PRINCIPES – Dubai_3

Met principes kun je heel creatief omgaan, zoals GroenLinks heeft gedemonstreerd vanaf de oprichting in 1990 door bijkans alle principes van de PSP, de CPN en de PPR te verkwanselen in de hoop op meer zetels met uitzicht op pluche. Sindsdien ben ik tot op heden politiek dakloos.
In die zin was Dubai voor mij een déjà vu. Ik zal me tot vijf voorbeelden van principes beperken: politiek, doodstraf, christendom, alcohol en varkensvlees.

Politiek gezien behoort Dubai tot de (soennitisch) islamitische Verenigde Arabische Emiraten. Zoals we begrijpen uit Syrië en Irak kun je niet alle Arabieren over één kam scheren, en zo kon het voorkomen dat militairen uit Dubai meevochten tegen de sjiitische Houthi-rebellen in Jemen. In september sneuvelden daarbij een dertigtal Dubaianen, waaronder de oudste zoon van de emir van Dubai. Dat zette een domper op de viering van 44 jaar VAE op 2 december, daags voor onze aankomst. Wel was de stad vergeven van VAE-vlaggetjes, maar een groots festijn werd het niet.

Tot zover zijn er nog geen principes in het geding, maar anders wordt dat als je kijkt naar de houding van zowat alle Arabische landen jegens Israël. Op het schermpje voor je stoel in de Airbus krijg je van tijd tot tijd een 3D-kaart te zien, zoals op je autonavigatiescherm, en dat werd, eenmaal boven Turkije aangekomen, steeds interessanter met namen als Erbil, Mosul, Kirkuk, Bagdad, Teheran en Isfahan.
Principiële politieke stellingname staat de economie in de weg. Hoewel: de Burj Khalifa verlicht in de kleuren van de Franse vlag, half november, is een politieke keuze, maar die trekt nou net weer veel toeristen aan. Voor het overige is de keuze voor een conflictmijdend standpunt een soort uitweg van het type kool-en-geit.

Boven Turkije viel het mij al op dat de naam van de Krim, waar we toch vlak langs vlogen, niet op het scherm verscheen, en helemaal snapte ik het toen ik iets verderop wel Beiroet, Damascus en Amman zag staan afgebeeld, maar niet Jeruzalem of Tel Aviv. Sorry, de foto is niet beter. Overigens ook niet Gaza of Hebron, want ik schat zo in dat men in Dubai evenmin veel opheeft met Hamas en El Fatah. Dan is negeren  de veilige keuze, zoals het, zeker na MH-17, een veilige keus is om niet langs de kortste route over Irak te vliegen, maar ongeveer over de grens van Iran en Irak en dan gauw over de Perzische Golf naar Dubai (terwijl piloten de schurft hebben aan vliegen boven water), maar dat is meer een kwestie van lijfsbehoud dan van principes. Het zou me, als het over principes gaat, trouwens niks verbazen als er stiekem toch handel wordt gedreven tussen Israël en Dubai, zoals wij de wegen kennen om de sancties tegen Rusland te omzeilen en er al jarenlang door Nederland en Frankrijk clandestiene handel met Iran werd bedreven, ondanks alle boycots. Daarom staat er op de zakjes pinda’s ook niet waar ze vandaan komen, maar alleen waar ze zijn verpakt/verwerkt/gedistribueerd. “The bottom line is that the whole world wants Israeli hi-tech, agricultural and medical products, and that includes the residents of the United Arab Emirates,” schreef S., een Israelisch-Amerikaanse handelsagent die enkele malen per jaar naar Dubai reist. “If they need the product, they quickly learn to ignore its origin, stond er te lezen in een artikel in The Jerusalem Post uit maart 2010.

Ten aanzien van de doodstraf in Dubai moet ik misschien wat voorzichtiger wezen dan wat ik in het vorige artikel schreef, al kan het waar zijn dat in geval van moord of verkrachting de erop volgende doodstraf niet in Dubai zelf, maar in Saudie-Arabië ten uitvoer wordt gelegd. Berichten erover zijn nogal schimmig en niet eenduidig.

Ook al is Dubai een islamitisch land, andere religies als christendom en hindoeïsme hebben er de ruimte. Ook kerken en tempels. En om de Amerikanen en Europeanen te paaien, tuigen ze in de bloedhitte in december ook nog maar even een christelijke kerstboom op, compleet met kerststalletje en een sneeuwpop erboven.

Of er wel of niet een synagoge in Dubai is, wordt me niet duidelijk. Oogluikend valt er wel wat te ritselen, zeker als het geld oplevert – dan doet het principe een stapje zijwaarts. “At the end of the day, all the people of Dubai want is to keep things orderly so that they can continue doing business and make money”, staat er in het bovenvermelde artikel in The Jerusalem Post.

Ik geloof het vlot. Aan die mix van bouwstijlen, culturen en opvattingen houd je dit soort droombeelden over.

Wat joden en Arabieren in ieder geval wel gemeen hebben, is dat ze geen varkensvlees nuttigen. Waarom christenen dat wel doen, is me, dit terzijde, een raadsel, want eeuwenlang heeft Rome het varken, samen met de aap en de beer, verdoemd als de meest onreine en vervloekte diersoorten. Maar goed, al tijdens mijn reisvoorbereiding had ik op de menukaarten van Emirates Airlines gezien dat daar totaal geen varkensgerechten voorkwamen. Niet erg, je kunt ook rund, kameel of vegetarisch eten op 10 kilometer hoogte.

In restaurants in Dubai van hetzelfde laken een pak. Je kunt hamburgers en worstjes van onbetrouwbare samenstelling achten, maar ik zweer je dat er in onze kroketten en frikadellen eerder hond of paard zit, dan dat je er in Dubai varken in zult aantreffen. Kwestie van principe.
Maar toen ik een stapje zijwaarts deed, aan het zeer uitgebreide en weldadige ontbijtbuffet Kaleidoscope in Atlantis The Palm (ongelimiteerd opscheppen, maar je betaalt er dan wel €50 per persoon voor) ontdekte ik tot mijn verbazing opeens heerlijke Goudse Polderkaas, vierkanten plakjes uit een ronde kaas,

maar iets daarnaast heuse bacon, zij het met een waarschuwing voor de Russen. Kwestie van creatief omgaan met principes.

En voor alcohol geldt hetzelfde. Officieel zijn de VAE meer drooggelegd dan de USA ooit zijn geweest, maar al vanaf de Emirates business lounge in Düsseldorf wist ik dat dat een farce was. Daar, en in de lounge aan boord, en al helemaal in de business lounge van Terminal 3 in Dubai, was er een groots assortiment van alcoholica voorhanden. En nog gratis ook. Hetzelfde geldt voor het blikje Heineken dat ik, economy class terugvliegend, zo maar bij de lunch kreeg geserveerd.

Daar, op dat futuristische vliegveld van Dubai, kreeg ik met een uiterst vriendelijke glimlach een Baileys ingeschonken in een veel te groot limonadeglas, alsof ik een halve liter chocomel had besteld.
Ik gaf geen krimp.
In winkels en op straat zul je geen alcohol aantreffen, en ook sommige restaurants staan op dat punt droog, maar bij andere bleek het totaal geen probleem. Als je er maar grof voor betaalde.

