ABN – net iets te moeilijk

Er zijn er die menen dat ik er te veel over zeur. Dat ik niet zo moet vallen over foutief, slecht en onverzorgd taalgebruik in publieke communicatie. Maar juist daarom blijf ik het toch doen. De kwaliteit van de taal weerspiegelt de kwaliteit van de erin vervatte boodschap.
Eerder al heb ik jullie vermaakt met de flaters van WK2014.nl en Nutrivian. Vandaag is ABN-dochter MoneYou aan de beurt.

MoneYou. Geen gedoe. Dat rijmt, strikt fonetisch gezien, niet echt helemaal, maar het spoort ook niet. Het begon toen ik een tijdje terug geld naar onze MoneYou-rekening vanuit Frankrijk wilde overmaken en ik nergens op de site de daarvoor vereiste BIC-code van de bank kon vinden.
Niet getreurd, er is een online klantenservice. Maar die weet met de vraag geen raad en stelt voor “een aantal steekwoorden of korte zinnen te gebruiken”. Alsof ik dat niet had gedaan.
Beet.
Omdat ik er niet zeker van ben dat zo’n onpeilbaar 0800-nummer vanuit Frankrijk wel zo koste(n)loos is als MoneYou voorspiegelt, stuurde ik een mailtje met drie vragen:

  1. Wat is de BIC-code van MoneYou?
  2. Kan ik vanuit Frankrijk geld storten op een MoneYou-rekening?
  3. Waarom “steekwoorden” gebruikt (verfoelijk germanisme; “Stichwörter”) in plaats van het Nederlandse “trefwoorden”, maar in ieder geval niet het anglicisme “sleutelwoorden” (“key words”).

Vrij snel kreeg ik een mailtje retour met de simpele melding:

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
We horen graag wat onze klanten vinden van onze dienstverlening en nemen je bevindingen zeker mee.
De MoneYou BIC code is ABNANL2A. Je kunt alleen geld storten op je MoneYou Spaarrekening van af een Nederlandse betaalrekening. De invoering van SEPA heeft hier geen invloed op. Stort je toch van een buitenlandse rekening dan ontvang je het geld weer terug op je buitenlandse rekening.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

 

Dit was maar zeer ten dele een antwoord op mijn vragen: ik kreeg de BIC-code, maar kan blijkbaar niettemin geen geld vanuit Frankrijk overmaken. Vive l’Europe, vive l’Euro, vive le SEPA, het neusje van de Zalm.
De intenties van de al 13 jaar bestaande European Payment Council ten spijt, is het niet de eerste keer dat die verbazing mij ten deel valt. Een jaar geleden ongeveer presenteerde het CVZ mij hetzelfde verhaal: wel van een Belgische of Duitse rekening, maar niet van een Franse. Waarom dat zo was, wist men mij aan de telefoon niet uit te leggen. Zo zijn onze manieren, was de afsluitende zin.
Nu is het CVZ een instelling die, om zijn beschamende, feodale praktijken te verdoezelen onlangs heeft besloten zich voortaan Zorginstituut Nederland te noemen, maar naamswijzigingen zijn nooit een teken van kracht. Philips en de HEMA doen dat ook niet.

Kortom: de eerste vraag was beantwoord, het tweede antwoord was niet onderbouwd, en op de derde vraag ging mevrouw MYk niet in. Of misschien was het een man. Of een machine. Dus maar weer een mailtje of dat derde antwoord ook nog kwam.
Keurig en snel een reactie: 

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
De term steekwoorden is een nederlands woord wat wordt gebruikt om trefwoorden aan te duiden. MoneYou heeft dit woord gekozen om een onderwerp uit de tekst aan te duiden.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

Alweer beet.
Allereerst ontging het mij niet, dat net als bij die babes van WK2014.nl en die visoliecapsules van Nutrivian het antwoord anoniem werd verstuurd. Daar zit dus geen mens achter, maar een format, dat als onderdeel van de bedrijfscultuur niemand verantwoordelijk wil laten zijn voor wat dan ook.
Verder is mijn ervaring bij dit soort zaken dat ongeveer vanaf de derde mailuitwisseling aan de andere kant van de lijn de portee van mijn eerste reactie begint door te dringen. Pure dommigheid? Pure onwil? Oekazes van hogerhand?
Ik ga dan maar even op mijn strepen staan en na verloop van tijd valt het kwartje wel. Daar gaat-ie:

Nu even scherp en correct en op ABN-niveau:
1. De term steekwoorden is geen nederlands woord, maar een Nederlands woord.
2. De term steekwoorden is geen Nederlands woord, maar een verfoeilijk germanisme naar Stichwort. Ook het bij sommigen aangetroffen sleutelwoord is om soortgelijke redenen af te wijzen (naar Engels key word). Het enige Nederlandse woord om trefwoorden aan te duiden is trefwoord, zoals u vreemd genoeg ook definieert. Zeg dat dan ook.
3. Het is geen woord wat wordt gebruikt, maar dat wordt gebruikt.
Nu op naar de B-cursus.
Het valt niet mee om al sinds 1972 docent Nederlands te zijn…
________________
Inmiddels is het begin november en heb ik het uitblijven van een verdere reactie als klacht bij MoneYou gedeponeerd. Verder doe ik er maar even niets mee. ABN-Amro heeft blijkbaar wel iets anders aan het hoofd/voor ogen.

Het Grote Zwijgen

Er zijn van die foto’s die na kortere of langere tijd iconisch blijken te zijn. Uit mijn herinnering diep ik moeiteloos op: het Vietconglijk dat door een Amerikaanse tank wordt voortgesleept (World Press Photo 1966); het wegrennende napalmmeisje Kim Phuc (WPP 1973); meer recent de aangespoelde Aylan en de ‘toevallige’ vondst in Gouda van de executiefoto’s tijdens de Politionele acties in Nederlands-Indië, waar De Volkskrant onder meer mee kwam in oktober. Iconisch, doordat zij een grote invloed blijken te hebben op de publieke opinie en zelfs op de politiek.

Vreemd genoeg werken die foto’s ongeacht de bijbehorende context; zelfs als ze zouden zijn gemanipuleerd, gephotoshopt of anderszins een ‘verkeerd’ beeld geven, de eenmaal genestelde beeldvorming laat zich niet meer veranderen. Zo gaat bijvoorbeeld van die Amerikaanse tank het verhaal dat de Vietcong vaak mijnen legde onder gesneuvelde lichamen, waardoor het raadzamer was die met een tank weg te slepen dan respectvol op te tillen en op een draagbaar te leggen. Intussen was het anti-Vietnamoorlogsentiment al tot een beslissende hoogte opgevoerd. Prima.

