Overstapjes

De foto hiernaast behoort niet tot de selecte categorie “iconische foto’s”, maar het is er wel een van adembenemende schoonheid: die twee tramstellen van lijn 2 in de Leidsestraat, opdoemend vanuit de ochtendmist in de herfst (koplampen ontstoken, warme jassen aan) in hun fletse kleuren. Het is de voorpagina van Overstapjes, het boek dat René Platjouw in 1989 publiceerde ten bate van de Stichting Blijfhuis. Alleen de coverfoto al is de moeite van de aanschaf van het boekje waard.

Het moet echter gezegd dat de rest van Overstapjes het ook zeker loont te kijken of je het nog ergens antiquarisch op de kop kunt tikken. De ondertitel: “Een tramrit door de geschiedenis van lijn 2″ dekt eigenlijk maar de helft van de lading. Inderdaad wordt lijn 2 onder de loep genomen. Na een inleiding over de voorlopers, de paardetrams van de AOM, volgt het boek lijn 2 met al haar ontwikkelingen vanaf de start in december 1903 tot en met de verlenging naar Slotervaart in de jaren-’80. Dat is de “tramrit door de geschiedenis”. Maar er is nog een tweede tramrit: de eerste 230 foto’s, soms van briefkaarten, soms persoonlijke foto’s uit diverse collecties, zijn keurig gerangschikt volgens de route van lijn 2: van de Dam (later van het Centraal Station) tot het Hoofddorpplein (later Slotervaart). Zo bezien rijd je als het ware de tramroute waarbij alle bezienswaardigheden in historisch perspectief aan je ogen voorbijrollen; een geslaagde compositie.

Waarom lijn 2 en niet 1 of 25 of zo? Meer nog dan lijn 1 passeert lijn 2 plekken van Amsterdam in al zijn facetten: het centrum (Dam, Nieuwezijds, Spui, Leidsestraat; maar dat doet lijn 1 ook), vervolgens Stadhouderskade, Hobbemastraat, P.C. Hooftstraat, hetgeen later over de nieuwe Vondelbrug: Overtoom en Van Baerlestraat werd; dan via het museumkwartier de statige Willemsparkweg en Koninginneweg op, en voorbij de Amstelveenseweg diep Nieuw-West in. Daarmee biedt lijn 2 haar passagiers een rijke schakering van wat Amsterdam heeft te bieden, en zulks, in Overstapjes, in historisch perspectief.

Er kleven ook wat minpuntjes aan het boekje. Zo ontgaat het mij waarom het boekje Overstapjes heet. Overstappen van wat op wat dan? En waarom een verkleinwoord?
Verder heb ik nergens een verantwoording of toelichting kunnen vinden van de omslagfoto. Het is in de Leidsestraat, weet ik, en via andere bronnen weet ik dat hij in 1955 moet zijn gemaakt.
Ook vermeldt de tekst niet dat de 476 een tot motorwagen omgebouwde bijwagen was, die bovendien oorspronkelijk op lijn 1 dienst deed, getuige bovenstaande foto op de Amstelveenseweg (bron: amsterdamsetrams.nl) en in 1948-1949 ook nog op lijn 10 (bron: amsterdamsetrams.nl).
Na foto 230 volgen er nog 18 foto’s, deels in het hoofdstuk “Het materieel van lijn 2″. Het is een wat willekeurig ogende selectie van op zich wel interessant beeldmateriaal, maar het laat zich in het geheel van het boek moeilijk inpassen.
Merkwaardig, maar voor mij zeer welkom, is foto 149 van de nog niet gedempte Overtoom, waarbij slechts wordt vermeld dat het niet het gedeelte is dat door lijn 2 wordt bereden. Wat is dan de portee van het plaatsen van die foto?
Op bladzij 7 meldt Platjouw tot tweemaal toe dat lijn 2 de elite-lijn werd genoemd. Bedoelt hij de elite van de villa’s aan de Koninginneweg? Het blijft gissen. En onderaan die bladzij: “Van een elite-lijn heeft lijn 2 zich opgewerkt tot een lijn van internationale allure”. Toe maar.
Het hoofdstuk over de materieelbeschrijving, 3 bladzijden tekst en 7 bladzijden foto’s, komt er wat karig van af, maar het boekje wil ook geen wetenschappelijk naslagwerk zijn, eerder een unieke collectie foto’s die min of meer rond lijn 2 zijn geselecteerd.

In dat laatste is René Platjouw zeer zeker geslaagd: de rood-gele draad van lijn 2 neemt je mee naar Amsterdam tussen 1872 en 1989; een fotocollectie met veel trams, maar met nog veel meer aan tijdsbeelden die velen zullen boeien.

Domweg de Amstel uit

Ik zou er nooit op zijn teruggekomen, die duik van motorwagen 263 van lijn 4 die vanuit de Bakkerstraat domweg de Amstel in dook, als ik niet bij toeval het themanummer over verkeer in Amsterdam van het maandblad Ons Amsterdam uit februari 1951 in handen kreeg, waarin onderstaande foto prijkt. Die foto is er eentje uit een reeks foto’s die van dat ongeval bewaard zijn gebleven; ik heb er inmiddels 7 kunnen opsporen, en wie er goed naar kijkt, kan er ook veel details op ontdekken.
Het nummer van Ons Amsterdam is om nog een andere reden interessant, dus ik wijd er maar even een apart berichtje aan.