Misschien zijn de Emirati principieel wel net zo dakloos (maar voorwaar slim en creatief) als ik dat politiek ben.

_________________________________

volgende artikel: TER AFRONDING – Dubai_4

 

 

SMELTKROES – Dubai_2

Ik heb voor het eerst van mijn leven kamelenvlees gegeten. Veel heb ik er niet van gemerkt en ik heb er ook niks aan overgehouden tot nu toe. In de knusse Local House lunchroom, in het wat oudere stadsdeel Al Fahidi aan de kreek, was het goed verpozen voor en na een stadswandeling. De prijzen waren ‘standaard’, dat wil zeggen, wat aan de hoge kant. Maar daarover verderop meer.

Dubai is een smeltkroes van nationaliteiten en culturen. Dat op zich is niks bijzonders. Ook niet dat dat de stad een diversiteit van gezichten biedt, en dat Engels in hoofdzaak de lingua franca is, in de omgang en op zowat alle borden en kaarten. Naast de grootse, luxe rijke en vooral brandschone delen van de stad, Downtown Dubai, het Financial Centre, het vliegveld, de kustlijn naar het zuiden toe, heb je aan de overkant van de kreek de wijk Deira met de smalle, drukke soeks, waar het minder schoon is, waar afdingen een must is en waar ik me overigens allerminst onveilig voelde.

De stad wordt doorsneden door talloze zesbaans autowegen; filevorming is minimaal, alles is goed en snel bereikbaar. Maar in Deira kun je beter niet met de auto gaan rondrijden.

 

 

En met een handkar vol daghandel zou je aan een zesbaans snelweg ook niet zo bar veel hebben trouwens.

 

 

 

Veilig is het overal, hoewel ik nauwelijks politie heb gezien. (Misschien is die er wel, maar voor de doorsnee toerist onzichtbaar; er schijnt zo nodig kordaat en zonder pardon te worden opgetreden bij het minste of geringste vergrijp. Als een beschaafd land heeft het Emiraat de doodstraf afgeschaft, maar in geval van moord of verkrachting is er een Pilatusachtige oplossing voorhanden: de crimineel is zijn visum of paspoort kwijt, wordt in een busje het land uitgezet, zuidwaarts naar Saudi-Arabië,en daar weten ze wel raad met misdadigers, want zoals we weten staat dat land bekend om zijn openbare terechtstellingen.)

De grote soek in de Dubai Mall is er voor de rijken. Torenhoge prijzen en van afdingen kan geen sprake zijn. Emirati, Russen en Chinezen zullen daar niet zo moeilijk over doen; hoe meer ze besteden, des te meer zal de verkoper zelf wel wat van de prijs afdoen. Hoewel, bij Russen ben ik daar nog niet zo zeker van.

 

En wat je niet in dat gedeelte vindt, kom je wellicht op je dwaaltocht door de Mall, dat gigantische architectonische wonder, nog wel elders tegen. Als je er een dagdeel voor uittrekt, heb je nog niet alles kunnen bewonderen.

 


Hoe anders is dat in de spice souk en textile souk aan de overkant, waar het vooral Indiërs en Pakistani zijn die de hele dag door goede nering hebben, elke passant tot op het agressieve af aanspreken en die nog het liefst mee naar binnen sleuren. Even rondkijken is er niet bij – je wordt meteen aangesproken en het afdingen kan beginnen.

Mee naar binnen gaan staat gelijk aan een koopverplichting. Dat is jammer, vind ik, want er is zo veel en het is allemaal zo de moeite het eens goed te bekijken, maar die kans krijg je niet.

 

 

Qua prijsstelling houd ik er ook een tweeslachtig gevoel aan over. Enerzijds zijn er spotprijzen, zoals de watertaxi over de kreek (€0,25 pp); de gewone taxi’s (een rit van 20 à 30 minuten zal niet meer dan €7,50 à €10 kosten, bij een starttarief van €1,25); wil je een half uur de luxe van zo’n vette limousine proeven, dan kun je je dat veroorloven voor €35 tot €40;  sigaretten variëren van €0,80 (Gauloises) tot €2,40 (Lucky Strike) per pakje.
Daar staan dan weer wel absurde prijzen tegenover in bijvoorbeeld restaurants: een bakje friet €6,25, zonder mayo; in het Local House restaurant waren we met z’n drieën voor een kamelenhotdog, twee kamelenyoghurtshakes, een bakje salade en twee koffie €45 kwijt.
En in het Social House restaurant, met zicht op het fonteinfestival, rond de €135 voor een prima warme maaltijd. En dan heb ik nog niet meegerekend dat je alles en iedereen een fooi naar rato moet geven, tot en met de piccolo van het hotel die een deur voor je opendoet of je koffer optilt.
Alcohol is een geval apart. In de meeste restaurants is het gewoonweg niet te krijgen (zo zijn de wetten der Islam), maar in sommige toch weer wel (zo zijn de wetten van het kapitalisme), net als in de Emirates lounges op de vliegvelden en aan boord zelf. Maar in Dubai zul je het dan wel weten: voor een kleintje pils van de tap (Heineken of Peroni) leg je vlot €6 op tafel.

Overdreven duur is dat allemaal misschien nog wel niet (probeer Parijs eens), maar het kan nog duurder als je een van de betere hotels boekt, zeg maar van 5 tot 7 sterren. Dan ben je al gauw €500 kwijt, oplopend tot wel €7.000 per kamer per nacht (fooien niet inbegrepen).

Ik heb het dan bijvoorbeeld over het Al Arab hotel, waar wij overigens niet verder kwamen dan het hek, maar wat een van die onwezenlijke prestigeobjecten is met zijn 38 verdiepingen en een helicopterplatform bovenop, waar de groten der aarde landen om te overnachten. Mij werd ingefluisterd door Wikipedia dat kamerprijzen kunnen oplopen tot wel €15.000 per nacht, en dat de bouwkosten van dit wonder van architectuur en inrichting pas zijn terugverdiend als het 400 jaar lang elke dag zou zijn volgeboekt.

 

Niet minder chic zijn de prijzen om in ‘s werelds hoogste gebouw naar het panoramadek op de 124e verdieping te mogen gaan. De Burj Al Khalifa, hier op een foto van vlak na de Parijse aanslagen van 13 november. Voor het geweldige uitzicht van bovenaf tel je wel ruim €75 neer. Voor de Euromast is dat €9,50 zonder bejaardenkorting.

Het kan niet op, hoe kunnen ze het ervoor doen, vroeg ik me in het vorige artikel af, want je praat over investeringen van vele miljarden. Maar geld speelt geen rol. Emirati werken niet (daarom bestaat er in de VAE ook geen inkomstenbelasting), zij investeren. Werken doet de import uit Zuidoost-Azië en Afrika. En al die investeringen trekken miljoenen toeristen aan, en tal van grote bedrijven en financiële instellingen. Zo wordt er heel veel terugverdiend, en zo niet, wat moet je anders met je geld dan er iets moois voor neerzetten. Dus toch bling bling.