Hoe toevallig de executiefoto’s uit Indië opeens uit een lade in Gouda kwamen, kan ik niet beoordelen. Wel dat ze passen in het tijdsgewricht dat schoon schip wil maken met de romantiek van Nederlands koloniale Indiëverleden en de door de KVP, de Kerk en vele andere opgehemelde bevrijdingsidealen van het Nederlandse leger in de Oost 1946-1949. Wat daarbij wringt, is dat een politiek correcte herziening van de visie op schokkende gebeurtenissen uit het verleden tegen het zere been is van hen die er zelf nog van zouden kunnen getuigen. De Amerikaanse Vietnam-, Afghanistan- en Irakveteranen, de Dutchbatters van Srebrenica, de KNIL-militairen die 1947-1948 hebben meegemaakt, hoe velen van hen lijden er wel niet onder psychische stoornissen, enerzijds door het gevoel dat ze als misdadigers worden weggezet, anderzijds door de nachtmerries die hen blijven achtervolgen na hun al dan niet vrijwillige optreden elders in de wereld. Onmiskenbaar gevolg: Het Grote Zwijgen dat we willen doorbreken, wordt door die getuigen uit de eerste hand alleen maar versterkt wanneer oude wonden weer worden opengereten.

Zoiets kan ook worden gezegd van de broers Frans (1926-1993) en Bertus (1927-2006) Bosman, over wie Paul Welling kort geleden zijn boek Ze spraken er niet over heeft gepubliceerd. Tussen 1947 en 1949 verbleven de broers als dienstplichtig militair op Java en namen zij deel aan de politionele acties van het Nederlandse leger tegen de Indonesische ‘extremisten’. Tijdens hun verblijf aldaar, maar ook na hun terugkeer in Nederland spraken zij met geen woord over gruweldaden, door henzelf of in hun bijzijn gepleegd. Wie veel meegemaakt heeft, praat niet over Indië, motiveert Bertus dat (p.153) en Frans sprak van een vuile oorlog (p.154). Geen details, geen schuldvraag, eigenlijk ook geen zichtbare emotie.

Het moet voor Paul Welling (en na hem: voor de lezer) een soort van teleurstelling zijn geweest dat hij niet heeft weten door te dringen tot enige ontboezeming van de belevenissen van zijn twee ooms. Ze zijn overleden, dus niet meer tot een onthullend gesprek te bewegen, maar ook in de periode ervoor zou het een mission impossible zijn geweest. Ik ken dat van mijn eigen familieleden, in het bijzonder van mijn vader die in 1946 in Soerabaja zes maanden in dienst was bij de militaire inlichtingendienst NEFIS die aanvankelijk inlichtingen over Japanse manœuvres, maar later die van de Soekarnogezinden moest weten te vergaren ten behoeve van de geallieerden, en van het KNIL in het bijzonder. Geen woord erover, ook al wist hij zich gedekt door een door hem op 24 april 1946 schriftelijk ondertekende geheimhoudingsplicht. Ook over zaken die buiten zijn strikte dienstvervulling om speelden, zweeg hij.

Paul Welling moest zich dus tevreden stellen met de constatering, in de titel, in de inleiding en in het nawoord, dat het zwijgen consistent en onverbreekbaar was; in plaats daarvan biedt hij ons een bewonderenswaardig minutieuze opsomming van familie- en persoonsgegevens. Door diep tot de uit bronnen herleidbare gegevens door te dringen weet hij de hoofdpersonen voor de lezer tot leven te brengen. Ook zeer nauwkeurig heeft hij de door hem verzamelde militaire gegevens op schrift gesteld, daarmee bevestigend dat er tegenwoordig veelzijdige data op internet raadpleegbaar zijn en dat (militaire) instanties vandaag de dag uiterst bereidwillig zijn tot het verlenen van inzage in historisch archiefmateriaal. Om dat maar even te onderstrepen: afgelopen week ontving ik van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen een envelop met 47 tweezijdige gekopieerde archiefstukken over betalingen en de diensttijdgegevens van mijn vader. Gratis en voor niks en op eerste simpele verzoek. Terwijl de monden gesloten blijven, gaan de boeken open.

Toch frappeert mij het boek van Paul Welling om nog twee andere redenen. De eerste is een bevestiging van mijn herhaalde uitspraak in La vérité et son image: “Toutes les guerres sont comparables, sinon pareilles“, alle oorlogen zijn vergelijkbaar, zo niet identiek. Of het nu gaat om de hier nadrukkelijk uit brieven te lezen zorgen en machteloosheid van de familieleden thuis, de moeder van Frans en Bertus voorop, of de stijl van de brieven vanuit de Oost die vooral uitstralen dat er voor ongerustheid nauwelijks grond is, of de soms wat primitief overkomende, maar meer dan goed bedoelde zendingen richting front (hier: sigaretten en een vulpen in een dichtgesoldeerd blikje; in mijn boek: vers gebakken wafels die meer dan vijf weken onderweg bleven en bij aankomst aan het front al door kameraden waren opgegeten voor de geadresseerde het pak in handen kreeg), of het onwrikbare geloof dat God uiteindelijk alles wel weer ten goede zou keren.

De tweede reden is de parallel tussen de boven tafel gekregen berichten van de broers Frans en Bertus, die de werkelijkheid filteren om slechts een beeld ervan aan het achterland te tonen, en de volstrekt vergelijkbare correspondentie die ik heb teruggevonden zowel die tussen mijn ouders in de periode 1942-1945 in Indië en Thailand, als die tussen ‘mijn’ Eugène Parisot en zijn familie in Rosoy uit de periode 1914-1918. De kiem voor Het Grote Zwijgen werd steeds al in oorlogstijd zelf gelegd – het gaat niet om  een schaamte- of schuldgevoel achteraf. Het doet een beetje denken aan fotoalbums: die vertonen bij voorkeur mooiweervakantiefoto’s, geen regen of wind; vreugdevolle gebeurtenissen als huwelijk en geboorte, geen stervenspijn of verkeersongelukken; lachende mensen die alleen van vreugde huilen. Niet bijster iconisch allemaal.