Allereerst de 263 die uit de Amstel wordt getrokken. Die kraanwagen is ook al voor een deel te zien op een van de foto’s uit mijn eerdere bericht. Ons Amsterdam meldt op p.70: “Kort na de oorlog bleek het mogelijk uit een dump voor een spotprijs een 15-tons Mack-kraanwagen aan te schaffen. Het gevaarte was practisch in staat van nieuw en werd in de blauwe politiekleur overgespoten. Al spoedig bleek de wagen een onschatbare aanwinst voor de politie te zijn en het aantal gevallen, waarin zij spoedig en voldoende hulp heeft verschaft, is legio”.

Tien jaar later, in 1960, werd de 263 als een van de laatst overgebleven grootbordeswagens, gesloopt. Zie het uitgebreide artikel van Cor Fijma over de hele reeks Amsterdamse grootbordessers.

De eigenlijke reden waarom ik genoemd themanummer van Ons Amsterdam aanschafte, was de door mij eerder al, onder het kopje ‘Stoplichten’, opgeworpen vraag of de verkeerslichten op de hoek Overtoom-Anna Vondelstraat er begin jaren-’50 al stonden, maar niet werkten, of dat zij opnieuw werden geplaatst en in werking traden. Ik krijg de indruk dat ze er al stonden, maar een tijd lang buiten werking waren. Ik citeer Ons Amsterdam, p.48-49, een artikel van W.F. Tielrooy: “In 1942 kwam weliswaar de reeds in 1939 geprojecteerde installatie Overtoom tot stand, doch deze is maar zeer korte tijd over de hele linie in werking geweest; tot op vandaag de dag (februari 1951 dus. ljml) zijn nog steeds niet alle lichten in bedrijf! Al spoedig bleek toch dat de intensiteit van het verkeer de aanleg van deze installatie niet rechtvaardigde, met als gevolg nodeloos oponthoud en terecht klachten van de zijde van de weggebruikers. Ook thans nog zou de politie, niettegenstaande het motorisch verkeer ongeveer de dubbele intensiteit heeft van voor de oorlog, vermoedelijk niet tot signalering van de Overtoom, afgezien dan van van de kruispunten Overtoom/Stadhouderskade en Overtoom/1e Constantijn Huygensstraat, en wellicht óók nog afgezien van het kruispunt Overtoom/J.P. Heijestraat, overgaan.
Rest over het tijdvak 1940-1945 nog te vertellen, dat in het kader van de verduisteringsmaatregelen de lampen der verkeerssignalen tijdens duisternis in plaats van op 220 V op 60 V brandden, dat de lichtsignalen op een groot aantal kruispunten moesten worden gedoofd tengevolge van het door het publiek als schoenzolen aanwenden van de rubber matten van de verkeersdrempels en dat tenslotte eind 1944 alle installaties uitvielen, daar het Gemeente-Energiebedrijf de stroomvoorziening staakte”.
Ze stonden er dus vermoedelijk al, op het kruispunt Anna Vondelstraat, maar gingen na 1951 ‘opeens’ branden, en dat was wat mij toen zo fascineerde.
Overigens vermeldt het artikel ook dat in Amsterdam in oktober 1947 alle verkeerslichten weer in werking waren, behalve nou juist die op de Overtoom.

Dit alles dus ter aanvulling van eerdere berichten.

 

 

 

Anna Vondelstraat 2B/2

Het valt niet mee thuis terug te keren in het huis dat wij in 1948 betrokken. Afgelopen maand, gelogeerd in het recent geopende Pillows Hotel op Anna van den Vondelstraat 2-6, hadden wij vanuit de speciaal gevraagde kamers op nr. 2 vrij zicht op onze voormalige woonst recht tegenover ons.
We hebben die ook bezocht, van onder tot boven en we kwamen unaniem tot twee tegengestelde reacties.

- Huis
Natuurlijk is het niet zonder emoties dat je alles na meer dan 60 jaar weer onder ogen krijgt, de lange trappen vanwege de hoge plafonds, de kamers en de maatvoering, ondanks alles wat er in al die jaren aan is veranderd. Dat is goed ter afsluiting van een periode. Daar staat tegenover dat we al relativerend de vele tekortkomingen beseften van de zo kleine ruimte waarin wij destijds acht jaar hadden moeten verblijven, ook al ziet het huis er van binnen en van buiten nu piekfijn uit. Aandrang om er weer in te mogen trekken hadden we dan ook allerminst. Wie er een literaire schildering van verlangt, verwijs ik naar het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst van W.F. Hermans, waarvan de sfeer van het vijftigerer jaren Oud-West zo treffend en identiek staat beschreven.

