imposante statuur, nog uit de vorige eeuw en niet weg te denken van het IG. Tijdens de wiskundeles stond hij vaak aan de zijkant van de klas, tegen het raam of de verwarming geleund, nagelbijtend van ergernis te staren naar wat wij, na lange aarzeling, allemaal aan onzin op het bord krijtten. Niet zelden vloog er dan een bordenwisser door de klas, want hij kon het niet langer aanzien.
Befaamd was ook zijn plastische uitleg over het begrip “congruente driehoeken”, de befaamde propositie IV van Euclides. Je tekende een driehoek, zei hij, en schreef dan op een papiertje de lengte van twee zijden ervan en de grootte van de ingesloten hoek. Dan stencilde je dat papiertje duizenden malen, stapte in een vliegtuig en strooide die papiertjes boven Afrika uit. Alle negertjes die zo’n papiertje vonden, haalden dan hun passertjes uit hun zwembroekjes en tekenden daarmee precies dezelfde driehoek als die van jou. Wij waren volstrekt overtuigd van zijn gelijk door deze mondiale evidentie.
Als eersteklasser zie je dat natuurlijk niet, maar ik denk dat we heel veel van hem hebben geleerd.
Vooral door hun toga’s waren alle paters voor ons minstens 70 jaar oud, maar in zijn geval was dat nog waar ook.

Dhr. A. PELS
Uit Alkmaar. Zoiets onthoud je. Gaf tot en met mijn eindexamen uitstekend wiskundeles. Elders heb ik eens gelezen dat hij zelfs bereid en in staat was zijn vak met oeverloos geduld aan alfa’s uit te leggen. Ik heb dat als ß niet kunnen nagaan. Wat ik met hem deelde, was zijn grote passie voor het spoorwezen. Ik had de indruk dat hij het hele NS-spoorboekje uit z’n hoofd kende en hij genoot zichtbaar als hij ons uitgebreid kon toelichten hoe de NS-dienstregeling wiskundig verantwoord werd ontworpen.
Op mijn mondeling eindexamen stereometrie had hij mij helaas tuk. Het was mijn beste wiskunde-onderdeel waarvoor ik over het hele zesde jaar op een dikke 8 gemiddeld stond. Hij meende mij dus wel iets pittigs te kunnen voorleggen, wetende dat ook vliegtuigen tot mijn grote hobby’s behoorde. Je vliegt van Amsterdam naar New York. Hoe teken je op een aardbol de kortste route?
Ik wist het niet. Ik wist alleen dat de KLM van Amsterdam naar Tokyo vloog over de Noordpool, dus om tijd te winnen begon ik te zeggen dat je natuurlijk niet op een platte, tweedimensionale wereldkaart een rechte lijn van A’dam naar NY moest trekken. Mijn 8 stond nog overeind. Maar het juiste antwoord moest ik hem helaas schuldig blijven. Hij heeft mij toen, ook weer heel geduldig en misschien ook wel om tijd te rekken, uitgelegd dat er door drie punten één en niet meer dan één vlak gaat. En dat het dus logisch was dat je Amsterdam, New York en het middelpunt der aarde als drie punten moest beschouwen waardoorheen je virtueel een vlak projecteerde. De snijlijn van dat vlak met de aardbol was dan de kortste te vliegen route. Ik snapte het meteen helemaal en ik vond mezelf vreselijk stom dat ik dat niet zelf had weten te bedenken. Met een nederige 7 moest ik het toen voor de rest van mijn leven maar doen.

