Taalverloed (1/2)

De react van Arjen Hoogervorst, nu twee week her, en te lezen onderaan mijn startblz, noopt mij tot een XXL-respo. Niet dat ik ‘t niet met hem 1s ben, maar ik kan daar niet int kort op ingaan niet.

Allereerst, ik zal maar even op gewoon Nederlands overgaan, is er een groot verschil tussen taalkundig-wetenschappelijke observaties en uitspraken, en waardeoordelen van meer emotionele aard, waartoe ook de term taalverloedering mag worden gerekend. Vervolgens rijst de vraag naar de “wettelijke” status van onze grammatica en woordenboeken, waar de term taalverandering een rol speelt. Ten slotte is er een wijzende vinger naar onze opvoeders en naar gezaghebbende instituties als de publieke omroep en de landelijke dagbladen, maar meer in het bijzonder het begrip taalonderwijs.

Taalverloedering impliceert een afkeuring van een vorm van taalverandering die twee kanten op kan wijzen:

- Ofwel het is het afkeuren van taalgebruik dat (te) sterk afwijkt van wat een ander “normaal” taalgebruik acht, waarvoor tot voor kort de term ABN bestond. Maar omdat Algemeen Beschaafd impliceert dat afwijkende vormen onbeschaafd, zo niet onbeschoft zijn, is het sociaal incorrect nog van ABN te spreken. Dus noemen wij het “Algemeen Gebruikelijk Nederlands” of “standaardtaal”, maar dat is oude wijn in nieuwe zakken. Zo lang deze afkeuring is gebaseerd op subjectieve, wellicht emotionele gronden, valt er weinig over te discussiëren en als er al een probleem is van het kaliber A praat/schrijft anders dan B, dan is dat probleem onoplosbaar en is de “waarheid” of “correctheid” onderhevig aan de macht van het getal. Voorbeeld van een vormelijke, modieuze trend: als in grote meerderheid, en zeker niet alleen bij Nederlands sprekenden onder de 25, de zogeheten Gooise R (of: hockey-R) uit de mond rolt, erger ik me groen en geel. Voor de klas liet ik het dan ook nooit na daarop subiet een persiflage te produceren in de hoop dat er een “normale” R zou gaan komen, zoals die -uitzondering- bij Marco Verhoef en Arno Vermeulen goed waarneembaar is. Maar ik heb geen poot om op te staan. Ik bedoel: er is geen enkel voorschrift of wettelijk dictaat om deze of gene R te produceren. Ik kan dus vinden wat ik vind, maar waarom ik dat vind, blijft vaag, laat staan dat ik het tij kan keren.

- Anders ligt dat wanneer iemands taalgebruik inhoudelijk morrelt aan de communicatieve waarde van het taalaanbod. Als bijvoorbeeld onder invloed van taalversnelling of de veel te kleine toetsjes op smartphones, of gewoon slecht onderwijs, iemand oorzaak en gevolg verwisselt, omdat en doordat verkeerd gebruikt, zinnen begint zonder ze af te maken, en dat soort dingen, kan er met recht om een correctie worden gevraagd. Immers: taal gebruiken is de communicatiewijze bij uitstek. Waarom zou iemand die meent iets te moeten meedelen of vragen er genoegen mee nemen dat maar 60% van de mededeling of vraag helder bij de gesprekspartner overkomt, terwijl dat ook 90% of 100% zou kunnen zijn? Inderdaad heeft internet en het mobiele telefoonverkeer enorm bijgedragen aan een grotere stroom van taaluitingen (dat op zich is een pluspunt), maar ook tot een toename van taalversnelling, dat is: meer willen zeggen in minder woorden. En dat is niet per definitie efficiënter. In plaats van snel even iemand te appen terwijl je over straat fietst, zou je ook gewoon naar huis kunnen rijden en er daar even rustig voor gaan zitten en nadenken en formuleren voordat je iets daadwerkelijk de lucht in stuurt. Daarmee geef ik geen subjectief waardeoordeel, maar promoot ik een zuiverder taalgebruik om tot betere communicatie te komen, in ieders belang. Het aloude adagium dat sollicitatiebrieven vol taalfouten direct in de prullenbak verdwijnen is van dezelfde orde.
Wie spreekt van de vertrossing van ons taalgebruik, doelt op zowel de vormelijke als inhoudelijke verandering, vervlakking zelfs, van het taalaanbod, met een sterke ondertoon van afkeuring. Verloed dus.

Taalverandering impliceert dat er een norm bestaat, vastgelegd in een grammatica en een woordenboek, waaraan ieder zich heeft te houden, welke norm in de loop der jaren meeschuift met wat kennelijk taalgebruikelijk is geworden.
Allereerst maak ik hier onderscheid tussen twee soorten grammatica: de prescriptieve en de descriptieve grammatica. Beide bestaan niet, in zuivere vorm, dus ik licht ze even toe.