Toch waren er details waarvan de weemoed nog wel even zal blijven hangen. Ik beperk me hier tot 1950, het jaar waarin mijn moeder met hernia op bed lag en ik, noodgedwongen en 3½ jaar oud, de hele dag in de box, met mijn door moeder gebreide rood-witte trui, voor het raam moest blijven staan, schuin uitkijkend op de Overtoom, en daar alle tramstellen van lijn 1 zag voorbijkomen. Misschien heb ik daar wel mijn passie voor trams aan overgehouden; toch nog iets positiefs. Een paar weken terug stond ik dus in diezelfde hoek om weer even naar de Overtoom te kijken, met het uitzicht zoals op onderstaande ingekleurde prentbriefkaart. 

- Vondel zelf
Toen ik later wèl los mocht rondlopen en ik me stierlijk verveelde, had het gezin voor mij altijd wel iets spannends in petto. Hoogtepunt was dat ze mij naar het beeld van Vondel in het Vondelpark lieten lopen of steppen, met de mededeling dat als de klok van de Vondelkerk het hele uur sloeg, Vondel een bladzij omsloeg van het boek waarin hij aan het schrijven was.

 

Hoewel mij dat wat vreemd voorkwam voor een stenen beeld, was mijn geloof in Vondels almacht even groot als mijn geloof in Sinterklaas, dus een half uur vantevoren stepte ik derwaarts om er maar zeker van te zijn dat ik niets van het schouwspel zou missen, ook als Vondel zich iets in de tijd vergiste. Maar ja, je zult het altijd zien, steeds was het zo dat op het moment suprème, als de torenklok sloeg, ik uit verveling net even was afgeleid door een voorbijrijdende fietser, een ijscoman (van CJamin) die bij de kerk stond of, het ergste van alles, een loslopende hond. Dan sloeg de klok en was ik dus weer eens te laat. Onbewogen zat Vondel op zijn volgende bladzij verder te schrijven en ik kon teleurgesteld naar huis, waar ze drie kwartier van mij af waren geweest en geïnteresseerd vroegen of ik het nu eindelijk eens wèl had gezien. Nee? Volgende keer beter.

- Paardentram
Misschien is het niet verkeerd het verdere verhaal te vertellen vanuit de trams in de Vondelparkbuurt en de Overtoom, te beginnen bij de paardentram vanaf 10 oktober 1872 tot de gelede tramstellen vanaf juni 1957. Veel van de afbeeldingen in het vorige artikel zijn hierbij van nut.
Tussen 1873 en 1880 werd de Vondelkerk gebouwd, het nog steeds prachtige ontwerp van Pierre Cuypers, dat tot 1977 als kerk in gebruik is gebleven. De kerk verrees aan het einde van de Vondelstraat, gezien vanaf de Stadhouderskade. Daar reed sinds 10 oktober 1872 omnibuslijn DV van de AOM, de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij. DV staat voor Dam-Vondelstraat via de Leidschestraat. Een omnibus was een soort personenwagon op wielen, voortgetrokken door een of meer paarden. Omdat het plaveisel in Amsterdam nogal hobbelig was met klinkers en kinderhoofdjes, besloot men in januari 1877 rails aan te leggen om een wat comfortabeler rit te kunnen rijden. Vanaf dat moment, om exact te zijn: 9 januari 1877, mag je dus eigenlijk pas spreken van een paardentram.

Toen tussen 1880 en 1896 de Vondelstraat (als Verlengde Vondelstraat) achter de Vondelkerk werd aangelegd, met op nummer 77-79 dat prachtige woonhuis Oud Leyerhoven I van Cuypers aan de Vondelparkzijde, waar hij tot 1894 zelf in heeft gewoond, werd op 22 juni 1893 ook de paardentram doorgetrokken langs de ingang van de Hollandsche Manege. Deze lijn werd op 27 juli 1903 opgeheven, maar de rails bleven nog even liggen.

Op 8 augustus 1877 startte de paardentramlijn LO, die liep van het Leidscheplein via de Vondelkade (het eerste deel van de Overtoom aan de zuidzijde van het water) tot iets voorbij de overhaal aan het begin van de Amstelveenscheweg, de zogenaamde Dubbelebuurt. LO staat dus voor Leidseplein-Overtoom.
Nevenstaande foto, genomen vóór november 1901, moet ongeveer zijn gemaakt op de hoek van de Anna Vondelstraat; zij is bijzonder vanwege de nog niet gedempte Overtoomse Vaart, de paardentram op rails, de Pestbrug iets verderop, en helemaal links op de voorgrond, naast het aanplakbord, de krul.