In grote lijnen ben ik het wel eens met wat Robbert van Lanschot schreef in de NRC van 4 oktober 2014, al valt het me wel op dat artikelen op internet over wantoestanden bij de arbeidsomstandigheden in Dubai allemaal erg gedateerd zijn – weinig actueel:

De bezorgdheid over de vergrijzing is vooral gegrond op het idee dat de lokale bevolking van een land jong en dynamisch moet zijn en ‘arbeid’ moet kunnen verrichten. Maar dat is een achterhaald concept. Het schoolvoorbeeld is Dubai. Daar werkt niemand. Of liever gezegd, de lokale bevolking verricht er geen arbeid. Toch draait het emiraat, na een dip tijdens de financiële crisis, weer als een tierelier.
Op de luchthaven van Dubai zie je vrijwel alleen buitenlandse werknemers. Bij de informatiebalies zitten jonge Chinese vrouwen. De kruiers en de schoonmaakploegen komen uit het Indische subcontinent. En achter de toonbank van de belastingvrije winkel waar je een laptopje koopt om Nederland binnen te smokkelen, staan beeldschone Filippijnse meisjes. Alleen bij de paspoortcontrole zie je mannen uit Dubai, schitterende mannen in hagelwitte (door Aziatische dienstmeisjes gewassen) jalabiyas, met op het hoofd een kunstig gevouwen hoofddoek. Zij zetten een stempeltje in je paspoort. Zo’n arbeidsverdeling zou ooit toch ook in Nederland moeten kunnen. Dubai kan zich dit niet permitteren via olierijkdom (de productie is sinds de jaren negentig fors teruggelopen), maar omdat het gewoon een slim land is. De kassa rinkelt er continu zonder dat de lokale bevolking een hand hoeft uit te steken.”

Ik wacht even de Franse regionale verkiezingen van komende zondag af om te zien wat voor lumineuze ideeën daarvan het gevolg zullen zijn.

_________________________________

volgende artikel: PRINCIPES – Dubai_3

 

 

BLING BLING – Dubai_1

Als Jesse Klaver zijn min of meer terechte en vrij goed gefundeerde opvattingen openbaart als een “kruistocht tegen het economisme”, dan zou hij eens, net als ik vorige week, een lang weekend in Dubai moeten verblijven. Hij zou zich dan kunnen vergapen/ergeren/laven aan een maatschappij waarin het al economie is wat de klok slaat, ver verheven boven en niet gehinderd door storende factoren als cultuur, democratie, vakbonden, mensenrechten of wat dan ook. Mij leverde dat bliksembezoek een zo grote hoeveelheid aan indrukken op, dat ik er een reeks artikelen aan ga wijden. Allereerst: Bling bling, het kan niet op.

De Dubai Mall, een winkelcentrum met over de 1200 etablissementen, een heuse ijspiste en glitter en glamour alom, is een van de geijkte ontmoetingsplaatsen aan de ingang waarvan de riche van Dubai loopt te flaneren en te pronken met hun automobielen uit het allerhoogste segment: Rolls Royce, Maserati, Jaguar, Lamborghini, Bugatti, bedenk het maar, je treft het er aan. Er schijnen er zelfs rond te rijden met zilver of goud beplaat.

Maar ook elders, zoals voor het kolossale Atlantis ressort/hotel, kom je nog wel een verdwaalde Lamborghini tegen. Het kan niet op.

Inderdaad, het kan niet op, want hoewel nu al Dubai voor een groot deel bestaat uit een oerwoud van wolkenkrabbers, 50, 80, 100, meer dan 160 verdiepingen hoog, waarbij van enige blijk van architectonische coördinatie niet veel is te merken, is een eveneens groot deel van de stad één grote bouwput voor nog meer wolkenkrabbers.

Het zal er wel mee te maken hebben dat in Dubai in 2020 de wereld-expo wordt gehouden, die dan weer samenvalt met het 50-jarig bestaan (in 2021) van de Verenigde Arabische Emiraten. En dat mag wat kosten.

 

 


Die overdadige luxe merk je eigenlijk al in het vliegtuig, die enorme Airbus A-380 van Emirates. Nu ben ik van kinds af aan al volslagen vliegtuiggek, dus ja, ik kwam wel aan mijn trekken. Als je, zoals ik op de heenweg, het geluk hebt om business class te mogen vliegen, dan begint het feest al in de buseniss lounge op vliegveld Düsseldorf, waar je “in alle rust en comfort zakenpartners kunt ontmoeten”, nog wat stukken kunt doornemen en ongelimiteerd zo veel als je wilt kunt eten en drinken – het is bij de prijs van het vliegticket inbegrepen.

Hetzelfde geldt als je eenmaal in de lucht bent, waar je eveneens een lounge aantreft en je alle flessen en hapjes ter beschikking hebt. Hoe onwezenlijk kan het zijn: je vliegt over de grens van Irak en Iran. Rechts ligt Mosul; links Isfahan. Doe mij nog maar een Baileys.

 

De overtreffende trap is het vliegveld van Dubai, met name Terminal 3, geheel gereserveerd voor Emirates. Bling bling zo ver je kunt kijken, met een business lounge die zijn filiaal in Düsseldorf tien maal overtreft; een gigantische ruimte met een groot aantal buffetten, een zeer ruim bemeten luxe rokersafdeling, douches en een aantal slaapcabines voor de vermoeide zakenlui.

 

 

 

 

 

Hoe kunnen ze het ervoor doen, vraag je je af, met al die overheadkosten. Maar dat wordt een hoofdstuk apart: hoe draait de economie in Dubai.

Ik was in een compleet andere wereld terechtgekomen en moest als de wiedeweerga al mijn standaarden, principes en gevoel voor efficiëntie en functionaliteit deerlijk op- en afschalen.

En lang nadenken hoe ik dat in een paar artikelen zou gaan uiten. Wacht dus even af wat er zal gaan volgen, nog net niet te veel bedwelmd om kritisch te blijven.

____________________________

volgende artikel: SMELTKROES – Dubai_2 

 

Compiègne tussen Parijs en Vic-sur-Aisne

Het is maar goed ook, kan ik nu op 14 november zeggen, dat ik niet een week later naar Parijs ben gegaan. Ik was er vrijdag 6 november om op de ambassade mijn paspoort te vernieuwen, waarna ik daags erop een lezing moest houden in Vic-sur-Aisne over La vérité et son image.
Tussen die twee evenementen in bezocht ik Compiègne, en dat was alleszins de moeite waard.

Over Parijs kan ik kort zijn. Op de ambassade kon ik me laven aan de Hollandse bureaucratie, maar goed, over een week of wat zal ik mijn nieuwe paspoort wel hebben en dan voor tien jaar onder de pannen zijn. Daarna was mijn gps zo vriendelijk mij, op weg naar Compiègne, een “snelste route” aan te bieden dwars door Parijs, over de Champs-Élysées en de Périphérique, dat alles een aaneenschakeling van files waar ik wonder boven wonder zonder kleer- of blikscheuren na anderhalf uur van verlost was.

