Pierre Travaux (2)

In september 2013 besteedde ik aandacht aan een “driewerf gemankeerde Sebastiaan“, een gipsen beeld van Pierre Travaux uit 1846, waarover zo veel niet bekend is, dat verdere studie en onderzoek is vereist. In dat artikel beloofde ik ook met een update te komen als ik meer informatie ter beschikking had. Na een tijdje snuffelen in de departementale archieven van de Côte-d’Or te Dijon ben ik inmiddels iets wijzer geworden. Iets, want nog steeds zijn er tal van raadsels op te lossen.

Eerst even een kleine correctie op het eerdere artikel: Travaux maakte het werk niet tijdens zijn verblijf en opleiding in Saumur-en-Auxois, zoals daar staat vermeld, maar tijdens zijn verblijf en opleiding in Dijon op de École des Beaux-Arts, de kunstacademie, waar hij zich in 1845 en 1846 bekwaamde in het beeldhouwvak.

Het was destijds aan de “École spéciale de dessin, peinture, sculpture et architecture de la ville de Dijon” gebruikelijk dat de studenten aan het einde van het cursusjaar in de discipline van hun studierichting een proeve van bekwaamheid moesten afleggen, een meesterproef, zoals er ook in onze dagen eindejaarsscripties moeten worden geschreven en er overgangsexamens bestaan. De studenten kregen tussen de 8 en 12 sessies van meestal 2 uren de tijd hun werkstuk te vervaardigen; dat lag allemaal reglementair vast. De beste werken kregen een 1e, 2e of 3e prijs. Die toekenning verliep zo ongeveer als de vergelijkende-warentests van VARA’s Kassa, waar een panel een tiental vergelijkbare producten krijgt voorgeschoteld die ontdaan zijn van hun merknaam, maar slechts een letter of cijfer dragen. De juryleden beoordeelden de aldus geanonimiseerde werkstukken en kenden uiteindelijk de prijzen toe aan bijv. de letters B, K en R.
In 1845 verwierf Pierre Travaux uit Tivauche-le-Bas (gem. Corsaint) de eerste prijs in de categorie Sculpture met zijn gipsen reliëfstuk “Le serment du jeune Annibal” (“De eed van de jonge Hannibal”), vervaardigd “d’après nature(“levensecht; fotorealistisch”). De kunst van de imitatio, het natuurgetrouw kunnen (re)produceren, stond halverwege de 19e eeuw hoog in het vaandel van de kunstopleiding in Dijon en elders. Heel vreemd is dat niet. In de begintijd van de fotografie, van de bewegende film, van de televisie, ging het niet anders. En zo rond 1850 waren de schilder- en beeldhouwkunst de vormen bij uitstek om de realiteit gestalte te geven. Dat zich dat later ging splitsen in een analytische “école de l’imitation”, waarbij het dus puur ging om het weergeven van de dingen “zoals ze zijn”, en een synthetische “école de l’idéal”, waarbij het meer ging om het weergeven van dingen “zoals ze moeten zijn”, is vooralsnog hier niet aan de orde; we spreken hier immers over de jonge Travaux die zich nog niet in Parijs had gevestigd. Voor een 23-jarige student getuigt het vervaardigen van het reliëf van grote klasse, ook al kan het mij maar matig bekoren.

Een eerste prijs dus. En dat betekende wel meer dan eeuwige roem. Het was ook een aardig opstapje naar het verkrijgen van opdrachten, iets waarvan kunstenaars -ook nu nog- als een soort zzp-ers grotendeels afhankelijk zijn. En meer nog dan dat: de Academie beloonde deze eerste prijs met een drie jaar lange toelage van 800 francs, waar de gemeente Dijon nog eens een uitkering bovenop deed van 1000 francs, vijf jaar lang. Nu gaan koopkrachtvergelijkingen van 1845 met heden eigenlijk altijd mank, maar als je beseft dat destijds de munten van 1 en 2 francs van zilver waren en er gouden munten van 5 francs in omloop waren, zal het toch geen kruimelwerk zijn geweest dat hem ten deel viel. Een andere vergelijking bieden de prijzen waarvoor hij, eenmaal in Parijs en “gearriveerd”, zijn beelhouwwerken verkocht kreeg aan kerken, gemeenten en de staat: ze gingen voor bedragen tussen de 3.500 en 8.000 francs van de hand.
De afbeelding hierboven is niet echt geweldig; het originele document mocht niet worden gefotokopieerd en een scan was in Dijon niet beschikbaar. Dus restte mij niets anders dan er een foto van te maken (zonder flits!).