- Krul
Een krul (zie de uitvoerige website en die van Joost de Vree) is een openbaar urinoir of pissoir voor mannen, waarvan er in Amsterdam nog een veertigtal staan. De krul op de foto hierboven zal zijn verwijderd bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1903, maar hij is nog vaagjes in de verte te zien op de foto hiernaast van de Anna Vondelstraat richting Overtoom, waardoor wij die foto kunnen dateren tussen 1896 (voltooiing bouw huizen Anna Vondelstraat) en 1903 (demping Vaart), vermoedelijk zelfs nog vóór november 1901, want er zijn geen tramrails zichtbaar.
Een ander interessant detail op deze foto is dat op nr.1, rechts, bijna achteraan, een loopplankje is te zien waaroverheen de kolenboer zijn karretje met steenkool het huis in kon rijden, antraciet, eierkolen en briketten.
Tussen 1884 en 1896 werd de Anna Vondelstraat stukje bij beetje volgebouwd, eerst alleen nr.1, later in groepjes de andere oneven nummers, eerst 1a, dan 3 en 5 architectonisch in spiegelbeeld, daarna 7-9-11 met de patrijspoorten, ten slotte 13 tot 25, het hoekpand met de Vondelstraat, stuk voor stuk, alsmede de even nummers 2 t/m 30. Daarmee kreeg de Vondelstraat dus een verbinding met de Overtoom. Nummer 2 is later herbouwd, neem ik aan, want het heeft de stijl van de jaren-’20.

- Veranderingen Overtoom
Per 1.1.1900 werd de AOM door de gemeente Amsterdam genaast en ging verder als GTA (Gemeentetram Amsterdam) en vanaf 1943, na een fusie met de Gemeenteveren, als GVB (Gemeente Vervoer Bedrijf), dat nu nog steeds het stadsvervoer in Amsterdam in handen heeft. Maar rond 1900 voltrokken zich nog meer ontwikkelingen, die eigenlijk los van elkaar stonden, maar min of meer toevallig samenkwamen. Een daarvan was de demping van een aantal Amsterdamse grachten en vaarten, waaronder in 1903 de Overtoom. Over die dempingen is een illustratieve video (eigenlijk slide show) te zien. Voor de passage over de Overtoom even doorscrollen naar 12’45″, doorlopend tot 14’25″. De foto hierboven van de krul en de paardentram is een screen shot uit deze video. Er is weinig fantasie nodig om te beseffen dat deze demping enorme invloed had op het karakter van de Overtoom, zijn bewoners, zijn activiteiten en het vervoer.
De werkzaamheden rond die demping hadden tot gevolg dat tijdelijk, d.w.z. van 27 november 1901 tot 4 december 1903, lijn LO niet over de Vondelkade kon rijden, maar werd verlegd naar Vondelstraat, waar de rails nog steeds aanwezig waren, en de Anna Vondelstraat, en dan linksaf verder de Overtoom op. Er hebben dus wel degelijk paardentrams gereden door de Anna Vondelstraat. De lijn LO werd per 20 februari 1904 opgeheven, althans gewijzigd in de elektrische tramlijn 1.
Al deze exacte data, en nog veel meer, zijn te vinden in  W.J.M. Leideritz, Van paardetram naar dubbelgelede. Zandvoort aan Zee : Minerva boekuitgaven 1966, in het bijzonder de aanhangsels I en II op p.169-175, een boek dat her en der nog antiquarisch verkijgbaar is voor prijzen tussen de € 3,00 en € 37,00(!).

Wat die overgang naar de elektrische tram betreft: de rails van de paardentram werd verlegd naar het midden van de nieuwe straatweg, maar tevens (andere ontwikkeling) werd dus op 20 februari 1904 de paardentram vervangen door een elektrische tram, die sindsdien niet meer lijn LO heette, maar lijn 1, zoals nu nog steeds, met als lijnkleur het nog steeds bestaande diagonale geel-groen. Diagonaal betekent: vanaf Centraal Station naar Zuid en West rijdend. Dat hebben bijvoorbeeld lijn 2 en 16 dus ook; verticaal betekent vanaf Centraal Station naar Oost-Zuidoost.
Zie de door mij ingekleurde lijnkleuren van lijn 1 op onderstaande foto uit 1957.
Het heet dat die lijnkleuren destijds zijn ingevoerd om aan het analfabete deel van de bevolking duidelijk te maken welke tramlijn er aan kwam. Mooi systeem, dat elders in Nederland en Europa echter bijna overal is opgeheven, maar Amsterdam handhaaft het systeem, ook voor de metrolijnen.

Wie werkelijk is geïnteresseerd in historie, routes en data van alle bus-/tram-/veer- en metrolijnen in Amsterdam raadplege primair het standaardwerk: H.J.A. Duparc, Lijnenloop openbaar vervoer Amsterdam 1839-1989, Amsterdam : Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. 96 pagina’s op A4-formaat om van te smullen. Voor minder dan een tientje her en der nog spaarzaam aangeboden. Mijn exemplaar verkoop ik niet.

- Middenstand
Was voor de middenstand vanaf 1515 de overhaal bij de Schinkel het centrum van activiteit, met herbergen, koffie- en theehuizen, kroegen, marktkramen e.d., dus daarheen ging men schuitje varen, theetje drinken…, later werd de ruim anderhalve kilometer Overtoom vanaf de Stadhouderskade zoetjesaan volgebouwd met woonhuizen, gast-/rusthuizen, winkelpanden en fabrieksgebouwen, zeker toen in 1895 het Overtoomgedeelte van Anna Vondelstraat tot Amstelveenseweg tot de gemeente Amsterdam ging behoren. Daarvóór was het gemeente Nieuwer-Amstel, maar met Koninklijke Goedkeuring werd het in 1896 door Amsterdam geannexeerd.

