Terechte kampioen


Het is lang geleden dat ik heb gehuild, maar vandaag lukte dat spontaan.
Terecht, na 34 speelronden onafgebroken aan kop.

 


Het was wel wat gecompliceerd, net op de dag dat in Rosoy de jaarlijkse vide-grenier was, maar met wat passen en meten kon ik het nuttige met het aangename combineren.

Kong noch Kuyt

Zoetjesaan begint Feyenoord een beetje op Ajax te gaan lijken: het wint nu ook zijn slechte wedstrijden, zoals die van afgelopen zaterdag thuis tegen De Graafschap, al zag het daar aanvankelijk nog niet eens naar uit, zoals Ajax het de week ervoor thuis ook niet kon bolwerken tegen NEC. PSV net zo min thuis tegen Heerenveen, trouwens.
Het komt in de beste families voor.

 

 

Al heel lang, zeker meer dan tien jaar, was ik niet meer in De Kuip geweest, voornamelijk vanwege mijn francofiele neigingen en de emigratie die daarvan het gevolg was. Maar weer eens in Rotterdam-Zuid aangekomen merkte ik dat de sfeer die ik mij nog zo goed herinner van mijn eerste Kuipbezoek (Feijenoord-Reims, 13 maart 1963, ruim 53 jaar geleden dus) nog steeds even imposant is, zeker bij een lichtwedstrijd, en zeker bij volle tribunes. Niet die 51.000 die er administratief in de Arena zouden zitten, maar gewoon 47.000 hoofdig aanwezigen, die, het zij gezegd, in het eerste half uur wel wat kopzorgen hadden.
Het blijft toch Neêrlands mooiste stadion, met het trouwste publiek, de allerbeste grasmat en met de even spreekwoordelijke als volstrekt unieke Kuipvrees. Het stadion ook waar van alle stadions het rijkste liederenrepertoire klinkt.

Feyenoords onvolprezen jeugdopleiding betaalt zich uiteindelijk wel uit, want wie er ook uit het eerste elftal verdwijnen, steeds staat er nieuwe aanwas klaar om zich een vaste plek te verwerven. Het heet dan, dat je een brede bank hebt, en ik weet niet of deze stijlfiguur nu een pars pro toto is, of een abstractum pro concreto. Maar hoe het ook heet, als Kuyt (schorsing) en Kongolo (blessure) niet inzetbaar zijn, staan anderen wel op om de klus te klaren.
Goed, na een half uur ongeveer, bij een 0-1 achterstand, werd het toch nog een beetje gezellig, wat na de rust ook in daden werd omgezet met drie luid bejubelde doelpunten.

Dirk Kuyt, ook buiten het veld momenteel het boegbeeld van de club, kwam dat na afloop ook even allemaal haarfijn uitleggen in de Comfort Lounge naast het stadion. Hoe veel er door de club en de oudere spelers wordt geïnvesteerd in het inpassen en continu begeleiden van nieuwe spelers, hoe er wordt gewerkt aan mentale weerbaarheid (practical joke: even zeven wedstrijden op rij verliezen – dat is pas een stage), zodat er vervolgens weer eens vijf wedstrijden op rij in winst worden omgezet en de bekerfinale is bereikt.
Hij verklapte ook dat de spelers, hij als oudstgediende niet uitgezonderd, niet alleen fysiek, tactisch en technisch trainen, maar ook voortdurend psychologisch worden geschoold, in het belang van de teamvorming, het omgaan met emotionele ervaringen, het indammen van excessen (er belanden al met al minder Feyenoorders in politiecellen dan spelers van andere clubs) en natuurlijk de onvermijdelijke mediatraining.
Het was hem aan te zien: tijdens zijn hele causerie en de obligate fotosessie daarna had hij een gebeitelde glimlach op het gezicht (wat mij nooit is geleerd, dus), net zo strak als zijn kapsel, zoals eigenlijk ook zijn hele praatje één grote opsomming was van ingesouffleerde frasen, zo spontaan als ze klonken en zo waar als ze waren. Maar PR is voor de bühne, en daar weet Dirk wel raad mee.

O ja, en wat misschien nog wel het mooiste was: sinds ik begin januari met veel aplomb mijn artikel over het Kuipkwartiertje had gepubliceerd (hier in deze blog en op feyenoordnet.nl) en daar omstandig en met cijfermateriaal gestaafd had beweerd dat Feyenoord patent erop heeft dat het het vaakste scoort in het eerste kwartier van de tweede helft, had de club dat tot afgelopen zaterdag niet éénmaal meer voor elkaar gekregen. Ook statistieken zijn dus voor de bühne. Maar tegen De Graafschap was het dan eindelijk weer eens zover: 1-1 in de 55e minuut. En ik mocht daarbij aanwezig zijn.

 

Kuipkwartiertje

Gisteren gepubliceerd op feyenoordnet.nl.
De club had dus de primeur van het resultaat van een van mijn speurtochten.

 

 

 

 

 


Week in week uit gonst het rond de koffieautomaat van de bespiegelingen over Feyenoord. Op maandag bespreekt men het afgelopen weekeinde na, vanaf dinsdag komen de halve en hele waarheden die iets moeten zeggen over de eerstkomende wedstrijd. Fabeltjes zijn het soms, die waarheden, ook al gelooft de spreker er nog zo heilig in. En inderdaad, een heel enkele keer blijkt er een statistische juistheid achter schuil te gaan.