Jammer genoeg vertoont het boek de editoriale tekortkomingen die ik ook van andere Boekscout-uitgaven ken: Het papier van de kaft is zo sterk krullend dat het boek voortdurend half open blijft liggen als een gebarsten peulvrucht. De foto’s zijn in zo lage resolutie afgedrukt en op een zo matige papierkwaliteit, dat hun waarde ervan wordt geschaad. Bedenk dat het om uniek materiaal gaat dat het verdient prominent en helder te boek te staan; bij de kwartierstaat en de landkaarten speelt daarenboven dat ze, ongetwijfeld om pagina’s uit te sparen, zo pietepeuterig staan afgedrukt dat ze schier onleesbaar zijn. En met een loep erbij blijken ze ook nog eens behoorlijk onscherp te zijn. Dat zal de auteur toch niet zo hebben aangeleverd. Of het de verantwoordelijkheid van de uitgever is, weet ik niet, maar de enkele haast onvermijdelijke taalfoutjes die in het boek staan, heeft de correctieafdeling van Boekscout niet in de gaten gehad. Overigens ben ik zeer gecharmeerd van Paul Wellings taalgebruik en stijl, die zorgen voor een uiterst prettig leesbare tekst.

Wat wel op het bord van de uitgever ligt, is de prijsstelling, maar we weten van print-on-demanduitgaven dat ze altijd wat aan de dure kant zijn vanwege de lage oplage en het risicodeel van de overheadkosten. Voor mijn uitgaven geldt hetzelfde.

Dat alles neemt niet weg dat we met Ze spraken er niet over een prachtige getuigenis in handen hebben van een onopgelost probleem: Het Grote Zwijgen.

Paul Welling hoopt dat er ooit nog meer (foto-)materiaal over zijn familieleden uit die periode teruggevonden zal worden. Misschien gaat er in Gouda nog wel eens toevallig een laatje open.

__________________

Paul Welling, Ze spraken er niet over. Twee Amersfoortse broers in Nederlands-Indië. Soest : Boekscout 2015. 156 blzz. Illustraties en kaarten in kleur en zwart-wit. Index. ISBN 9789402219401. Prijs € 18,15. Te bestellen via www.boekscout.nl.

 

Balansschikking

Mijn bericht over het prachtige woord amper bracht mij via-via bij het al even prachtige verschijnsel balansschikking, een vorm van samengestelde zin die wonderwel alleen voorkomt in het Nederlands, Fries en Afrikaans, en waarvan we dus mogen aannemen dat het een product van “Hollandse bodem” is dat al eeuwenlang bestaat. En dat laatste klopt ook, want al in het Middelnederlands komen we de constructie tegen.

Hij heet tot 1964 dan alleen nog niet balansschikking, want die term is, bij mijn weten, voor het eerst geïntroduceerd door Gijsbertha Bos in haar dissertatie uit dat jaar (hoofdstuk IV, p. 238-257).
Haar samenvatting van dat hoofdstuk staat hiernaast.

 

 

 

Een van de mooiste voorbeelden van een balansschikking is een zin die in een of andere taalmethode vwo/havo staat, misschien Opbouw-1 of -2, ik kan het niet meer achterhalen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

Het gaat hier onder meer over functie en betekenis van het voegwoord of.

Voor wie de begrippen nevenschikking en onderschikking niet meer helemaal paraat heeft, even een vluchtige opfriscursus; zie ook bovenstaand schemaatje:

Beschouw een voegwoord als een cementen voeg tussen twee bakstenen.

Bij nevenschikking treffen we twee (of meer) hoofdzinnen aan, gescheiden, tevens verbonden door een nevenschikkend voegwoord zoals en of of; de bakstenen liggen op gelijk niveau naast elkaar met een voeg ertussen, die zelf geen deel uitmaakt van het linker of rechter lid:

(2) [Ik ga vanavond nog terug] of [ik blijf bij je slapen].

Kenmerken:
- De twee leden A en B zijn verwisselbaar:

(2a) [Ik blijf bij je slapenof [ik ga vanavond nog terug].

- Beide leden staan in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvormen ga en blijf op de tweede zinsplaats.
- Elk van beide leden is ook afzonderlijk zinvol te gebruiken:

(2b) Ik ga vanavond nog terug.
(2c) Ik blijf bij je slapen.

- Het nevenschikkend voegwoord of duidt op een keuzemogelijkheid. Vergelijk Duits oder.

Bij onderschikking treffen we een hoofdzin aan (A) waarvan één zinsdeel een bijzin is (b) die wordt ingeleid door een onderschikkend voegwoord zoals dat of of; die binnenzin (b) is als een steen die in de grotere steen (A) is ingemetseld met een voeg(woord) aan de linker kant, deel uitmakend van die bijzin:

(3) [Ik vraag me af [of ik vanavond nog terug ga]].

Kenmerken:
- In zin (3) is of ik vanavond nog terug ga het lijdend voorwerp bij vraag me af en is daarmee ondergeschikt aan het linkerdeel (A) van de hele zin.
- De leden (A) en (b) zijn niet zinvol verwisselbaar, maar wel verplaatsbaar:

(3a) *Ik ga vanavond nog terug of ik vraag me af.
(3b) Of ik vanavond nog terug ga, vraag ik me af.

- Het linker deel (A) van de hoofdzin staat in de hoofdzinvolgorde, dus met de persoonsvorm vraag in (3) en (3b) netjes als tweede zinsdeel; het rechter deel, de bijzin (b) vertoont de bijzinvolgorde, dus met de persoonsvorm ga zo veel mogelijk naar rechts.
- Het linker deel (A) van de hoofdzin is niet zinvol afzonderlijk te gebruiken:

(3c) *Ik vraag me af.

- Het onderschikkend voegwoord of duidt op een vraag of onzekerheid. Vergelijk Duits ob.

Tot zover het oude nieuws. Nu de balansschikking.

Over de balansschikking is inmiddels wel een en ander geschreven; zie enkele literatuurverwijzingen onderaan dit bericht. Daaruit komt naar voren dat een zin in balansschikking kenmerken van zowel de nevenschikking (NS) als de onderschikking (OS) vertoont:

- Beide leden van bijvoorbeeld zin (1) staan in de hoofdzinvolgorde en het voegwoord of maakt geen deel uit van een der leden (NS dus);
- de leden zijn niet zinvol verwisselbaar (OS dus).