Pierre Travaux was bijzonder gedreven en eerzuchtig; was dag en nacht met zijn passie van het beeldhouwen bezig. Bekend is dat hij diverse malen ’s nachts zijn tekenschool in Semur binnensloop om urenlang ongehinderd naar beelden te kijken en schetsen te maken. Toen hij in zijn eerste jaar een eerste prijs had verworven, wist hij dat hij dat het jaar erop niet zou kunnen herhalen, want de school kende aan één student nooit twee maal een prijs toe. Dat moet hem ertoe hebben aangezet om op eigen initiatief met een sculptuur te komen die hij aan zijn docenten wilde laten zien. Een compositie ditmaal, van een persoon ten voeten uit, met een hoogte van tweederde van die van het model dat voor hem poseerde. Ongetwijfeld zal dat een medestudent van hem zijn geweest. Travaux wilde zijn leermeester tonen dat hij in staat was een figuur van top tot teen weer te geven in een “natuurlijke” houding, d’après nature dus, in de juiste proporties en daarbij te voldoen aan de gangbare esthetische normen van die tijd. Dat hij daarbij minder aandacht besteedde aan details (ik heb de drie mankementen van het beeld in mijn eerdere bericht uitgebreid besproken), dat zijn Sebastiaan op onderdelen volstrekt onaf is en zelfs slordig en lelijk, kan te wijten zijn aan tijdgebrek, maar ook aan zijn beperkte doelstelling: een compositie maken van een groter geheel zonder zich om details te bekommeren. Hij bouwde het beeld op uit drie delen: onderlijf, bovenlijf en hoofd. Hij stapelde die op elkaar, veel te stevig bijeengehouden door de dikke boomstam. Maar daar ging het ook niet om. Het onder- en bovenlijf zullen ongetwijfeld dat van zijn poserende medestudent zijn, hopelijk voor hem iets completer dan het beeld zoals wij dat nu kennen. Het hoofd zou best wel eens van heel iemand anders kunnen zijn. Het is ook anders afgewerkt dan het lijf. Een snelle rondgang door het Louvre brengt je al gauw tot de verrassende ingeving dat Sebastiaans hoofd verdacht veel lijkt op dat van bijvoorbeeld de stervende Galliër, de gewonde vuistvechter, en zo nog wel enkele Grieks-Romeinse klasssiekers.

Hoe het ook zij, Travaux toonde zijn compositie aan zijn docenten en die waren er zo van onder de indruk dat ze hem, nu eenmaal een eerste prijs onmogelijk was, hors concours een medaille d’honneur toekenden, buiten de jury om, en in het officiële document later ook in de marge apart vermeld. Geen geldelijke uitkering helaas, maar wel goed voor zijn cv.
Daarmee had hij zijn doel min of meer bereikt. Een jaar of tien later schonk hij het beeld, onverkoopbaar als het ten ene male was, aan zijn tot museum omgetoverde tekenschool in Semur-en-Auxois, samen met het bovengenoemde, eveneens prijswinnende Hannibal-reliëf. Daarmee drukte hij zijn dankbaarheid uit jegens de leerschool waar hij zijn eerste schreden op weg naar zijn zo begeerde vakmanschap had gezet.

Maar nog zijn niet alle cirkels rond. Naar ik hoop zal een derde bericht tezijnertijd de bij mij nog bestaande hiaten opvullen.