Ik behandel hier drie van die (voor-)oordelen die zich in de loop der jaren ook in mijn hoofd hebben vastgezet. Ik ben Feyenoordfan sinds seizoen 1958-1959, dus ik kan putten uit een rijk arsenaal aan data.

Het eerste fabeltje is eerder een nachtmerrie: de Vloek Van Venlo, oftewel VVV-uit. Sinds de invoering van het betaalde voetbal moesten de Rotterdammers 20 maal naar Venlo afreizen en op drie overwinningen na moesten ze met de roodwitte staart tussen de benen huiswaarts keren. De eerste overwinning was pas in de tiende ontmoeting (1985-1986; een magere 0-1). De tweede volgde zes jaar later (1991-1992; wederom een magere 0-1) en de laatste zege dateert uit seizoen 2012-2013: een nipte, maar verdiende 2-3, maar dan wel na een 2-0 achterstand. Van de overige 17 wedstrijden sleepte Feyenoord dan nog tenminste acht maal een gelijkspel voor de poorten van De Koel weg, de overige negen wedstrijden gingen roemloos verloren. Toen daar nog Jan Klaassens en Faas Wilkes speelden, en later Keisuke Honda en Ruben Schaken, kon je daarvoor wellicht nog enig begrip opbrengen, maar met een overall doelsaldo in de onderlinge duels van 35-21 in VVV’s voordeel, krab je je toch wel even achter oren. En niemand kan verklaren wat de grond van deze Vloek Van Venlo is, net zomin als waar de opmerkelijke traditie van Utrecht-Ajax vandaan komt. Aan de spelersselectie of de trainers kan het niet liggen, net zo min als aan het gras of het fanatieke Venlose publiek (wel 8.000 max). We wachten maar af tot VVV weer eredivisionist is; dan kom ik er nog wel op terug.

Het tweede fabeltje is inderdaad een waanidee. Toch heb ik al vele jaren het gevoel dat Feyenoord maar niet of nauwelijks uitwedstrijden kan winnen in Noord-Brabant. En dan heb ik het over BVV/Fc Den Bosch, Eindhoven, Helmond Sport, NAC, NOAD, PSV, RBC, RKC en Willem II.

In het staatje hieronder de resultaten van Feyenoord in uitwedstrijden tegen deze clubs sinds 1956-1957, in opklimmende lastpakvolgorde:

Het blijkt dat alleen PSV, en in mindere mate RKC, een weinig positief resultaat voor Feyenoord laten zien, maar voor de rest valt het alles mee. En voor zover ik last mocht hebben van een kortetermijngeheugen: kijkend naar de laatste seizoenen, vanaf 2013-2014 tot heden, dan zijn de resultaten op Brabantse bodem geheel in balans, als Feyenoord op 1 mei 2016 nog even weet te winnen bij Willem II: 3 gewonnen, 2 gelijk, 3 verloren. Het is dus niet waar dat Feyenoord het in Brabant net zo zwaar heeft als in Venlo, al moet ik er wel bij zeggen dat het nou net uitgerekend PSV is dat als enige tegenstander al die jaren vanaf 1956 in de eredivisie heeft gespeeld, hetgeen de statistiek merkbaar beïnvloedt.

Het derde fabeltje staat qua realiteitsgehalte een beetje tussen de twee bovengenoemde fabeltjes in. NAC en ADO schijnen er een beetje patent op te hebben, op een magische periode in een thuiswedstrijd, maar vanaf zeker moment wist ik zo goed als zeker dat Feyenoord in thuiswedstrijden altijd scoort in het eerste kwartier van de tweede helft, dus tussen minuut 46 en 60. Ik volg, thuis in Frankrijk, zowat alle Feyenoordwedstrijden live en weet dat ik er vlak na de rust zeker voor moet gaan zitten: er zal worden gescoord. Maar is dat ook zo?

Ja en nee. Ik ben het eens nagegaan voor de seizoenen vanaf 2009-2010 tot aan de winterstop van seizoen 2015-2016, met de vraag: in welk kwartier vallen de doelpunten in De Kuip voor en tegen Feyenoord, en ook maar meteen even: hoe zit dat in diezelfde periode bij uitwedstrijden van Feyenoord ?
Wat dat laatste betreft: daar klopt het verhaal allerminst:


Maar goed, ik had het ook over een Kuipkwartiertje, en daarvan kunnen we straks misschien wel spreken. 
In uitwedstrijden scoort Feyenoord elk kwartier altijd meer doelpunten dan de thuisspelende tegenstander, behalve nou net in het eerste kwartier van de tweede helft; daar is de stand gelijk: 25 om 25. Zie de onderste TOTAAL-regels. En in ieder geval ligt er in geen van de seizoenen een hoogtepunt in het eerste kwartier van de tweede helft, noch qua doelpunten voor, noch tegen.
Maar dan het Kuipkwartiertje in thuiswedstrijden. In de tabel, achter het seizoen, de trainersaanduiding, resp. Been, Koeman, Rutte, Van Bronckhorst:

Over de seizoenen heen gekeken is Feyenoord-thuis het eerste kwartier van de tweede helft (minuut 46-60) veruit het productiefst, en krijgt het in het laatste kwartier de meeste goals tegen. Dat feit kan wellicht zijn oorzaak vinden in een geruststellende voorsprong van Feyenoord dat dan de teugels laat vieren; denk daarbij maar aan de eclatante 0-5 bij rust in Heerenveen, eerder dit seizoen, waarna de Friezen rustig tot 2-5 mochten terugkomen. Jammer, er had ook een 10-0 kunnen worden weggepoetst.

