Iconografie

In de kunstgeschiedenis is iconografie de inhoudelijke beschrijving van voorwerpen uit de beeldende kunst: schilderijen, tekeningen, sculpturen, etsen, gravures enzovoort. Daarbij hoort ook het interpreteren van details die in het kunstvoorwerp zijn aangebracht en daaraan een betekenis toekennen als thema, symbool of motief. Voorbeelden zijn de hamer en sikkel als symbool van het communisme of de gebalde vuist als teken van verzet.


De iconografie houdt zich bezig met alle kunstvoorwerpen uit alle tijden, zowel niet-religieuze als religieuze voorwerpen. Het doel is steeds inzicht te verschaffen in de “boodschap” en betekenis die de kunstenaar in zijn voorwerp tot uitdrukking heeft willen brengen. Hieronder volgt een uitgebreid voorbeeld van een iconografische beschrijving van een afbeelding van de heilige Rochus.

Algemene beschrijving
Het gaat hier om een (lithografische reproductie van) een schildering die ik in 2008 aantrof op een markt in Frankrijk, ingelijst in een houten lijst achter glas. Tussen allerhande rommel, helemaal onder het stof, zoals dat gaat op dorpse brocantes. Na schoonmaak kon ik de afbeelding gaan bestuderen.

De nogal fel gekleurde afbeelding meet 33×23 cm en is in de linker onderhoek gesigneerd met “Seiber”. Ik heb deze auteur nog niet kunnen traceren. De afbeelding wekt de indruk uit het laatste kwart van de 19e eeuw te stammen. Zij past inhoudelijk goed in de grote reeks van afbeeldingen van Sint-Rochus. Zo beschrijft de KNAW een opvallend gelijkend Rochusschilderij in de Rochuskapel in Deursen (bij Oss) als volgt:

In de Rochuskapel staat een houten altaartje in sobere barokke trant, waarschijnlijk daterend uit de 18e eeuw, met een altaarstuk dat in 1903 is geschilderd door M. Heymans in opdracht van pastoor P.G. van Thiel van Deursen. Op het schilderij staat een voorstelling van Rochus, op een knie knielend, met voor hem een liggende hond met een stuk brood in zijn bek. Boven Rochus zweven twee engeltjes met een banderol, waarop de tekst: ‘Eris in peste patronus’ (‘Gij zult bij de pest onze patroon zijn’). Op de achtergrond zijn de parochiekerk en de Rochuskapel van Deursen te zien. Het schilderij kent verder nog het opschrift van de schenker: ‘D.D. P.G. van Thiel par. anno DNI 1903’ (‘geschonken door de heer pastoor P.G. Van Thiel in het jaar 1903’). Tot circa 1975 werd het altaar geflankeerd door de twee reliekhouders van Rochus en Antonius Abt.

Historische feiten en legende
Voordat we kunnen overgaan tot een gedetailleerde iconografische beschrijving van het schilderij richten we ons eerst op de feiten en verhalen die er rond de persoon van de Heilige Rochus alom bestaan. We weten (of er wordt verteld, maar dat maakt voor de interpretatie van het schilderij niet uit) dat Rochus werd geboren in Montpellier (Frankrijk) rond 1295 en aldaar in gevangenschap overleed in 1327. Tien jaar daarvoor vertrok hij te voet op pelgrimstocht naar Rome, onderweg zieken genezend, vooral lijders aan de pest. Op zijn terugweg overviel in de buurt van Piacenza (Italië) de pest ook hemzelf. Omdat het niet in zijn aard lag hulp aan anderen te vragen, trok hij zich terug in het bos. De hond van een naburige boer kwam daar dagelijks bij hem langs met een stuk brood en om zijn wonden schoon te likken. Uiteindelijk was het een engel die hem van de pest genas. Eenmaal terug in Montpellier werd hij gevangen genomen. Men herkende de stadsgenoot niet meer en omdat er oorlog heerste vermoedde men met een spion te maken te hebben. Omdat hij na vijf jaar hechtenis in de gevangenis overleed, is het wellicht niet passend hem als martelaar te betitelen. Wel behoort hij, net als de heilige Sebastiaan en Antonius Abt, tot de schutspatronen tegen de pest, zowel bij mensen als bij varkens. Als zijn feestdag wordt meestal 16 augustus aangehouden. In mijn reeks artikelen over Sebastiaan heb ik al vermeld dat hij en Rochus in de Lage Landen en Frankrijk nogal “strijden” om de schutspatroon van een kerk of gemeente te worden ter bestrijding of afwending van de pest.
Er zijn zelfs kerken waar ze het zekere voor het onzekere namen, en beide heiligen maar links en rechts van het altaar posteerden. Dat is hetzelfde als wanneer je in geval van hoofdpijn tegelijk een stelletje tabletten Aspirine en Paracetamol slikt om maar niets aan het toeval over te laten. Een prachtig voorbeeld van die dubbele dekking ben ik tegengekomen in de Sebastiaankerk uit 1896 in het Luxemburgse Rumelange, waar boven het hoofdaltaar links Sebastiaan en rechts Rochus staan afgebeeld. Sebastiaan gaat hier gekleed als Romeins officier; bij Rochus zien we dat hij op de wond aan zijn bovenbeen wijst en links onder de zorgzame hond met een stuk brood in zijn bek te zien is.