De prescriptieve, of voorschrijvende grammatica heet een normatieve grammatica te zijn die voor een bepaald taalgebied formeel vaststelt “hoe het moet” met taalregels, hetgeen meestal beperkt blijft tot regels over zinsbouw, naamvallen en spelling. Het heet dat de Franse grammatica prescriptief is, met de Académie française als notoire en elitaire waakhond, en dus bepaalt hoe Fransen zich talig dienen te gedragen, met inbegrip van de taallessen op school. Maar ook de Académie moet overstag: tegen de regels in gaat half Frankrijk de dubbele ontkenning ne…pas negeren en zegt en schrijft tegenwoordig rustig: “je sais pas” (“kweenie”), en tal van Franse patiënten zeggen, als ze naar de huisarts gaan: “Je vais au médecin” in plaats van het correcte “Je vais chez le médecin”. Vroeg of laat zal ook de Académie dan wel bijdraaien, zeker als deze veranderingen ook in de “officiële”, d.w.z. de in Parijs bewierookte literatuur gaan verschijnen. De norm is dus maar net zo sterk als de meerderheid die haar hanteert. Beter gezegd: omgekeerd evenredig daarmee.

Nagenoeg alle verschenen grammatica’s van het hedendaags Nederlands zijn descriptief, beschrijvend van opzet. Deze werken beschrijven wat in de actuele situatie het taalgebruik is, en daarom moeten zij ook elke 10, 20 jaar worden herschreven. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is momenteel de meest uitgebreide Nederlandse grammatica, die voor het eerst verscheen in 1984, gevolgd door een tweede druk in 1997 en sinds 2015 loopt er een Nederlands-Vlaams project voor wederom een herziening, om tussen 2016 en 2019 tot een versie te komen die weerspiegelt hoe Nederland in begin 21e eeuw taalt.

Maar ook hier zit er nog een aap in de mouw en steekt er nog een adder zijn kop boven het gras: ook de descriptieve ANS gaat uit van “hoe het hoort”, van ooit door wie dan ook opgestelde taalregels waaraan men zich dient te houden: prescriptief dus. Vandaar dus dat je in de ANS op diverse plaatsen mededelingen aantreft in de trant van “Het moet eigenlijk zus, maar tegenwoordig hoor je ook vaak zo. Dit gebruik keuren wij niet af”.
Dit is wat ik bedoelde met mijn eerdere uitspraak dat puur prescriptieve of descriptieve grammatica’s niet bestaan. Ook niet kunnen bestaan, eigenlijk.

Overigens zit de grootste taalverandering in ons vocabulaire, de woordvoorraad waarvan wij ons bedienen, en de bijbehorende spellingsproblematiek. Maar daarover, en over de hierboven beloofde wijzende vinger, kom ik in het vervolgartikel te spreken.

 

Koppelwerkwoorden – hoeveel en waarom?

In de Nederlandse grammatica maken we traditioneel onderscheid tussen werkwoordelijk en naamwoordelijk gezegde. Het naamwoordelijk gezegde kenmerkt zich door de aanwezigheid van een koppelwerkwoord en een naamwoordelijk deel. Vroeger werden als koppelwerkwoord beschouwd: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Sinds enkele tientallen jaren zijn dat alleen nog maar de eerste drie van dat rijtje. Hoe zit dat nu precies en zijn het er echt nog maar drie?

Kenmerk van het naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde drukt een eigenschap, hoedanigheid, beroep of functie van het onderwerp uit, ofwel, om het in voorbeelden weer te geven:

  • (1) Damiaan is volwassen
  • (2) Damiaan is de weg kwijt
  • (3) Damiaan is monteur
  • (4) Damiaan is penningmeester

Soms, zoals bij de zinnen (1)-(2), kunnen we dat in het Nederlands ook uitdrukken met behulp van een bijvoeglijk naamwoord:

  • (1a) De volwassen Damiaan
  • (2a) De afwezige Damiaan

Omgekeerd kunnen we een bijvoeglijk naamwoord + zelfstandig naamwoord ook omzetten in een naamwoordelijke constructie:

  • (5) het mooie schilderij → Het schilderij is mooi
  • (6) de geslaagde vakantie  De vakantie is geslaagd

In feite doet het koppelwerkwoord zijn dus niets anders dan een koppeling leggen tussen het onderwerp en het naamwoordelijk deel met als bijkomend gegeven dat dat op dit moment zo is, in het nu dus. Dat verklaart ook dat bij een naamwoordelijk gezegde nooit een lijdend voorwerp kan optreden. Wel een voorzetselvoorwerp (we noemen dat dan een oorzakelijk voorwerp) in zinnen als (het oorzakelijk voorwerp staat onderstreept):

  • (7) Zij is de zwemkunst machtig
  • (8) Hij is moe van al die discussies
  • (9) Hij is oud en der dagen zat

Zoals gezegd: het koppelwerkwoord zijn legt een relatie in het nu. Willen we uitdrukken dat die relatie er nu nog niet is, maar in de toekomst wel, dat gebruiken we het koppelwerkwoord worden:

  • (1b) Damiaan wordt volwassen
  • (2b) Damiaan wordt de weg kwijt (*)
  • (3b) Damiaan wordt monteur
  • (4b) Damiaan wordt penningmeester
  • (5b) Het schilderij wordt mooi
  • (6b) De vakantie wordt geslaagd
  • (7b) Zij wordt de zwemkunst machtig
  • (8b) Hij wordt moe van al die discussies
  • (9b) Hij wordt oud en der dagen zat

(*) Deze zin is voor de meeste Nederlands sprekenden niet acceptabel; liever zeggen zij Damiaan raakt de weg kwijt. Daarover meer in de volgende paragraaf.

