Verdriet

Het verdriet van België heeft zijn reprise gekregen. De draken die de duivels verslaan, iets wat maar weinigen hadden voorzien.
Dan boffen we nog dat Nederland ditmaal niet van de partij was, want een dergelijke afgang had ons net zo goed kunnen overkomen, en dan waren de rapen gaar geweest.

Ook bij mij waren de Belgen zo’n beetje de vervangknuffels, zoals de IJslanders masochistisch de sympa’s waren geworden nadat ze Nederland tot tweemaal toe in de kwalificatieronde hadden verslagen.

Ik had van de Belgen meer gehoopt en ook verwacht.
En, in tegenstelling tot veel commentatoren, beschouwde ik Axel Witsel als de onbetwiste beste speler van het team tijdens dit EK. De statistieken geven mij daarin gelijk: van de 246 passes van zijn voet kwamen er 233 goed aan, een succespercentage van 95%, volgens de UEFA-site. Kom daar maar eens om. Maar ook gevoelsmatig, ook zonder bal: hij bevond zich steeds daar waar het te doen was, in het centrum van de actie, zoals we dat ook kennen van Pirlo, Zidane, Van Hanegem. Een genot om naar te kijken. Jammer alleen van die afzichtelijke en ontsierende tatoeage op zijn arm. Wat er nog meer aan deze Rode Duivel is gemutileerd, kunnen we gelukkig niet zien.

Slechtste speler van het team: Kevin de Bruyne. Een fantastische voetballer, weet ik, die er dit toernooi werkelijk niets van bakte. De UEFA-site dicht hem nog een slagingspercentage van 79 toe: 169 van zijn 215 passes kwamen goed aan. In mijn beleving was het nog niet eens de helft. Leverde verdwaalde voorzetten af als hij beter zelf had kunnen schieten; ging voor eigen geluk met een mislukt schot als hij beter had kunnen afspelen of voorzetten.
Toegegeven, zijn blanke armen geven hem een optisch voordeel boven Witsel, maar geheel in lijn met de werkelijkheid staat De Bruyne bijkans van nature het schaamrood op de kaken.

Dick Advocaat kreeg op het EK2004 heel Nederland over zich heen toen hij tijdens de wedstrijd tegen Tsjechië Arjen Robben wisselde. Marc Wilmots heeft het bij mij verbruid door tijdens het EK2016 Kevin de Bruyne steeds maar weer de volle speeltijd te gunnen.

Vervlogen is mijn droom van een EK-finale België-IJsland. Europa op z’n kop, net als in het dagelijks leven. Gelukkig staat het speelschema niet toe dat het wel weer Frankrijk-Duitsland gaat worden, net als in 1870, 1914 en 1940. Want bij voetbal weet je dan wel wie er gaat winnen.

 

 

Belgje pesten (3/3)

Het was in de zomer van 1952 dat ik mijn eerste grensoverschrijdende schokervaring te verwerken kreeg. Aan de Belgische grens tussen Tilburg en Turnhout moesten we allen de bus uit en werden onze bagage en deviezen grondig geïnspecteerd. Wat de douane-unie uit 1944 tussen de Beneluxlanden precies inhield, snapte ik toen niet. Later overigens al evenmin.