Interessante elementen
Op het schilderij waarover we het in het begin hadden, zien we een groot aantal elementen die voor de iconografische beschrijving interessant zijn:

  • In het midden de persoon van Rochus
  • De mantel van Rochus met schelp
  • De staf in zijn rechterhand
  • Het aureool boven zijn hoofd
  • De wond aan zijn linker been waarnaar hij met zijn vinger verwijst
  • De verwondingen op de knokkels van zijn rechter hand die hij tegen zijn hart drukt
  • Aan zijn rechtervoet een hondje
  • Op de achtergrond rechts een kerkgebouw
  • Op de achtergrond links de contouren van een stad of kasteel op de heuveltop
  • Links en rechts monniken die zieken verzorgen
  • Boven hem twee engelen met een tekstvaandel en in hun hand een kruisbeeld en gebroken palmtak

De uitbeelding van Rochus
De pelgrimstocht van Rochus naar Rome en weer terug nam vijf jaar in beslag, en op de terugweg werd hij getroffen door de pest. Dat betekent dat hij op het afgebeelde moment circa 25 jaar oud was, hetgeen op het schilderij ook niet onaannemelijk is.
Hij is gekleed in een schoudermantel, van andere afbeeldingen ook wel bekend als “Jacobsmantel” of “pelgrimsmantel”; een mantel dus die door pelgrims werd gebruikt tijdens hun pelgrimage. Iets dergelijks geldt voor de schelp op zijn linker schouder: het is de Sint-Jacobsschelp die in de iconografie wordt gebruikt op de hoed of mantel van een persoon die als pelgrim moet worden afgebeeld. Dezelfde schelp dient als herkenningsteken langs de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella. En, juist ja, het is dezelfde schelp die Shell heeft gebruikt als beeldmerk. De schelp als symbool heeft een voorchristelijke betekenis: die van het vrouwelijk geslachtsdeel dat nieuw leven voortbrengt. Er zijn schilderijen waarop de geboorte van Venus uit een schelp te zien is. De christenen hebben dat symbool met weinig moeite getransformeerd tot Mariasymbool; er zijn immers wel meer parallellen tussen Venus en Maria.
De staf in Rochus’ rechterhand is te benoemen als pelgrimsstaf, louter bedoeld als wandelstok, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de rijk versierde bisschopsstaf (denk aan de staf van Sinterklaas) die slechts een ceremoniële functie vervult en in de iconografie duidt op een kerkelijke hoogwaardigheidsbekleder (bisschop, kardinaal of paus).
Het aureool achter zijn hoofd is kenmerkend voor een heilige. Niet onvermeld mag blijven dat de diverse bronnen het er niet over eens zijn of Rochus inderdaad wel officieel is heilig verklaard, of alleen maar in het volksgeloof als heilige is vereerd.
Rochus wijst met zijn linker wijsvinger naar een open wond op zijn linker bovenbeen. Uit de diverse beschrijvingen weten we dat het hier gaat om een opengesprongen pestbuil. Veel verhalen over Rochus melden dat het hondje dagelijks de wonden van Rochus schoonlikte; andere bronnen houden het op een engel die zijn wonden genas (zonder erbij te vertellen hoe dat in zijn werk ging).
Dat Rochus zijn rechter hand tegen het hart drukt, is een teken van trouw aan het geloof. Op de afbeelding is daarenboven goed te zien dat op de knokkels van vier vingers zwarte plekjes zitten: pestzweren.
Al met al voldoet Rochus op deze afbeelding volledig aan de iconografische verwachtingen, in vergelijking met de vele andere Rochusafbeeldingen die bewaard zijn gebleven.