Dhr. Carel REIJNDERS
Alles en iedereen bij elkaar genomen meen ik te mogen stellen dat hij de meest vooruitstrevende docent was die ik in al die jaren heb gehad. Met een vanzelfsprekende, bijna ontwapenende allure koppelde hij de droge geografiestof aan bij de tijd passende opvattingen over natuur en milieu. Dat deed hij thuis, aan de Cornelis Krusemanstraat, ook, getuige de carrière van zijn zoon Lucas.
Dat wij daarop maar matig waren voorbereid blijkt uit zo’n op zich onbelangrijk moment waarop hij uitlegde dat je steentjes in je fietsband maar beter met een mesje eruit kon peuteren om erger te voorkomen. Wij, in onze meer destructieve leeftijd bivakkerend, konden met messen alleen maar fietsbanden lek prikken.
Ik doe hem dan waarschijnlijk ook alleen maar oneer aan door me een voorval te herinneren dat zich zo sterk in mijn geheugen heeft vastgezet:
Reijnders was niet alleen groot van stuk, maar beschikte ook over een bovenmodaal grote neus. Wij zaten in III-Gym, en Jaap en ik zaten meestal naast elkaar helemaal achterin de klas bij het raam. Dat was voor Jaap didactisch gezien niet zo best, want hij kon onmogelijk over al die hoofden voor hem heen kijken en bovendien kon hij van die afstand volgens mij ook niks lezen van wat er op het bord stond, maar de gezelligheid vergoedde veel. Op dien fatalen dag kwam Reijnders de klas binnen met aan zijn neus een pulkje hangend. Een kodok, noemden wij dat thuis, refererend aan het Maleise woord kodok (=kikker). Zo slechtziend was Jaap nou ook weer niet, of hij merkte het op en stootte mij aan. Wij schoten in een volstrekt zinloze, maar niettemin onbedaarlijke lachbui. Toen die niet na vijf seconden over was, vroeg Reijnders ons wat er aan de hand was. Tja, wat moet je dan. Jaap, klein van stuk, edoch reeds goed voorbereid op zijn aanstaande carrière, kon zich met de hem toebedeelde atletische vermogens moeiteloos onder de schoolbanken laten wegglijden, de verdere afhandeling dezer precaire quæstie aan zijn eerste secretaris overlatend. Onopgemerkt kon hij daar zijn proestbui voortzetten. Het was aan mij om tot niets anders te komen dan een ontwijkend “niets; zo maar”. Reijnders echter was behalve vooruitstrevend ook opvallend recht door zee en gesteld op eerlijkheid. Hij stuurde mij de klas uit.
Ik zag het niet zitten om naar de prefect te gaan, zoals voorgeschreven. Wat moest ik dan? Over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en dan stamelend “Tuan besar hidung kodok” opbiechten? Ik ging dus door het groene poortje naar buiten, naar de sigarenboer op de hoek van de Pieter de Hoochstraat en de Ruysdaelstraat, die, slimmerik, sigaretten per stuk verkocht voor 1 cent (of misschien was het toen al 5 cent).
De volgende aardrijkskundeles begon opwindend. Reijnders vroeg mij koeltjes of ik er al achter was gekomen waarom het vorige les zo lollig was. Ik was me van het hele voorval helaas niet meer bewust. Ik kon opnieuw inrukken. De jurist in mij zei dat ik ditmaal niet de klas was uitgestuurd, maar dat mij slechts de toegang tot het klaslokaal was ontzegd, dus hoefde ik niet naar de prefect. Maar toen de komedie zich de daarop volgende les wederom voordeed, en ik er dus weer uit moest, vond ik het welletjes, tevens onhoudbaar. Ik liep over de cour, de trappen van het bordes op, patershuis in, eerste deur rechts en vertelde pater Bruseker onomwonden wat de aanleiding en het gevolg van de situatie was. Zijn reactie was ongeveer dezelfde lachbui als die van Jaap en mij. Hij loste de situatie op zijn geheel eigen wijze op. Ik kreeg een strafbriefje, voor de pura pura, en hij zou er in de docentenkamer dan wel voor zorgen dat het conflict de wereld uit werd geholpen, om te beginnen bij Reijnders.
Nooit meer iets over gehoord verder. 

Dhr. Wim SLIJPEN
De vleesgeworden kettingroker (zo leer je van iedereen weer iets anders); hij stak in de klas elke volgende sigaret aan de vorige aan. Chief Whip, meen ik. Of was het Golden Fiction? Stom dat ik dat niet meer weet.
De compromisloze Carillonbespeler. Aan het eind van het eerste jaar kende je de helft of meer van Tervoorts gedichtenbundel uit je hoofd en moest je daaruit ook “voor punt” declameren voor de klas, iets waarin Huub Mous aanmerkelijk beter was dan ik, al laat hij zelf in zijn weblog de eer liever aan Martine Bijl. Ik meen dat Slijpen “De achttien doden” van Jan Campert voor iedereen verplicht stelde; verder mocht je je eigen keuzes maken. Dit feit heeft overigens niks te maken met het feit dat ik hier 18 docenten bespreek.
Groot liefhebber van Velogram, welke ontleedmethode ik bij het schrijven van mijn proefschrift (1997-2003) nog eens grondig tegen het licht heb gehouden en waarvan ik heb geconstateerd dat die een lust voor docenten was vanwege het nakijkgemak, maar voor leerlingen nogal tweeslachtig: de goede leerling leerde er scherp analytisch door denken en ontleden, de wat zwakkere leerling was de klos, want er werd totaal niets uitgelegd wat zijn positie ook maar iets kon verbeteren.
Oprichter en eerste directeur van het Contardo Ferrinicollege in Amsterdam, een avondschool als een soort tweede-kansonderwijs voor mensen die het regulier niet hadden gered, om wat voor reden ook. Dat konden mensen zijn die door de oorlog niet aan hun eindexamen waren toegekomen (zoals ik er later bij de C-cursus in Eindhoven en de MO-opleidingen van de Hogeschool Arnhem-Nijmegen ook talrijke heb gehad: ofwel vroegtijdig afgebroken door de oorlog, zodat ik wel eens heb meegemaakt dat ik als docent de jongste van de klas was, ofwel vrouwen die kinderen hadden gekregen en dus moesten stoppen met hun opleiding. Eens de kinderen de deur uit, pakten ze hun studie weer op).