Het was mijn eerste buitenlandse reis. Als vijfjarig jongetje mocht ik met mijn moeder een aantal dagen op reis naar Hoogstraten in het verre België om daar te logeren bij mijn grootouders. Ongetwijfeld gingen we eerst per NS (3e klasse) van Amsterdam naar Tilburg. De spoorlijn naar Turnhout, het Bels lijntje, was reeds in 1934 niet meer in gebruik voor personenvervoer, onderdeel van wat ik eerder al betoogde, en dus ging de reis nu verder per BBA-bus, de maatschappij die in datzelfde jaar 1934 was gefuseerd met onder meer de ABT-tramlijn die ik ook al eerder voor het voetlicht bracht. Aan de grens vond een heuse paspoortcontrole plaats en werd gevraagd (zo niet gesnuffeld) wat iedere reiziger zoal aan verboden waar bij zich had. ik hoor mijn moeder nog zeggen: “Niets, alleen kleding en wafels en bonbons”. Nu is wafels en bonbons naar Vlaanderen brengen zoiets als water naar de zee dragen, dus daarover deden de douaniers niet moeilijk. Er vond ook deviezencontrole plaats. Nederlands geld meenemen over de grens was verboden, en je kon niet zo maar ergens Belgische of Franse franken kopen in Amsterdam. Je moest daarvoor naar het Grenswisselkantoor op het Centraal Station, of naar een reisbureau als Thomas Cook op het Damrak. Daar kon je, tegen een woekerkoers, een tot ƒ 50,= per dag gelimiteerde hoeveelheid franken kopen met daarbij een deviezenboekje als waarborg voor geautoriseerde deviezenaankoop. Dat moest je dan aan de grens tonen (plus natuurlijk de inhoud van je portemonnee) en eventueel overgebleven franken kon ja na thuiskomst weer terug inwisselen tegen een nog woekeriger koers minus bovendien de gebruikelijke provisie. Ik heb zo’n boekje nog liggen uit begin jaren-’50; zie de scan hier bovenaan.
Het geheel bleef in mijn geheugen gegrift staan bij mijn meer dan vijftig reizen door het IJzeren Gordijn naar Oost-Europese landen: dezelfde rompslomp, controles en deviezenverplichtingen, zij het met een verplicht minimum in plaats van een toegestaan maximum, waaraan overigens vrij simpel bleek te ontsnappen. Die deviezenbewijzen waren doorgaans gehecht aan het visumaanvraagformulier, zoals hier een voorbeeld dat destijds door de ČSSR werd gehanteerd. De verplichte hoeveelheid kronen kon je overigens toen ook aan de grens aankopen, eveneens tegen een schandalige koers natuurlijk. Op straat in Praag was je tot tien maal goedkoper uit – maar dat was uiteraard verboden.
Mijn eerste Oost-Europareis was in 1968. Hier een clandestiene dia die ik op die reis bij de West-Duits-Tsjechoslowaakse grenspost maakte.

Van die eerste België-reis herinner ik me niet veel meer dan dat we op zondag in Hoogstraten eerst naar de mis gingen en dan linea recta naar de bakker om gebak te kopen met heel veel slagroom. Verder nog dat ik op een gegeven moment bij mijn grootvader op de knie zat die mij de fabel vertelde van twee ezels die elk van een andere oever een plank opliepen die over een riviertje lag. Omdat ze elkaar niet lieten passeren, donderden ze alle twee in het water. Wat de moraal van het verhaal was, begrijp ik nog steeds niet. Ik ben geen ezel.

Die BBA-bus reed via Goirle en Ravels naar Turnhout. Jammer dat hij niet de route over Baarle-Hertog volgde zoals het Bels lijntje dat deed, want dan had ik meteen een begin kunnen maken met het eigenlijke onderwerp van dit bericht. Immers, de 22 enclaves in het gebied rond Baarle vertellen ons wel iets over hoe moeizaam de afscheiding van België is verlopen (en de kwestie is nog steeds niet is opgelost!), met vooral dank aan Willem-I, Willem-II en Willem-III. Weliswaar ligt de kwestie-Baarle al vele eeuwen op tafel, maar met enige souplesse was die klus toch al lang geklaard. Baarle is nou niet een enclavegebied van groot strategisch belang, zoals Kaliningrad en Gibraltar dat wel zijn. Enerzijds de grenzen niet tot tevredenheid willen afbakenen, en anderzijds een douane-unie sluiten – het blijft vreemd, zeker als je bedenkt dat er bij het 25-jarig bestaan van de Benelux nog steeds roomboter van Noord naar Zuid, en sigaretten van Zuid naar Noord werden gesmokkeld, en niet alleen door beroepspungelaers, en met vuurwerk, vuurwapens en drugs is het vandaag de dag nog steeds niet helemaal koosjer.
Ik vermoed dat het hardnekkige voortbestaan van het vrij geïsoleerde Baarle-Hertog een zelfde weerbarstigheid van Neêrlands vorsten in de 19e eeuw aantoont die we ook al zagen bij de forten Liefkenshoek en Lillo: zij wat loze stukjes grond in de armetierige Kempen, wij de strategische forten en Zeeuwsch-Vlaanderen om de Westerschelde en daarmee de Antwerpse haven onder controle te kunnen houden.
Een tweede staaltje van datzelfde “ik een bietje meer as ouw” is de kwestie-Maastricht. Pas in 1843 werd het pleit beslecht in die zin, dat Nederland ‘uiteraard’ Maastricht behield, plus een gebied van 2½ km eromheen (de afstand van een kanonschot), plus de corridor vanaf Roermond naar Maastricht die eerder al door België was bezet. Dat verklaart de vreemde wormvormige uitstulping van het Koninrijk der Nederlanden aan de zuidoostzijde. Was Brabant door de Belgische onafhankelijkheid al gesplitst in Noord-Brabant en Vlaams-Brabant (met de provincie Antwerpen ertussen, maar dat hebben de Fransen in 1795 gedaan om administatieve redenen), zo werd ook de provincie Limburg gedeeld in Belgisch en Nederlands Limburg met de Maas als grensrivier, behalve rond Maastricht vanwege de kanonskogels uit die garnizoenstad.