De uitbeelding van de omgeving van Rochus
In zeer veel gevallen is het hondje aan de voet van Rochus een iconografisch signaal dat we met Rochus te maken hebben. In andere afbeeldingen treffen we ook wel een varken aan, teken van de beschermheilige tegen varkenspest.
Het hondje draagt een brood in de bek, hetgeen correspondeert met het gegeven uit de Rochuslegende dat de hond van “een naburige boer” hem dagelijks brood kwam brengen in zijn afgezonderde verblijfplaats tijdens zijn ziekte.
Het kerkgebouw rechts achter heeft allereerst de symbolische betekenis dat het tafereel zich afspeelt tegen een kerkelijke achtergrond. Maar er kan meer aan de orde zijn. Daarvoor zouden we moeten weten of Seiber een bepaalde kerk heeft nageschilderd of niet, en dat gegeven ontbreekt tot op heden. We zouden kunnen denken aan een kerk in of bij het Italiaanse Piacenza, de stad waar Rochus op zijn terugweg zelf de pest opliep. Maar Piacenza staat bekend als “de stad met de honderd kerken”, dus dat wordt lastig zoeken…
Links boven op de heuvel bevindt zich de bewoonde wereld. Los van de vraag of het hier een stad dan wel slechts een kasteel betreft, beeldt de compositie van het schilderij in ieder geval uit dat pestlijders doorgaans naar buiten de bewoonde wereld werden verdreven om verder besmettingsgevaar te voorkomen. Soms werd er dan voedsel voor hen neergezet, dat zij pas mochten ophalen als de bezorger weer was teruggekeerd. Hun besmette kleding moesten ze in de rivier werpen en af laten drijven, want bij verbranding ervan zou “slechte lucht” ontstaan die de ziekte op anderen kon overdragen. Dat er verder stroomafwaarts wellicht gezonde mensen in de rivier aan het baden waren, of nog erger: het water van de rivier gebruikten om te drinken en te koken, kwam in die denkwereld niet op.
In de afgebeelde monniken die kennelijk pestlijders aan het verplegen zijn, kunnen we Antonieten herkennen. Dat was een gemeenschap, oorspronkelijk van lekenbroeders die zich in de 13e eeuw van de Benedictijnen hadden losgemaakt en die zich beijverden in het verplegen van zieken. Hun tonsuur (geschoren kruin) was ook kenmerkend voor onder meer de leden van de Benedictijnenorde.
Tot slot de engelen. De linker heft een kruisbeeld. Dat is het iconografisch signaal dat we met een geloofsverkondiger te maken hebben. De rechter engel houdt een gebroken palmtak omhoog, hetgeen iconografisch wijst op een martelaar. Zij houden een vaandel vast waarop de tekst staat: “Eris in peste patronus” (“Bij de pest zul jij een patroon zijn”); dat is dezelfde spreuk die we vaker op afbeeldingen van Rochus tegenkomen, waarmee het kan worden betiteld als een soort lijfspreuk van de heilige Rochus.

Twijfelgevallen
Er blijven voor mij nog enkele onopgeloste details over:

  • Waarom draagt de rechter engel een gebroken palmtak, terwijl Rochus in strikte zin geen martelaar was? Is het omdat hij zijn leven offerde in dienst van zijn geloof? Heeft het toch op enigerlei wijze met zijn dood te maken?
  • Tussen Rochus en de tent zien we, boven de kop van de hond, in de verte een boom. Die kan puur dienen als vlakvulling, maar er kan ook een symboliek achter schuilgaan. Als we bedenken dat zeker tot in de late middeleeuwen boommagie veelvuldig voorkwam (bv. onder een eik werd recht gesproken; onder een linde werd recht gedaan), dan is het best mogelijk dat de boom op dit schilderij ook niet betekenisloos is. Allereerst moet dan worden vastgesteld welk soort boom het is, en vervolgens welke symboliek die boom in de iconografie draagt.
  • Op de heuveltop is bebouwing zichtbaar. Een stad? Een fort? Een kasteel? Ongetwijfeld zal de schilder een model voor ogen hebben gehad. Pas als we weten om welke plaats het gaat, kunnen we eventuele betekenis daaraan toekennen.
  • Hetzelfde geldt voor de kerk rechts op de achtergrond. Het moet te vinden zijn welk kerkgebouw hier is nageschilderd, want de afbeelding biedt aanknopingspunten genoeg. Maar vooralsnog kan ik deze kerk niet traceren. Het kan een van de vele Sint-Rochuskerken zijn (in het Frans: Saint-Roch; in het Italiaans: San Rocco), maar daarover heb ik geen zekerheid.
  • Wat we wel kunnen zien, bijvoorbeeld aan de schaduwen in het schilderij, is dat de kerk de toren aan de westzijde heeft, waarschijnlijk dus boven de hoofdingang, want het altaar staat gebruikelijkerwijs naar het oosten gericht, dus rechts op de afbeelding. De bouwstijl van de kerk -de vorm, de toren, de openingen- lijkt sterk op veel romaanse kerken in Noordoost-Frankrijk, maar meestal hebben die ook nog steunberen aan de buitenzijde en die ontbreken hier. Ik wijs daarop omdat ik het schilderij heb gevonden op een markt in een dorp tussen Dijon en Langres en het dus mogelijk door een schilder uit die contreien is gemaakt.

Als iemand rond deze vraagtekens enige helderheid kan verschaffen, of nog andere aanvullingen of verbeteringen kan aandragen, zou ik het zeer op prijs stellen die in de vorm van een reactie op dit artikel onder ogen te krijgen.

 

 

 

De Dertigjarige oorlog

De Dertigjarige oorlog (1618-1648) vormt het laatste deel van de Tachtigjarige oorlog. Het was een Europese oorlog waarvan het doel en de gebeurtenissen zo complex zijn dat ze zich lastig kort laten samenvatten. Dankzij een bewaard gebleven Frans journaal, opgetekend tussen 1628 en 1658, kunnen we echter zeer concreet achterhalen wat er tijdens die oorlog gebeurde op 25 september 1636 in het Franse dorpje Hortes. Een verslag.

Inleiding
Het nadeel van overzichtsartikelen is dat ze per definitie weinig details geven. De Dertigjarige oorlog staat bijvoorbeeld mooi beknopt samengevat op Wikipedia, maar het kleine leed, dat in elke oorlog individuele burgers zo zwaar treft, zul je er niet in vinden. Bovendien zal blijken dat deze oorlog door enkele andere factoren voor de burgers nog ernstig werd verzwaard en dat er opvallende gelijkenissen zijn tussen wat er zich op die bewuste dag in Hortes afspeelde, en wat we summier te weten kunnen komen uit wat er zich rond datzelfde jaar afspeelde in dorpen in Oost-Brabant en Noord-Duitsland. Bij de Dertigjarige oorlog waren namelijk nogal wat landen betrokken: Denemarken, Zweden, Duitsland, De Nederlanden, Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije, Bohemen, Kroatië, Spanje (ik noem de gebieden maar even met de namen zoals ons die nu bekend zijn; de werkelijke landsgrenzen liepen niet geheel parallel met nu en ze wijzigden zich ook tijdens die oorlog).

En wat alles nog schrijnender maakt: de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog waren niet exclusief iets van toen: de verhalen en beelden die wij kennen van de Tweede Wereldoorlog, De balkanoorlogen, de dictaturen in Argentinië en Chili en diverse oorlogen in het Midden-Oosten en Afrika leveren angstig nauwkeurige overeenkomsten op. De geschiedenis herhaalt zich.