Ook over de lezing in Vic-sur-Aisne kan ik kort zijn. Er waren maar enkele tientallen mensen, maar het waren wel experts met wie geanimeerd en zinvol te discussiëren viel, zodat ik er, naast de verkoop van een redelijk aantal exemplaren, ook inhoudelijk veel aan heb gehad.

Compiègne dus, een stad van zo’n 40.000 inwoners tussen Parijs en Vic-sur-Aisne met een historie die terugvoert tot de Gallische tijd, en groot werd (tevens berucht: lees bij Jos Heitmann maar het verhaal over de Carmelitessen die in Compiègne onder de guillotine stierven) in de keizerlijke tijd, zeg maar de 19e eeuw.

Maar eveneens is de stad nauw verbonden met beide Wereldoorlogen. 

Macaber symbool daarvan is de treinwagon vlakbij Compiègne waarin op 11 november 1918 de wapenstilstand tussen Frankrijk en Duitsland werd getekend, maar waarin Hitler ook organiseerde dat er de Franse overgave op 22 juni 1940 werd bezegeld. Lees verder maar oeverloos veel over Compiègne op internet.

Via deze omweg kwam ik weer terug bij mijn genealogische bijvangst van april 2015, het verhaal over de broertjes Robert (1878) en Pierre (1884) Loonen. Zij hadden ook nog een oudere zus, Suzanne (1877) die zich later in hoge adellijke kringen ging bewegen, en nog een jongere broer François (1890), die in Afrika als tolk Engels-Frans, en verder als geroutineerd vechtjas doorontwikkelde. Van die laatste twee weet ik nog onvoldoende om er een doortimmerd verhaal over te kunnen schrijven, maar van de eerste twee juist steeds meer. Om ze even in mijn stamboom te plaatsen: maak vanuit mij een reuzen-paardensprong van 6 omhoog en dan weer 4 schuin omlaag en je bent bij dat kwartet Loonens aanbeland. Ze zitten dus qua generatie in de 10e graad op het niveau van mijn grootouders. te weinig om nog aanspraak op een deel van de erfenis te kunnen maken. Jammer, want de ouders lieten naast het Châteu Loonen en de florerende Etablissements Brosserie Loonen in Tracy-le-Mont, nog een vermogen van meer van FF 10.000.000 na. De drie jongens waren, zoals Fransen betaamt, notoire vechtjassen, namen vrijwillig dienst in het leger, en dachten zo de notabele carrière van hun vader te kunnen evenaren. François deed dat voornamelijk in (Frans) Marokko en Algerije, de andere twee bleven in Europa. In hun vrije tijd zaten deze gewiekste boefjes voornamelijk in het gevang. Van Robert heb ik in het april-artikel al een en ander belicht; nu, na mijn bezoek aan Compiègne, kan ik Pierre wat beter gaan inkleuren. Ik blijf nog wel een tijdje doorzoeken om het naadje van de kous te weten. Volgende boek?

Pierre blijkt toch heel wat minder onschuldig te zijn dan hij in een rechtszaak tegen Robert betoogde. Aan zijn militaire staat van dienst hangt een hele lap kattebelletjes met zijn veroordelingen: 1 maand, 2 maanden, 4 maanden, 6 maanden, 2 jaar celstraf, plus telkens een geringe boete (zeker voor een multimiljonair als hij geweest moet zijn) en terugbetaling van achterovergedrukte zaken. Steeds ging het om vermogensdelicten als diefstal, uitgifte van ongedekte cheques, oplichting, verduistering, alles vallend onder de noemer “abus de confiance”, oftewel “handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid” waaronder het “misbruik van vertrouwen” juridisch in Nederland valt.
Appeltje-eitje dus om hem, met documenten gestaafd, compleet af te zagen. Maar…

Zijn staat van dienst vermeldt ook nog gans andere zaken, en verder onderzoek bevestigt en versterkt dat alleen maar. Aan de leuke kant van de balans: hij mocht, nog student, in 1902 met pa mee naar Japan op zakenreis (waar hij heel wat paniek en malversaties schijnt te hebben veroorzaakt), en in 1910 naar Amerika. Zijn vader bezat een grote borstelfabriek in Tracy-le-Mont met vestigingen wereldwijd en het gezin verkeerde ook in Parijs in de hoogste diplomatieke en adelijke kringen. Tussendoor, van 1905-1907, vocht hij mee in de campagne Algerije.

Aan de minder leuke kant: hij vocht in 1914-1918 aan het Franse noordelijke front en werd in mei 1918 aan de Chemin des Dames krijgsgevangen gemaakt door de Duitsers. Vier maanden later werd hij daaruit bevrijd en kon hij zijn militaire verplichtingen weer overdroten voortzetten tot hij in oktober 1931 met groot verlof ging.
Of die krijgsgevangenschap zijn verdere carrière heeft gestuurd, durf ik niet te beweren. Wel weet ik dat Pierre vanaf 1927 tot diep in de jaren-’30 regelmatig in de rechtszaal vertoefde en dientengevolge in de gevangenis (“La Santé”, eufemistisch genoeg). Op zijn militaire conduitestaat prijkt dan ook als zijn woonadres per januari 1932 de Prison de la Santé in Parijs. Best mogelijk dat hij om die reden uit dienst is ontslagen, omdat hij bij voortduring niet echt inzetbaar bleek te zijn.

Wat dreef hem zo op het criminele pad? Was dat de onverwerkte oorlogservaring uit 1918, of vond het (ook) zijn oorzaak in de volstrekt onbezorgde jeugd, vol luxe, met miljoenen francs op de bank, zeker na het overlijden van zijn moeder in 1909 en zijn vader in 1913, hetgeen in vergelijkbare gevallen ertoe leidt dat de kinderen zich met al dat vermogen geen raad weten en buitensporig gedrag gaan vertonen, dat zelfs tot criminalteit kan leiden? Ik moet hierbij steeds denken aan de Baarnse moordzaak uit 1960, ook al speelde die zich onder andere omstandigheden af.

Maar het verhaal Pierre is nog niet af. Ik vermoed dat hij in 1939/1940 niet gevangen zat. Wellicht was hij reisagent, zoals op zijn conduitestaat is bijgeschreven, of makelaar in onroerend goed (na zijn geflopte periode als zwendelaar in roerend goed). Wat ik wel weet: in mei 1943 werd hij door de Gestapo opgepakt en in Compiègne geïnterneerd. In die jaren vervulde Compiègne dezelfde rol als Westerbork in Nederland: het was het vertrekstation van de veewagons voor de deportaties naar de Duitse en Poolse kampen. Op 16 september begon voor hem de vier dagen durende reis naar Buchenwald, mogelijk als “politischer Häftling”, maar het kan ook zijn als asociaal of subversief individu – wat maakt het uit. De registers die in het indrukwekkende Mémorial de l’Internement et de la déportation te Compiègne raadpleegbaar zijn, evenals op internet trouwens, vermelden niet meer dan dat hij niet is teruggekeerd en dus vermoedelijk in 1943 in Buchenwald is overleden. Zijn vrouw, eveneens vanuit Compiègne gedeporteerd, maar in 1944 en naar Ravensbrück, is in mei 1945 bevrijd en naar Frankrijk teruggekeerd. Zij hertrouwde in 1956, daarmee de facto het overlijden van haar eerste man bevestigend.
Beide echtelieden staan vermeld op de immense glazen herdenkingswand in Compiègne tussen de andere 40.000 gedeporteerden.