Bij die twee provinciesplitsingen zou het niet blijven: ook de provincie Luxemburg moest eraan geloven. KW-I, II en III beschouwden het oostelijke deel, het huidige groothertogdom, zo’n beetje als hun buitenverblijf, een soort Camp David of Castel Gandolfo. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef het in een personele unie met Nederland verbonden tot 1890 en konden de Belgen ernaar fluiten. Willem-III had het zo druk met al zijn beschamende strapatsen dat hij verzuimde een mannelijke troonopvolger na te laten, zodat de in Luxemburg vigerende Salische Wet de troon liet overgaan op een mannelijke groothertog. Bovendien hadden zowel Frankrijk als Pruisen al, naar we mogen aannemen om economische redenen, zitten trekken aan het ogenschijnlijk weinig waardevolle ministaatje, maar uiteindelijk waren de Luxemburgers al dat getouwtrek zat en onder het motto “Mir wölle bleiwe wat mir sin” (“We willen blijven wat we zijn”), bezegelden en koesterden ze hun onafhankelijkheid van Nederland en uiteraard ook van België.
Dat ze de Nederlandse vlag behielden, zij het met een wat verbleekte blauwe baan, lijkt historisch gezien een onjuiste aanname te zijn. En de poging het Luxemburg provinciewapen tot nationale vlag te maken (waarmee ze een vlag zouden krijgen die verdacht veel lijkt op de provincievlag van Zeeland waarbij de half verdronken leeuw helemaal boven water is; zie het tweede wapen van rechts in onderstaand Belgisch wapen) maakt vooralsnog ook geen kans.
Wat willen ze eigenlijk blijven wat ze zijn? Wat zijn ze eigenlijk wat ze willen blijven? Hun devies komt al even oninterpreteerbaar en loos over als de wapenspreuk van het verdeelde België: “Eendracht maakt macht / L’union fait la force” of het “Je maintiendrai” van het huidige Nederland. Wat valt er te maintiendreren? Frans als voertaal in Nederland? De hebberige, krijgshaftige periode van KW-I, II en III? De VOC-mentaliteit van Balkenende? De tijd van Drees, Fortuyn of Rutte?


Drie verscheurde provinciën maakten in de loop van de 19e eeuw deel uit van de trieste balans van de jonge Belgische natie, die vervolgens nog eens intern verdeeld raakte in een Vlaams, Waals, Brussels en Duitstalig deel, gemankeerd door het verlies van Zeeuws- en Frans Vlaanderen, en de helft van de provincies Limburg en Luxemburg. Een beetje projectontwikkelaar zou een andere blauwdruk hebben gepresenteerd, zeker als je beseft hoe schril het armlastige Wallonië afsteekt bij het welvarende Luxemburg.
Dat heet bij onze zuiderburen “het verdriet van België”. Daarover volgt nog wel een apart bericht, in het bijzonder over de markante situatie in Martelange/Rombach.