Bronnen
In 1880 verscheen voor het eerst in druk het handgeschreven journaal van Clément Macheret, destijds priester te Langres en vanaf 1637 pastoor te Hortes. Het heeft als titel “Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658” (“Journaal van wat er aan belangwekkends is gebeurd te Langres en omgeving vanaf 1628 tot aan 1658″). Het bevat minutieuze aantekeningen en details van situaties en gebeurtenissen in het gebied rond Langres. De betrouwbaarheid ervan lijkt tamelijk correct te zijn, zeker ook omdat hij direct opschreef wat er zich allemaal afspeelde. Zijn verslag ligt aan de basis van het verhaal van Hortes 1636 hieronder.

Verder beschikken wij nog over een “beeldverslag” in de vorm van gravures van Jacques Callot uit Nancy. Die tekenen niet rechtstreeks de gebeurtenissen in Hortes, maar wel die van de dertigjarige oorlog in Lotharingen en zijn daarmee redelijk maatgevend voor het beeld van 1636. Zijn twee reeksen gravures (“Misères de la guerre” ofwel: “Kleine en grote verschrikkingen van de oorlog”) uit 1633 en 1635 zijn her en der op internet te vinden. De gravure hierboven stamt ook uit die beeldreeks. Voor verder bronnenmateriaal zie aan het einde van dit artikel.

Bijkomende factoren
De Dertigjarige oorlog was niet de enige ramp die grote delen van de Europese bevolking trof. Een optelsom van elkaar versterkende bijkomende factoren verergerden de situatie voor de burgerij: de pest, misoogsten, honger, armoede en economische malaise gingen hand in hand en als in een draaikolk zogen ze de mensen naar de bodem van het bestaan – of nog daar voorbij: in de eerste helft van de 17e eeuw zijn in Oost-Frankrijk tientallen dorpen geheel ontvolkt geraakt; in tal van andere verloor een derde tot de helft het leven als gevolg van de vele ontberingen. Als daar dan ook nog eens een oorlog overheen komt, is het leed niet meer te overzien.

De pest woedde begin 17e eeuw in heel Europa en men had er totaal geen antwoord op (de pestbacterie werd pas eind 19e eeuw geïdentificeerd). Rondtrekkende legers voerden ook de ziekte met zich mee, hetgeen de verspreiding van de epidemie enorm bevorderde. Beperken we ons tot het gebied rond Hortes, dan hebben we ook nog eens te maken met een klimatologisch uitzonderlijk jaar 1636: van het voorjaar tot diep in de herfst was het enorm heet en extreem droog; voor een epidemie een uiterst gunstige omstandigheid, zeker omdat de weerstand van de bevolking zienderogen afnam. Immers, door die droogte ontstonden misoogsten, het magere vee kon het land niet bemesten, de harde grond kon niet worden bewerkt door de verzwakte bevolking, boeren konden hun pacht niet meer betalen en moesten geld lenen, maar de opbrengsten waren zo gering dat ze zelfs niet meer de rente van de lening konden aflossen. Als gevolg daarvan lieten velen hun land voor wat het was en trokken met familie en al de bossen in om te leven van wat er daar te vinden was. Begin 1636 aten de hongerige dorpelingen het zaaigoed voor het komende seizoen op, zodat het in ieder geval zeker was dat er volgend jaar ook niets te oogsten zou zijn. Er zijn berichten van tijdgenoten dat zelfs kannibalisme de kop opstak: moeders die hun kinderen doodden, en omgekeerd, om aan eten te komen.

Een andere factor, die ook met de droogte had te maken, was de slechte hygiëne in de streek die op zich al ziekten en epidemieën in de hand werkte. De economie, die voor een groot deel dreef op akkerbouw en veeteelt, zeker in een dorp als Hortes, zakte geheel in elkaar, met onder meer als gevolg dat bakkers in de dichtstbijzijnde grote stad (Langres) geen brood meer konden bakken en verkopen, maar integendeel, naarstig op zoek gingen naar graan. Bovendien werd de markt in Langres op een gegeven moment in 1636 gesloten vanwege de pest. Dat maakte niet eens zoveel uit, want goederentransport van en naar de stad was sowieso al onmogelijk geworden door de gevaren van rondtrekkende legers, plunderaars en struikrovers.