Maar toch is er met het eerste kwartier van de tweede helft in thuiswedstrijden nog wel meer aan de hand, reden om van een Kuipkwartiertje te mogen spreken. Allereerst is dat het kwartier waarin Feyenoord driemaal zo vaak scoort als de tegenstander (60 om 20), een gunstiger verhouding dan in welk kwartier dan ook. Het is dus Feyenoords meest lucratieve kwartier. Vervolgens geven de statistieken aan dat het vooral onder Koeman (2011-2014) was dat de periode vlak na rust Feyenoord veruit de meeste doelpunten opleverde. De eerlijkheid gebiedt wel te zeggen dat het onder dezelfde Koeman was, dat ook de tegenstander in De Kuip het vaakst het net vond.

Het zegt allemaal niets over De Kuip. Niets over het Legioen. Niets over de zo sterk wisselende spelersgroep in die zeven seizoenen. Misschien zegt het iets over de trainer en zijn inbreng tijdens de rust. Of het ligt aan de thee.
Bovendien blijkt ook nog eens dat Feyenoord het in dat Kuipkwartiertje ook significant beter doet dan het gemiddelde van alle eredivisieclubs bij elkaar. Bezie de gemiddelde scores over het lopende seizoen waarin het opvalt dat minuut 46-60 typische Feyenoordmomenten vormen:


Ten slotte valt het op dat er in De Kuip in de hele tweede helft beduidend meer wordt gescoord dan in de eerste helft, zowel doelpunten voor als tegen: in de eerste helft 106 tegen 190 in de tweede helft. Bij uitwedstrijden van Feyenoord is hetzelfde het geval: 98 tegen 114. Jammer genoeg geldt dat ook voor de tegendoelpunten: thuis 64 in de eerste helft en 68 in de tweede helft, en bij uitwedstrijden zelfs 62 tegen 98. Daaruit kan ik niet zo veel opmaken, maar ik troost me met de wetenschap dat in welke helft en welke speelstad dan ook Feyenoord vaker scoort dan de tegenstander. Statistisch gezien dan.

Misschien is het wel een idee, zo’n Kuipkwartiertje aan het begin van de tweede helft. Daar kan De Kuip wat aan doen, daar kan het Legioen wat aan doen, daar kan misschien de trainer ook wat aan doen. En de spelers zelf maken het dan maar waar.

Feyenoord XXL extended and postponed

De presentatie van het grote Feyenoord-XXL boek, je weet wel, dat enorme en unieke boek van 50×50 cm, 33 kilo zwaar en een kostprijs van € 999,00 die oorspronkelijk stond gepland in maart-april 2016, zal vermoedelijk pas in augustus gaan plaatsvinden. Daarvoor zijn twee plausibele oorzaken aan te wijzen.

Allereerst de onvermijdelijke vertraging die er komt kijken bij het uitgeven van een bijzonder boek. Vertel mij wat. De layout, het drukken, het (met de hand!) inbinden van de katernen van alle 1908 exemplaren, er komen altijd wel problemen en pech om de hoek kijken.

De tweede oorzaak is een zeer hoopvolle. Nu de competitie loopt zoals zij loopt, en zeker na het daverende succes eergisteren in de bekerwedstrijd in De Kuip, gaan er zo links en rechts nogal wat mensen geloven in het wonder dat Feyenoord dit jaar misschien wel eens kampioen zou kunnen worden. Het zou zonde zijn als dan het boek net is uitgeleverd, en het vreugdevolle seizoenseinde erin zou ontbreken. Daarom leeft bij Uitgeverij Kick het voornemen erop te gokken dat het boek zal worden uitgebreid met de Coolsingel 2016 en dan kort daarna feestelijk zal worden gepresenteerd.

Ik noem dat: het genoegen van het uitgesteld verlangen.

 

 

VI donc

Aanvankelijk wist ik niet of ik me gestreeld of belazerd moest voelen, toen ik in de VI nr.46/2014 op blz. 75, onder de kop “Kille bedoening in Berlijn” opeens allerhande zinswendingen tegenkwam die ik o.a. HIER al twee jaar eerder uit mijn eigen pen had laten vloeien.
Na de opmerkingen van VI-hoofdredacteur Tom van Hulsen, die op mijn derde ophelderingsmailtje aan VI uiteindelijk wèl reageerde, wist ik het zeker: hier is gejat door redacteur Iwan van Duren.

Boze tongen beweren dat die wel vaker van andermans bordje eet, maar daarvan heb ik geen bewijs, behalve dan in dit geval. Van Hulsen komt niet verder dan “Ik heb de desbetreffende VI er even bij gepakt en ik begrijp nu dat het gaat om een bijschrift in een fotodocument dat we destijds publiceerden. In dit bijschrift (het behelst niet meer dan zo’n duizend lettertekens) zie ik inderdaad een paar overeenkomsten met uw tekst, maar het gaat dan puur om informatie die vrijelijk beschikbaar is en dus voor iedereen te gebruiken. Ik zie dan ook geen enkele reden dit als plagiaat te bestempelen. Het spijt mij dat er binnen VI niet eerder op uw mails is gereageerd.”
Fi donc, VI, fi donc.
Vergelijk beide teksten en oordeel zelf:

Ik schreef: Nederland had de DDR nog niet eens erkend; dat gebeurde pas begin 1973. Maar het Uefa-lot had begin 1970 toch twee Nederlandse clubs gekoppeld aan teams uit dat niet bestaande land. De ene moest het opnemen tegen Carl Zeiss Jena, voor Feijenoord kwam FC Vorwärts Berlin uit de koker.
VI schrijft: Nederland heeft de DDR nog niet eens erkend in 1970, toch moet er dan tegen een club uit dat land worden gespeeld.