Nu we het toch over de oorlog hebben: bijna geen enkele docent op het IG liet daarover ook maar iets los. En ze wisten zo veel. Jammer. Maar zo niet Wim Slijpen. Meer dan eens per jaar, namelijk iedere keer als hij had geconstateerd dat een leerling zijn brood niet opat, maar in de prullenbak deponeerde, vertelde hij roodaangelopen en met trillende stem hoe hij had gezien dat in de oorlogswinter een meneer, een echt heel nette mijnheer in colbert en stropdas, over straat liep, dan een lepel uit zijn binnenzak haalde, en daarmee in vuilnisbakken ging schrapen om er nog iets eetbaars uit te halen. Je schaamde je kapot als je net van thuis weer veel te veel brood had meegekregen met iets erop wat niet lekker was.
Nu nog steeds heb ik moeite met het weggooien van etensresten. Zal ook wel iets met Jappenkampen te maken hebben.

Dhr. L. SWEERTS (Haarlem 1896-Amsterdam 1980)
Naast het feit dat hij, als zovele andere docenten, een uitstekend vakman was, was hij in mijn ogen ook degene met het grootste didactisch vermogen. Altijd met dat aanwijsstokje in de hand wist hij iedereen van de eerste tot de laatste minuut prikkelend te boeien met natuurkundige theorieën (prakticumlokalen voor natuurkunde waren er nog niet – of niet door hem gebruikt), waarvan ik eerlijk moet bekennen dat ze me wat vaag bleven totdat ik later ging ontdekken dat je op de fiets zittend het hele natuurkundeboek aan het berijden bent: versnelling en vertraging, snelheid, gyroscopische werking, koppel, arbeid, vermogen, dynamo, warmte, wrijving, alles zit er in en op en aan een fiets.
Was er een stoel onbezet vanwege een zieke leerling, dan kwam hij quasi verbaasd daar naartoe lopen, tikte met het stokje op het tafeltje en vroeg ons bezorgd en tragi-komisch: “Sede vacante?”. Soms ook, als het over energie, arbeid en warmte ging, begon hij opeens te zingen: “Energie gaat NOOIT verloren!”. Indringend poogde hij ons ervan te overtuigen dat er helemaal geen middelpuntsvliedende kracht bestaat, maar dat alleen de wet van de traagheid functioneert. Louter het feit dat hij het zei, deed ons geloven dat het ook zo was. Werkelijk een topdocent.

Pater Karel VERHOFSTAD S.J. (Amsterdam 1905-Amsterdam 1982)
Meestal actief in HBS-gelederen, maar net in mijn eerste eerste jaar conrector van het Gym en mijn leraar geschiedenis.
Over hem deden verhalen de ronde dat hij het in de oorlog niet bepaald prettig had gehad. Iets met geïnterneerd of kamp. Maar net als zowat iedereen van het docentencorps liet hij daar geen woord over los. Alleen van Wijdeveld had ik dat kunnen begrijpen, achteraf.
Van meet af aan was hij niet bepaald mijn type, te grof, te ruw, onbenaderbaar. Bovendien tracteerde hij me aan het eind van het jaar op een 4 voor geschiedenis, waardoor ik bleef zitten. In de periode daarvoor heeft hij me nooit ertoe bewogen wat meer uit te voeren, noch heeft hij daarover met mijn ouders gesproken, hetgeen hem in huize Lomanstraat uitermate kwalijk is genomen. Omdat ik nog steeds het gevoel heb dat ik toen door hem mateloos ben genaaid, staat hij bijna onderaan mijn ladder van sympathie. Laat ik het daar maar bij laten.

Dhr. Gerard WIJDEVELD (Duiven 1905-Nijmegen 1997)
Tja. Met de kennis van nu…
Een wijs, gezaghebbend en sympathiek man, sterk als klassicus en vertaler van vooral Augustinus, maar ook enorm goed in de persoonlijke communicatie. Strikt in de leer, scherp in de humor. Als je, zoals zo vaak bij een vraag, zei: “Ik zou het niet weten”, verbeterde hij zelfs dát nog: “Je bedoelt: Ik weet het niet?”
En het getuigt toch ook wel van doceerkracht als je elk jaar opnieuw met aan geestdrift grenzende verve de eerste regels van de Odyssee voordraagt.
Ook hij dus zweeg over de oorlog, en dat was maar goed ook. Eigenlijk verbaast het me dat hij op het IG werd aangenomen, maar ik ken de bijbehorende beweegredenen niet, dan hooguit dat dat met Augustinus te maken had.
Misschien is dit wel even het moment om op te merken dat er in alle lagen van de Amsterdamse samenleving, het IG niet uitgezonderd, vaak behoorlijk werd geworsteld met de vraag hoe je met mensen moest omgaan die fout waren geweest, of waarvan dat althans werd beweerd. De tijd van de volkswoede en wraakacties was dan wel voorbij, maar in hoeverre kregen deze mensen de gelegenheid en ruimte het leven weer enigermate leefbaar in te richten? Typerend was het ook dat we in de jaren dat ik als docent aan het IG verbonden was, en we zowat een generatie verder waren wat de leerlingen betreft, de vervolgvraag in discussie kregen: hoe ga je in de klas om met leerlingen waarvan de ouders fout waren. Ik had er zo een in de klas, vandaar. De communis opinio op het IG was dat je kinderen nooit mag nadragen wat je hun ouders te verwijten hebt. Maar voor je het weet, ga je dan positief discrimineren of juist net de verkeerde grapjes maken. Er zat best wel wat spanning op deze kwestie.