Het is echter ook zo dat bij de balansschikking eigenschappen optreden die noch bij NS, noch bij OS horen, maar wel specifiek zijn voor de balansschikking:

- De of-zin kan niet naar voren worden gehaald, zoals dat bij OS wel kan:

(3b) [[Of ik vanavond nog terug ga], vraag ik me af].

Maar niet:

(1a) *Of de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen vielen, had Karel de Grote zijn ogen nog niet gesloten.

- Het voegwoord of duidt noch op een keuze (NS), noch op een vraag of onzekerheid (OS).
- Het linker deel van de balansschikking moet een ontkenning of ander “negatief element” bevatten, anders gaat het niet; dit kenmerk ontbreekt bij NS en OS:

(1b) *Karel de Grote had zijn ogen vorige week gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

En hier komen we nu bij het meest onbegrijpelijke, tevens meest interessante deel van de beschouwing over de balansschikking: de ontkenning die erin ligt vervat en al dan niet tot uitdrukking komt.

Van den Toorn (1972, p.111) stelt dat de zinnen (32) en (32a) dezelfde betekenis hebben, en dat die parafrasemogelijkheid bestaat bij alle zinnen in balansschikking:

(32) Het duurt niet lang of het papier scheurt.
(32a) Het is niet zo dat het lang duurt en dat het papier niet scheurt.

Ogenschijnlijk wordt in (32) alleen lang ontkend. Maar uit (32a) blijkt dat het papier niet scheurt, dat dat lang duurt, en dat dat allemaal niet waar is. Dat klinkt een beetje idioot, maar het is wel juist.

Terug naar Karel de Grote. Toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen niet zijn rijk binnen, laat staan van alle kanten. Toch staat er dat ze dat wel deden toen hij zijn ogen nog niet had gesloten. Hoe zit dat nou?

Ik ga eerst even met Van den Toorn mee: Het is juist dat zin (1) en zin (1c) qua betekenis dezelfde informatie verschaffen:

(1) Karel de Grote had zijn ogen nog niet gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1c) Het is niet zo dat Karel de Grote zijn ogen had gesloten en dat de Noormannen niet van alle kanten zijn rijk binnenvielen.

Als ik Van den Toorn echter juist interpreteer, is deze voorstelling van zaken niet correct en is de boomstructuur die hij bij zin (32a) voorstelt ook niet te kopiëren voor zin (1c). Merk om te beginnen op dat ik in zin (1c) opeens het woordje nog heb weggelaten. Iedere Nederlands sprekende gaat er bij zin (1) van uit dat Karel de Grote wèl dood was, en dus niet dat hij “nog niet” dood was. Daaruit volgt dat het niet in (1) geen ontkenning van de (linker) zin is, maar dat nog niet een inkorting is van nog niet zo lang – een zinsdeelontkenning dus. Het voor de balansschikking vereiste “negatieve element” zit dus in de korte periode die was verstreken sinds zijn overlijden. Dus ja, het klopt, zolang hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen de Noormannen zijn rijk niet binnen, en nee, het klopt niet: toen hij zijn ogen nog niet had gesloten, vielen ze zijn rijk niet binnen, maar wel toen hij ze wel had gesloten.

Omdat dit nog nauwelijks te volgen is, ga ik maar weer terug naar af, of liever gezegd: naar amper, waarover ik schreef naar aanleiding van nauwelijks. Bezie het onvolledige lijstje van substituenten:

(1d) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) amper gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1e) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) net gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1f) Karel de Grote had zijn ogen (nog maar) nauwelijks gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.
(1g) Koud had Karel de Grote zijn ogen gesloten, of de Noormannen vielen van alle kanten zijn rijk binnen.

en zelfs varianten als:

(1h) Kort nadat Karel de Grote zijn ogen had gesloten, vielen de Noormannen van alle kanten zijn rijk binnen.

Deze laatste zin verheldert wel een en ander:

- Het “negatieve element” zit hem in de korte duur.
- Het overlijden van Karel de Grote lijkt een bijwoordelijke bijzin te zijn, en het binnenvallen der Noormannen de hoofdzin; dat houdt ook in dat dat binnenvallen de hoofdzaak van de mededeling is en het overlijden een omstandigheid. Deze suggestie wordt overigens door Van den Toorn ook behandeld.
- Het kort nadat impliceert dat woorden als amper, net en nauwelijks betekenen dat het feit zich wel degelijk heeft voorgedaan, zij het dan nog maar zeer onlangs. Dat was ook de uitkomst van mijn bericht over amper.

Hoe leg je dit nu allemaal uit aan niet Nederlands (of Fries of Afrikaans) sprekenden die zo graag hier willen inburgeren? En hoe kun je zin (4) interpreteren?

(4) Zij waren nog niet ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

VVD en PVV, die van balansschikking niets willen weten, prefereren de interpretatie:

(4a) Zij waren nog niet ingeburgerd en zij moesten (dus) het land weer uit. (oorzaak en gevolg)

Mensen met een iets ruimere blik lezen hem meer uitgebalanceerd als:

(4b) Zij waren al ingeburgerd en moesten (toch) het land weer uit. (tegenstelling)

Van den Toorn zou er als nauwelijks te vatten CDA-compromis van maken:

(4c) Het is niet zo dat zij waren ingeburgerd en dat zij het land niet weer uit moesten.

Maar weinigen zullen voetstoots aannemen dat in (4b) en (4c) hetzelfde staat. Formuleer het dan liever zo:

(4d) Zij waren amper ingeburgerd, of ze moesten het land weer uit.

Dat is nog eens duidelijke taal.

________________________________
Literatuur:

- M.C. van den Toorn, Balansschikking en disjunctie. In: De Nieuwe Taalgids jg. 65 (1972), p.104-123. Te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_taa008197201_01/_taa008197201_01_0014.php

- Elektronische Algemene Nederlandse Spraakkunst (E-ANS), te raadplegen op http://ans.ruhosting.nl/e-ans/26/07/body.html

- Ad Welschen. Duale syntaxis en polaire contractie. Negatief gebonden of-constructies in het Nederlands. Amsterdam, Stichting Neerlandistiek VU 1999.