Ik schreef: Geen wonder dat Coen Moulijn aan Ernst Happel had gevraagd hem alsjeblieft niet op te stellen, want voor voetbal van zijn soort was dit een absoluut onmogelijke ambiance.
VI schrijft: ‘Hier kan ik niet spelen, mijnheer Happel’. Zonder Coen Moulijn treedt Feyenoord tegen Vorwärts Berlin aan.

Ik schreef: om er nog het beste van te maken op een terrein dat in feite alleen nog maar geschikt was voor een demonstratiewedstrijd Grieks-Romeins worstelen voor pupillen.
Iwan van Duren maakt daarvan: een veld dat meer geschikt lijkt voor ijsspeedway.

Ik schreef: Het wegdek bestond overigens niet uit beton of asfalt, maar uit bakstenen klinkers en er gold over het hele traject van bijna 200 kilometer een maximumsnelheid van 60 km/u.
Iwan de Verschrikkelijke heeft niet goed gelezen; hij schrijft: De meegereisde fans hebben met zestig kilometer per uur over bakstenen snelwegen gereden.
Punt één: er was maar één snelweg/transitcorridor van Helmstedt naar Berlijn en punt twee: je mocht maar 60, maar we reden 80, zoals ik fijntjes uit de doeken doe in mijn artikel, met een kostbare bekeuring als gevolg. Goed spieken is een vak apart.

Ik schreef: In het uitvak (mocht het die naam hebben?) was het Legioen met zo’n 100 man aanwezig, voor alle veiligheid omringd door een veelvoud ervan aan Vopo’s. (…) Op deze wedstrijd waren nog geen 20.000 bezoekers afgekomen, ongeveer de helft ervan in Vopo-uniform.
In de VI wordt daar kortheidshalve van gemaakt: (De meegereisde fans) zitten nu tussen duizenden militairen te kijken (…)

Ik schreef: Zowel voor de wedstrijd als tijdens de rust reed een aantal Russische trucks het veld op, beladen met geel zand en strooizout dat door bereidwillige militairen over het veld werd verspreid. Dat moest de grond wat minder glibberig maken en was ook heel prettig bij slidings en zo. Misschien was het ook wel een idee van scheidsrechter Jones, die aanvankelijk het veld had willen afkeuren.
VI husselt wat en komt dan met: Als scheidsrechter Jones uit Wales de wedstrijd dreigt af te gelasten, komen er al snel vrachtwagens met strooizout en geel zand op het veld.
(NB: merk de fijnzinnige inversie op:  ”geel zand en strooizout” wordt “strooizout en geel zand”. Een stijlfiguur van waarlijk grote klasse!)

Ik schreef: In de tweede helft 1-0 door Piepenburg en een minuut later een rode kaart voor Piet Romeijn na een welgeplaatste maagstomp op diezelfde Piepenburg. Voor wat hoort wat. Verder geen noemenswaardige schade en twee weken later werd in Rotterdam met 2-0 het eindresultaat prettig omgebogen.
In de déjà-VI-versie wordt dat: Het duel eindigt in 1-0 voor de Oost-Duitsers. Piet Romeijn krijgt ook nog rood. Twee weken later wint Feyenoord met 2-0 in De Kuip.

Toch knap van de hoofdredacteur die de betreffende VI even erbij heeft gepakt en constateert dat er “inderdaad een aantal overeenkomsten met uw tekst” zijn.
Voor een betrouwbaarder en vooral origineler sfeerbeeld van die wedstrijd en wat zich eromheen afspeelde, sla ik mijn verslag toch net ietsje hoger aan dan het goedkope tweedehandsje van “niet meer dan zo’n duizend lettertekens” dat IvD gratis naar zich toe durfde te trekken. 

En over die quizvraag moet je zelf nog maar even nadenken. Misschien valt er een gratis VI-abo mee te verdienen.

 

 

 

 

 

0-5 ; maar liefde maakt blind

AFL. 1 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; enigszins gewijzigd)

________________________________________________________________________________
Eigenlijk heb ik wel een en ander uit te leggen. Bijvoorbeeld hoe ik als Brabander die van zijn eerste tot bijna dertigste jaar in Amsterdam woont bij Feijenoord ben terecht gekomen.
Maar gelukkig denk ik het te kunnen verklaren.

Ik woonde in Oud-Zuid en was een jaar of twaalf, toen ik me voor voetbal ging interesseren. Dikke kans dat dat onder meer kwam doordat ik elke zondag Frits van Turenhout op de radio zo indringend de uitslagen van de eredivisie, eerste divisie A en B en tweede divisie A en B hoorde voorlezen. Ons huis lag op een paar honderd meter van het Olympisch Stadion en ik kreeg in de gaten dat je voor een kwartje (of was het een dubbeltje?), inclusief vermakelijkheidsbelasting, bij de bekende voorverkoopadressen een jongensstaanplaats kon halen voor thuiswedstrijden van Blauw-Wit en DWS-Amsterdam, achter het doel, onder het handmatig bediende scorebord. Had je geluk dat ze allebei op dezelfde zondag thuis speelden, dan kon je beide wedstrijden op één kaartje bijwonen, om 12 uur en 2 uur. Had je nog meer geluk, dan tekende een van beide teams na afloop van de wedstrijd protest aan tegen een vermeende scheidsrechterlijke dwaling. Dan bleef al het publiek op de tribunes en verschenen na een paar minuten een speler van de protesterende partij, de keeper van de tegenpartij en de scheidsrechter, en werd er een penalty genomen. Ging die erin, dan werd het protest door de KNVB in behandeling genomen; werd de strafschop gemist, dan was het protest automatisch afgewezen. Dat waren nog eens tijden.