Ik heb Wijdeveld in ieder geval nooit iets verweten, maar hem, in tegendeel, steeds erg gewaardeerd.

Pater Gerard ZAAT S.J. (Den Haag 1921-Den Haag 1999)
What’s in a name. Of, om in zijn stijl te blijven: Nomen est omen.
Zo af en toe rook je in de gangen sigarenlucht en daar bleek dan Pater Zaat aan vast te zitten met zijn typerende, huppelende tred alsof hij op Nike Air liep (Jaap dHS vond dat altijd geweldig karakteristiek en imiteerde het ook graag).
Hoewel in principe altijd vriendelijk, op het minzame af, straalde hij in de klas in hoofdzaak gezag uit. Mocht ook wel voor iemand die klassieken gaf op het Gym, vaak klassepater was, op een gegeven moment ook zelfs rector van het Gym en/of van het patershuis. Ik heb zijn hele cv niet precies meer voor de geest.
Net als bij Verhofstad gingen er ook over Zaat wel wat verhalen rond; over vroeger bij hem thuis en heksen en kelders, maar het bleef voor mij bij dat soort ongeordende rumor.
Als bijbaantje was hij ook zo’n beetje de interne hoffotograaf van het IG. Als er maar iets collectiefs buitenschools plaatsvond schoot hij vele rolletjes vol, waarvan je dan later wel of niet nog iets te zien kreeg. In ieder geval staan er in n Eeuw IG wel een paar foto’s die tot zijn œuvre behoren. Op het IG genomen, binnen of op de cour, op de VIC-velden bij wat voor toernooi dan ook, alles werd minutieus op de gevoelige plaat vastgelegd. En hoe korter de witte of zwarte broekjes, hoe kleurrijker de foto’s. We zien op blz. 52 van genoemd boek een klein fotootje met bijschrift “Pater Vlugt schrobt een zwarte Piet schoon 1955-60”. Ik ken de auteur, want ik speelde zelf ook jaren lang voor Piet. Nog los van het feit dat het arme gefotografeerde jong, inmiddels gelukkig wel bijna helemaal blank op zijn gezicht na, daar blijkbaar 5 jaar in dat bad heeft moeten zitten (hoeveel foto’s heeft dat opgeleverd?), is op de foto ook het zwembroekje te zien dat tot de zwartepietenoutfit behoorde. Je kreeg namelijk een zwartepietenpak incl. zwembroek om te voorkomen dat moeders later kwam te zitten met een hele trommel vol zwartdoorlopen wasgoed. Wij vonden het allemaal prima. Ik heb nooit, maar dan ook nooit ook maar iemand een opmerking horen maken over het feit dat al dat gepoets en gebadder telkens weer werd vereeuwigd.