 

 

Een driewerf gemankeerde Sebastiaan (1/3)

Als een ander het niet doet, doe ik het maar. Ik pretendeer niet alle Sebastiaanafbeeldingen te kennen die er bestaan; meer dan 10.000 zijn er nog bekend. Toch was ik weer eens prettig verrast toen ik begin april min of meer bij toeval tegen een gipsen Sebastiaan aanliep, figuurlijk dan, die de toen 24-jarige Pierre Travaux in 1846 had vervaardigd en die nu een plaats heeft in het plaatselijke museum van Semur-en-Auxois (21 Côte-d’Or).

De verrassing maakte al gauw plaats voor een kritische kijk op het beeld, dat een aantal voortreffelijke eigenschappen heeft, maar ook nogal wat storende tekortkomingen. De conservatrice van het museum gaf mij een maand later toestemming tijdens museumsluiting uitgebreid foto’s te komen maken en met haar van gedachten te wisselen over genoemde sculptuur. Dat zal gaan leiden tot een lang en diepgaand tijdschriftartikel, neem ik me voor, maar hier licht ik alvast enige tipjes van de sluier op. Wellicht helpt me dat nog aan bruikbare reacties, want over dit beeld is bij mijn weten nog in het geheel niets geschreven.

De auteur
Pierre Travaux werd geboren op 10 mei 1822 in Corsaint, niet ver van Semur-en-Auxois, en overleed, 49 jaar oud, op 19 maart 1869 in Parijs. In Semur volgde hij aanvankelijk een studie aan de plaatselijke tekenschool, liet hij zich daarna in het beeldhouwvak bekwamen door Pierre-Paul Darbois in Dijon, waar hij vanaf 1842 aan de Ecole des Beaux-Arts onder leiding van François Jouffroy zijn studie vervolgde. Met zijn werk verwierf hij een aantal prijzen en eervolle vermeldingen en, belangrijker nog voor hem, hij kreeg een aantal lucratieve opdrachten: voor het Louvre mocht hij zes beelden maken, hij kreeg van drie Parijse kerken, waaronder de Notre Dame, een opdracht en hij verzorgde een deel van de gevel van het Paleis van Justitie in Marseille, in welke plaats hij nog meer opdrachten kreeg aangeboden. Kortom, in zijn korte arbeidzame leven was hij zo niet een zeer gerenommeerd, dan toch in ieder geval een zeer gewaardeerd beeldhouwer, voornamelijk van menselijke figuren. Dat wij zo weinig van hem afweten, als hij buiten Frankrijk al wordt gekend, komt deels doordat er midden 19e eeuw zo veel goede beeldhouwers in Frankrijk en de buurlanden actief waren, deels ook doordat hij helemaal niet buiten Frankrijk heeft gewerkt. Maar ook binnen Frankrijk is de spoeling dun. Probeer het maar eens met Google. Helaas levert dat te veel schijntreffers op die gaan over werkzaamheden (“travaux”) met steen (“pierre”) en maar heel weinig over Pierre Travaux. Ook in de vakliteratuur blijft hij veelal onbesproken; de enige biografie die ik heb kunnen vinden is een 75 pagina’s lang artikel over zijn leven en werken in een wetenschappelijk bulletin uit Semur-en-Auxois uit 1909 1). Op Wikiphidias is er een summier en niet geheel correct biografisch overzicht van hem te vinden.

1) Bulletin de la Société des Sciences historiques et naturelles de Semur-en-Auxois. Tome XXXVI, Années 1908-1909. Semur-en-Auxois 1910. De bladzijden 147-220 van dit bulletin zijn aan Pierre Travaux gewijd.