- Een moeilijk artikel van Joop Malepaard over balansschikking (Inverse disjuncties), maar wel met een uitgebreide literatuuropgave, is te lezen/downloaden op http://www.dbnl.org/tekst/_voo004200701_01/_voo004200701_01_0009.php

 

 

 

Amper

Intrigerende observatie van Ronny Boogaart op blz.22 van zijn bundel Een sprinter is een stoptrein zonder wc (AUP, 2015), dat veel van zijn studenten, en zulks in toenemende mate, bij nauwelijks honderd denken aan 98 of 99, in plaats van het correcte aantal van 101 of 102. Blijkbaar dwingt de negatieve connotatie van nauwelijks tot een interpretatie van “net niet” in plaats van “maar net”.

Ik kan Boogaart geruststellen. Zijn observatie hoort niet thuis binnen het typisch domein van steeds slechter wordende studenten, noch is zij regionaal beperkt tot Leiden e.o. Bij nagenoeg alle Nederlands sprekende volwassenen aan wie ik de vraag voorlegde, kwam spontaan hetzelfde antwoord “net niet”.

We kunnen die misinterpretatie niet wijten aan de beginletter n van nauwelijks, want nauwelijks is niet de negatieve pendant van auwelijks, zoals nergens tegenover ergens staat en nooit tegenover ooit. Het moet louter en alleen zitten in genoemde negatieve connotatie, een overheersend beeld dat mensen erbij hebben, waardoor zij denken dat het genoemde aantal niet wordt gehaald. Boogaart heeft gelijk: als er nauwelijks tien studenten zijn geslaagd, dan overheerst het gevoel dat er dat maar bitter weinig zijn, zelfs al weet je niet hoe veel studenten er niet zijn geslaagd. Wel weet je dat het aantal niet-geslaagden groter zal zijn geweest dan een of twee, want het gebruik van nauwelijks impliceert een tegenvallend resultaat. Maar toch slaagden er 10 tot 12 studenten.

Ik kan Boogaart nog meer geruststellen. Leg aan degenen die bij nauwelijks honderd aan <100 denken eens de zin voor:

(1a) Ik was (nog maar) nauwelijks thuis, of het begon te regenen

Een van de kenmerken van zinnen als deze, luisterend naar de constructienaam balansschikking, is dat het linker lid, dus voor het voegwoord of, een negatie of negatieve gevoelswaarde moet hebben. Zinnen als

(1b) *Ik was al uren thuis of het begon te regenen

zijn niet gebruikelijk.

Ik schat dat iedere Nederlands sprekende bij het horen van zin (1a) zal interpreteren dat ik al thuis was, weliswaar nog niet zo lang, toen de eerste druppels vielen. Ergo: nauwelijks betekent (nog maar) net wel en dus niet: (nog maar) net niet. De negatieve lading van nauwelijks zit hem dus niet in het niet halen van het gewenste aantal of moment, maar in de korte ruimte tussen dat ijkpunt en wat daarna volgt.

Ook leuk is, als ik me niet vergis, dat nauwelijks in alle gevallen vervangbaar is door ternauwernood. Het is de vraag of dat woord in even grote mate wordt gemisinterpreteerd als net niet in plaats van maar net. Het zou me niet verbazen als die score gunstiger uitpakte.
Het omgekeerde lijkt mij overigens niet het geval: niet bij elk voorkomen van ternauwernood kun je nauwelijks invullen, namelijk in die gevallen waarbij de zin al een negatie of althans een negatieve lading herbergt (de vetgedrukte woorden):

(2a) Bij de lawine waren zij ternauwernood aan de dood ontsnapt
(2b) * Bij de lawine waren zij nauwelijks aan de dood ontsnapt
(3a) Door die nieuwe controlepoortjes had ik ternauwernood de trein van 8.19 gemist
(3b) * Door die nieuwe controlepoortjes had ik nauwelijks de trein van 8.19 gemist
(4a) Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht ternauwernood niet gevroren
(4b) * Ondanks de KNMI-waarschuwing had het vannacht nauwelijks niet gevroren

Er is nog een zogenaamd synoniem voor nauwelijks. Ik zeg zogenaamd, omdat echte synoniemen eigenlijk niet bestaan. Een wetmatigheid bij taalgebruikers is dat als twee woorden precies dezelfde betekenis en gevoels- en gebruikswaarde hebben of beginnen te krijgen, een van beide woorden ofwel van betekenis/gevoelswaarde verandert, ofwel het loodje legt. Zo kennen bijvoorbeeld de “synoniemen” fiets en rijwiel het verschil dat Tom Dumoulin wel op zijn fiets stapt, maar niet op zijn rijwiel, en dat je bij een medische controle wel “Dag dokter” kunt zeggen, maar niet “Dag arts”.

Het woord waarop ik doel, is amper. Jarenlang hield ik, tegen beter weten in, mijn leerlingen voor dat er maar vier echt origineel Nederlandse woorden bestaan: jas, pet, das en oorlog. Ik zei dat om de angst voor verengelsing van het Nederlands wat te relativeren: wij hebben bijna al onze woorden van over de landsgrenzen gehaald, zonder dat je kunt volhouden dat onze taal daardoor is verloederd. Maar amper hoort wel degelijk bij de oer-Nederlandse woorden. In het Frans, Duits en Engels spreek je van à peine, kaum en barely, alleen in Nederland en Vlaanderen heet het amper.

De herkomst van het woord is onduidelijk. Het grote Woordenboek der Nederlandsche taal blijft er wat vaag over; ook het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche taal van Frank-Van Wijk somt heel wat suggesties op, maar blijft de herkomst “mogelijk, maar onzeker” vinden.

Amper is bruikbaar in bovengenoemde vier (a)-zinnen; bij zin (2b) heb ik mijn twijfels, maar (3b) en (4b) lijken mij niet geschikt om amper te bevatten.

Voor mensen als Ronny Boogaart en mij is er nog wel werk aan de winkel. Op mijnwoordenboek.nl vind je bij amper de omschrijving:

nog geen, bijna niet - ne… guère
- een kind van amper twee jaar - un enfant de même pas deux ans

Nog geen twee jaar dus; mij lijkt toch dat dat niet de correcte Franse vertaling is. Dit kind heeft onlangs nog twee kaarsjes uitgeblazen.

- Ik kan het amper geloven – J’ai de la peine à le croire

staat er dan als tweede voorbeeld bij. Je kunt het dus wel geloven, zij het met moeite.

Amper is net wel, op het nippertje, kantje boord, net als nauwelijks en ternauwernood, en niet een woord dat heen en weer zwalkt tussen nog niet en net wel, zoals mijnwoordenboek.nl suggereert, want bijna niet betekent net wel.