Ik zou deze Sinterklaasactie misschien helemaal niet hebben gememoreerd als zich niet jaren later een pikant vervolg had voorgedaan. Op zekeren dag… (daar ga ik al: ik weet de datum niet meer, niet eens precies het jaar, dus juridisch kan het de prullenbak in). Op zekeren dag vroeg deze fotograaf mij of ik na afloop van de lessen even op zijn kamer wilde komen. Voor mij was dat niets vreemds; ik kwam zeer frequent bij deze of gene pater op de kamer vanwege mijn uitbundige buitenschoolse betrokkenheden.
Na een hoop koetjes en kalfjes en meer van dat gedrentel kwam de prangende vraag of ik misschien (maar het hoefde niet als ik niet wilde) voor zijn camera wilde poseren. Ik had geen benul welke kant hij op wilde, enerzijds misschien door argeloosheid, anderzijds omdat ik me vrij genoeg voelde om ja of nee te zeggen. Per slot van rekening was ik al 18 of daaromtrent – geen klein kind meer dat zich makkelijk laat in- of uitpakken. De eerste fotosessie vond geheel gekleed plaats, op zijn kamer. En of ik nog eens terug wilde komen. En of ik er dan misschien bezwaar tegen zou hebben om ook in zwembroek te poseren. Ik zei hem dat dat in orde was en dat ik thuis wel een tweetal geschikte exemplaren had liggen, maar dat hoefde niet, want die had hij zelf ook wel genoeg op voorraad.
De volgende keer vroeg ik allereerst of ik de vorige reeks foto’s mocht zien. Het bleken kleurendia’s te zijn, die hij zonder aarzeling ook voor mij projecteerde. Ik was niet ontevreden, maar was er ook niet ondersteboven van, noch van de kwaliteit, noch van de mate waarin het mijn al dan niet latente narcisme wist te prikkelen.
Van onder zijn bed haalde hij een grote bananendoos tevoorschijn waarin zich allerhande aquatisch textiel bevond. Het waren de zwartepietenbroekjes. Hij zocht een geschikt exemplaar uit en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het, trok daarna de rest van mijn kleren uit en liet me in alle gewenste standen fotograferen. Maar, om met zijn woorden te spreken, variatio delectat, en dus vroeg hij mij een aantal keren van zwembroekje te wisselen. Niks op tegen, op zich, maar alleen stond je dan enige seconden met zonder niks aan. Daarvan maakte hij geen foto’s, maar hij hield wel nauwlettend in de gaten of ik wel het goede broekje pakte en of het wel paste. De volle glorie is hem dus meermaals bepaald niet ontgaan. Ik herinner me daarbij één voorval in het bijzonder: hij had uit de doos een echt heel mooi, sensueel, spierwit zwembroekje gepakt en vroeg me dat aan te trekken. Ik deed het vorige uit en stapte in het gewenste broekje, maar dat bleek toch meer een maat voor 12-jarigen te zijn. Wat ik ook sjorde, ik kreeg het zijdeachtige ding maar net tot boven de knieën getrokken. Ik voelde me bijna schuldig, en zei: “Kijk, ik denk dat dit veel te klein is. Hij bestudeerde de situatie zorgvuldig, zag dat broekje daar klem zitten en ongetwijfeld ook vlak daarboven wat er allemaal hulpeloos hing te bungelen. Zijn conclusie was, dat ik maar een ander broekje moest proberen.
Sessies van dit soort hebben zich een paar maal herhaald, in totaal zo’n drie tot vijf keer, ik weet het niet meer, maar het doet ook niet ter zake. De laatste ontwikkeling in het proces was dat hij mij vroeg of ik misschien namen kon noemen van andere jongens op school waarvan ik het vermoeden zou hebben dat ze dit misschien ook wel wilden doen voor hem. Handig maakte hij daarbij dus gebruik van mijn wijdvertakte vriendenkring op school. Ik zei hem dat ik geen geschikte kandidaten kende. Deels was dat ook waar, maar vooral was het zo dat ik er geen zin in had anderen erin te betrekken, niet thuis, niet op school, al was het maar omdat dan zou blijken dat ik me met dat soort praktijken inliet, en ik ook wel op mijn klompen aanvoelde dat er grenzen werden overschreden. Daarom zei ik hem dat ik alleen een aantal namen kon noemen (en dat deed ik ook) van jongens van wie ik zeer zeker wist dat hij het ze juist NIET moest vragen. Daarmee was de kous verder af. Nooit heeft hij mij gevraagd om zonder zwembroekje te poseren. Ik heb het hem ook niet aangeboden. En nooit is hij in zijn activiteiten verder gegaan dan wat hierboven staat.
Of zijn latere overplaatsing van het IG naar Nijmegen enig verband houdt met eventueel uitgelekte praktijken, is mij niet bekend; Jezuïeten werden met regelmaat overgeplaatst zonder dat er van een disciplinaire maatregel sprake was.

Pater Zaat is dood, en naar de foto’s, die ik de laatste tijd heel erg graag terug zou willen hebben, kan ik gevoeglijk fluiten. De Orde heeft verklaard in geen enkel archief in Nijmegen of Amsterdam er nog iets van terug te hebben kunnen vinden, en aan de familie zijn ze na zijn dood ook stellig niet overgedragen. Ik kan dat allemaal natuurlijk niet controleren, maar ik moet het er maar mee doen.
Voor de rest verwijs ik naar wat ik hieromtrent heb vermeld in het hoofdstukje Heilige, veilige haven hierboven.

Ik sluit hiermee mijn IG-tijd af. Maar niet in mijn hoofd. Dat mag ook niet:

En komt het grote leven
-het blijft een avontuur-
met ingespannen streven,
met plichten zwaar en duur,
dan willen wij met ere
de levensstrijd doorstaan
voor land en volk ons weren
als oud-Ignatiaan.

 

 

1-0; elend und heimweh

AFL. 3 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; aangepast 2015)

__________________________________________________________________________________
Nederland had de DDR nog niet eens erkend; dat gebeurde pas begin 1973. Maar het UEFA-lot had begin 1970 toch twee Nederlandse clubs gekoppeld aan teams uit dat niet bestaande land. De ene moest het opnemen tegen Carl Zeiss Jena, voor Feijenoord kwam FC Vorwärts Berlin uit de koker. In beide gevallen betrof het een uitwedstrijd op 4 maart 1970 en de return in Nederland 14 dagen later.