De zekere feiten
Van het bedoelde Sebastiaanbeeld weten we een paar dingen zeker – heel veel dingen zeker niet. Het gaat in ieder geval om een gipsen ronde-bosse van 115x32x40 cm (HxBxL), vrijstaand en op een sokkel geplaatst, vervaardigd in 1846 te Semur-en-Auxois. In datzelfde jaar verwierf Pierre Travaux er een Médaille d’honneur mee, wat ik beschouw als een aanmoedigingsprijs voor een beginnend beeldhouwer. Na 1854 heeft hij het aan het museum in Semur geschonken; kennelijk had hij het beeld niet in opdracht vervaardigd, hooguit als studieopdracht tijdens zijn opleiding aan de tekenschool in Semur.
Het beeld toont een staande Sebastiaanfiguur, ruggelings met de polsen aan een boom gebonden, één arm omhoog, één arm omlaag, de voeten niet gebonden. Deze uitbeelding van de marteling van Sebastiaan is veel voorkomend, zie ook mijn artikel over die houding.

Tussen 1989 en 1992 is het beeld, samen met 35 andere uit het museum, gereinigd en enigszins gerestaureerd.

 

 

De onzekere feiten
Zoals gezegd lijkt het erop dat Travaux dit beeld niet heeft gemaakt om het tegen betaling te leveren aan een opdrachtgever, zoals met veel van zijn latere sculpturen wel het geval was. Zowel zijn leeftijd tijdens de vervaardiging (24 jaar) als de afwerking van het beeld, alsmede het feit dat hij het aan “zijn” tekenschool, het latere museum in Semur heeft geschonken, geven grond aan die veronderstelling. Er werden destijds zeer veel kunstobjecten en zelfs een heel uitgebreide zoölogische collectie een de tekenschool geschonken als studiemateriaal voor leerlingen, zo veel zelfs dat men in 1885 besloot er een heus museum van te maken, dat nu nog steeds in functie is en gratis toegankelijk voor het publiek.

Onbekend is waarom Travaux dit werk maakte. Ik veronderstel dat hij het tijdens zijn opleiding ter plekke heeft gemaakt om blijk te geven van zijn vakmanschap. Immers, als iemand thuis op zijn zolderkamer in vrije tijd een beeld in elkaar gipst, zal het toch wel niet worden voorgedragen voor een eervolle vermelding van een artistiek instituut in Dijon.

Wat we ook niet weten, is of Travaux voor dit werk een levend model heeft gebruikt, of dat hij zich heeft bediend van voorhanden zijnde studiemateriaal. Enerzijds moet ik bekennen dat ik geen ander Sebastiaanbeeld ken dat in precies diezelfde houding geposteerd staat (maar nogmaals: ik pretendeer niet ze alle 10.000 te kennen, laat staan de vele duizenden die nog nooit zijn gedocumenteerd en in een verzameling zijn opgenomen); anderzijds doet het hoofd van deze Sebastiaan mij wel heel erg denken aan veel voorkomende hoofden uit de antieke Griekse en Romeinse beeldhouwkunst, waarvan op de tekenschool stellig voorbeelden aanwezig waren, en dat dat hoofd opvallende gelijkenissen vertoont met ander werk van Travaux, zoals zijn Méléagre uit 1866 in een van de nissen van de Aile Flore in het Louvre en de hoofden van Le serment d’Annibal, een hoog-reliëf dat ik in het museum van Semur heb aangetroffen. Met dit laatste werk verwierf Travaux overigens in 1846 de prix de sculpture in Dijon. Het is niet waarschijnlijk dat je 20 jaar lang met hetzelfde levende model werkt. Alexandra Bouillot, conservatrice van het museum in Semur, schreef mij dat het waarschijnlijk te achten is, dat hij voor dit werk een van zijn medestudenten heeft laten poseren.

Ten slotte weet ik niet waarom de jonge Pierre Travaux dit Sebastiaanbeeld niet netjes heeft  afgewerkt. Tijdsdruk? Onkunde? Was de aard van de opdracht een andere dan het vervaardigen van een gaaf beeld, bijvoorbeeld slechts het uitdrukken van een bepaalde houding of expressie waarbij overige details en afwerking niet van belang waren? Het blijft allemaal gissen.