Het naderend onheil
In september 1636 trok een leger van enkele duizenden (huur-)soldaten van de Franche-Comté naar Lotharingen, waarschijnlijk met de bedoeling om langs de Rijn door te stoten naar Noord-Duitsland, waar het protestante verzet vanuit Zweden en Denemarken groot was. In veel kronieken worden deze soldaten aangeduid als “de Kroaten”, maar in feite was het een allegaartje van Spanjaarden, Fransen, Duitsers en strijders uit de Balkanlanden die zich uit armoe, eerder dan vanwege het avontuur, bij de troepen hadden aangesloten. Zij ontvingen al dan niet soldij (dat hing af van de successen en van de houding van de bevelhebbers), maar zij konden zich materieel vooral in leven houden door plunderingen en afpersingen, psychisch door ongebreidelde volupteuze verkrachtingen, martelingen en moordpartijen. Gebruikelijk was ook dat aan steden en dorpen een vaak enorme schatting werd opgelegd, maar de revenuen daarvan waren niet op de eerste plaats voor de soldaten bedoeld.

Op hun weg naderden de troepen Hortes, op bijna 15 km ten oosten van Langres. Zij namen hun intrek in een naburig dorp (met alle plunderingen, “niet nader te noemen misdrijven” en slachtpartijen van dien) en op dinsdag 23 september verscheen een troepje verkenners aan de rand van Hortes. Die werden door de plaatselijke bevolking met geweld verjaagd. Even later verscheen er opnieuw een vijandelijke delegatie waarmee ditmaal wel werd gesproken en die met enkele kruiken wijn weer vriendelijk werd teruggestuurd. Intussen was het duidelijk geworden dat het hele leger van plan was om via Hortes verder te trekken richting Lotharingen.

Op 24 september roofden soldaten op klaarlichte dag zowat de gehele veestapel van Hortes uit de velden van het dorp: 1500 runderen en 3000 schapen, meldt Macheret. Daarmee was de melk- en vleesvoorziening van de in Rosoy gelegerde soldaten weer even op peil gebracht. Aan de andere kant: Hortes zat zonder veestapel ook zonder melk, kaas, vlees, vet, huiden, wol, mest en wat al niet meer. Een veestapel was voor een dorp een basis voor het dagelijks bestaan.

Later die dag verscheen er wederom een hoge delegatie om de besluiten van bevelhebber Mathias Gallas, de gevreesde vechtjas aan wie de commercie 350 jaar later nog wel wat wist bij te verdienen, kenbaar te maken: morgen zou het leger door Hortes trekken; elke vorm van tegenstand zou niet worden getolereerd; de hele bevolking moest bij zonsopgang het dorp hebben verlaten om de doortrekkende soldaten de gelegenheid te geven de huizen binnen te treden en eruit weg te halen wat van hun gading was, en kon dan bij zonsondergang weer huiswaarts keren; bovendien, om de soldaten niet al te kwaadaardig te stemmen, moest Hortes vandaag nog een schatting komen betalen.

De dorpelingen verkeerden in verwarring door deze dramatische eisen. Intern overleg volgde en de uitkomst ervan was dat 200 dorpelingen ermee instemden en van plan waren de volgende ochtend het dorp te verlaten, maar dat de 400 anderen het niet over hun kant wensten te laten gaan en vastbesloten waren het dorp met hand en tand te verdedigen. Het onderling meningsverschil was even onoplosbaar als verscheurend: de scheidslijn liep soms dwars door een gezin heen, waarvan sommigen ervoor kozen te vertrekken en anderen om te blijven. De hele nacht werkten er dorpelingen aan het opwerpen van barricaden en inrichten van andere versterkingen op alle toegangswegen van het dorp.

De ontknoping
Rond 9 uur ’s ochtends op donderdag 25 september 1636 verscheen een leger van circa 4000 soldaten, te voet en te paard, in een enorme stofwolk aan de horizon. Van twee kanten naderden de soldaten Hortes en eenmaal dichterbij gekomen bemerkten zij dat de toegangswegen waren gebarricadeerd. Dat was tegen de afspraak (afspraak?) en hoewel de barricades betrekkelijk eenvoudig konden worden geslecht, was het wel duidelijk dat deze houding van de dorpelingen niet zonder consequenties zou wezen. De verdedigers van de barricades waren inmiddels gedood of gevlucht; anderen hadden zich in huizen verschanst. Achtergebleven vrouwen en kinderen waren in de goed vergrendelde kerk van Hortes bijeengekomen in de verwachting dat het Heilig Roomse leger de kerk wel ongemoeid zou laten.