Kennissen van mij in Berlijn hadden vier kaartjes voor het Walter-Ulbricht-Stadion klaarliggen, eretribune nog wel, en ondanks de slechte weersvooruitzichten polste ik wat mensen om samen naar het oostfront te rijden. Uiteindelijk besloten er twee om mee te gaan, zodat we op 3 maart met z’n drieën in een gehuurde Kever op weg gingen. Al op de West-Duitse snelwegen bleek het een barre tocht te gaan worden: veel sneeuw en maar één rijstrook beschikbaar. Dat schoot niet echt op en even overwogen we de hele trip maar te skippen en terug te rijden, maar de verlokkingen van het avontuur (we waren nog nooit in de DDR geweest) wonnen het van de angst voor ongelukken.

(Foto: Huub probeert de bevroren kofferklep van de Kever te openen om een voetbal te pakken, opdat we even de spieren konden lostrappen op de West-Duitse Parkplatz; “bitte sauber halten”)

Destijds was de situatie zo: na de oorlog was Duitsland in vieren geknipt, Amerika, Engeland, Frankrijk en de Sovjet-Unie bezetten elk één deel, maar de meest oostelijke zone, de Russische, had zich tot een onafhankelijk land verklaard: de DDR. Omdat heel Berlijn binnen het grondgebied van de DDR lag, was ook die stad in vieren geknipt door dezelfde bezettingsmachten, met Oost-Berlijn als hoofdstad van de DDR en West-Berlijn als lastig Westers eiland in een vreemde, niet-erkende staat. Om daar te kunnen komen, was afgesproken dat er drie corridors tussen West-Duitsland en West-Berlijn liepen waarlangs in principe vrijelijk heen en weer kon worden gereisd. Daarvoor had je dan een Transitvisum nodig, plus een verblijfsvisum voor elke dag dat je in Oost-Berlijn, dus de DDR wilde verblijven. Dat was allemaal aan de grens te regelen, als je maar betaalde.
Alle prijzen stonden vermeld in DDR-Marken, maar je moest afrekenen in Westmarken tegen de woekerkoers van 1:1. Op straat in de DDR kreeg je wel 5 tot 7 Oostmark voor een Westmark, ook al was dat zwart wisselen natuurlijk streng verboden. Ik had intussen wel wat ervaringen met Oostbloklanden, maar voor mijn gevoel was de DDR toch anders. Was het in wat liberalere landen als Tsjechoslowakije en Hongarije zo dat alles mocht, tenzij het was verboden, van de DDR had ik eerder de indruk dat alles was verboden, tenzij het was toegestaan. Het bleven toch Duitsers.

Bij Marienborn/Helmstedt, aan de zonegrens tussen West en Oost, beleefden we echter de eerste positieve verrassing. Omdat het gedoe met die visa en paspoortcontrole zoals gebruikelijk lang duurde -als je er binnen een uur door was, had je geluk- stonden er rijen auto’s te wachten, ditmaal opvallend veel Nederlandse. En omdat alles en iedereen door elkaar heen liep, was ook goed te zien dat het allemaal rood-witte supporters waren in opperbeste stemming. Nu hadden wij van de Westerse propaganda geleerd dat de zonegrens werd bewaakt door Vopo’s (VOlksPOlizei) die op alles schoten wat bewoog. En inderdaad, bij de grenspost was het lange prikkeldraad van het IJzeren Gordijn, dat liep van Finland tot Griekenland, heel beperkt onderbroken en waren er slagbomen en andere wegversperringen met opzij ervan een hoge wachttoren waar bovenop een groot aantal Vopo’s op de uitkijk stonden. Wat die ook gewend waren, dit supportersgehos toch zeker niet, en in plaats van gewoon te gaan schieten, begonnen ze enthousiast naar ons te zwaaien, niet beseffend dat ze naar twee groepen tegelijk zwaaiden die onder normale omstandigheden elkaars bloed wel kunnen drinken. Maar ja, allebei rood en wit; wisten zij veel. Wij zwaaiden goedgemutst terug.

Eenmaal door de controlepost heen, sloeg de ene helft van de file rechtsaf, naar het zuiden richting Jena; de harde kern reed gewoon rechtdoor naar Berlijn, over een snelweg waarvan ook maar één rijstrook was geveegd. Het wegdek bestond overigens niet uit beton of asfalt, maar uit bakstenen klinkers en er gold over het hele traject van bijna 200 kilometer een maximumsnelheid van 60 km/u. Nou bepalen Nederlanders in principe zelf wel hoe hard ze rijden, dus de hele karavaan tufte met 80 ongeveer oostwaarts. Sporadisch was er een parkeerplaats langs de weg, waar je vervolgens helemaal niks kon krijgen, ook al was je in Oostbloklanden verplicht voor elke dag dat je visum geldig was een vast bedrag aan zo broodnodige harde westerse valuta om te wisselen voor het lokale geld. Ik meen in dit geval 25 Westmark per persoon per dag, waarvoor je dan 25 Oostmark kreeg die je met geen mogelijkheid kon opmaken, want ofwel er was niks te krijgen, ofwel de winkels waren dicht, ofwel de prijzen waren zo laag dat je niet van je geld afkwam.