Tot op heden is de straat ook een aaneenschakeling van winkels en horecagelegenheden. Dat was in onze tijd (1948-1956) ook al zo: op de hoek slager Pol (nr.217), daarnaast delicatessenzaak Fa. Jules Hosman. Ik vermoed dat nevenstaande foto het interieur van Hosman is; het Stadsarchief vermeldt dat niet, maar ik herken de inrichting zeer goed.
Na 1950 werd de zaak Hosman overgenomen door levensmiddelenbedrijf E. Nummerdor (nr.215). Twee huizen verderop zat groentenboer C. Kroon (nr.207). “Aardappelen enz.”, vermeldt de telefoongids uit 1950; ik moest daar meermaals per week met een geëmailleerd emmertje naartoe om 3 kg gekrabde aardappelen te halen voor 8 personen, en van hem moest ieder van ons 300 gram groente dagelijks eten om aan te sterken; de andere kant op zaten een tabakszaak en een drankenhandel. Naast ons, op nr.1Ahs, zat iets van een drukkerij, waar we niks mee hadden, behalve dat het er altijd naar drukinkt stonk. Tegenover ons, zie bijvoorbeeld op bovenstaande prentbriefkaart, de derde afbeelding van boven, die uitkijkt op de Overtoom, een tamelijk louche en bouwvallige motorfietsenwerkplaats met scheefgetrokken voorgevel, waar een tijdje ook de BMW Isetta (driewieler met de neus als deur) en de Messerschmidt Kabinenroller (driewieler met die openklappende cockpit) werden verkocht, of alleen maar opgelapt als ze waren omgevallen in het verkeer.
Maar al met al was daarmee in veel van de dagelijkse behoeften voorzien. Daar bovenop kwam er nog veel langs de deur: de melkboer (met verse melk van de VAMI-fabriek, 50 meter voorbij groentenboer Kroon, naast de RIVA-garage die Opels verkocht), de schillenboer, de lompen-en-oud-ijzerboer (“oud inkoop – vodduh”), het draaiorgel (cent of stuiver van 2 hoog naar beneden gooien en dan maar zien of hij het muntje terugvond), de vuilnisophaal, ’s zomers de Sierkan (“roomijs en chocola”), dezelfde man die ’s winters als kolenboer langs de deuren ging, enzovoort. Kortom zo’n beetje zoals het vandaag de dag nog in Rosoy eraan toegaat.

- Stoplichten
Opeens waren ze er. Of misschien lieg ik, en waren ze er al vanaf 1942, maar gingen ze rond 1950 opeens weer branden, de stoplichten op de hoek Anna Vondelstraat-Overtoom. Langdurig kon ik op de stoeprand gaan zitten om er gebiologeerd naar te kijken, vooral naar die kleur groen (die in mijn beleving maar een paar seconden brandde om daarna 3 seconden oranje en heel veel minuten rood te geven). Het was een soort groen dat ik nog niet kende, maar die nu nog steeds in mijn geheugen staat gegrift, zoals ik nog steeds de elektrische geur ruik van de Blauwe Tram van de Spuistraat naar Zandvoort.

Op bovenstaande foto uit maart 1969 staan ze er nog, maar in 1972 zijn ze definitief verdwenen, die stoplichten.
Er zit een boeiend verhaal aan vast. Al voor de oorlog waren gemeente en politie helemaal in de ban geraakt van verkeerslichten, vanwege het toenemende verkeersaanbod en ter ontlasting van de agenten die met STOP-borden (in de oorlog werden dat HALT-borden, want de Duitschers waren niet te stoppen) de kruispunten bemanden. Een en ander leidde ertoe dat in 1942 een heuse groene golf werd ingericht op de Overtoom: acht stoplichten tussen Amstelveenseweg en Stadhouderskade, waaronder eentje op de hoek Anna Vondelstraat. De bedoeling was een groene golf te creëren voor het autoverkeer à 40 km/u. Maar helaas, vanaf 1942 was er nauwelijks nog autoverkeer op de Overtoom, en daarom werden de lichten afgesteld op den gemiddelden fietser, dus à 25 km/u. Zij brandden alleen in de spits, en vanaf 1943 helemaal niet meer vanwege elektriciteitstekort. Bovendien werden de rubberen luchtslangen of -matten, in de zijstraten vlak voor de Overtoom dwars geplaatst als voelers voor aankomend verkeer, door de bevolking gesloopt om er schoenzolen van te maken. Na de oorlog ging een aantal van de lichten weer functioneren.
Bijgaand schema uit 1957 laat het ontwerp zien van die groene golf, nu dus weer bij 40 km/u. Meer informatie ovder de Amsterdamse verkeerslichtregeling in het algemeen en de Overtoom in het bijzonder staat in het boek STOP. 100 jaar verkeer regelen in Amsterdam 1912-2012 (ISBN 9789461900838) door Sjoerd Linders die mij ook het hier weergegeven Overtoomschema toestuurde.
Nog veel meer informatie hieromtrent staat in het verkeersspecial van Ons Amsterdam uit februari 1951 (jaargang 3).