Driewerf gemankeerd
Aan deze sculptuur ontbreken drie aspecten: hij draagt geen enkele kleding, er ontbreken enkele uitstekende lichaamsdelen en er zitten geen pijlen in zijn lichaam gespiest. Dit alles is minder flauw dan je misschien zou denken, en ik zal uitleggen waarom ik dat zeg en wat daarvan de consequenties zijn. In ieder geval maken deze drie manco’s het beeld tot een volstrekt unieke representatie van de heilige Sebastiaan. Dat is voor mij ook de reden om er een speciaal artikel aan te hebben willen wijden.

1. Kleding
Aan de kledij waarin Sebastiaan wordt gerepresenteerd heb ik een apart bericht gewijd. Daaruit moge in ieder geval duidelijk worden dat een geheel ongeklede Sebastiaan tot ±1950 tamelijk uitzonderlijk was. Natuurlijk heeft dat de maken met het feit dat in kerken, waar wij zo vele van de Sebastiaanafbeeldingen aantreffen, naaktheid uit den boze was en is, als ook met het feit dat hij pas na de Tweede Wereldoorlog naar voren is gekomen als prominent icoon of idool van de homobeweging.
Dat Travaux desalniettemin in 1846 een naakte Sebastiaan vervaardigt, kan ik alleen maar verklaren uit de studieopdracht die hij moet hebben gekregen, bijvoorbeeld het tonen dat hij de anatomie en de proporties correct wist uit te beelden in gips, in een voor medio 19eeuw nogal gangbare pose. Attitude un peu théâtrale par le mouvement du corps et la gestuelle accentuée, vermeldt de officiële analytische beschrijving van inventarisstuk 885.S.80 in het museum van Semur-en-Auxois. Let bijvoorbeeld op de houding van het hoofd met de geprononceerde kin en de sterk benadrukte bovenbenen en heupen, en op de bogen die er in de houding waarneembaar zijn.

2. Penofobie

Leed Pierre Travaux aan penofobie? Als je goed kijkt, zie je dat het stellig niet zo is dat hij de geslachtsdelen wel degelijk had gebeeldhouwd, maar dat die later, om welke reden dan ook, zijn afgebroken. Integendeel, hij is op dit punt niet verder gegaan dan wij nu kunnen zien – van een breukvlak is totaal geen sprake. In die zin is er dus van anatomische correctheid geen sprake, maar alweer: het kan de studieopdracht zijn geweest die dat ook niet vereiste, en/of de haast waarmee hij heeft moeten werken.

3. Pijlen
Nagenoeg alle afbeeldingen waarop het martelaarschap van Sebastiaan wordt weergegeven, vertonen een of meer pijlen die, naar de overlevering luidt, op hem waren afgeschoten. In het geval van het beeld van Travaux ontbreekt daarvan elk spoor: geen enkele pijl, evenmin gaten in zijn lijf waar ooit pijlen zijn ingestoken geweest, iets wat we in veel kerkbeelden van Sebastiaan nog wel tegenkomen. Travaux heeft dus niet zozeer dat martelaarschap willen uitbeelden, als wel de figuur die daaraan werd onderworpen. Dat kan naar mijn mening maar matig worden afgedekt door aan het beeldhouwwerk de omschrijving mee te geven: “Saint Sébastien, prêt à être martyrisé” (“Sint Sebastiaan, klaar om te worden gemarteld”). Ik vind dat nogal goedkoop overkomen.

En verder
Er zijn nog wel wat meer tekortkomingen aan het beeld waar te nemen.

Van zijn rechter hand ontbreekt de pink. Ooit afgebroken, zo te zien. Vreemd genoeg weet het museum daarover niets te melden. Volgens eigen opgave verkeerde het beeld in 1970 “en bon état”, zonder verdere specificatie, en tijdens de grote schoonmaak van beelden in het museum van 1989-1992 is er alleen maar schoongemaakt, niet gerestaureerd, hoewel ik zelf de indruk heb dat vingers van zijn linker, naar beneden hangende hand, wel degelijk zijn gerestaureerd.