Gelukkig liep dat bij een van de parkeerplaatsen anders. Ongetwijfeld gealarmeerd door de grenswachten dat er een horde wel erg vrolijke Nederlandse voetbalsupporters onderweg was naar Berlijn, hadden zich op die parkeerplaats enkele Vopo’s verdekt, maar vastberaden opgesteld met verrekijkers, en toen de colonne dichtbij genoeg was, sprongen ze de weg op en dirigeerden ons allemaal naar de afrit. Paspoortcontrole. Visumcontrole. Een vluchtige blik in de auto of daar niks verdachts in zat. En of we niet wisten dat je maar 60 mocht rijden. Spijtig genoeg kon niemand van ons Duits, dus het gesprek kwam niet echt los. Maar de voorbedrukte bonnen waren al uit de boekjes gescheurd: “Verwarnung mit Ordnungsgeld. 10 M”. Nou was 10 Oostmark op straat zo ongeveer € 1,00 waard, dus als ze niet ook nog de auto in beslag namen, kwamen we er heel schappelijk van af. Het bedrag moest contant worden afgerekend. Helaas kon dat alleen in Westerse valuta, zodat we, omgerekend, € 5,00 kwijt waren en met al dat Oostgeld bleven zitten. Hoe we het verder hebben klaargespeeld om nog voor donker in Berlijn te komen, weet ik niet meer, maar het is gelukt.

(Foto: Achter de muur: de Brandenburger Tor)

Daags daarop eerst de toerist uitgehangen in Oost-Berlijn, zoveel mogelijk knakworst met Brot&Pommes en koffie verorberend om van het geld af te komen en toen maar eens een keer naar het stadion. De wedstrijd begon al om 4 uur, want ze hadden destijds bij de bouw vergeten een lichtinstallatie aan te brengen. We waren ruim op tijd, wat goed uitkwam, want ik zat nog steeds met één kaartje teveel bij me en dat wilde ik graag op straat verpatsen. Die kaartjes waren relatief wel duur: 8,10 M voor de eretribune. De plaatsen achter de doelen gingen voor 4 M. Bedenk dat de staanplaatsen in de Kuip bij de return voor ƒ 4,= gingen, dus dat lijkt inderdaad 1:1, maar afgezet tegen de koopkracht in de DDR was het wel erg veel. Je kon er in ieder geval goed van uit eten gaan, dus ik wilde als zuinige Hollander dat kaartje niet zomaar weggeven aan een aardige Duitser.
Terzijde: die overvloed aan Oostmarken ben ik toch wel kwijtgeraakt aan nuttige dingen: een hogedrukverfspuit en een slingerklokje met gewicht eraan – nu, net 40 jaar later, functioneren beide nog steeds prima; er werd in de DDR heus wel kwaliteit gefabriceerd.

Op het veel te grote plein voor het stadion liepen wel wat mensen. Echt druk was het niet, dus ik moest even rondkijken wie ik zou benaderen. Uiteindelijk zag ik iemand een beetje besluiteloos voor zich uit staren. Ik liet een kaartje zien en knikte even vragend met mijn hoofd. Gretiger dan ik had verwacht ging hij op die avance in en vroeg me even te wachten. Ik had geen flauw benul wat voor man het was. Een lopendebandarbeider van de Trabantfabriek? Een Stasi-informant? Een Vopo in burger? Alledrie tegelijk? Zou zo maar kunnen. Spaans benauwd kreeg ik het toen hij uit zijn binnenzak een loei van een portofoon haalde en iemand begon op te roepen. “Bitte kommen!”, was het enige wat ik kon verstaan. Ik keek even naar de anderen en zag dat we alle drie hetzelfde dachten: rap wegwezen. Ik wist immers ook wel dat nergens stond dat het was toegestaan voetbalkaartjes op de openbare weg te verkopen, dus was het verboden. Maar op zo’n open vlakte was dat eigenlijk geen optie; wegrennen zou schuldbekennen betekenen met alle gevolgen van dien. Een simpele melding in de oorlogsliteratuur “Auf der Flucht erschossen” flitste door mijn hoofd en ik wilde toch liever eerst nog die wedstrijd zien. En dus bleven we maar gewoon staan, om ons heen kijkend wat er op ons afkwam. Kort daarop verscheen de gealarmeerde collega, ook al in burger. Hij werd nader geïnformeerd, greep in zijn binnenzak en gaf mij een briefje van 10 M in ruil voor het kaartje. Hij leek er werkelijk heel gelukkig mee te zijn. Wij ook.

