Taalverloed (2/2)

Tot de wat meer excentrieke objecten van mijn verzamelwoede behoren edities van Kuifje, De sigaren van de farao in zo veel mogelijk verschillende talen. Er moeten er tegen de 30 van bestaan; ik sta nu op 18 stuks. Daaronder bevindt zich ook de uitvoering in het Afrikaans, en dat komt nu goed uit als ik verder ga over het onderwerp taalverandering.

Zoals bekend heeft het Afrikaans zich ontwikkeld vanuit het Nederlands van midden 17e eeuw, meer bijzonder vanuit o.a. het Amsterdams dialect. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de vorm -ie voor verkleinwoorden, in plaats van het Nederlandse -je. Kuifje heet in Afrika dus Kuifie. De Afrikaners hadden, als relatief kleine en geïsoleerde gemeenschap, het probleem zich staande te moeten houden tegenover de sterke Britse invloed enerzijds, en die van de talen der oorspronkelijke bewoners als het Zulu en Xhosa anderzijds. Mede dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van het Afrikaans, ten opzichte van de ontwikkeling van het Nederlands, wordt gekenmerkt door een enorme versimpeling van grammatica (zoals: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig bestaan niet meer, behalve voor mans- en vrouwspersonen) en spelling (bijvoorbeeld: ik ben, jij bent, hij is enz. is in het Afrikaans ek is, jy is, hy/sy is, ons is, julle is, hulle is. De Nederlandse au en ou vallen in het Afrikaans samen tot ou, de ij en y tot simpelweg y, de ch en g tot g, enzovoort). Maurice de Hond moet er de oude dag maar gaan slijten.

Toen ik in 2009 online de Afrikaanse versie van Kuifie, Die sigare van die farao bestelde en prompt ontving, kreeg ik er enige dagen later bijgaande e-mail overheen. Verreweg het meeste is voor Nederlanders moeiteloos te lezen.
Er staan woorden en uitdrukkingen die je niet rechtstreeks aan een Nederlandse variant kunt koppelen, zoals kraai koning, magdom, webtuiste (@ “web-tehuis”, “website”), rondrits (“surft“), aanlyn (“online“), twakvrye (“tobacco-free“), boksie (“hokje“, “box“), tiek (“aanvinken“, “tick“), spog met (“trots zijn op“), sowel as (“zoals“, “as well as“), maar die in het tekstverband toch voor zich spreken.

Ik heb die ervaring trouwens ook, zij het in mindere mate, met het Zweeds, een taal die ik niet beheers, maar toen ik er rondreed en een grote portie friet bestelde, patat voor de noorderlingen, skyfies voor de Afrikaners, heette dat stor strips. Een verkeersdrempel heette farthinder, een vergunning tillstånd en een ontbijt frukost. Dat lees je ook zo weg, zonder de taal te kennen, maar met wel wat kennis van Engels en Duits naast je Nederlands.
Maar anders dan het Zweeds, dat op relevante onderdelen grammaticaal afwijkt van het Nederlands, zijn Afrikaanse zinnen net zo gebouwd als Nederlandse.

En daarmee ben ik terug op waar ik in het vorige artikel was gebleven: de taalverandering van het Nederlands. Ik splits die in twee delen: taalversnelling en vocabulaire.

Taalverandering is niet iets van sinds de jaren-’60, maar van alle eeuwen, en voor gejammer over taalverloedering geldt hetzelfde. Maar het zijn niet zozeer de grammaticaregels die zijn veranderd. Ja, we zijn in onze standaardtaal de dubbele ontkenning kwijtgeraakt die het Afrikaans nog heeft behouden, net als het Frans, en als die dan toch weer terugkeert (“Ik heb nergens geen zin in“, “Ik heb dat nooit niet gedaan“), dan heet dat nu “incorrect taalgebruik”, maar ook: een versterking van de enkele ontkenning. Doe maar, in het spraakgebruik, maar schrijf het niet, zou ik zeggen.