 

 

Verder is het beeld, wellicht wegens tijdgebrek, niet echt goed afgewerkt. De oppervlakte is onregelmatig ruw, de naden tussen boven- en onderlichaam, ter hoogte van de heupen, evenals die tussen hoofd en bovenlichaam, zijn overduidelijk zichtbaar. De touwen rond zijn polsen zijn alleen aan de voorzijde mooi gevlochten uitgewerkt; aan de achterkant is daarvan nauwelijks nog iets waar te nemen.

Voorts bestaat bij mij het vermoeden dat Travaux op dat beginmoment van zijn carrière nog niet beschikte over de vaardigheid om een gipsen beeld te maken dat evenwichtig op zichzelf staand was: de figuur van Sebastiaan is opgebouwd uit drie delen: onderlichaam, bovenlichaam en hoofd. Die drie delen zijn geplaatst tegen een nogal dikke boomstronk. Zo dik zelfs, dat er bij de officiële prijstoekenning in 1846 sprake was van een “ronde bosse”, wat duidt op een reliëf waar je omheen kunt lopen.

Behalve dat Travaux op deze wijze de mogelijkheid had het onderlijf, met name de bilpartij, zeer stevig aan de stronk te bevestigen, wat de esthetiek van de figuur bepaald geen goed doet, zien we ook dat op nog vier plaatsen het lichaam steun vindt bij de achtergrond: beide polsen aan een tak, één voet tegen de stam en de andere voet op de grond. Per saldo is alleen het hoofd een vrijstaand onderdeel van het beeld, d.w.z. niet tegen de boomstronk leunend.

Van het beeld zijn (nog) geen röntgenfoto’s gemaakt, zodat we niet weten hoe het ijzeren staketsel eruit ziet waarop hij het beeld heeft gemodelleerd. Toch was men in die tijd wel degelijk in staat een menselijke figuur, op ongeveer tweederde van de ware grootte, in gips af te beelden en daarbij met één enkel steunpunt te volstaan. Het moet Travaux om iets anders te doen zijn geweest dan een toonbeeld van uitgebalanceerd evenwicht te fabriceren.

Waardering
Omdat het beeld nergens staat beschreven, is er ook niets bekend over enige positieve of negatieve waardering ervan in kunstkringen. Een artistiek topstuk is het stellig niet; daarvoor mankeert er, letterlijk en figuurlijk, te veel aan dit werk. In feite is het juist daarom een uniek werk te noemen, omdat er van alles aan ontbreekt, zoals hierboven toegelicht. Misschien zijn het namelijk wel al die onvolkomenheden, in combinatie met de grote onbekendheid van het werk, die het tot een specialiteit maken die ik, als het gaat om Sebastiaanafbeeldingen, nog niet eerder heb ontmoet.

Deel 2 over deze beeltenis is inmiddels hier gepubliceerd, nu ik meer informatie heb gekregen uit de departementale archieven in Dijon; deel 3 volgt later, als ik iets wijzer ben geworden in het Musée d”Orsay in Parijs.

 

 

 

 

 

Marcel Julius Joosen 70

In februari 2013 werd beeldhouwer Marcel Julius Joosen 70 jaar. Ter gelegenheid daarvan is er op 23 maart een expositie van zijn werk geopend in Galerie Mooiman te Groningen, Noorderstationsstraat 40. Veel van zijn oudere en recentere werk is daar te bewonderen (en ook te koop). De tentoonstelling loopt nog tot 5 mei 2013. Bij die expositie is ook een tweetalig jubileumboekwerk uitgegeven met alle teksten en bijschriften in het Nederlands en Frans, want Marcel Joosen woont sinds 2006 in Frankrijk. Omdat hij mij had gevraagd voor dat boek een biografie te schrijven met een overzicht van zijn œuvre, is het voor mij niet moeilijk daarvan hier een beknopte samenvatting te geven.