En dan heb ik het nog niet gehad over de bij dat lemma genoemde synoniemen voor amper: koud en schoonmaakmiddel. Klik daar maar op en je snapt er niets meer van.

Om met een omweg echter weer terug thuis te komen: in zin (1a) kun je nauwelijks inderdaad vervangen door koud:

(1c) Ik was koud thuis, of het begon te regenen

Maar die trouvaille heb ik niet van die site kunnen plukken.

 

 

 

Homonieme Teletekst

Ik heb wel iets met Teletekst. Staat vol met achteloze klunzigheden of juist met wakkerschuddende trouvailles. Vandaag weer zo eentje: een homoniem van de bovenste plank. Met een verwijzing bovendien die het niet simpeler maakt.
En ach, hoe werkt dat: twee uur na publicatie van dit bericht was het homoniem verwijderd, maar de incorrete link stond er nog steeds. Ok, bij mijn Blatter-artikel duurde het drie dagen.

 

Ik snap Koenders wel. Klikkend op de link naar TT-pagina 104 is het duidelijk dat hij het zat was om tot driemaal toe te moeten rennen voor zijn leven bij de Jumbo in Groningen. Wellicht iemand uit Zwolle die uit onvrede met de verloren bekerfinale op 3 mei de omgeving van de Euroborg onveilig wil maken. Koenders neemt geen halve maatregelen. Uit onvrede neemt hij de wijk naar Moskou, of all places. Daar ontploft er tenminste nooit wat.

 

De Teletekstverwijzig naar 104 is gewoon een blunder, maar het homoniem is van grote kwaliteit: het woord uit kun je als voorzetsel en als werkwoord lezen, met ontleedconsequenties als gevolg.

Het doet met denken aan dat prachthomoniem waarover ik in 1975 al eens iets heb gepubliceerd in Spektator: SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP. Een hartekreet van de actiegroep Nieuwmarkt dan wel de titel van een angstaanjagend horrorverhaal.

Heerlijk, die homoniemen.

 

 

 

Goede voornemens

Aan veel van de traditionele goede voornemens rond het begin van het nieuwe jaar houd je niet meer over dan, bij gebleken mislukking, een gevoel van teleurstelling en diepe frustratie. … Zoiets als het Slowaakse ijshockeyteam U-20 in januari 2007 in Mora (Zweden), toen degradatie een feit bleek. Stoppen met roken, meer op de fiets gaan doen, je contacten niet verwaarlozen, gedurende 100 dagen zo min mogelijk restafval produceren (NOS-journaal, 30 december), …
Ik kom daarom met iets beters en wellicht ook haalbaars: het voornemen om een zuiver(der) taalgebruik te gaan hanteren.

Er gaapt een kloof tussen taalpurisme en verzorgd taalgebruik. Het eerste heeft een negatieve bijsmaak, terwijl het laatste kan rekenen op algehele instemming, al gaat dat niet op voor sms-taal en chatberichten. Maar in brieven (dat zijn handgeschreven of getypte papieren die je vroeger in een envelop stopte en dan met een postzegel erop ging posten, toen er in de buurt nog niet-afgeplakte brievenbussen waren), in e-mails, op forums of fora, maar ook bij het gesproken woord in gesprekken, op radio en tv, wordt doorgaans correct taalgebruik positief gewaardeerd. En je voorkomt er het risico mee dat je bij krakkemikkig taalgebruik je schrijfdoel niet zult bereiken, of het nu om een sollicitatie gaat of om welgemeend verspreide informatie. Als ik een handleiding of wervende tekst tegenkom die barst van de taalfouten, vertrouw ik de inhoud niet meer. Een solicitaciebrief die wemeld van de spelfauten haalt slegts het ronde archiev.

Ik trap af met zeven hoofdzonden. De haarziekte laat ik hier verder onbesproken, want die is in mijn betreffende artikel al voldoende voor het voetlicht verschenen.

 

  • dat-wat

Ooit, circa 400 jaar geleden, hebben grammatici bedacht dat het “het boek, dat…” is en “alles, wat…”; kortom: naar een onzijdig woord verwijs je met dat, naar iets onbepaalds, een ingesloten antecedent (“Wie zoet is, krijgt lekkers”; wie = hij die) of een hele zin met wat. Daarmee was dan ook meteen geregeld dat er betekenisverschil is tussen
(1a) Er kwam niet veel terecht van jouw nieuwste plan, dat mij hogelijk verbaasde.(ik was dus verbaasd over de inhoud van jouw plan) en
(1b) Er kwam niet veel terecht van jouw nieuwste plan, wat mij hogelijk verbaasde. (ik had dus verwacht dat het plan wel zou slagen)

Achter dit dat/wat-onderscheid gaat veel meer schuil. Het past in een eeuwenlange ontwikkeling waarin steeds meer d-woorden (daar, die, dat) het afleggen tegen hun w-variant (waar, wie, wat). En niet alleen in het Nederlands.
We komen die verschuiving tegen bij betrekkelijke woorden (daaraan, daarmee, enz. worden waaraan, waarmee, enz.). In de Reinaert, r.224-225 lezen we:
(2a) Die wisse daer die bake an hinc, becnause, so es so vet. Nu zou dat zijn:
(2b) Het touwtje waar de spek aan hing, knabbel eraan, het is zo vet.

Nog in de 17e eeuw zien we die gebruikt worden waar nu wie gangbaar is, bijvoorbeeld in Aran en Titus van Jan Vos (1661), r.120-121:
(3a) Is ‘t smeeken te vergeefs? zoo dient’er dan gewelt; want die te flaauw verzoekt, die leerd een ander weigeren. We schrijven nu:
(3b) Is ‘t smeken tevergeefs? dan dient er dus geweld; want wie te slap verzoekt, die leert een ander weigeren.

En het zou me niets verbazen als je in 19e-eeuws Vlaams, bijvoorbeeld bij Gezelle, ook nog zulke d-vormen tegenkomt.

De d->w-verschuiving is nog niet voltooid. Maar grammaticaal gezien is het vooralsnog incorrect te spreken van het eveneens door Hiemstra & Co gebezigde:
(4a) het hogedrukgebied wat boven Scandinavië ligt; en al helemaal:
(4b) het hogedrukgebied die boven Scandinavië ligt, ook dat presteren ze bij het achtuurjournaalweerbericht (op 2 jan.2015 deed Marco Verhoef het nog, die toch doorgaans verzorgd Nederlands spreekt en niet zo’n malle hockey-r uit zijn mond laat komen), al is dat een grove fout van een andere orde.
Zet Johan Cruyff een tijdje bij het KNMI en het wordt:

(4c) het hogedrukgebied wie boven Scandinavië ligt.