Een favoriete club had ik nog niet, maar voetbal is voetbal, en zo toog ik op 1 maart 1959 met nog 36.999 andere liefhebbers naar dat magnifieke stadion om mijn eerste eredivisiewedstrijd te gaan bijwonen: DWS/A-Feijenoord. Het zei me verder niks.

Koud twee uur later wist ik opeens een heleboel. Feijenoord had DWS volkomen van de mat gespeeld en won met 0-5 (hoofdrol voor Kees Rijvers; goals van Rijvers (2x), Van der Gijp, Schouten en Moulijn). Ik was zo onder de indruk van het spel der Rotterdammers, dat ik op slag mijn levenskeuze had bepaald: Feijenoord was voor nu en voor altijd mijn club.

Hoe wankel zo’n liefdesverklaring is, bleek 5 speeldagen later, toen een andere Amsterdamse club in de Kuip op bezoek kwam en er uiteindelijk dezelfde stand van 0-5 op het bord stond. Maar liefde maakt blind, dus ik zag dat gewoon niet, althans, ik liet me er niet door van gedachte veranderen.

Dat had nog een extra reden. Op mijn middelbare school, ook in Oud-Zuid, zaten jongens in de klas uit alle hoeken en gaten van Amsterdam en er heerste nogal wat rivaliteit tussen de verschillende wijken, die zich onder meer uitte in een grote voorliefde voor de daar gehuisveste club. Voor mij was Centrum, West en Zuid in principe wel in orde – niemand had ook eigenlijk veel bezwaar tegen DWS of Blauw-Wit. Een enkeling kwam uit Noord, van over het IJ, en hield het met De Volewijckers. Dat werd wel geaccepteerd als ongevaarlijke lokale folklore. Maar ronduit eng waren de jongens uit Oost, want die hadden doorgaans de blik gericht op de Watergraafsmeer en wat daar speelde. En zoals je ook al op die leeftijd doet: je gaat je afzetten tegen de concurrent. Ik wist intussen ook wel hoe het zat tussen Feijenoord en Ajax en was dus dubbel blij dat ik mij in de klas kon profileren als Feijenoordaanhanger tegenover al dat nare geweld uit Oost. In de hele klas had ik één medestander. Iemand uit Oud-West. De paters op school poogden nog wel de verzuiling in stand te houden door te bepalen dat je zelf alleen maar lid mocht wezen van de voetbalclub van de school zelf: RKAVIC, wat ik ook braaf deed. Alleen de jongens uit Noord kregen dispensatie en mochten daar bij De Meteoor, Rood-Wit A of T.O.B. blijven spelen (T.O.B.: spannend onderwerp voor mijn volgende artikel), maar over je betaald-voetballiefde deden ze geen uitspraak.

Fanatiek als ik was begon ik de stapels oude kranten van maanden terug door te spitten en haalde er alle mogelijke maandagedities uit, want ik wilde mijn nieuwe liefde zichtbaar en tastbaar in een plakboek gaan vereeuwigen. Wel wat laat, als je daar pas in maart mee begint, maar het was niet anders en ik kon een heel eind in de tijd terugkomen. Alle Feijenoordverslagen, uitslagen en standen en statistieken van de eredivisie en wat al niet. Ik meen me nog te kunnen herinneren dat Feijenoord dat jaar thuis een gemiddelde van 42.000 toeschouwers trok – net zoveel dus als nu ongeveer. Bovendien: als Feijenoord uit speelde, waren die stadions haast altijd uitverkocht. Ja ja, Feijenoord komt op bezoek!

Ik was nijver aan het plakboeken en een jaar of twaalf. Hoopte vurig dat Feijenoord ook kampioen zou worden. Maar liefde maakt blind. Precies een week na mijn bezoekersdebuut werd in de Kuip Feijenoord-Sparta gespeeld. Sparta was toen koploper, vijf punten voor op Feijenoord, met Rapid JC daar nog tussenin. Ajax stond volkomen kansloos negende, met zelfs ook nog een negatief doelsaldo. Dat waren nog eens tijden. Bij winst op Sparta zou Feijenoord inderdaad een serieuze titelkandidaat zijn met nog tien wedstrijden te gaan.

Het werd 0-3. Weg titelkansen, besefte ik. En omdat ik geen masochist wilde zijn, stopte ik acuut met het plakboek, zodat ik die 0-5 in Rotterdam (en die 2-1 in Tilburg en die 4-2 in Venlo) gelukkig niet ook nog hoefde in te plakken. Sparta werd onbedreigd kampioen.

Het plakboek heb ik intussen al lang niet meer. Kwijt bij een verhuizing of zo. Feijenoord is gebleven.

Een oud-klasgenoot van mij, Carlo, van wie ik later ook merkte dat hij Feijenoordfan was (“Volgens mij was het zo dat in klas IIIB er 7 Ajaxfanaten in de klas zaten en 7 Feijenoordfans, en dan nog een Blauw-Witter, een Volewijcker, en een Volendammer”, schreef hij me onlangs), stuurde me nevenstaande knipsels uit zijn plakboek. Helaas hebben we nog niet kunnen achterhalen uit welke dagbladen deze twee zijn geknipt. Rondneuzend op Delpher vind je wel nog enkele andere pagina’s van maandag 2 maart 1959, resp. uit het Algemeen Handelsblad, De Tijd, het Vrije Volk, de Telegraaf en de Waarheid, waaruit onomstotelijk blijkt dat Feijenoord daags ervoor een van zijn allerbeste wedstrijden van het seizoen had gespeeld. En ik was erbij. Geen wonder dat het tot een eeuwige liefde leidde.