De verschrikkingen van de oorlog werden vanaf nu alom zichtbaar: soldaten trokken huis na huis binnen en haalden eruit wat ze te pakken konden krijgen. Veel was er in die huizen niet te halen. Al helemaal geen voedselvoorraden; geen geld, sieraden, tin- of koperwerk van enige waarde; alleen sobere gebruiksvoorwerpen en textiel. Goederen werden op karren gesmeten, levende personen werden naar buiten gesleurd en op beestachtige wijze vermoord, vaak ook na eerst te zijn gemarteld. Intussen werd het ene huis na het andere in brand gestoken. Het kurkdroge hout en de rieten daken werden een makkelijke prooi van de gretige vlammen.

Vanuit de kerk werd er enige tijd op de soldaten geschoten. Macheret beweert dat daarbij 200 Kroaten het leven lieten, maar dat lijkt een onwaarschijnlijk hoog aantal. In ieder geval was het voor het leger het sein ook de kerk in brand te steken en te bestormen. Dat laatste lukte maar moeizaam. Uiteindelijk werd de grote deur geforceerd en voerden de soldaten de aanwezige vrouwen en kinderen naar buiten. Volgens Macheret gebeurden er daarbij dingen die hij beter maar niet kon opschrijven, maar uit vergelijkbare gebeurtenissen elders weten we dat vrouwen en kinderen waarschijnlijk op grote schaal zijn verkracht en dat zowel de vrouwen als de kinderen, van baby’s tot jonge tieners, zonder pardon werden afgeslacht.

Plattegrond van het toenmalige Hortes


De balans was even triest als totaal: alle 400 achtergebleven Hortenaren vermoord, alle huizen en de kerk afgebrand, alles van enige waarde geroofd. De 200 dorpelingen die diezelfde avond terugkeerden restte niets anders dan hun dorp weer van de grond af te moeten opbouwen. Zij zijn in feite de voorouders van de 550 inwoners die Hortes vandaag de dag telt.

Parallellen
Tot in de kleinste details kunnen we gebeurtenissen als die in Hortes op 25 september 1636 lezen in kronieken uit andere plaatsen, tot in Noord-Brabant aan toe. In de Kempen, het Land van Cuijk (Cuijk, Oeffelt, Boxmeer e.a.) en net over de grens in Goch en Kevelaer heersten in 1636 dezelfde omstandigheden van honger en armoe, pest en sterfte. En ook daar kwam dan nog eens een doortrekkend leger overheen met plunderingen, brandstichtingen, slachtpartijen als hierboven beschreven. Opmerkelijk is dat er nu nog steeds in Kevelaer een Kroatenstraße is, een wrange herinnering aan een bitter verleden.

Hetzelfde verhaal treffen we aan in Sleeswijk-Holstein, ook rond 1636, in het boek van Henty “Onder de vanen van Gustav Adolf” uit 1900, vertaald door Titia van der Tuuk. Hoewel deze roman is geschreven vanuit het perspectief van een Schotse huursoldaat, krijgen we ruim voldoende informatie die zonder meer te koppelen is aan wat bekend is van Hortes 1636. Zo is enerzijds Hortes “slechts” een van de vele voorbeelden van de verschrikkingen van de Dertigjarige oorlog, maar anderzijds: juist door de gedetailleerde verslaglegging van Macheret is het leed in zijn ellendige context heel persoonlijk geworden: geen helden, geen grote getallen, geen veroverde gebieden, maar uitsluitend arme, zieke en tenslotte afgeslachte dorpelingen die niet eens precies wisten wie er nou eigenlijk tegen wie vocht. Laat staan waarom.

Literatuur
Uit de grote lijst van beschikbare titels rond de Dertigjarige oorlog volgt hier een beknopte selectie van Franstalige en Nederlandstalige werken. Die levert voldoende trefwoorden en aanknopingspunten op om via Internet of bibliotheken meer over het onderwerp te weten te komen.