- Hotels
Begin jaren-’50 durfde een jong echtpaar het aan. Hun naam ligt ons op de lippen, maar wil maar niet tevoorschijn komen. In de hausse van recreatie en toerisme na de oorlog openden zij op Anna Vondelstraat 6 Hotel De Nederlanden. Nooit binnen geweest overigens. Zij hebben het tot zeker 1975 weten vol te houden, getuige bijgaande foto van de Beeldbank Amsterdam, waarop hun uithangbord nog zichtbaar is. Waarom zij ermee zijn gestopt, is mij niet bekend, maar de hotelfunctie bleef intact, want later vestigde zich daar Hotel De Filosoof, dat tot 1 november 2015 is blijven bestaan.
Dat hotel beschikte uiteindelijk over 38 kamers, waaruit ik afleid dat het was gevestigd in Anna Vondelstraat 2, 4 en 6, logistiek gezien een hele operatie, omdat nr. 2 een totaal ander bouwjaar en andere bouwstijl heeft dan de nummers 4 en 6. Van nummers 4 en 6 weet ik verder niet zo veel, maar van nummer 2, recht tegenover ons huis op nr.1, wel. Daar woonden destijds de familie Poot (ik meen op 1 hoog), waarvan dochter Joke staat afgebeeld rechts van mij op de foto uit 1949 in het eerste artikel. Een etage hoger woonde de familie Burgman. Zoon Freddy had ongeveer mijn leeftijd, en ik heb nog een foto uit ±1954 waarop Freddy en ik samen gezellig een ijsco eten, zo’n heerlijk blok vanille-roomijs met chocola eromheen van CJamin dat je voor een dubbeltje kon kopen. Wanneer de familiën Poot en Burgman zijn vertrokken, weet ik niet, maar wel dat van 1978 tot 1984 Anna Vondelstraat 2 huis en 1 hoog was bewoond door schrijver Hans Verhagen, die er niet de beste periode van zijn leven doormaakte (heroïne, alcohol). De Filosoof zal dus pas na 1984 nummer 2 bij het hotelcomplex kunnen hebben getrokken.
Toen ik in mei 2015 door de Anna Vondelstraat liep, viel mijn oog op de prachtige tekstschildering op de kopse kant van nummer 2, zowel naar inhoud als vormgeving beschouwd.
In augustus 2016 zag ik dat die tekst was verdwenen en nummer 2 een maagdelijk witte kopse kant had. Dat klopt met het gegeven dat Hotel De Filosoof, deel uitmakend van de Sandton-keten, was gesloten en zou worden verbouwd tot Hotel Pillows Anna van den Vondelstraat. De bedoeling was dat dat nieuwe hotel de deuren zou openen medio 2016, maar het werd 23 januari 2017, hetgeen mij niet verbaast, nu ik heb gezien wat er allemaal aan de drie belendende panden is gerenoveerd, een operatie die ettelijke miljoenen heeft gekost. Het management hoopt binnen 2 jaar rendabel te kunnen zijn.
Ambiance en styling zijn danig geüpgraded, aan de tuinzijde bevindt zich nu een grote serre met buffet en ontbijtruimte, het aantal kamers is teruggebracht van 38 naar 31, vermoedelijk deels door het installeren van een lift, en alles is stijlvol in grijs en blauw uitgevoerd. Ook op een luxe uitstraling is bepaald niet bezuinigd. Wie niet echt op de portemonnee hoeft te letten en goed ter been is (het hotel is qualitate qua niet senior-proof) zal er zich prima gehuisvest voelen, met uiterst sympathiek en voorkomend personeel en prima voorzieningen.
Ik had voor mijn drie nog levende zussen en mij twee kamers gereserveerd bij Pillows op nummer 2, dus precies tegenover onze voormalige etages 2 en 3 op nummer 1. De eerste foto van dit artikel is daarvan een bewijs. Met dat al was voor ons de cirkel rond, die begon in 1948 en dus met een ruime boog doorliep tot 2017, bijna 70 jaar na dato.

_____________________

Tenzij anders vermeld zijn alle afbeeldingen van de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, behalve de allereerste foto (van mij, feb.2017), die waar ik op sta (genomen door mijn vader, 1950 resp. 1953; in mijn bezit), het bonnetje van Nummerdor (in mijn bezit), en de laatste twee foto’s, genomen door mij in mei 2016 resp. feb.2017.

Eerdere berichten in deze reeks:
Anna Vondelstraat 1
Anna Vondelstraat 2A

 

Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch

Wie er ƒ 0,40 voor over heeft: in 1895 verscheen de Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch, gecomponeerd voor piano door ene C.S.
Ik heb die partituur al tientallen jaren liggen, en naar het schijnt is niemand ooit op het idee gekomen er iets over te schrijven.
Daarom geef ik maar even een aanzet, in de hoop dat deze merkwaardige compositie wat bredere aandacht zal krijgen.