___________________

Zondag 1 maart 1959, Olympisch Stadion, 14.30u
DWS-Amsterdam – Feijenoord 0-5
Toeschouwers: 37.000
Rijvers (0-1), Rijvers (0-2), Schouten (0-3), Van der Gijp (0-4), Moulijn (0-5)
DWS/A: Visser, Corbran, Schenkel, Vonhof, De Jong, Klein, Mesman, Niessen, Tolmeyer, Kick, Smit.
Feijenoord: Pieters Graafland, Kerkum, Veldhoen, Walhout, Steenbergen, Bak, Schouten, Meijers, Van der Gijp, Rijvers, Moulijn.

___________________

In dagblad De Tijd heeft op maandag 2 maart 1959 een foto gestaan uit deze wedstrijd van achter het Feijenoord-doel, waarop we een zweefduik van keeper Bram Panman zien. Kan iemand mij alsnog aan die foto helpen? Reacties graag naar info@nardloonen.nl 

 

 

 

1-0; elend und heimweh

AFL. 3 VAN DRIELUIK OVER

(eerder gepubliceerd op www.feyenoordnet.nl, maart 2010; aangepast 2015)

__________________________________________________________________________________
Nederland had de DDR nog niet eens erkend; dat gebeurde pas begin 1973. Maar het UEFA-lot had begin 1970 toch twee Nederlandse clubs gekoppeld aan teams uit dat niet bestaande land. De ene moest het opnemen tegen Carl Zeiss Jena, voor Feijenoord kwam FC Vorwärts Berlin uit de koker. In beide gevallen betrof het een uitwedstrijd op 4 maart 1970 en de return in Nederland 14 dagen later.

Kennissen van mij in Berlijn hadden vier kaartjes voor het Walter-Ulbricht-Stadion klaarliggen, eretribune nog wel, en ondanks de slechte weersvooruitzichten polste ik wat mensen om samen naar het oostfront te rijden. Uiteindelijk besloten er twee om mee te gaan, zodat we op 3 maart met z’n drieën in een gehuurde Kever op weg gingen. Al op de West-Duitse snelwegen bleek het een barre tocht te gaan worden: veel sneeuw en maar één rijstrook beschikbaar. Dat schoot niet echt op en even overwogen we de hele trip maar te skippen en terug te rijden, maar de verlokkingen van het avontuur (we waren nog nooit in de DDR geweest) wonnen het van de angst voor ongelukken.

(Foto: Huub probeert de bevroren kofferklep van de Kever te openen om een voetbal te pakken, opdat we even de spieren konden lostrappen op de West-Duitse Parkplatz; “bitte sauber halten”)

Destijds was de situatie zo: na de oorlog was Duitsland in vieren geknipt, Amerika, Engeland, Frankrijk en de Sovjet-Unie bezetten elk één deel, maar de meest oostelijke zone, de Russische, had zich tot een onafhankelijk land verklaard: de DDR. Omdat heel Berlijn binnen het grondgebied van de DDR lag, was ook die stad in vieren geknipt door dezelfde bezettingsmachten, met Oost-Berlijn als hoofdstad van de DDR en West-Berlijn als lastig Westers eiland in een vreemde, niet-erkende staat. Om daar te kunnen komen, was afgesproken dat er drie corridors tussen West-Duitsland en West-Berlijn liepen waarlangs in principe vrijelijk heen en weer kon worden gereisd. Daarvoor had je dan een Transitvisum nodig, plus een verblijfsvisum voor elke dag dat je in Oost-Berlijn, dus de DDR wilde verblijven. Dat was allemaal aan de grens te regelen, als je maar betaalde.
Alle prijzen stonden vermeld in DDR-Marken, maar je moest afrekenen in Westmarken tegen de woekerkoers van 1:1. Op straat in de DDR kreeg je wel 5 tot 7 Oostmark voor een Westmark, ook al was dat zwart wisselen natuurlijk streng verboden. Ik had intussen wel wat ervaringen met Oostbloklanden, maar voor mijn gevoel was de DDR toch anders. Was het in wat liberalere landen als Tsjechoslowakije en Hongarije zo dat alles mocht, tenzij het was verboden, van de DDR had ik eerder de indruk dat alles was verboden, tenzij het was toegestaan. Het bleven toch Duitsers.

Bij Marienborn/Helmstedt, aan de zonegrens tussen West en Oost, beleefden we echter de eerste positieve verrassing. Omdat het gedoe met die visa en paspoortcontrole zoals gebruikelijk lang duurde -als je er binnen een uur door was, had je geluk- stonden er rijen auto’s te wachten, ditmaal opvallend veel Nederlandse. En omdat alles en iedereen door elkaar heen liep, was ook goed te zien dat het allemaal rood-witte supporters waren in opperbeste stemming. Nu hadden wij van de Westerse propaganda geleerd dat de zonegrens werd bewaakt door Vopo’s (VOlksPOlizei) die op alles schoten wat bewoog. En inderdaad, bij de grenspost was het lange prikkeldraad van het IJzeren Gordijn, dat liep van Finland tot Griekenland, heel beperkt onderbroken en waren er slagbomen en andere wegversperringen met opzij ervan een hoge wachttoren waar bovenop een groot aantal Vopo’s op de uitkijk stonden. Wat die ook gewend waren, dit supportersgehos toch zeker niet, en in plaats van gewoon te gaan schieten, begonnen ze enthousiast naar ons te zwaaien, niet beseffend dat ze naar twee groepen tegelijk zwaaiden die onder normale omstandigheden elkaars bloed wel kunnen drinken. Maar ja, allebei rood en wit; wisten zij veel. Wij zwaaiden goedgemutst terug.