Marcel Joosen (Breda, 10 februari 1943) betreedt na de Lagere School het Kleinseminarie van de priesters van het Heilig Hart te Bergen op Zoom. Hij bekwaamt zich daar onder meer in het vak van meubelmaker; zijn hart ligt al van kinds af aan bij het verrichten van handenarbeid. In 1967 besluit hij vrijwillig uit te treden en zich te wijden aan de kunstbeoefening, waartoe hij een opleiding volgt aan de Kunstacademie te Eindhoven. Daar raakt hij verstrikt in de sterk polariserende richtingenstrijd tussen abstracte en figuratieve kunst, een strijd die tientallen jaren in het voordeel van de voorstanders van abstracte kunst leek te zijn beslecht; pas de laatste tijd, zeg maar na 2000, lijkt de kunstwereld de figuratieve kunst weer op waarde te schatten.

Marcel heeft steeds vastgehouden aan figuratieve kunst. Daarbinnen heeft hij zich een aantal beperkingen opgelegd, of liever gezegd: specialismen ontwikkeld. Zo werkt hij uitsluitend met klei en gips, waarvan in een latere periode ook veel bronzen sculpturen zijn gegoten. Met steen en hout heeft hij nooit gewerkt of willen werken: hij bouwt een sculptuur laag voor laag op, in plaats van dat hij met beitels van een brok ruw materiaal laag voor laag afschraapt. Verder behoort het mannelijk lichaam tot zijn (bijna exclusieve) model, hoewel hij daarnaast ook een redelijk aantal andere beeldhouwwerken heeft vervaardigd, vaak in opdracht, zoals een oorlogsherinneringsmonument in Grave, waar hij lange tijd woonde.

In die Graafse periode (1985-2005) komt hij in contact met Afrikanen die in het plaatselijke asielzoekerscentrum zijn ondergebracht. Daar raakt hij gefascineerd, niet alleen door de emoties en uitdrukkingen van die bewoners, maar ook door de specifieke eigenschappen van de zwarte huid. Het brengt hem tot een verder specialiseren in de weergave van de tinten en textuur van die huid. Uit die periode stamt ook het hier weergegeven dertiental bustes die hij van asielzoekers in gepolychromeerd gips heeft vervaardigd en die op exposities telkens weer grote bewondering wekken. Afgelopen zaterdag, bij de opening van zijn tentoonstelling in Groningen, hoorde ik iemand vol bewondering zeggen: “Dit is nog mooier dan het Chinese Terracottaleger; het is net of ze je allemaal aankijken!

Nog een beperkend specialisme: hoewel Marcel in de loop der jaren heel wat “complete beeldhouwwerken heeft gemaakt, van top tot teen dus, voor hem eigenlijk bedoeld als studiemateriaal, heeft hij ook altijd de behoefte gevoeld details te benadrukken, iets waarvoor hij de methode hanteert alle niet ter zake doende delen van het lichaam weg te laten, waardoor de kijker met de neus op het detail wordt gedrukt: een buste (“een kop”), zoals hij er van mij ook een heeft gemaakt in de periode dat ik hem interviewde in verband met zijn jubileumboek, of van alleen een hand, een kontje, een sleutelbeen (zoals op de omslag van dat jubileumboek). Vaak zien we ook dat de wel ter zake doende delen van het lichaam worden ingekaderd in ijzeren, soms plexiglazen platen, in zijn beginfase ook in houten doosjes (“match boxes).

Opvallend in het hele werk van Marcel is enerzijds dat hij bijna uitsluitend modellen solo uitbeeldt, geen duo’s of groepen. Hij zoekt, naar eigen zeggen, de harmonie binnen het individu, niet diens gedrag in de omgeving. Anderzijds valt op dat zijn beelden, hoewel expliciet naakt bepaald geen uitzondering is, nooit seksueel of opwindend van toon zijn, noch uiting geven aan de spanningen waaraan bijvoorbeeld asielzoekers vaak en lang zijn onderworpen. Zulk soort emoties, vertelde hij mij, zijn slechts verstoringen van de innerlijke rust en harmonie van het model. Daarom spreekt er uit zijn sculpturen ook veelal berusting en valt de afwezigheid van beweging op. “Ik laat elk model zijn eigen emoties tonen naar zijn eigen keus; dat is de harmonie die ik zoek, en harmonie heeft geen beweging, zo stelt hij.