_________________________________
Vorige artikelen: BELGIË SPOORT NIET en EEN KERNCENTRALE ALS DOEL

Belgje pesten (1/3)

Dit is het eerste van een drietal berichten onder de kop “Belgje pesten”. Later volgen nog:
EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en
IK EEN BIETJE MEER AS OUW.
Maar nu eerst BELGIË SPOORT NIET, over de Nederlandse ontwikkelingshulp ten behoeve van het Belgische spoorwezen.

 


Als je in Antwerpen-Klapdorp tramlijn 77 neemt naar Bergen-op-Zoom, de zgn. ABT-lijn (Antwerpen-Bergen op Zoom-Tholen), passeer je na zo’n 15 km het dorp Lillo. Daar, bij Blauwhoef, kun je overstappen op tramlijn 75 die je naar Fort Lillo brengt, gelegen aan de Schelde tegenover fort Liefkenshoek. Niet te verwaarlozen detail: lijn 77 is in 1960 opgeheven en lijn 75 een jaar later. En het dorp Lillo is al in 1958 geheel tegen de vlakte gegaan.

Er restte ons eind 2014 dus niets anders dan per auto van Antwerpen naar Fort Lillo te rijden, wat dan ofwel langs de Schelde-oever gaat met zijn schier eindeloze petrochemische industrieterreinen, imposant en angstaanjagend tegelijk, ofwel buitenom door de Liefkenshoektunnel à raison van € 6,00 per passage. Over dat Fort Lillo, dat nog bijna 10 jaar na de Belgische onafhankelijkheid krampachtig in handen van het Koninkrijk der Nederlanden werd gehouden, volgt een verhelderend relaas in het tweede deel van dit drieluik. Het is wel een bezoekje waard.

Op dit moment gaat het me echter over de Belgisch-Nederlandse ellende over het spoor. En mijn insteek is dat Nederland er van alles aan doet ervoor te zorgen dat België niet spoort. Het is puur toeval dat nu net de enquêtecommissie over het Fyra-debacle in de schijnwerpers is komen te staan, want eerlijk gezegd had ik dit artikel al eind 2014 willen publiceren.Tijdgebrek, niets anders.
Maar het Fyra-verhaal is een welkome aanvulling om mijn standpunt te staven: terwijl via de media de indruk is ontstaan dat Nederland door de Belgen voor een fait accompli was gesteld toen die “eenzijdig” de stekker uit het project trokken, blijkt uit de commissieverhoren eerder het omgekeerde: Nederland had al besloten te stoppen met de Fyra, maar stelde het betreffende persbericht op het laatste moment nog uit, te laat voor de Belgen, die de persconferentie met dezelfde inhoud al hadden aangekondigd. Daarmee kregen de zuiderburen de zwarte piet toegespeeld. Zoals wel vaker gebeurde in de geschiedenis van beide landen.

Rond het HSL-tracé, waarover die Fyra dus mooi weer had moeten spelen, speelt er nog iets wat mij uiterst verdacht voorkomt, maar waarover ik uit de pers weinig tot niets heb kunnen vernemen. Bekend is dat er voor het traject Rotterdam-Antwerpen twee varianten op tafel lagen: via Roosendaal of via Breda. België opteerde voor de eerste, Nederland voor de tweede variant, waarbij als argumenten staan genoemd de mogelijkheid een aftakking naar Breda te maken en een extra landschapsdoorsnijding te vermijden. Immers, het traject via Breda volgt grosso modo de al bestaande snelweg Breda-Antwerpen.