Eenmaal door de controlepost heen, sloeg de ene helft van de file rechtsaf, naar het zuiden richting Jena; de harde kern reed gewoon rechtdoor naar Berlijn, over een snelweg waarvan ook maar één rijstrook was geveegd. Het wegdek bestond overigens niet uit beton of asfalt, maar uit bakstenen klinkers en er gold over het hele traject van bijna 200 kilometer een maximumsnelheid van 60 km/u. Nou bepalen Nederlanders in principe zelf wel hoe hard ze rijden, dus de hele karavaan tufte met 80 ongeveer oostwaarts. Sporadisch was er een parkeerplaats langs de weg, waar je vervolgens helemaal niks kon krijgen, ook al was je in Oostbloklanden verplicht voor elke dag dat je visum geldig was een vast bedrag aan zo broodnodige harde westerse valuta om te wisselen voor het lokale geld. Ik meen in dit geval 25 Westmark per persoon per dag, waarvoor je dan 25 Oostmark kreeg die je met geen mogelijkheid kon opmaken, want ofwel er was niks te krijgen, ofwel de winkels waren dicht, ofwel de prijzen waren zo laag dat je niet van je geld afkwam.

Gelukkig liep dat bij een van de parkeerplaatsen anders. Ongetwijfeld gealarmeerd door de grenswachten dat er een horde wel erg vrolijke Nederlandse voetbalsupporters onderweg was naar Berlijn, hadden zich op die parkeerplaats enkele Vopo’s verdekt, maar vastberaden opgesteld met verrekijkers, en toen de colonne dichtbij genoeg was, sprongen ze de weg op en dirigeerden ons allemaal naar de afrit. Paspoortcontrole. Visumcontrole. Een vluchtige blik in de auto of daar niks verdachts in zat. En of we niet wisten dat je maar 60 mocht rijden. Spijtig genoeg kon niemand van ons Duits, dus het gesprek kwam niet echt los. Maar de voorbedrukte bonnen waren al uit de boekjes gescheurd: “Verwarnung mit Ordnungsgeld. 10 M”. Nou was 10 Oostmark op straat zo ongeveer € 1,00 waard, dus als ze niet ook nog de auto in beslag namen, kwamen we er heel schappelijk van af. Het bedrag moest contant worden afgerekend. Helaas kon dat alleen in Westerse valuta, zodat we, omgerekend, € 5,00 kwijt waren en met al dat Oostgeld bleven zitten. Hoe we het verder hebben klaargespeeld om nog voor donker in Berlijn te komen, weet ik niet meer, maar het is gelukt.

(Foto: Achter de muur: de Brandenburger Tor)

Daags daarop eerst de toerist uitgehangen in Oost-Berlijn, zoveel mogelijk knakworst met Brot&Pommes en koffie verorberend om van het geld af te komen en toen maar eens een keer naar het stadion. De wedstrijd begon al om 4 uur, want ze hadden destijds bij de bouw vergeten een lichtinstallatie aan te brengen. We waren ruim op tijd, wat goed uitkwam, want ik zat nog steeds met één kaartje teveel bij me en dat wilde ik graag op straat verpatsen. Die kaartjes waren relatief wel duur: 8,10 M voor de eretribune. De plaatsen achter de doelen gingen voor 4 M. Bedenk dat de staanplaatsen in de Kuip bij de return voor ƒ 4,= gingen, dus dat lijkt inderdaad 1:1, maar afgezet tegen de koopkracht in de DDR was het wel erg veel. Je kon er in ieder geval goed van uit eten gaan, dus ik wilde als zuinige Hollander dat kaartje niet zomaar weggeven aan een aardige Duitser.
Terzijde: die overvloed aan Oostmarken ben ik toch wel kwijtgeraakt aan nuttige dingen: een hogedrukverfspuit en een slingerklokje met gewicht eraan – nu, net 40 jaar later, functioneren beide nog steeds prima; er werd in de DDR heus wel kwaliteit gefabriceerd.

Op het veel te grote plein voor het stadion liepen wel wat mensen. Echt druk was het niet, dus ik moest even rondkijken wie ik zou benaderen. Uiteindelijk zag ik iemand een beetje besluiteloos voor zich uit staren. Ik liet een kaartje zien en knikte even vragend met mijn hoofd. Gretiger dan ik had verwacht ging hij op die avance in en vroeg me even te wachten. Ik had geen flauw benul wat voor man het was. Een lopendebandarbeider van de Trabantfabriek? Een Stasi-informant? Een Vopo in burger? Alledrie tegelijk? Zou zo maar kunnen. Spaans benauwd kreeg ik het toen hij uit zijn binnenzak een loei van een portofoon haalde en iemand begon op te roepen. “Bitte kommen!”, was het enige wat ik kon verstaan. Ik keek even naar de anderen en zag dat we alle drie hetzelfde dachten: rap wegwezen. Ik wist immers ook wel dat nergens stond dat het was toegestaan voetbalkaartjes op de openbare weg te verkopen, dus was het verboden. Maar op zo’n open vlakte was dat eigenlijk geen optie; wegrennen zou schuldbekennen betekenen met alle gevolgen van dien. Een simpele melding in de oorlogsliteratuur “Auf der Flucht erschossen” flitste door mijn hoofd en ik wilde toch liever eerst nog die wedstrijd zien. En dus bleven we maar gewoon staan, om ons heen kijkend wat er op ons afkwam. Kort daarop verscheen de gealarmeerde collega, ook al in burger. Hij werd nader geïnformeerd, greep in zijn binnenzak en gaf mij een briefje van 10 M in ruil voor het kaartje. Hij leek er werkelijk heel gelukkig mee te zijn. Wij ook.