Het verkeerd gebruik van hun en hen is het zondigen tegen een kunstmatige taalregel uit de 17e eeuw en is officieel nog steeds een taalfout, maar ik voorzie dat dat niet lang als zodanig in de ANS zal blijven staan, want teveel Nederlands sprekenden bedienen zich niet meer van hen, alles is hun aan het worden. Iets anders ligt dat bij het gebruik van hun als onderwerp (“Hun hebben gezegd“). Ook dat lijkt nauwelijks nog tegen te houden, maar zal, schat ik, toch nog langer als incorrect blijven worden aangemerkt. Vreemd wel een beetje, want in sommige (Zuid-Nederlandse) dialecten is het schering en inslag om bijvoorbeeld de naamvalsvormen hem en den als onderwerp te gebruiken om extra nadruk te geven en even over de grens kijkend zien we bondgenoten daarvoor: Op de vraag “Wie is daar?” kunnen wij zeggen: “Ik ben het“, met extra klemtoon op Ik. Maar in het Engels: “It’s me” en niet: “It’s I” en in het Frans: “C’est moi” in plaats van “C’est je“. Zo dom is het kennelijk dus ook weer niet.

Nog een verschuiving: van de d-woorden naar de w-woorden: daaraan wordt waaraan, dat wordt wat enzovoort. Dat is een zoetjesaanbeweging vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Momenteel is de situatie zo dat “Het hogedrukgebied wat boven de Britse eilanden ligt” nog steeds officieel fout is (al is het nog iets minder erg dan het ook gehoorde “Het hogedrukgebied die boven de Britse eilanden ligt”), maar zeker in gesproken taal begint het al een meerderheidspositie in te nemen. Dat is nog niet het geval met “De man wie daar loopt“, maar ik voorvoel dat dat een kwestie van tijd is. Had Cruijff niet het fraaie startschot gelost met zijn orakel: “Cocu is een speler wie je van voren en van achter ken gebruiken“?

Fouten als “De meisje schepte er genoegen in diegene nog eens extra te jennen…” zijn voorbeelden van gebrekkige taalbeheersing, niet van taalverandering. Een loeder dus.

Nogmaals derhalve: taalverandering en taalfouten uiten zich niet primair in grammaticaregels, zoals die afgrijselijke, modieuze haarziekte, maar bijvoorbeeld in taalversnelling, de laatste eeuw vooral door de verbreiding en versnelling van media voor communicatieoverdracht. We kennen dat verschijnsel sterk in krantenkoppen, waar lidwoorden en voorzetsels worden weggelaten om een kortere kop in een grotere letter boven de kolommen te krijgen, met hilarische dubbelzinnigheden als gevolg: uit de rubriek Ruggespraak van het tijdschrift Onze Taal:

  • ROOKVERBOD IN KOELKAST
  • DRIEKWART VAN TURKEN VAST TIJDENS RAMADAN
  • PROEFTIJD VOOR AGENTEN NA DIEFSTAL WIJN
  • WEER GEEN STROP VOOR DE HORECA

en ik herinner me uit de tijd dat er verzet was tegen de aanleg van de Amsterdamse metro en de bouw van de Stopera de kop bij een oproep van actievoerders, ik meen in Het Parool,

  • SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP

hetgeen op een titel van een horrorverhaal zou kunnen duiden. Versnelling: ja. Verloedering: nee. Humor: ja. Duidelijke communicatie: nee.

En de door mij eerder geciteerde pagina op Teletekst van 6 juni 2015:

  • KOENDERS UIT ONVREDE IN MOSKOU 

Bij de voorzetsels is er een taalversnelling zichtbaar die al vanaf de middeleeuwen werkt, en in het Duits (kraft, laut, stoltz,…) evenzeer als in het Nederlands. Een van de bekendste recente voorbeelden is de versnelling van “in de richting van” tot “richting“: “Wij vertrokken richting Parijs“. Dit richting-verschijnsel zien we niet alleen in veel Europese talen optreden, maar ik heb destijds onderzocht bij welke Nederlandse zelfstandige naamwoorden nog meer. Het werd een rijtje van 17:

  • begin deze eeuw
  • bestemming New York
  • eind(e) van deze eeuw
  • halte Koningsplein
  • hartje centrum
  • hoek Kerkstraat
  • kantje boord
  • klokke zeven
  • klokslag 9 uur
  • lank(e) de voorgevel (vnl. Vlaams)
  • midden de mensen (vnl. Vlaams)
  • omgeving Westerkwartier
  • punt strafschopgebied
  • rand(je) buitenspel
  • richting het zuiden
  • spijt uw toezegging
  • station Weesp

en vast nog wel meer. Versnelling dus, geen verloedering.

Om minder tijd te verkwisten bij het typen van woorden worden er in toenemende mate afkortingen of iconen gebruikt: “@” voor “voor wat betreft“, “wss voor “waarschijnlijk“, “ff” voor “eventjes“, zoals ik hier in het Frans vaak inkortingen zie als promo, info, apéro, maar ook meer rebusachtige notaties als “+info” (“plus d’informations“; “meer informatie“) of “K7“voor “cassette“. Men doet maar. Ook dat lijkt mij geen reden om van verloedering te spreken. Kennelijk heerst de gedachte: hoe sneller, hoe beter, als het maar wordt begrepen. En dat is communicatief gezien volstrekt in orde.

Daarmee raak ik aan de meest voorkomende soort taalfouten: die van de spelling.
Halverwege mijn vorige artikel schreef ik over het vermeende onderscheid tussen prescriptieve (voorschrijvende) en descriptieve (beschrijvende) grammatica’s. Als er één terrein is waarop de Nederlandse grammatica volstrekt prescriptief is, dan is dat de spelling. Al sedert 1804 (Siegenbeek) streeft men in het Nederlands taalgebied naar één uniforme spelling. Dat heeft sindsdien voortdurend veel voeten in de aarde en het ondervindt steeds enorme weerstand. De herzieningen in de laatste eeuw (1948 “Niet zoo, maar zo“; 1954 het Groene Boekje; 1995 het tweede Groene Boekje; 2006 verdere herziening) zijn steeds bedoeld om verplicht voor te schrijven hoe er in Nederland dient te worden gespeld. Overheid, landelijke dagbladen, uitgeverijen en het onderwijs moeten er zich aan conformeren, ook al staat er geen gevangenisstraf of andere sanctie op overtreding. Hooguit drukken spelfouten je rapportcijfer-Nederlands.

Ik laat me wel eens ontvallen dat wat mij betreft spellingsregels kunnen worden afgeschaft. De wal zal het schip wel keren als blijkt dat de communicatiewaarde afneemt als men er maar op losspelt. Ik echter behoud me het recht voor een croquette lekkerder te vinden dan een kroket, om een geaccentueerde gesloten klinker met een accent grave te schrijven (dè, hèt, nòg) en geaccentueerde open klinkers met een accent aigu (één, logé, vóórkomen, zó), om af te zien van die vreselijke tussen-n; ik houd het op kattevoer; wij hebben maar één kat en die tussen-n hoor je toch niet.

Los daarvan is het vaker zo, dat spelfouten worden gemaakt uit dommigheid, onvermogen of desinteresse onder het mom van “as je maar begrijpt wat er wort bedoelt“. Eerder al besteedde ik aandacht aan de mededeling in onze brievenbus:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

De boodschap was duidelijk, de PR-waarde was voor mij strikt negatief.

Er ligt op dit punt in eerste instantie een grote taak bij de opvoeders: ouders ten opzichte van hun kinderen, het onderwijs, van basisschool tot universiteit, de media, van publieke omroep (de commerciëlen zenden toch alleen maar Amerikaanse bagger uit) tot en met uitgeverijen en de landelijke dagbladen. Zij bekleden een voorbeeldfunctie, en zij zijn het die daarnaast de attitude kunnen uitdragen dat verzorgd en correct taalgebruik niet voor de bühne is of iets louter voor luxe intellectuelen, maar voor een betere communicatie van ons allemaal, met zorg en aandacht te koesteren, ook al kost dat wat meer tijd. Aan Pauline Cornelisse en Wim Daniëls hebben we niet genoeg, zo blijkt.