Van nieuwslezers en weerprofeten bij het NOS-journaal mag je, gezien hun kijkdichtheid en voorbeeldfunctie, wel een correcter taalgebruik verwachten; bij politici ben je wellicht al spontaan bedacht op onjuiste woordkeuze.

 

  • opdat-zodat, omdat-doordat

Nog meer dat-ellende. Het zijn bepaald niet alleen puristen die beweren dat taalverandering kan leiden tot taalarmoede. Het evidente verschil tussen opdat en zodat, parallel lopend met het verschil tussen omdat en doordat lijkt door velen niet meer te worden gekend, laat staan gebruikt. Toch is dat onderscheid tussen bewust en onbewust, tussen reden en oorzaak, niet zinloos:
Bij opdat en zodat is er het verschil tussen doel en gevolg, dus:
(5a) Ik nam drie treden tegelijk opdat ik eerder beneden zou zijn. (met het doel om…)
(5b) Ik nam drie treden tegelijk, zodat ik voorover viel. (met als gevolg dat…)
Mij dunkt dat het de moeite loont doel en gevolg niet met elkaar te verwarren of ze gemakshalve gelijk te schakelen. Bij kennelijke opzet keert de verzekering niet uit.

Doel is een bewust bedoeld gevolg; gevolg is een onbedoeld perongelukje.

Het onderscheid tussen omdat en doordat is van dezelfde categorie: bij omdat is er sprake van een reden (bewust) waarvan het genoemde het gevolg is:
(6a) Omdat er een regenfront nadert, kun je beter een jas aantrekken. (daaraan kun je dus wel degelijk iets doen)
Bij doordat is er sprake van een oorzaak (onbewust) waarvan het genoemde het gevolg is:
(6b) Doordat er een regenfront nadert, gaat het bij ons harder waaien. (niemand die daaraan wat kan doen)
Maar doordat verliest terrein, zowel bij politici (die er nooit wat aan kunnen doen), NOS-lieden (die er altijd wat aan kunnen doen) als bij gewone mensen (die er nauwelijks iets aan doen).

 

  • hen-hun

Misschien moet je daarvoor Latijn en Grieks hebben gehad, of anders toch minstens één jaar Duits. Een simpele wet luidt: aan hen is hun. Je dient hun dus alleen te gebruiken als het 3e naamval is, datief, meewerkend voorwerp o.i.d. In alle andere gevallen is het hen. Dus als vierde naamval, accusatief, lijdend voorwerp o.i.d. Dus:
(7a) Ik heb hun een mailtje gestuurd. (hun=aan hen)
(7b) Ik heb een mailtje naar hen gestuurd. (alle Nederlandse voorzetsels behalve te regeren de 4e naamval, dus hen)

Het ook buiten de voetbalretoriek populair geworden gebruik van hun als eerste naamval, nominatief, onderwerp o.i.d. (Hun hebben gezegd…) is weliswaar fout volgens de preciezen, maar de rekkelijken zullen wat inschikken en zich voegen naar wat ten ene male gangbaar blijkt te worden. Mijn weifelende overwegingen daarbij hebben overigens te maken met de wetenschap dat in Zuid-Nederlandse dialecten en in het Vlaams het goed mogelijk is een benadrukte vorm van zo’n eerste naamval juist uit te drukken door de vierde-naamvalsvorm te gebruiken (Den hèt mi da eiges gezeid = Hij heeft me dat zelf gezegd). In het Engels en Frans kennen we iets soortgelijks: het is niet: Who’s there? It’s I, maar It’s me. En niet: Qui est? C’est je, maar C’est moi. Leuk dat de aloude as Berlijn-Rome daar niet aan meedoet: Wer ist da? Ich bin’s (niet: Mich bin’s), en Qui è? Sono io (en niet: Sono me).
Aan hen is hun. Als je dat te moeilijk vindt, of geen zin hebt om je er druk over te maken, gebruik dan ze of die, dan ben je van het hele gedoe af.

 

  • hele

Het was een hele lekkere taart. Dat betekent dus, dat het een hele taart was die nog lekker was ook. Sinds het onderdeel woordgroepen in het taalonderwijs zo goed als afgeschaft is, weet er geen mens meer hoe die hele lekkere taart is opgebouwd. Welnu: in de woordgroep een hele lekkere taart is taart de kern, met een als tertiaire, deiktische voorbepaling en hele lekkere als primaire voorbepaling. Maar helaas is hele lekkere geen Nederlands. Die woordgroep heeft lekkere als kern en hele als voorbepaling, maar het woord hele staat niet in het woordenboek. Dat moet dus heel zijn (of erg of zoiets; bij tamelijk zou niemand zeggen: een tamelijke lekkere taart).
Dit nu kan tot spraakverwarring leiden. Een hele mooie voorzet slaat dus op een voorzet die compleet was, heel, en niet een halve voorzet die het midden houdt tussen een voorzet en een schot op doel, en die daar bovenop nog mooi was ook. Een heel mooie voorzet is een voorzet, van welke snit dan ook, die heel mooi was. Waarschijnlijk bedoelden de Arno Vermeulens dat laatste ook te zeggen.
Ik betrap mezelf erop dat ik de heel/hele-fout in het spraakgebruik ook wel maak, maar steeds zal ik dan subiet een autocorrectie toepassen en alsnog reppen van een heel geslaagde tekst.

 

  • diegene

Komt niet alleen voor bij meisjes onder de 18, maar wel vaak. Als ik antwoord stuur, dan vraagt diegene mij om mijn telefoonnummer te geven. Zoiets dus. Het is heel simpel: diegene gebruik je alleen als aanwijzend voornaamwoord dat verplicht wordt gevolgd door een specificerende bijzin. Dus altijd: diegene die... Nooit een zelfstandige diegene. Dan schrijf/zeg/mail je maar hij of zij of die, als je niet weet of het om een mannetje of vrouwtje gaat. Want dat vermoed ik achter dit bekrompen gebruik van diegene: je ontsnapt ermee aan seksuele voorkeur.