(Foto: Het Legioen, omringd door Vopo’s)

Het Walter-Ulbricht-Stadion, later omgedoopt tot Stadion der Weltjugend, was een ervaring op zich. Zelden zo iets triests gezien. Een overdadig grote, lompe betonnen kolos, niet hoog, maar daarentegen extra wijd en breed met een sintelbaan eromheen en tussen de doelen en de sintelbaan zou je met gemak nog een ijshockeybaan kunnen aanleggen conform IIHF-afmetingen. Op de tribunes had men goedwillig met sloophout her en der wat zitbanken geschroefd die echter door de winter en het vocht zo verweerd waren, dat zelfs erop gaan staan al hoogst onbetrouwbaar was. Het vijftiger jaren scorebord hing van ellende aan elkaar en leek te zullen bezwijken onder elke stand boven de 1-0. Dat kwam dus goed uit. Dit paradepaardje van socialistische betonbouw bood plaats aan 70.000 toeschouwers. Nu is een half lege Kuip al een troosteloos gezicht (bij de return twee weken later zaten daar toch mooi dik 63.000 mensen!), maar op deze wedstrijd waren nog geen 20.000 bezoekers afgekomen, ongeveer de helft ervan in uniform, hetgeen helemaal paste bij de kleur van het beton en de grauwe lucht erboven. En het was koud ook nog. Geen wonder dat alleen al de sloop van het gedrocht in 1992 ruim 32 miljoen Westmark heeft gekost. Bij dat stadion vergeleken was de oude Goffert in Nijmegen een pronkjuweel van verfijnde architectuur.

In het uitvak (mocht het die naam hebben?) was het Legioen met zo’n 100 man aanwezig, voor alle veiligheid omringd door een veelvoud ervan aan Vopo’s. Dat hadden ze, avant la lettre, van de politie uit Nancy geleerd. Midden in het stadion was bij de aanleg een speelveld ontworpen, waarvan de afmetingen min of meer overeenkwamen met FIFA- en UEFA-normen. Het valt Vorwärts niet echt kwalijk te nemen dat er aan het einde van die barre winter echter geen sprietje gras meer tussen de lijnen te bekennen viel. Het was één bruin-grijze steppe, waarvan het bovenste laagje uit modder bestond met daaronder bevroren klei.

Geen wonder dat Coen Moulijn aan Ernst Happel had gevraagd hem alsjeblieft niet op te stellen, want voor voetbal van zijn soort was dit een absoluut onmogelijke ambiance. Zo mocht Theo van Duivenbode uit het trainingspak om er nog het beste van te maken op een terrein dat in feite alleen nog maar geschikt was voor een demonstratiewedstrijd Grieks-Romeins worstelen voor pupillen. Maar wederom verraste de DDR-organisatie ons in positieve zin: zowel voor de wedstrijd als tijdens de rust reed een aantal Russische trucks het veld op, beladen met geel zand en strooizout dat door bereidwillige militairen over het veld werd verspreid. Dat moest de grond wat minder glibberig maken en was ook heel prettig bij slidings en zo. Misschien was het ook wel een idee van scheidsrechter Jones, die aanvankelijk het veld had willen afkeuren.

Hoe dan ook, er werd gespeeld. Het wedstrijdverloop is bekend: in de tweede helft 1-0 door Piepenburg en een minuut later een rode kaart voor Piet Romeijn na een welgeplaatste maagstomp op diezelfde Piepenburg. Voor wat hoort wat. Verder geen noemenswaardige schade en twee weken later werd in Rotterdam met 2-0 het eindresultaat prettig omgebogen.

Van de terugweg kan ik me niets meer herinneren dan dat we met een onbeschadigde Kever zijn thuisgekomen, zo vol als ik was van de ervaringen van de dagen ervoor. Gek misschien, maar ik heb er heimwee naar, die ouwe kouwe DDR.

___________________

Woensdag 4 maart 1970, Walter-Ulbricht-Stadion, 16.00u
FC Vorwärts Berlin – Feijenoord 1-0
Toeschouwers: 19.500
68. Piepenburg (1-0)
Vorwärts Berlin: Zulkowski, Frässdorf, Müller, Hamann, Withulz, Körner, Strübing, Nachtigall, Nöldner, Wruck, Begerad, Piepenburg.
Feijenoord: Treytel, Romeijn, Israel, Laseroms, Veldhoen, Hasil, Jansen, Van Duivenbode (46. Vrauwdeunt), Wery, Kindvall, Van Hanegem.

_______________________

Voor afl.1 : zie 0-5
Voor afl.2 : zie 4-11
Zie ook: Jaap Visser e.a., Willem de voetballer [jubileumboek Willem van Hanegem 70]. Kick Uitgevers 2014, p.94-95
_______________________