In daardie lig gesien is daar vir “gedoogtaal” (Arjen Hoogervorst in zijn reactie) geen plek in ons taallandskap nie.

 

 

Taalverloed (1/2)

De react van Arjen Hoogervorst, nu twee week her, en te lezen onderaan mijn startblz, noopt mij tot een XXL-respo. Niet dat ik ’t niet met hem 1s ben, maar ik kan daar niet int kort op ingaan niet.

Allereerst, ik zal maar even op gewoon Nederlands overgaan, is er een groot verschil tussen taalkundig-wetenschappelijke observaties en uitspraken, en waardeoordelen van meer emotionele aard, waartoe ook de term taalverloedering mag worden gerekend. Vervolgens rijst de vraag naar de “wettelijke” status van onze grammatica en woordenboeken, waar de term taalverandering een rol speelt. Ten slotte is er een wijzende vinger naar onze opvoeders en naar gezaghebbende instituties als de publieke omroep en de landelijke dagbladen, maar meer in het bijzonder het begrip taalonderwijs.

Taalverloedering impliceert een afkeuring van een vorm van taalverandering die twee kanten op kan wijzen:

– Ofwel het is het afkeuren van taalgebruik dat (te) sterk afwijkt van wat een ander “normaal” taalgebruik acht, waarvoor tot voor kort de term ABN bestond. Maar omdat Algemeen Beschaafd impliceert dat afwijkende vormen onbeschaafd, zo niet onbeschoft zijn, is het sociaal incorrect nog van ABN te spreken. Dus noemen wij het “Algemeen Gebruikelijk Nederlands” of “standaardtaal”, maar dat is oude wijn in nieuwe zakken. Zo lang deze afkeuring is gebaseerd op subjectieve, wellicht emotionele gronden, valt er weinig over te discussiëren en als er al een probleem is van het kaliber A praat/schrijft anders dan B, dan is dat probleem onoplosbaar en is de “waarheid” of “correctheid” onderhevig aan de macht van het getal. Voorbeeld van een vormelijke, modieuze trend: als in grote meerderheid, en zeker niet alleen bij Nederlands sprekenden onder de 25, de zogeheten Gooise R (of: hockey-R) uit de mond rolt, erger ik me groen en geel. Voor de klas liet ik het dan ook nooit na daarop subiet een persiflage te produceren in de hoop dat er een “normale” R zou gaan komen, zoals die -uitzondering- bij Marco Verhoef en Arno Vermeulen goed waarneembaar is. Maar ik heb geen poot om op te staan. Ik bedoel: er is geen enkel voorschrift of wettelijk dictaat om deze of gene R te produceren. Ik kan dus vinden wat ik vind, maar waarom ik dat vind, blijft vaag, laat staan dat ik het tij kan keren.

– Anders ligt dat wanneer iemands taalgebruik inhoudelijk morrelt aan de communicatieve waarde van het taalaanbod. Als bijvoorbeeld onder invloed van taalversnelling of de veel te kleine toetsjes op smartphones, of gewoon slecht onderwijs, iemand oorzaak en gevolg verwisselt, omdat en doordat verkeerd gebruikt, zinnen begint zonder ze af te maken, en dat soort dingen, kan er met recht om een correctie worden gevraagd. Immers: taal gebruiken is de communicatiewijze bij uitstek. Waarom zou iemand die meent iets te moeten meedelen of vragen er genoegen mee nemen dat maar 60% van de mededeling of vraag helder bij de gesprekspartner overkomt, terwijl dat ook 90% of 100% zou kunnen zijn? Inderdaad heeft internet en het mobiele telefoonverkeer enorm bijgedragen aan een grotere stroom van taaluitingen (dat op zich is een pluspunt), maar ook tot een toename van taalversnelling, dat is: meer willen zeggen in minder woorden. En dat is niet per definitie efficiënter. In plaats van snel even iemand te appen terwijl je over straat fietst, zou je ook gewoon naar huis kunnen rijden en er daar even rustig voor gaan zitten en nadenken en formuleren voordat je iets daadwerkelijk de lucht in stuurt. Daarmee geef ik geen subjectief waardeoordeel, maar promoot ik een zuiverder taalgebruik om tot betere communicatie te komen, in ieders belang. Het aloude adagium dat sollicitatiebrieven vol taalfouten direct in de prullenbak verdwijnen is van dezelfde orde.
Wie spreekt van de vertrossing van ons taalgebruik, doelt op zowel de vormelijke als inhoudelijke verandering, vervlakking zelfs, van het taalaanbod, met een sterke ondertoon van afkeuring. Verloed dus.