Kijkend op het kaartje valt er nog iets anders op. Het zwarte, uiteindelijk aangelegde tracé meet van Moerdijk tot de Belgische grens 26 km, en van de grens tot Merksem 35 km. Het gele, niet gekozen tracé is min of meer het omgekeerde: Moerdijk-grens 33 km en grens-Merksem 26 km. Was er Nederland wellicht iets aan gelegen “zo snel mogelijk” de HSL de grens over te krijgen, uit ongetwijfeld financieel-economische overwegingen? Nederland kon zijn gelijk doordrukken door de Belgen ƒ 823 miljoen te schenken ter compensatie voor de duurdere aanleg in Vlaanderen, maar wist natuurlijk ook wel dat eventuele vervolgkosten (onderhoud, calamiteiten, e.d.) op Brussels bord terecht zouden komen, niet op het Haagse. “Als den Ollander je niet bedondert, dan is hij het vergeten”, tekende ik in het kader van de berichtgeving over de enquêtecommissie op uit de mond van een Vlaamse geïnterviewde.
(Lees verder op http://nl.wikipedia.org/wiki/Hogesnelheidslijn_Schiphol_-_Antwerpen; kaartbron: “HSL4” by OpenStreetMap contributors – openstreetmap.org. Licensed under CC BY-SA 2.0 via Wikimedia Commons – http://commons.wikimedia.org/wiki/File:HSL4.png#/media/File:HSL4.png)

Voor een tweede ontsporing tussen Nederland en België moeten we even terug in de tijd. Ik bezit de Kaart der Nederlandsche Spoorwegen en Tramwegen uit 1933, met op de achterzijde de Spoorwegkaart van Midden-Europa, behoorende bij den officieelen reisgids der Nederlandsche Spoorwegen (groote uitgave). Op die kaart is te zien dat er in 1933 welgeteld 23 railverbindingen waren tussen Nederland en België. Vandaag de dag zijn er dat nog twee: Roosendaal-Antwerpen en Maastricht-Luik. Als je wilt, mag je de Thalys-/Fyraroute er nog als derde optie bij rekenen.

De ABT-lijn Antwerpen-Tholen is dus verdwenen, evenals bijvoorbeeld de spoorlijn Tilburg-Turnhout. Ook niet-grensoverschrijdend is het armoe troef: als voor de NS niet-rendabele lijnen al niet worden afgebroken, degraderen ze tot toeristische/folkloristische attractie (wie herinnert zich nog het miljoenenlijntje in Zuid-Limburg) of worden ze “gegund” (alle NS-gesjoemel ten spijt) aan een commercieel investeerder, zoals de lijn Nijmegen-Boxmeer-Roermond, die nu nog wordt bereden door Veolia, het bedrijf dat hier in Frankrijk mijn leverancier van drinkwater is. Het lijkt net alsof je bij Van Gansewinkel je groenten en fruit moet gaan kopen.

Het is hier overigens geen haar beter: de spoorlijn Parijs-Basel bood tot voor kort een prima oost-westverbinding per SNCF-treinstellen. Sinds het TGV-netwerk ook in Oost-Frankrijk verder is uitgerold wil men mij de nog geen 200 km lange verbinding laten afleggen door eerst noordwaarts naar Nancy of Metz te rijden, dan wel zuidwaarts naar Dijon, en dan van daar per TGV-verbinding naar Mulhouse. Reistijd kan oplopen tot bijna 7 uur. Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer je de fiets had gepakt over de N19.

Net als in omringende landen is ook in Vlaanderen het railvervoer de afgelopen eeuw danig afgebrokkeld. Grotendeels is dat het gevolg van prioriteiten en minder prijzenswaardige visie van landelijke en lokale overheden (liever asfalt dan rails), waarbij de concurrentie van het busvervoer ook een rol speelt, alsmede twee oorlogen: in 1914 ging de grens tussen Nederland en België dicht en krap dertig jaar later had een buitenlandse mogendheid rails nodig voor andere doeleinden. Dat alles verzwakte de gezondheid van de toch al zo zieke patient deerlijk.

Talrijk zijn de klachten van Nederlanders die per spoor van bijvoorbeeld Rotterdam naar Antwerpen willen reizen. Een reistijd van 1½ uur heet “normaal”. De veel duurdere Thalys doet er een uur minder lang over. De nog geen 100 km kun je per auto binnen het uur afleggen.

