Automobielshow (1/2)

Wat ik van thuis uit heb overgenomen is de voorliefde voor een vreemdsoortige collectie auto’s. Ik zal eerst een overzicht geven van waarmee mijn ouders zich voortbewogen; daarna loop ik mijn eigen nummerborden even langs.
Van 12-cilinder Dodge tot Londense taxi, van Wartburg tot Dauphine. Het heeft allemaal vier wielen. En vaak nog een reservewiel ook.

Mijn onderzoek gaat terug tot 1939. Ik weet niet of mijn vader (in 1928 naar Indië vertrokken voor een koloniale onderwijscarrière) eerder ook al auto’s heeft gehad, maar vanaf 1939 is mij de reeks wel duidelijk.

Allereerst de 12-cilinder Dodge, kenteken D-8135 (D voor Bandung), waarmee hij in Bandung rondreed. Een convertible, waarvan het verhaal ging dat je hem in zijn eerste versnelling kon zetten, dan uitstappen, en er in gewone tred naast gaan lopen. Opmerkelijk: stuur rechts, want men reed en rijdt daar links, en dat zowel de voor- als achterportieren “veilig” openen, dwz. scharnierend aan de voorzijde. Bij de internering in 1942 is de auto roemloos en spoorloos verdwenen. Bijgaand filmpje (2½ Mb) is echter wonderwel bewaard gebleven. Mocht iemand van jullie binnenkort nog in Tokyo komen, laat dan deze beelden even zien. Misschien helpt het de autoriteiten van het Wiedergutmachungsministerium der Rijzende Zon bij hun opsporingen naar de rechtmatige eigenaar.
Na de oorlog, weer terug in Nederland, deden mijn ouders het een tijdje zonder auto. Maar op een gegeven moment moest het er toch weer van komen. Vlak voor de eerste en enige keer dat ik met mijn ouders op vakantie ben geweest, in 1957 naar Schin op Geul, hakte mijn vader de knoop door. Hij moest wel eerst opnieuw rijexamen afleggen, want zijn vorige rijbewijs was ofwel zoek geraakt, ofwel verlopen, of beide, maar toen kwam hij op de proppen met een heuse Panhard Dyna-Z, de XK-63-95. 

Of hij nieuw of tweedehands was, weet ik niet meer; het model bestond al vanaf 1954. De auto kenmerkt zich van buiten door die eigenwijze derde mistlamp middenvoor, van binnen doordat het een luchtgekoelde motor was van slechts 851 cc, hetzelfde dus als een Dauphientje of een Fiatje 850. Toch was het een heuse zeszitter (zowel voor als achter een bank i.p.v. stoelen) met een enorme kofferruimte en een verbruik van 1:16 ongeveer met een topsnelheid van 145 km/u. Maar wel een rotauto, kwalitatief gezien. Niettemin hield hij het zes jaar uit voor hij aan vervanging toe was.

Maar wat nu? De liefde voor Franse auto’s was helemaal passée. Engelse en Italiaanse auto’s waren volstrekt onbetrouwbaar. Japanse auto’s, voor zover al op de markt, kwamen überhaupt nicht im Frage. Dus restte niets anders dan vertrouwen op de Duitse degelijkheid. Ik weet nog dat ik mee mocht langs diverse dealers. Mijn vader zette in op een DKW 3=6, de zgn. F93. Een driecilinder tweetaktmotor, zodat de fabrikant in zijn verkooppraatje stelde dat hij te vergelijken was met een zescilinder motor. Maar de dealer gaf te weinig terug voor de Panhard, en zo kwam hij uit op een dealer van de Oost-Duitse DKW-variant: een EMW Wartburg 312, die wel gunstig inruilde.
Ook een driecilinder tweetaktmotor (bij het tanken mengen met olie 1:33 en dan weer voortpruttelen), 1000 cc, ruim van binnen, zowel voor de passagiers als de bagage, oerdegelijk 0,7 mm plaatstaal, semi-automaat, waarmee je ook nog eens kon schakelen zonder de koppeling in te trappen, mits je het gaspedaal maar losliet. Meer dan 115 km/u zat er niet in, maar, zoals mijn moeder vaak zei, bang als ze was in auto’s, “tachtig is prachtig”. Met een verbruik van 1:10 zou je hem nu niet meer willen hebben.
Het is deze auto waarin ik mijn eerste rijlessen van mijn vader kreeg op het parkeerterrein tegenover het Olympisch Stadion. Dat scheelde dan weer in het aantal officiële rijlessen.
De auto was state-of-the-art in twee kleuren uitgevoerd: grijs en wit. Er reden nog wel ongelukkiger kleurencombinaties rond.
Ik kan me niet herinneren dat we veel ellende aan die auto hebben beleefd.

Pas na mijn eindexamen, toen ik min of meer niet meer thuis woonde, is ook die ingeruild. Er kwamen achterenvolgens vier Duitsers van onverdachte snit: in 1966 een Ford Taunus 12M (de 66-97-BU), daarna een nederige Golf en een wat ruimer bemeten eerste generatie Audi 80 en een Passat, ook van het type B1. En toen kwam het moment dat het verstandiger was dat mijn vader niet langer auto reed, waarmee dat hoofdstuk definitief werd afgesloten.

Hier trek ik even een streep. Wat ik aan auto’s zelf heb gefinancierd, bezeten, bereden en versleten, komt dra in deel 2 van deze show terecht.