Taalverandering impliceert dat er een norm bestaat, vastgelegd in een grammatica en een woordenboek, waaraan ieder zich heeft te houden, welke norm in de loop der jaren meeschuift met wat kennelijk taalgebruikelijk is geworden.
Allereerst maak ik hier onderscheid tussen twee soorten grammatica: de prescriptieve en de descriptieve grammatica. Beide bestaan niet, in zuivere vorm, dus ik licht ze even toe.

De prescriptieve, of voorschrijvende grammatica heet een normatieve grammatica te zijn die voor een bepaald taalgebied formeel vaststelt “hoe het moet” met taalregels, hetgeen meestal beperkt blijft tot regels over zinsbouw, naamvallen en spelling. Het heet dat de Franse grammatica prescriptief is, met de Académie française als notoire en elitaire waakhond, en dus bepaalt hoe Fransen zich talig dienen te gedragen, met inbegrip van de taallessen op school. Maar ook de Académie moet overstag: tegen de regels in gaat half Frankrijk de dubbele ontkenning ne…pas negeren en zegt en schrijft tegenwoordig rustig: “je sais pas” (“kweenie”), en tal van Franse patiënten zeggen, als ze naar de huisarts gaan: “Je vais au médecin” in plaats van het correcte “Je vais chez le médecin”. Vroeg of laat zal ook de Académie dan wel bijdraaien, zeker als deze veranderingen ook in de “officiële”, d.w.z. de in Parijs bewierookte literatuur gaan verschijnen. De norm is dus maar net zo sterk als de meerderheid die haar hanteert. Beter gezegd: omgekeerd evenredig daarmee.

Nagenoeg alle verschenen grammatica’s van het hedendaags Nederlands zijn descriptief, beschrijvend van opzet. Deze werken beschrijven wat in de actuele situatie het taalgebruik is, en daarom moeten zij ook elke 10, 20 jaar worden herschreven. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is momenteel de meest uitgebreide Nederlandse grammatica, die voor het eerst verscheen in 1984, gevolgd door een tweede druk in 1997 en sinds 2015 loopt er een Nederlands-Vlaams project voor wederom een herziening, om tussen 2016 en 2019 tot een versie te komen die weerspiegelt hoe Nederland in begin 21e eeuw taalt.

Maar ook hier zit er nog een aap in de mouw en steekt er nog een adder zijn kop boven het gras: ook de descriptieve ANS gaat uit van “hoe het hoort”, van ooit door wie dan ook opgestelde taalregels waaraan men zich dient te houden: prescriptief dus. Vandaar dus dat je in de ANS op diverse plaatsen mededelingen aantreft in de trant van “Het moet eigenlijk zus, maar tegenwoordig hoor je ook vaak zo. Dit gebruik keuren wij niet af”.
Dit is wat ik bedoelde met mijn eerdere uitspraak dat puur prescriptieve of descriptieve grammatica’s niet bestaan. Ook niet kunnen bestaan, eigenlijk.

Overigens zit de grootste taalverandering in ons vocabulaire, de woordvoorraad waarvan wij ons bedienen, en de bijbehorende spellingsproblematiek. Maar daarover, en over de hierboven beloofde wijzende vinger, kom ik in het vervolgartikel te spreken.