In nauwelijks 2 uur rijd je met de auto van Maastricht naar Luxemburg. Over het spoor zit je die 200 km in een soort stoptrein die er rond de 4 uur voor nodig heeft. En wil je ergens anders vanuit Zeeland, Noord-Brabant of Limburg naar België, dan ben je op de bus aangewezen, als je geluk hebt. Eenentwintig grensoverschrijdende railverbindingen zijn voltooid verleden tijd.
Vroeger, ja vroeger, tussen 1982 en 2002, reed er de Ardennen-express van Zandvoort naar Luxemburg vv., gecombineerd met de Valkenburg express. Via Boxmeer, nota bene. Kon je, zij het alleen in de weekenden van juni, juli en augustus, eenmaal daags zonder overstappen naar en van Luxemburg sporen. En je fiets nog meenemen ook. Zie de nostalgische site daarover. Ik herinner me het nog vaag.

 

Nog iets verder terug in de tijd brengt ons bij de ontstaansgeschiedenis van de IJzeren Rijn. Laat Google er maar op los en je vindt van alles over de loop der dingen vanaf 1839 tot heden. Voor mij overheerst er in dit geval maar één Nederlands motief, zeker na de flop van de Betuweroute: België kan, mag en zal niet de concurrentiepositie van Antwerpen ten opzichte van Rotterdam versterken in de vorm van een railverbinding van de Antwerpse haven met het Roergebied. Onder meer in het kader van de (economische) Holland-promotie was in 1830 ook al de haven van Antwerpen door Nederland geblokkeerd, zoals dat eerder, en veel langer en drastischer, was gebeurd in het beruchte jaar 1585, bij welke gelegenheid de hier in de kop al genoemde forten Lillo en Liefkenshoek een voorname rol speelden.
Nederland had het bovendien al voor elkaar gekregen Staats-Vlaanderen, met de monding van de Schelde, als Zeeuws-Vlaanderen naar zich toe te trekken om zo nodig een beslissende rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van de Antwerpse haven. In feite is het meer recente gedoe, gekift, gebekvecht, gesjacher en handjeklap rond de Hedwigepolder daarvan een afgeleid gevolg.

Of het nu om scheepvaart- of railverbindingen gaat, voortdurend dringt zich de verdenking op dat Nederland er, zeker tegenover België, al eeuwenlang van alles aan doet de Hollandse economie op het rechte spoor te houden. De VOC-pestmentaliteit.

Mooie TGV-statie daar in Luik-Guillemins, by the railway. Was getekend: Calatrava.
En alweer kon Rotterdam niet achterblijven.

____________________________________
Volgende artikelen: EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en IK EEN BIETJE MEER AS OUW

 

 

 

Frozen Final in Luik

Voor de spanning had ik het hele eind naar Luik niet hoeven te rijden, afgelopen zaterdag voor de Belgische bekerfinale (de Frozen Final) tussen Herentals en Leuven. Zoals iedereen wel had zien aankomen, werd het een overlopertje voor Herentals dat na afloop met een klinkende 10-2 overwinning op zak de beker in ontvangst mocht nemen. Dat zo’n rit op en neer naar Luik desondanks wel de moeite is, heeft meer te maken met de stad zelf, zie mijn verslag elders op deze weblog, en met het feit dat je weer een hoop nuttige contacten hebt met bestuursleden, spelers, journalisten, … En goede contacten zijn er om warm te houden.

En ik ging natuurlijk om eindelijk eens die ijshal van binnen en in vol bedrijf te zien. Dat op zich was al zeker de moeite waard, zoals ik in mijn andere Luikse artikel al liet doorschemeren. Het enige waarin ik danig werd teleurgesteld, was de kwaliteit van de geluidsomroep. Door de vele gladde oppervlakken galmde het geluid enorm en de speaker kwam bepaald niet verstaanbaar over boven het geluid van de toeschouwers en hun toeters uit. Gelukkig ging alles, het blijft België, in twee talen, zodat je in ieder geval steeds een herkansing kreeg.