Er is nog een derde mogelijkheid: we willen uitdrukken dat de bedoelde relatie er al was, er nu nog is, en er ook in de toekomst zal zijn. Daarvoor dient het koppelwerkwoord blijven. Dat is misschien niet zo zinvol in alle voorbeelden van zinnen (1)-(9), maar in een groot aantal wel:

  • (3c) Damiaan blijft monteur
  • (4c) Damiaan blijft penningmeester
  • (5c) Het schilderij blijft mooi
  • (6c) De vakantie blijft geslaagd
  • (7c) Zij blijft de zwemkunst machtig

En als we alleen maar willen aangeven dat die relatie er in het verleden was, dan gebruiken we gewoon de verleden tijd: is wordt dan waswordt wordt dan werd en blijft wordt dan bleef.

Meer dan drie koppelwerkwoorden
De drie koppelwerkwoorden zijn, worden en blijven kunnen (soms: moeten) in een andere gedaante voorkomen, maar ook dan spreken we van een naamwoordelijk gezegde. Meestal is de parallel met een bijvoeglijk naamwoord+zelfstandig naamwoord dan ook goed mogelijk.

Die varianten zijn:

Voor zijn:

  • luiden : Het antwoord is/luidt ontkennend → het ontkennende antwoord
  • staan : Dat is/staat nog te bezien
  • vallen : Dat idee is/valt te overwegen  het te overwegen idee
  • vormen : Dat is/vormt geen beletsel
  • wezen : Die opmerking kan wel waar zijn/wezen  die ware opmerking
  • zitten : De suikerpot is/zit propvol  de propvolle suikerpot

Voor worden:

  • gaan : Deze poging gaat fout  de foute poging
  • komen : Deze paragraaf komt te vervallen  de vervallen paragraaf
  • raken : De automobilist raakt bekneld; de acteur wordt/raakt vermoeid  de beknelde automobilist; de vermoeide acteur

Voor blijven kennen we geen varianten.

Het rijtje lijken, blijken, schijnen, heten , dunken, voorkomen
Er zijn minstens twee redenen om de andere zes werkwoorden die vroeger ook wel koppelwerkwoord werden genoemd niet langer zo te benoemen.

De eerste reden is een vormkwestie. Immers, bijna altijd kunnen we aan een zin waarin een van die zes werkwoorden het hoofdwerkwoord vormt toevoegen: (…) te zijn/wezen, of (…) te worden/raken, of (…) te blijven:

  • (1d) Damiaan lijkt volwassen te zijn
  • (2d) Damiaan schijnt de weg kwijt te raken
  • (3d) Damiaan blijkt monteur te zijn
  • (4d) Damiaan heet penningmeester te zijn
  • (5d) Het schilderij dunkt me mooi te wezen
  • (6d) De vakantie komt me voor geslaagd te zijn
  • (7d) Zij lijkt de zwemkunst machtig te zijn
  • (8d) Hij blijkt moe van al die discussies te zijn
  • (9d) Hij schijnt oud en der dagen zat te wezen

Vaak is het trouwens zo dat die toevoeging (te zijn enz.) er ook al staat. In die gevallen zul je dat toegevoegde werkwoord ook weg kunnen laten.
In genoemde voorbeelden is het achterste werkwoord (dus zijn/wezen, of worden/raken) het koppelwerkwoord. En omdat we in één zin niet twee koppelwerkwoorden kunnen hebben, moeten we het eerste werkwoord dus hulpwerkwoord noemen. Maar nogmaals, dit is een vormelijk en een beetje technisch argument.

De tweede reden echter is een inhoudelijke en als argument minstens even dwingend. Zoals hierboven uitgelegd drukt het koppelwerkwoord niets meer of minder uit dan een relatie tussen onderwerp en naamwoordelijk deel. De werkwoorden lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen doen dat helemaal niet: die drukken iets anders uit, namelijk de mate van waarschijnlijkheid dat die relatie bestaat, of de mening van de spreker over die mogelijke relatie. Daarmee staan ze op één lijn met de hulpwerkwoorden van modaliteit, zoals kunnen, willen, mogen, proberen, weigeren.

Conclusie
Zo is het antwoord op de vraag in de titel naar het aantal koppelwerkwoord tweeledig:

  • Het zijn er minder dan de negen van het “vroegere” rijtje: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen. Alleen de eerste drie drukken een relatie uit, de andere zes doen dat niet.
  • Het zijn er meer dan de “tegenwoordige” drie: zijn, worden en blijven. Er zijn in het Nederlands varianten in omloop: gaan, komen, luiden, raken, staan, vallen, vormen, wezen en zitten kunnen als vervanger optreden van zijn of worden.