Toch had ik nog zo mijn vraagtekens. Nader speurwerk leidde mij naar de archiefdienst van Buchenwald zelf, van waar ik binnen een paar dagen het volgende bericht ontving:

Sehr geehrter Herr Loonen,
vielen Dank für Ihre freundliche Anfrage an die Gedenkstätte Buchenwald. Nach Durchsicht der uns vorliegenden Unterlagen, die sich leider nur aus einer unvollständigen Sammlung zusammensetzen, können wir Ihnen folgendes mitteilen:
Pierre Loonen (*23.06.1884 in Tracy le Mont) ist im Juli 1943 verhaftet worden. Der Grund ist uns leider nicht bekannt. Anschließend inhaftierte man ihn in Compiegne. Von dort wurde er am 18.09.1943 in das Konzentrationslager Buchenwald eingeliefert.
In Buchenwald wurde P. Loonen als politischer Französischer Häftling mit der Haftnummer 21019 registriert. Es ist unklar, wo genau im Lager er untergebracht war und ob er hier Zwangsarbeit leisten musste.
Am 15.01.1944 ist Pierre Loonen von Buchenwald in das KZ Majdanek bei Lublin überstellt worden. Leider liegen uns keine weiteren Hinweise auf sein Schicksal vor.
Herr Loonen, es tut mir leid, dass wir Ihre Fragen nach dem genauen Haftgrund und dem Verbleib von Pierre Loonen nicht abschließend beantworten können. Um weitere Informationen zu erhalten möchte ich eine Anfrage an den Internationalen Suchdienst (ITS) in Bad Arolsen zu stellen.(…)

Daarop heb ik zowel de ITS als KZ Majdanek aangeschreven, maar op een antwoord wacht ik nog steeds.
Ik heb geduld – ooit komt de waarheid wel boven tafel.

Het valt me niet mee een eenduidig oordeel over een ver familielid te vormen.
Wel weet ik dat ik voor geen goud met hem zou willen ruilen.
Met empathie alleen kom je er niet. Hij mag dan nog zo’n ploert zijn geweest, daarmee verdien je nog niet wat hij in twee Wereldoorlogen heeft moeten meemaken, en uiteindelijk met de dood heeft moeten bekopen.
________________
Nagekomen mededeling: op 17 februari 2017 kwam er antwoord van het ITS. Lees daarrover HIER.

 

 

 

 

Vol verwachting

Of ik soms van de aardbodem ben verdwenen?
Nee, dat niet. Maar er zijn van die periodes dat ik met een aantal berichten bezig ben waarvan ik het einde nog niet paraat heb.
Ik noem er een paar:

“De graag verzwegen oorlog”, over 1945-1949 in ons Indië, opeens net zo actueel geworden als de zwartepietendiscussie, die er overigens los van staat.
Directe aanleiding: het zojuist verschenen boek van oud-Ignatiaan Paul Welling over twee van zijn ooms. Als ik het binnen heb, wil ik er na lezing wel een bespreking aan wijden.

“De grote oorlog”, d.w.z. mijn uitgave van de Parisot-documenten 1914-1918.
De nu voltooide lay-out ligt momenteel bij de drukker en ik wacht met spanning op het telefoontje dat ik mijn exemplaren kan komen ophalen. Degenen die al besteld (en betaald) hebben, zullen naar alle waarschijnlijkheid de beloofde leverdatum van begin oktober wel kunnen aanhouden. Wie nog niet heeft besteld, kan dat altijd nog doen via parisot52.fr of door mij te mailen.

“Salò” is door een instituut in Bologna geheel gereviseerd, welke revisie onlangs op het Filmfestival van Venetië werd vertoond en bekroond met een Leone d’Oro, zo meldde mij een Italiaanse vriend. Als ik daarover meer weet, liever nog: als ik die revisie heb bekeken, kom ik daar zeker op terug.

Over boer en tuinder wilde ik het op deze weblog niet te veel meer gaan hebben. Jammer, anders had ik nog wel een geweldig recept liggen voor Vin de Pêche, een wat zwaardere aperitiefwijn gemaakt van o.a. bladeren van de perzikboom. Google maar op “vin de pêche” en je kunt het zelf ook.

Kortom: er zit nog voldoende onder de kurk.

 

 

Belgje pesten (2/3)

EEN KERNCENTRALE ALS DOEL.
Omdat tram 77 en 75 zo lang op zich lieten wachten, zoals eerder uitgelegd, verplaatsten we ons per auto naar Fort Lillo. Je komt daar binnen over een oprijlaan van onvervalste kasseien – een betere vorm van verkeersdrempel, niet voor niets in het Zweeds trafikhinder genoemd, bestaat er niet. Bovendien wordt je direct omringd door een horde ganzen die al sinds jaar en dag het fort bewaken.
Stapvoets voortschrijdend kom je aan de Scheldedijk. Waar eerst de stelplaats van tram 75 was, zie bijgaande foto van Jos van Aerde, is nu een riant parkeerterrein.
We waren de enige auto.

Fort Lillo is een bezoekje wel waard, vooral vanwege de merkwaardige ligging als een ingeklemde oase in het uitgebreide Antwerpse havengebied.

Met zijn haventje dat buiten de sluizen ligt, en dus telkens bij eb droogvalt, zijn planologische vorm van een oud fort, en zijn karakter van een stilstaand dorpje maakt het een onwerkelijke indruk.

 

 

Er is wat nering, maar niet veel. Een pleintje (met het huis van Den Prins van Oranje), een kerk (gesloten), een pisbak (openbaar). Er is wat horeca, maar het ene etablissement was gesloten en stond te koop, een tweede was gesloten vanwege vakantie, en het derde was in feite een gezellig stamineeke, waar je niet kon eten; nou ja, een tosti kon je nog net krijgen, en waar één hotelkamer beschikbaar was; nou ja, dat wil zeggen: door de week werd die permanent bewoond door arbeiders uit het havengebied, en in het weekeinde kon je die kamer reserveren. Een bescheiden slaapkamer met scheve, oude, houten vloer, iets waarover ik allerminst zal zeuren, en tot mijn grote verrassing hoorde er ook nog een forse woonkamer bij met tv, koffie- en theevoorziening en riante zitgelegenheid. Wifi werkte, evenals de verwarming. Helaas kon je er niet met je bankpas betalen, en voor geld pinnen moest je helemaal naar Antwerpen, maar geen nood: we kregen het banknummer van de waardin mee met de toezegging het bedrag na thuiskomst snel over te maken. Waar maak je dat nog mee?