Het enorme krachtsverschil tussen beide teams is een goed voorbeeld van de problematiek binnen het Belgische ijshockey: er zijn een paar veel te goede teams en een paar veel te slechte om een normaal en beetje spannend competitieverloop te kunnen waarborgen. Ter illustratie: momenteel is de stand boven- en onderaan de hoogste divisie, de Elite League, waaraan ook het tweede team van Herentals deelneemt:

  • 1 Leuven: 16 gespeeld, 45 punten, doelcijfers 179-34
  • 2 Turnhout: 15 gespeeld, 39 punten, doelcijfers 158-44
  • 9 Charleroi: 14 gespeeld, 9 punten, doelcijfers 62-183
  • 10 Gullegem: 14 gespeeld, 0 punten, doelcijfers 32-145

Thijs van Laere (links) en Jens Engelen kraaien na afloop victorie

De kleine van Matt Crowell kan alvast wennen aan gouden medailles

Herentals steekt daar met zijn eerste team dan nog eens met kop en schouders bovenuit. Dat noopte de Belgische bond tot een aantal kunstgrepen. Een daarvan was dat het team niet deelneemt aan de Belgische, maar aan de veel hoger aangeslagen Nederlandse competitie, waar het goed meedraait in de middenmoot met de aantekening dat op de huidige topscorerslijst twee Herentalsspelers bovenin te vinden zijn: Matt Crowell op plek 1 (36 goals+29 assists=65) en Tyler Melancon op plek 3 (met 17 goals+43 assists=60). Daarmee heb ik ook meteen de twee importspelers van Herentals genoemd die ook in de finale optraden, want beiden zijn Canadezen.

Pascal Nuchelmans, voorzitter van de Belgische Bond, overhandigt de Beker van België aan Herentals-aanvoerder Vincent Morgan


Een tweede kunstgreep van de Belgische bond was dat Herentals van de vier importspelers die het in de selectie heeft er maar twee in de finale mocht opstellen, om het krachtsverschil enigszins te verkleinen. De twee andere Canadezen moesten dus op de tribune plaatsnemen tussen de dik 1200 andere toeschouwers. Leuven mocht al zijn vier imports wel allemaal opstellen.

 

De Leuven-verdedigers (links) lijken vooral elkaar te dekken, waardoor de gebroeders Morgan zowat een leeg doel vinden voor de 6-0

Als je verder bedenkt dat Herentals in de selectie dan ook nog eens 15 Belgische spelers heeft die voor het nationale team uitkomen, en de club een over een gedegen jeugdopleiding beschikt, dan is het we duidelijk dat daar binnen de Elite League geen maat op staat.

 

 

Meegereisde fans van IHC Leuven Chiefs zien de bui al rap hangen…

 

De Leuvense coach, Danny Geysbrechts, zei het me na afloop van de finale ook met een verontschuldigende blik: “Wij hebben maar 3 internationals in onze selectie en wij kunnen niet, zoals Herentals dat in Nederland kan, zoveel wedstrijden in een jaar op een hoog niveau spelen, omdat de tegenstand in België ten ene male te gering is. Wij hadden vooraf niet zo veel illusies over deze finale. Ik zei tegen de jongens dat ze moesten proberen zo veel mogelijk hun eigen systeem te blijven spelen. Dat lukte ook wel, alleen maar 10 minuten lang, en toen was de concentratie weg. Vooral tegen de veel hogere spelsnelheid van Herentals waren wij niet opgewassen.”

 


Wie meegaat in de beeldvorming dat het in het Belgische ijshockey meer gaat om de pinten en de fritten na afloop, dan om de stick en de puck, doet de zuiderburen oneer aan. Zelfs tijdens deze eenzijdige finale werd er gedreven en geconcentreerd gespeeld. Leuven, eenmaal op een 0-6 achterstand gezet, bleef toch energiek volhouden en werd ervoor beloond met 2 treffers op rij.

De obligate groepsfoto na afloop

Wat natuurlijk wel waar is: je proeft aan alles dat ijshockey in België voor een groot deel gewoon fun is. Lachende gezichten alom, bij officials, winnaars en evenzeer bij de verliezers. Zoiets heet spelvreugde. En dat dan ook nog eens in zo’n geweldige ijshal.

___________________________________________

alle foto’s: © 2013 Leonard Loonen