 

 

Evident is dat C.S., achter welke initialen vermoedelijk Charles Stanley schuilgaat, het stuk heeft gecomponeerd ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1895 in Amsterdam. De frontpagina laat daarover geen misverstand bestaan.

Als je het stuk beluistert, merk je een historisch correct feit op: de mars bevat een passage die is ontleend aan Tollens’ hoogstandje “Wien Neêrlands bloed”, tot 1932 min of meer het nationale volkslied, maar even later ook een passage met een variatie op het Wilhelmus, dat vanaf 1932 het officiële volkslied werd (naar verluidt op aandringen van de SGP in de Tweede Kamer). We weten ook dat Wilhelmina, ook al was zij toen nog pas 15, een voorliefde voor het Wilhelmus had.

Dat had ook te maken met de heruitgave in 1871 van Valerius’ Gedenck-Clanck uit 1626 door theoloog A.D. Loman Sr. (jawel, die van de Lomanstraat), waarmee tal van liederen uit die bundel weer ‘herontdekt’ werden en aan populariteit gingen winnen.

Wat dat allemaal met Amsterdam heeft te maken, weet ik niet, tenzij Nederland bestaat uit Amsterdam en wat provincie eromheen.

Ik heb de partituur getranscribeerd en op YouTube geplaatst.

 

Wie o wie kan over dit curieuze stuk muziek wat meer informatie verschaffen?

 

 

Ma connection dauphinoise

Bij wijze van hoge uitzondering een kort artikeltje in het Frans, dat ik gisteren heb vestuurd naar alle leden van mijn lokale oldtimerclub Les Pistons du Bassigny, die intussen mijn Dauphine wel van binnen en van buiten kennen. Maar van de link tussen mij, mijn Dauphine en Amsterdam hadden ze nog helemaal geen weet.

Le samedi dernier, le 7 mai,  j’étais à Amsterdam à l’occasion d’une réunion de ma classe de 1960. En sortant de la gare Amsterdam-Amstel, avant de me diriger vers la salle de la réunion, je traversais le rond-point pour prendre un café chez Café-Restaurant Dauphine, juste en face de la gare. Voir aussi leur site web.
Avec la femme chef d’exploitation on causait du beau temps et de ma Dauphine, je lui montrais la photo récente de la voiture parmi le colza de Rosoy-sur-Amance, de laquelle elle était énormément charmée.

En revanche elle me donnais quelques cartes postales de la Dauphine, matériel publicitaire de l’établissement. 

     

Puis je racontais à Sarah, le chef de garde ce samedi, une histoire particulière, “d’une époque avant ta naissance” :

Entre 1960 et 2000 le bâtiment était le siège principal de Renault-Pays-Bas, le plus grand et moderne de Renault hors de la France, établi suite à la réussite éclatante de la Dauphine au Pays-Bas. Il y avait un salon d’exposition, un atelier, un grand dépôt et des bureaux. Toutes les voitures neuves étaient exposées en plein air au-dessus du toit.

En 1966, après mon bac du lycée classique à Amsterdam, et avant l’incorporation militaire (conscription obligatoire en ce temps-là), j’avais un demi an de “vacances”, c’est-à-dire je cherchais un travail de vacances, que je trouvais chez Renault-Pays-Bas, exactement dans ce bâtiment. Jour après jour je m’épuisais à porter des portes, des capots, des moteurs et toutes autres pièces de la Dauphine, ainsi que de la 4CV, de la R8 et de la R10. C’était une affaire lucrative, à la fois sur le plan financier et sur le plan de mieux connaître et de discerner toutes les pièces Renault.

Leur Dauphine, exposée devant la porte d’entrée, a besoin d’une bonne restauration. La plupart des emblèmes et plaquettes sont chipées (on est à Amsterdam quoi), formation de rouille tout autour.
Et parce qu’elle est visible depuis la voie publique, elle est soumise au contrôle technique tous les 2 ans, comme en France.

De toute façon, je ne sais pas si elle est roulante, mais elle attire l’attention quand même, bien sûr.

Somme toute, quelle joie de retrouver mon espace Dauphine à Amsterdam à présent!

 

 

 