Die waardin was overigens afkomstig uit Doel, aan de andere kant van de Schelde, vlak bij fort Liefkenshoek. Beide forten -ik schrijf onder de kop Belgje pesten- bleven merkwaardigerwijs na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 nog tot 1839 Nederlands grondgebied. Willem I had met lede ogen aan de Belgische opstand gevolg moeten geven, maar hij probeerde, ook militair, te redden wat er niet te redden viel. Hij hield dat negen jaar vol en hing kort erop zijn kroon aan de wilgen.


Die waardin was dus afkomstig uit Doel, dat aan ernstige leegloop lijdt.

Wie van Doeldenken houdt als een vorm van doemdenken, kan terecht op de webstek van Doel2020 en vooral deze Youtubefilm bekijken. Te vrezen valt dat Doel, waarvan er van de dik 2200 inwoners in 1900 nu nog maar 84 over zijn, op korte termijn geheel tegen de vlakte gaat, zoals dat ook gebeurde met Lillo, evenals met Blankenburg, Rozenburg en Heenvliet (toepasselijke naam!) die werden opgeofferd ten behoeve van de uitbreiding van de Rotterdamse haven.

De als megalomaan bestempelde en nimmer succesvol uitgevoerde uitbreidingsplannen van de Antwerpse haven zijn er de oorzaak van. Tel daarbij de aanleg van vier kerncentrales (Doel-1, -2, -3 en -4) op en het woongenot in Doel is verleden tijd.

Die kerncentrales gaan overigens om de haverklap dicht wegens storingen of vermeende risico’s, terwijl zo ongeveer om het Belgisch kabinet beurtelings besluit de vier centrales definitief te sluiten, dan wel de geplande sluitingsdatum weer voor tien jaar uit te stellen. Momenteel staat de deadline op 2025.

België was in 1967 met de planning voor het aanleggen van de Doel-centrales net iets eerder dan Borssele (besluit in 1969), maar onverwachte Nederlandse efficiëntie en vanzelfsprekend Belgisch gehakketak zorgden ervoor dat Borssele net iets eerder opstartte. Doel-1 en -2 in 1975, Borssele in 1973. Waarom twee van die energieparken zo dicht bij elkaar, met 9 miljoen inwoners in een straal van 75 km eromheen?

Het echte antwoord vind je niet op internet. Ik opper maar iets: België wilde, met Franse ruggesteun, niet alleen onafhankelijk zijn van Nederland, maar ook niet langer afhankelijk blijven van Nederlands aardgas, en kweekte met de centrales in Doel en Tihange een bron van eigen energiebehoefte.

Bedenk daarbij dat in België, net als in Nederland trouwens, begin jaren-’60 de kolenmijnen een voor een sloten en dat België door zijn ligging maar een relatief kleine kuststrook en dus ook een klein gebied aan territoriale wateren heeft, met alle gevolgen van dien voor de beperkte mogelijkheid van windmolens, getijdenenergie, maar ook boringen naar gas en olie. De recente Belgische plannen voor een energie-atol voor de Vlaamse kust zien er gelikt uit, maar België kennende zie ik het lijk al drijven. Bovendien kun je nu al op petities24.com bezwaar tegen de plannen maken. Die gaan dus ook al op niks uitdraaien.

Dat is de centrale kern van de zaak: Doel weg. Lillo weg. En Antwerpen zal het blijvend afleggen tegen Rotterdam. Daar zorgt de Hollandse VOC-mentaliteit wel voor – de pest voor de Belgen.

_________________________________
Vorig artikel: BELGIË SPOORT NIET
Volgend artikel: IK EEN BIETJE MEER ALS OUW 

Belgje pesten (1/3)

Dit is het eerste van een drietal berichten onder de kop “Belgje pesten”. Later volgen nog:
EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en
IK EEN BIETJE MEER AS OUW.
Maar nu eerst BELGIË SPOORT NIET, over de Nederlandse ontwikkelingshulp ten behoeve van het Belgische spoorwezen.

 


Als je in Antwerpen-Klapdorp tramlijn 77 neemt naar Bergen-op-Zoom, de zgn. ABT-lijn (Antwerpen-Bergen op Zoom-Tholen), passeer je na zo’n 15 km het dorp Lillo. Daar, bij Blauwhoef, kun je overstappen op tramlijn 75 die je naar Fort Lillo brengt, gelegen aan de Schelde tegenover fort Liefkenshoek. Niet te verwaarlozen detail: lijn 77 is in 1960 opgeheven en lijn 75 een jaar later. En het dorp Lillo is al in 1958 geheel tegen de vlakte gegaan.

Er restte ons eind 2014 dus niets anders dan per auto van Antwerpen naar Fort Lillo te rijden, wat dan ofwel langs de Schelde-oever gaat met zijn schier eindeloze petrochemische industrieterreinen, imposant en angstaanjagend tegelijk, ofwel buitenom door de Liefkenshoektunnel à raison van € 6,00 per passage. Over dat Fort Lillo, dat nog bijna 10 jaar na de Belgische onafhankelijkheid krampachtig in handen van het Koninkrijk der Nederlanden werd gehouden, volgt een verhelderend relaas in het tweede deel van dit drieluik. Het is wel een bezoekje waard.

Op dit moment gaat het me echter over de Belgisch-Nederlandse ellende over het spoor. En mijn insteek is dat Nederland er van alles aan doet ervoor te zorgen dat België niet spoort. Het is puur toeval dat nu net de enquêtecommissie over het Fyra-debacle in de schijnwerpers is komen te staan, want eerlijk gezegd had ik dit artikel al eind 2014 willen publiceren.Tijdgebrek, niets anders.
Maar het Fyra-verhaal is een welkome aanvulling om mijn standpunt te staven: terwijl via de media de indruk is ontstaan dat Nederland door de Belgen voor een fait accompli was gesteld toen die “eenzijdig” de stekker uit het project trokken, blijkt uit de commissieverhoren eerder het omgekeerde: Nederland had al besloten te stoppen met de Fyra, maar stelde het betreffende persbericht op het laatste moment nog uit, te laat voor de Belgen, die de persconferentie met dezelfde inhoud al hadden aangekondigd. Daarmee kregen de zuiderburen de zwarte piet toegespeeld. Zoals wel vaker gebeurde in de geschiedenis van beide landen.

Rond het HSL-tracé, waarover die Fyra dus mooi weer had moeten spelen, speelt er nog iets wat mij uiterst verdacht voorkomt, maar waarover ik uit de pers weinig tot niets heb kunnen vernemen. Bekend is dat er voor het traject Rotterdam-Antwerpen twee varianten op tafel lagen: via Roosendaal of via Breda. België opteerde voor de eerste, Nederland voor de tweede variant, waarbij als argumenten staan genoemd de mogelijkheid een aftakking naar Breda te maken en een extra landschapsdoorsnijding te vermijden. Immers, het traject via Breda volgt grosso modo de al bestaande snelweg Breda-Antwerpen.