In 2006 verhuist hij naar Frankrijk en vestigt hij zich eerst in Châtillon-sur-Saône, waar hij meer en meer ingevoerd raakt in de lokale gewoonten en gebruiken en deelneemt aan exposities en festiviteiten, zoals het plaatselijke Renaissancefeest in 2009. Op bijgaande foto, gemaakt door de Parijse fotograaf Patrick Hannelle, zien we hem tijdens dat “Musée vivant” bezig met vormen van een buste van Adam, die al bijna tien jaar model staat voor Marcel.
Twee jaar geleden verhuisde hij, inmiddels samenwonend met Roland Cerff, naar Fresnes-sur-Apance, nog iets dichter bij mij in de buurt, naar een groter pand dat hem meer atelier-, expositie- en depotruimte verschaft.

Ik kende Marcel al veel langer, niet omdat hij woonde in Sint-Hubert, Cuijk, Grave en Nijmegen in de periode dat ik niet ver van hem in Boxmeer woonde, maar wel omdat ik, op zoek naar afbeeldingen van de heilige Sebastiaan op een gegeven moment merkte dat ene Marcel Joosen er daarvan minstens twee had vervaardigd, waaronder onderstaande inmiddels alom bekende bronzen sculptuur met de 6 verticale pijlen, het beeld waarmee hij in januari 2013 de “Prix de la Ville de Chaumont, sélection sculpture verwierf. Overigens, dit unieke exemplaar is niet meer te koop.

Ik kwam Marcel eigenlijk bij toeval tegen bij de opening van een tentoonstelling van de Nederlandse beeldhouwster Ellen Beljaars en de Franse schilder Jean-Yves Texier in 2010 te Plesnoy, hier twee dorpen verderop (aan beide kunstenaars zal ik tzt. ook een artikel wijden). Vanaf dat moment hebben we elkaar regelmatig opgezocht, wat ertoe leidde dat hij mij een half jaar geleden vroeg of ik de tekst wilde gaan schrijven voor het boek dat ter gelegenheid van zijn 70e verjaardag zou verschijnen. Aldus geschiedde.

Wat mij wat somber stemt (los van al die zwarte bronzen beelden die zo verdomd moeilijk te fotograferen zijn zonder reflecties maar wel scherp en fijn gedetailleerd) is het feit dat Marcel zozeer gehecht is aan zijn laatste werk, dan hij zijn eigen eerdere werk gaat devalueren. Dat betekent ofwel, dat hij een ouder concept gebruikt met vernieuwde technieken of accenten, tot zover akkoord, maar ook dat hij veel ouder werk vernietigt “omdat het met al die uitsteeksels zo moeilijk was om ze te transporteren bij de verhuizing. Ik zou er, bijvoorbeeld bij zijn “Blauwe bank, zijn gepolychromeerde “Sebastiaan of “Jaar 2000 wel de huurkosten van een bestelwagen voor over hebben gehad om dat “probleem” voor hem op te lossen. Voor afbeeldingen van deze en nog heel veel meer werken van Marcel Joosen: zie het uitgebreide jubileumboek.

_______________________________________
Tenzij anders vermeld: foto’s © 2012-2013 Nard Loonen

Jubileumboek: Marcel Julius Joosen, Beelden | Sculptures. Voorwoord door Johanna Jacobs. Inleiding door Leonard Loonen. Franse vertaling door Philippe-Henri Delanne. Groningen : Galerie MooiMan 2013. ISBN 978-90-77957-196. 156 blzz.; 23×23 cm. Hcover. Rijk geïllustreerd in kleur.
Voor verdere info: http://www.mooi-man.nl/Joosen_Marcel_18.html en http://art-en-france.nl/marceljoosen.html.