Domweg de Amstel in

Het gebeurde op 6 september 1950. Grootbordes-motorwagen 263 met bijwagen 750 rijdt van het Rembrandtplein door de Bakkerstraat en moet dan afremmen om de uiterst scherpe bocht naar links te maken, langs de Amstel verder naar de Munt. Maar Grootbordes-motorwagen 263 remt niet – of niet voldoende, schiet rechtdoor de rails uit, ramt een auto, duwt die de Amstel in en duikt er vervolgens zelf achteraan, met de neus op het dak van de auto.
Daags erop stond deze foto in de krant. Mijn broer Piet, die helemaal tramgek was, hield een schriftje bij waarin hij allerhande krantenknipsels over trams plakte, en deze foto zat als een van de eerste in dat schriftje. De Hans Aarsman in ons kan zien dat de foto is genomen door een journalist te water. Of door een fotograaf van de gemeentepolitie. In ieder geval vanaf de Amstel. Dat op zich is al een bezienswaardigheid, anno 1950. We zien dan ook dat van de ruim 30 zichtbare mensen die op het ongeluk zijn afgekomen ongeveer de helft helemaal geen oog meer heeft voor de 263, waar verder ook niets meer aan te zien is, maar meer is geïnteresseerd in de fotoboot die aan komt varen. De jongetjes helemaal rechts, bang dat de fotograaf geen groothoeklens gebruikt, schurken zo veel mogelijk richting tram om toch maar in beeld te komen. Opvallend ook, zeker voor Amsterdam, is dat er niet uit elk raam allerhande mensen nieuwsgierig naar buiten hangen te kijken. Alleen op het hoekhuis, eerste etage, wordt er een gordijn wel erg opzichtig opzij gehouden. Op het balkon van het huis ernaast, waar nota bene nog een stoeltje en tafeltje gereed staan, is geen mens te bekennen.

Ik herinner mij nog deels het onderschrift bij de foto in Dagblad De Tijd van 6 of 7 sepember 1950; dat eindigde met de nuchtere vermelding “… Zes passagiers die zich op het voorbalcon bevonden, liepen natte voeten op”

Van het ongeluk zijn meer foto’s bewaard gebleven.

Op http://www.amsterdamsetrams.nl/lijnen/lijn4.htm staan bovenstaande foto’s. Nog twee andere zijn te vinden op de BeeldbankAmsterdam (http://beeldbank.amsterdam.nl/beeldbank/indeling/detail/start/6?q_searchfield=tram%20amstel; zoeken op “tram Amstel”). Daar is ook de oudere dame op één hoog te zien die het gordijn opzij houdt. Een nagekomen aanvulling staat HIER.
In 1999, bij gelegenheid van het overlijden van mijn broer, kwam mij de krantenfoto weer voor de geest en ik wilde er meer van weten. Het GVB gebeld, maar de meesten waren nog niet geboren ten tijde van de duik van Grootbordes-motorwagen 263. Eén iemand wist mij echter een saillante anecdote te melden. Op het moment dat de tram door de Bakkerstraat reed, stonden er voorop het balkon zes meiden te sjansen met den wagenbestuurder, die als gevolg daarvan van geen remmen meer wist en pardoes zijn voertuig de Amstel in dirigeerde. Aha! Dat stond er in de krant niet bij. Verder kon het GVB niets meer voor mij doen dat mij door te verwijzen naar prof.dr. Duparc aan de TU-Delft (men leze zijn necrologie op https://ch.tudelft.nl/vereniging/ereleden/prof-dr-hja-duparc). Jarenlang was hij de absolute goeroe, onder meer waar het ging om Amsterdamse trams, met een fabelachtig geheugen. Aan de telefoon vertelde hij mij dat die anecdote inderdaad de ronde deed, maar toch nooit is bevestigd; eerder zou het ongeluk te wijten zijn geweest aan een technisch mankement van de remmen van de 263. Een andere anecdote bevestigde hij wel: naar aanleiding van, of in ieder geval kort na dat ongeluk werden in alle Amsterdamse trams de bordjes “NIET SPUWEN OP HET VOORBALCON” vervangen door “NIET SPREKEN MET DE BESTUURDER TIJDENS DE RIT”. Kort na het overlijden van Herman Duparc (2002) plaatste De Volkskrant de foto die hierboven staat bij een in memoriam. Opdat wij niet vergeten. Er circuleert nog een derde anecdote, te vinden op de website amsterdamsetrams.nl. De auto die door de 263 de Amstel in werd geduwd, behoorde toe aan iemand van het slopersbedrijf dat verantwoordelijk was voor de sloop van de Union-rijtuigen, de voorlopers van de Grootbordeswagens waarvan de 263 er een was. Zo nam, aldus de website, de 263 wraak voor de sloop van zijn oudere collega’s.

Een jaar geleden heb ik nog op de weblog van Huub Mous (http://www.huubmous.nl/2011/12/11/ongelukken-in-amsterdam/) over o.a. dit ongeluk met hem van gedachten gewisseld, mede om hem deelgenoot te laten zijn van de geboorte van mijn poëtische ontboezeming, een pastiche op J.C.Bloems “Dapperstraat”:


De grootbordes-motorwagen 263, als sinds 1913 in gebruik, heeft het ongeluk overleefd. Zo werd hij later (1955) nog op een zondag ingezet op lijn 23 voor het drukke transport van supporters naar het Olympisch Stadion.

 

 

In 1956 werd de hele reeks hernummerd tot de 12xx, zoals hier de 1236 als lijn 16 bij het Haarlemmermeerstation in 1959, één jaar voor de sloop – de gelede tramstellen, waarvan je er rechts nog net eentje ziet verdwijnen, maakten de grootbordessers verder overbodig.
Let vooral ook op de Dauphine, links van de 1236. Want alles heeft met alles te maken.