Kijkend op het kaartje valt er nog iets anders op. Het zwarte, uiteindelijk aangelegde tracé meet van Moerdijk tot de Belgische grens 26 km, en van de grens tot Merksem 35 km. Het gele, niet gekozen tracé is min of meer het omgekeerde: Moerdijk-grens 33 km en grens-Merksem 26 km. Was er Nederland wellicht iets aan gelegen “zo snel mogelijk” de HSL de grens over te krijgen, uit ongetwijfeld financieel-economische overwegingen? Nederland kon zijn gelijk doordrukken door de Belgen ƒ 823 miljoen te schenken ter compensatie voor de duurdere aanleg in Vlaanderen, maar wist natuurlijk ook wel dat eventuele vervolgkosten (onderhoud, calamiteiten, e.d.) op Brussels bord terecht zouden komen, niet op het Haagse. “Als den Ollander je niet bedondert, dan is hij het vergeten”, tekende ik in het kader van de berichtgeving over de enquêtecommissie op uit de mond van een Vlaamse geïnterviewde.
(Lees verder op http://nl.wikipedia.org/wiki/Hogesnelheidslijn_Schiphol_-_Antwerpen; kaartbron: “HSL4″ by OpenStreetMap contributors – openstreetmap.org. Licensed under CC BY-SA 2.0 via Wikimedia Commons – http://commons.wikimedia.org/wiki/File:HSL4.png#/media/File:HSL4.png)

Voor een tweede ontsporing tussen Nederland en België moeten we even terug in de tijd. Ik bezit de Kaart der Nederlandsche Spoorwegen en Tramwegen uit 1933, met op de achterzijde de Spoorwegkaart van Midden-Europa, behoorende bij den officieelen reisgids der Nederlandsche Spoorwegen (groote uitgave). Op die kaart is te zien dat er in 1933 welgeteld 23 railverbindingen waren tussen Nederland en België. Vandaag de dag zijn er dat nog twee: Roosendaal-Antwerpen en Maastricht-Luik. Als je wilt, mag je de Thalys-/Fyraroute er nog als derde optie bij rekenen.

De ABT-lijn Antwerpen-Tholen is dus verdwenen, evenals bijvoorbeeld de spoorlijn Tilburg-Turnhout. Ook niet-grensoverschrijdend is het armoe troef: als voor de NS niet-rendabele lijnen al niet worden afgebroken, degraderen ze tot toeristische/folkloristische attractie (wie herinnert zich nog het miljoenenlijntje in Zuid-Limburg) of worden ze “gegund” (alle NS-gesjoemel ten spijt) aan een commercieel investeerder, zoals de lijn Nijmegen-Boxmeer-Roermond, die nu nog wordt bereden door Veolia, het bedrijf dat hier in Frankrijk mijn leverancier van drinkwater is. Het lijkt net alsof je bij Van Gansewinkel je groenten en fruit moet gaan kopen.

Het is hier overigens geen haar beter: de spoorlijn Parijs-Basel bood tot voor kort een prima oost-westverbinding per SNCF-treinstellen. Sinds het TGV-netwerk ook in Oost-Frankrijk verder is uitgerold wil men mij de nog geen 200 km lange verbinding laten afleggen door eerst noordwaarts naar Nancy of Metz te rijden, dan wel zuidwaarts naar Dijon, en dan van daar per TGV-verbinding naar Mulhouse. Reistijd kan oplopen tot bijna 7 uur. Dat is ongeveer hetzelfde als wanneer je de fiets had gepakt over de N19.

Net als in omringende landen is ook in Vlaanderen het railvervoer de afgelopen eeuw danig afgebrokkeld. Grotendeels is dat het gevolg van prioriteiten en minder prijzenswaardige visie van landelijke en lokale overheden (liever asfalt dan rails), waarbij de concurrentie van het busvervoer ook een rol speelt, alsmede twee oorlogen: in 1914 ging de grens tussen Nederland en België dicht en krap dertig jaar later had een buitenlandse mogendheid rails nodig voor andere doeleinden. Dat alles verzwakte de gezondheid van de toch al zo zieke patient deerlijk.

Talrijk zijn de klachten van Nederlanders die per spoor van bijvoorbeeld Rotterdam naar Antwerpen willen reizen. Een reistijd van 1½ uur heet “normaal”. De veel duurdere Thalys doet er een uur minder lang over. De nog geen 100 km kun je per auto binnen het uur afleggen.

In nauwelijks 2 uur rijd je met de auto van Maastricht naar Luxemburg. Over het spoor zit je die 200 km in een soort stoptrein die er rond de 4 uur voor nodig heeft. En wil je ergens anders vanuit Zeeland, Noord-Brabant of Limburg naar België, dan ben je op de bus aangewezen, als je geluk hebt. Eenentwintig grensoverschrijdende railverbindingen zijn voltooid verleden tijd.
Vroeger, ja vroeger, tussen 1982 en 2002, reed er de Ardennen-express van Zandvoort naar Luxemburg vv., gecombineerd met de Valkenburg express. Via Boxmeer, nota bene. Kon je, zij het alleen in de weekenden van juni, juli en augustus, eenmaal daags zonder overstappen naar en van Luxemburg sporen. En je fiets nog meenemen ook. Zie de nostalgische site daarover. Ik herinner me het nog vaag.

 

Nog iets verder terug in de tijd brengt ons bij de ontstaansgeschiedenis van de IJzeren Rijn. Laat Google er maar op los en je vindt van alles over de loop der dingen vanaf 1839 tot heden. Voor mij overheerst er in dit geval maar één Nederlands motief, zeker na de flop van de Betuweroute: België kan, mag en zal niet de concurrentiepositie van Antwerpen ten opzichte van Rotterdam versterken in de vorm van een railverbinding van de Antwerpse haven met het Roergebied. Onder meer in het kader van de (economische) Holland-promotie was in 1830 ook al de haven van Antwerpen door Nederland geblokkeerd, zoals dat eerder, en veel langer en drastischer, was gebeurd in het beruchte jaar 1585, bij welke gelegenheid de hier in de kop al genoemde forten Lillo en Liefkenshoek een voorname rol speelden.
Nederland had het bovendien al voor elkaar gekregen Staats-Vlaanderen, met de monding van de Schelde, als Zeeuws-Vlaanderen naar zich toe te trekken om zo nodig een beslissende rol te kunnen spelen bij de ontwikkeling van de Antwerpse haven. In feite is het meer recente gedoe, gekift, gebekvecht, gesjacher en handjeklap rond de Hedwigepolder daarvan een afgeleid gevolg.

Of het nu om scheepvaart- of railverbindingen gaat, voortdurend dringt zich de verdenking op dat Nederland er, zeker tegenover België, al eeuwenlang van alles aan doet de Hollandse economie op het rechte spoor te houden. De VOC-pestmentaliteit.

Mooie TGV-statie daar in Luik-Guillemins, by the railway. Was getekend: Calatrava.
En alweer kon Rotterdam niet achterblijven.