(Foto: Het Legioen, omringd door Vopo’s)

Het Walter-Ulbricht-Stadion, later omgedoopt tot Stadion der Weltjugend, was een ervaring op zich. Zelden zo iets triests gezien. Een overdadig grote, lompe betonnen kolos, niet hoog, maar daarentegen extra wijd en breed met een sintelbaan eromheen en tussen de doelen en de sintelbaan zou je met gemak nog een ijshockeybaan kunnen aanleggen conform IIHF-afmetingen. Op de tribunes had men goedwillig met sloophout her en der wat zitbanken geschroefd die echter door de winter en het vocht zo verweerd waren, dat zelfs erop gaan staan al hoogst onbetrouwbaar was. Het vijftiger jaren scorebord hing van ellende aan elkaar en leek te zullen bezwijken onder elke stand boven de 1-0. Dat kwam dus goed uit. Dit paradepaardje van socialistische betonbouw bood plaats aan 70.000 toeschouwers. Nu is een half lege Kuip al een troosteloos gezicht (bij de return twee weken later zaten daar toch mooi dik 63.000 mensen!), maar op deze wedstrijd waren nog geen 20.000 bezoekers afgekomen, ongeveer de helft ervan in uniform, hetgeen helemaal paste bij de kleur van het beton en de grauwe lucht erboven. En het was koud ook nog. Geen wonder dat alleen al de sloop van het gedrocht in 1992 ruim 32 miljoen Westmark heeft gekost. Bij dat stadion vergeleken was de oude Goffert in Nijmegen een pronkjuweel van verfijnde architectuur.

In het uitvak (mocht het die naam hebben?) was het Legioen met zo’n 100 man aanwezig, voor alle veiligheid omringd door een veelvoud ervan aan Vopo’s. Dat hadden ze, avant la lettre, van de politie uit Nancy geleerd. Midden in het stadion was bij de aanleg een speelveld ontworpen, waarvan de afmetingen min of meer overeenkwamen met FIFA- en UEFA-normen. Het valt Vorwärts niet echt kwalijk te nemen dat er aan het einde van die barre winter echter geen sprietje gras meer tussen de lijnen te bekennen viel. Het was één bruin-grijze steppe, waarvan het bovenste laagje uit modder bestond met daaronder bevroren klei.

Geen wonder dat Coen Moulijn aan Ernst Happel had gevraagd hem alsjeblieft niet op te stellen, want voor voetbal van zijn soort was dit een absoluut onmogelijke ambiance. Zo mocht Theo van Duivenbode uit het trainingspak om er nog het beste van te maken op een terrein dat in feite alleen nog maar geschikt was voor een demonstratiewedstrijd Grieks-Romeins worstelen voor pupillen. Maar wederom verraste de DDR-organisatie ons in positieve zin: zowel voor de wedstrijd als tijdens de rust reed een aantal Russische trucks het veld op, beladen met geel zand en strooizout dat door bereidwillige militairen over het veld werd verspreid. Dat moest de grond wat minder glibberig maken en was ook heel prettig bij slidings en zo. Misschien was het ook wel een idee van scheidsrechter Jones, die aanvankelijk het veld had willen afkeuren.

Hoe dan ook, er werd gespeeld. Het wedstrijdverloop is bekend: in de tweede helft 1-0 door Piepenburg en een minuut later een rode kaart voor Piet Romeijn na een welgeplaatste maagstomp op diezelfde Piepenburg. Voor wat hoort wat. Verder geen noemenswaardige schade en twee weken later werd in Rotterdam met 2-0 het eindresultaat prettig omgebogen.

Van de terugweg kan ik me niets meer herinneren dan dat we met een onbeschadigde Kever zijn thuisgekomen, zo vol als ik was van de ervaringen van de dagen ervoor. Gek misschien, maar ik heb er heimwee naar, die ouwe kouwe DDR.

___________________

Woensdag 4 maart 1970, Walter-Ulbricht-Stadion, 16.00u
FC Vorwärts Berlin – Feijenoord 1-0
Toeschouwers: 19.500
68. Piepenburg (1-0)
Vorwärts Berlin: Zulkowski, Frässdorf, Müller, Hamann, Withulz, Körner, Strübing, Nachtigall, Nöldner, Wruck, Begerad, Piepenburg.
Feijenoord: Treytel, Romeijn, Israel, Laseroms, Veldhoen, Hasil, Jansen, Van Duivenbode (46. Vrauwdeunt), Wery, Kindvall, Van Hanegem.

_______________________

Voor afl.1 : zie 0-5
Voor afl.2 : zie 4-11
Zie ook: Jaap Visser e.a., Willem de voetballer [jubileumboek Willem van Hanegem 70]. Kick Uitgevers 2014, p.94-95
_______________________