Over wat zich in Hortes in 1636 afspeelde, heb ik een Nederlandstalige historische miniroman geschreven: Leonard Loonen, Hortes 1636. Den vlammen ten prooi. Soest. Boekscout 2009. 116 blzz; 20×12½ cm.
PRIJS: € 14,95.
Te bestellen per e-mail via luetapprouve@gmail.com.

 

 

 

 

Verdere bronnen:

  • BARTEN, J.T.P., Oeffelt in nood in 1636 door benden Kroaten. In: MERLET, jg.17 (1981) Nº 2, p.42-44.
  • BOILLOT, Joseph, Artifices de feu et divers instruments de guerre. Chaumont, 1598.
  • LES CAHIERS HAUT-MARNAIS 1946-2000. DVD. Chaumont 2006.
  • DOUMA, H., Kroaten verwoesten de Cuijkse rosmolen. In: MERLET jg.11 (1966), p.23.
  • EBELING, J.-B. (samenst.), Louis XIII. Extraits des Mémoires du temps. Préface d’Emile Henriot. Paris. Librairie Plon 1937.
  • FOURET, OLIVIER (samenst.), Les frères Le Nain. Série Chefs-d’œuvre de l’art – Grands Peintres Nº 54. Paris, Hachette 1979.
  • GOOSSENS, C., Plunderingen door de Kroaten gedurende de jaren 1635 tot 1641. In: MERLET, jg.40 (2004) Nº 2, p.45-49.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven de stad van Kempenland.Turnhout, Drukkerij Beersmans-Pleek. 1890. 2 delen, 404 + 408 p.
  • HOUBEN, L.G.A., Geschiedenis van Eindhoven. De stad van Kempenland. Schiedam. Schiepers. 1978. Herdruk van het oorspronkelijke werk van 1889. 2 delen in één band. 404 + 408 blz.
  • HUGUES, E., Langres au début du XVIIe 1610-1660. Langres 1978. Dominique Guéniot.
  • JOLIBOIS, EMILE, La Haute-Marne ancienne et moderne. Dictionnaire géographique-statistique-historique-biologique. 1858. Réimpression 1982.
  • LEFRANC, ABEL, Het dagelijks leven in de renaissance. Utrecht. Het Spectrum z.j. Prisma-boeken 306.
  • LOUIS, GERARD, La guerre de Dix Ans 1634-1644. 1998.
  • MACHERET, CLÉMENT, Journal de ce qui s’est passé de mémorable à Lengres et aux environs depuis 1628 jusqu’en 1658. 1880.
  • MÉTHIVIER, HUBERT, L’ancien régime. Paris 1983. Presses universitaires de France. Que sais-je Nº 925.
  • MONUMENTS HISTORIQUES, Champagne-Ardenne. № 145 (juin-juillet 1986). 1986. Paris, C.N.M.H.S.
  • PÉCHINÉ, EMILE, Hortes, Mon Village. 2003. Edité par sa fille Marie Péchiné.
  • PERU, JEAN-CHARLES, La vie quotidienne dans le bailliage de Langres aux XVIIe et XVIIIe siècles. 1999.
  • PIEPAPE, LEONCE DE, Histoire militaire du Pays de Langres. 1884. Réimpression 1984.
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Les environs de Langres. 1836. Réimpression 1989. 2 Volumes. Heruitgave van: Pistollet (1836).
  • PISTOLLET DE SAINT-FERGEUX, Recherches historiques et statistiques sur les principales communes de l’arrondissement de Langres. Première partie. 1836.
  • RICHARD, LIEUTENANT, Les petits Français à la guerre. z.j. [1892].
  • SADOUL, GEORGES, Jacques Callot. Mirroir de son temps. Paris 19691-19902. Gallimard.
  • SCHRÖDER, Th. (inl), Jacques Callot. Das gesamte Werk. Handzeichnungen. Zwei Bände. München, Rogner&Bernhard 1971.
  • SPRUIJT, H.J.M., De ‘Reeckeningh de Kerkck van Moock aengaende’ in de ‘Croatische trobbelen’. In: MAASGOUW CII (1983), p.39-45.
  • TUUK, TITIA VAN DER, Onder de Vanen van Gustaaf Adolf. Naar het Engelsch van G.A. Henty. Met 10 fraaie platen. Almelo z.j. [±1900]. W. Hilarius Wzn.