____________________________________
Volgende artikelen: EEN KERNCENTRALE ALS DOEL en IK EEN BIETJE MEER AS OUW

 

 

 

Genealogische bijvangst 14-18

Net terug van een drietal dagen rondzwerven in Vic-sur-Aisne, Compiègne en omstreken, om met eigen ogen de plekken te zien waarover ik in mijn a.s. WO-I-publicatie zo uitvoerig bericht. Nader nieuws daarover volgt spoedig, als ik het akkoord met de uitgever helemaal rond heb.
In het naburige Tracy-le-Mont kwam ik, niet geheel toevallig, enkele herinneringen tegen aan een achterachterachteroudoom van mij, ene Charles Loonen en zijn zoon Robert.

Beide heren waren mij door stamboomonderzoek al langer bekend, met allerhande details ook, maar nu zag ik wat zij in en voor Tracy moeten hebben betekend.

Pa was een gevierd zakenman, stammend uit een tak van de familie die, vanuit Breda, waar zijn vader een bakkerij had, nadrukkelijk in de handel was terechtgekomen. Als de leden van die tak niet al naar Ons Indië vertrokken om goud geld te verdienen, dan toch op z’n minst naar Amsterdam (Kalverstraat) of Parijs. Deze Charles had een borstelfabriek (nooit geweten dat je daarmee miljonair kunt worden), met nogal wat vestigingen wereldwijd. Zie bijgaande bedrijfsbrief. Naast zijn fabriek in Tracy-le-Mont met 2.000 werknemers (!) had hij verkooppunten in Parijs, Londen en New York. Bovendien was hij auteur van “Le Japon moderne” (1894), een boek dat nog slechts sporadisch in de oorspronkelijke editie is te vinden; wel in latere herdrukken. Je kunt het niettemin volledig HIER raadplegen dankzij de voortreffelijke Franse bibliotheekdocumentatie. Van het een komt het ander: hij werd benoemd tot Chevalier de la Légion d’Honneur en was burgemeester van Tracy-le-Mont (1892-1912). Een jaar later overleed hij aldaar. Wat in ieder geval nog van hem rest is een naar hem vernoemd plein.

Hij had vier kinderen van wie ik er twee een beetje heb kunnen volgen: de broers Robert (1878) en Pierre (1884). Toen hun vader was overleden (hun moeder stierf al vier jaar voordien) erfden zij elk 2 miljoen francs waarmee ze wel raad wisten. Zij kochten twee luxe appartementen in Parijs en lieten zich allerhande tapijten, meubels en sieraden op zicht toesturen, die ze vervolgens kochten, maar “vergaten” te betalen. Zij konden hun geld wel beter besteden: ze trokken naar Monte Carlo en joegen daar hun gehele fortuin er door. Als gokverslaafden wisten zij, leden van een “zeer honorabele handelsfamilie uit het noorden” bij dezen en genen grote sommen geld af te troggelen die ze vervolgens weer vergokten, tot ze uiteindelijk (maart 1914) werden opgepakt en veroordeeld wegens verduistering en afpersing.

Van Pierre weet ik niet veel meer af dan dat hij op 16 september 1943 vanuit Compiègne is gedeporteerd naar Buchenwald, maar voor Sous-Lieutenant Robert duurde de gevangenschap niet zo lang: in augustus 1914 werd hij gemobiliseerd en al in januari 1915 overleed hij ten gevolge van oorlogsverwondingen in Noordoost-Frankrijk. Zijn naam prijkt tot op heden op de zuil van het oorlogsmonument van Tracy-le-Mont.


Min of meer bij toeval kwam ik zijn handel en wandel tot in details tegen in het New Yorkse dagblad The Sun van 1 maart 1914. Een beetje moeilijk leesbaar, maar na enig turen haal je er toch wel het nodige uit, inclusief zijn echtscheiding van zijn Amerikaanse vrouw Josephine Morse. Het originele pdf-bestand, iets minder slecht leesbaar, vind je HIER.

Even verder speuren levert op dat Robert klaarblijkelijk een draaideurcrimineel was (een knuffelcrimineel lijkt hij me niet te zijn geweest) die door zijn vader, vlak voor diens dood in 1913, nota bene ook al was verstoten, maar niet onterfd.
“Het heeft me al een miljoen francs gekost om die jongen uit de penarie te halen”, verzucht de notabele vader, blijkens een artikel in diezelfde Sun van 10 maart 1913, dat een beknopt overzichtje geeft van het al vanaf 2 juni 1911 lopende proces tegen Robert dat hem in hoger beroep 3 jaar cel opleverde, conform een eerder vonnis, plus een boete van, omgerekend, $10. En ook moest hij de gestolen $35.000 terugbetalen aan de rechtmatige eigenaar.

Een hele reeks van persberichten, vanaf The New York Times van 21 decemebr 1910 en zoals bijvoorbeeld te vinden in het Parijse Dagblad Le Rappel tussen 1911 en 1914, legt de handel en wandel van ons illustere familielid bloot, zulks tot wanhoop van zijn succesvolle en alom gerespecteerde vader, en schijnbaar ook van zijn broer Pierre die droogjes voor de rechter verklaarde zich eerder slachtoffer van zijn broer te voelen dan crimineel compagnon.


Leuk, zo’n omhoog en omlaag gevallen rijkeluiszoontje in de familie, en dat zo maar als bijvangst bij een heel ander onderzoek.

(Rechtsboven: artikel in The Sun, maart 1913;
linksboven: The New York Times, 21 december 1910;
linksonder: Le Rappel van 17 maart 1914) 

 

 

 

Gefeliciteerd

Het blijkt geen 1-aprilgrap te zijn, want inderdaad startte de Nederlandse Teletekst op 1 april 1980, in navolging van het Engelse Ceefax (verbastering van “see facts”). Dat is vandaag dus 35 jaar geleden.
Ook ik ben een van de miljoenen die bijna dagelijks Teletekst raadplegen, op de tv of de pc.
Mijn voorkeurpagina’s zijn 101, 818 en 840 (vanwege Everton).

 

Humor lijkt niet te horen tot de huisstijl van Teletekst, waardoor het mij een raadsel blijft of bovenstaande voorlaatste zin op pagina 101 een bewust grapje is, of een miskleun.

In beide gevallen doet het me denken aan de paradoxale Britse definitie van het voorzetsel:
“A preposition is a word a sentence should never end with”.

Verplicht bijschift: “Start Teletekst 1980″ by Suyk, Koen / Anefo – Nationaal Archief Fotocollectie Anefo Nationaal Archief, Den Haag, Rijksfotoarchief: Fotocollectie Algemeen Nederlands Fotopersbureau (ANEFO), 1945-1989 – negatiefstroken zwart/wit, nummer toegang 2.24.01.05, bestanddeelnummer 930-7521. Licensed under CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons – https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Start_Teletekst_1980.jpg#/media/File:Start_Teletekst_1980.jpg

 

 

Sneuvel

Goed nieuws vandaag dat O&T zijn gesneuveld, zelfs zonder naar Syrië te zijn afgereisd, zoals Rutte onlangs nog had geadviseerd.

Hoewel ik soms nogal hang heb naar het verleden, had ik bepaald niet de indruk dat het landsbelang gediend is met regenteske lieden die doen denken aan de tijd van Luns en Romme.