 

  • één van

Ik kan me vergissen, maar ik heb sterk de indruk dat de laatste jaren de populariteit van “één van onze …” sterk is toegenomen. U wordt zo spoedig mogelijk te woord gestaan door één van onze medewerkers. Zelfs aan de telefoon hoor je de streepjes op één.
Om twee redenen is dit volstrekte lariekoek. Op de eerste plaats (katholieke opvoeding; anders zou ik wel gereformeerd zeggen: in de eerste plaats) zijn die streepjes bedoeld om uitspraakverwarring te voorkomen. Immers, er is een evident verschil tussen:
(8a) Ik zal je nog een keer bellen. (ooit eens een keertje)
(8b) Ik zal je nog één keer bellen. (dreigement: eens maar nooit weer)

Vermoedelijk moeten we het lidwoord een beschouwen als het onbepaalde, en daarmee niet benadrukte telwoord 1, zoals de lidwoorden de en het ook de onbeklemde varianten zijn van die en dat. Daarover is vrij veel geschreven. Maar dat doet niets af aan het verschil tussen een en één.
In de constructie een van is het onmogelijk, althans niet waarschijnlijk, dat de lezer denkt aan “un van”. Er dreigt geen uitspraakverwarring, dus de streepjes op een zijn zinloos. Weg ermee.
Een tweede argument is van het kaliber communicatieve idioterie. Dacht u soms, in de wacht gezet à € 0,15 per minuut, dat u zoudt worden doorverbonden met TWEE van onze medewerkers? En dat daarom alvast de restrictie wordt ingebouwd dat u er echt maar eentje te spreken zult krijgen, als die d’r koffie op heeft?
Dat laatste is een onbewezen snier als gevolg van mijn laagste vermoedens: er zit daar maar één (1) onderbetaalde medewerker aan de telefoon die parttime werkt en een deel van die part ook andere zaken besteedt, zoals koffie drinken in de kantine. Die heeft de hoorn ernaast gelegd om niet helemaal hoorndol te worden van al die klachten.
Toch komt mijn verdorven mentaliteit niet helemaal uit de lucht vallen. In oktober al reserveerde ik bij booking.com een hotelkamer voor begin december in Fort Lillo (gem. Antwerpen; een apart artikel daarover: “Een Kerncentrale Als Doel” zit nog in mijn reactorvat). Maar goed ook dat ik er zo vroeg bij was, want de site meldde: Nog maar één kamer beschikbaar. Gauw boeken dus, om al die anderen voor te zijn. Nu wil het toeval dat booking.com onlangs op de vingers is getikt vanwege vermeldingen als deze, die bij direct contact met het hotel onwaar bleken te zijn. Onjuiste, ophitserige en dus ontoelaatbare klantinformatie. Bij aankomst te Fort Lillo kwam de aap uit de mouw: het etablissement verhuurde in totaal slechts één kamer, en niet meer. De melding “Nog maar één kamer beschikbaar” was dus op het nippertje niet onjuist, maar oogde desalniettemin wel misleidend. De streepjes op de e waren echter onvermijdelijk.

 

  • terugkomen op-van

Eigenlijk is dit iets voor de B-cursus voor gevorderden, als ik merk hoe zeer dit onderscheid niet wordt gerespecteerd.
Terugkomen op is iets herhalen; terugkomen van is iets terugtrekken.
Je komt dus terug op je eerdere toezeggingen als je die nog extra onder de aandacht wil brengen (dubbele attentie); je komt terug van je eerdere toezeggingen, als je die niet langer geldig wil laten zijn (nulattentie). Een niet geheel te verwaarlozen nuanceverschil. We mogen dan nog zo’n hekel aan voorzetsels hebben, soms zijn ze verantwoordelijk voor 180 graden betekenisverschil. Vertel mij wat.

Ongetwijfeld kan ik nog wel meer van deze taalkronkels bedenken, maar begin, in het kader van de goede voornemens, maar eerst met genoemd zevental. De rest komt daarna wel een keer.

 

 

La machine à déduction

“Machine à déduction”, dat is wat Google-vertalen oplevert als je vraagt naar “aftrekmachine”. Na mijn vorige artikel over Ćapeks toneelstuk R.U.R. kwamen er wat vragen over de in het daar besproken Dilemma-artikel aangestipte brochure De Antisexus van Andrej Platonov. Omdat er van dat werkje maar één Nederlandstalige editie bestaat (dat is er dan altijd nog eentje meer dan van R.U.R.), die bovendien niet of nauwelijks nog verkrijgbaar is, zal ik de publicatie hier wat nader belichten.

Eerst maar even de buitenkant. Het gaat om een ongepagineerde, edoch 16 pagina’s tellende uitgave van 20×13 cm, slappe kaft met kalkpapieren, bedrukte omslag, in 1986 in een oplage van 500 genummerde exemplaren t.g.v. de jaarwisseling 1986-1987 door uitgeverij Pegasus te Amsterdam geschonken aan relaties. De Nederlandse vertaling is van Jan Braat, het nawoord komt van Thomas Langerak, die dit werk van Platonov uit 1926 al (pas?) in 1981 in het Russisch had gepubliceerd in het Slavistenvakblad Russian Literature. ISBN 9061431999 (oftewel 9789061431992).
Ik bezit een ongenummerd recensie-exemplaar, mij door Pegasus in februari 1987 ter beschikking gesteld.

Om redenen van copyright en beschaving zal ik het werk hier niet OCR-gescand weergeven, hoewel dat qua omvang weinig werk zou zijn. Bovendien: je kunt het in het Engels HIER nagenoeg integraal raadplegen.
Niet onbelangrijk is te constateren dat Pegasus, de “enige Nederlandse communistische boekhandel”, het werk al in 1987 publiceerde, dus nog voor Gorbatsjov in 1990 president werd, al was hij in 1987 al wel partijleider. Onder de vaandels van Brezjnjev en diverse voorgangers zou dit ondenkbaar zijn geweest. Hoe de Nederlandse CPN, met op dat moment Ina Brouwer als fractievoorzitter, over dit soort publicaties dacht en oordeelde, is mij niet bekend.

Net als R.U.R. sluit De Antisexus naadloos aan bij de in het interbellum sterk opkomende tendens om (al dan niet seksuele) gevoelens volstrekt ondergeschikt te maken aan politieke en economische doelstellingen, zo mogelijk zelfs door die gevoelens te nullificeren, zoals in beide werken aan de orde is en welke tendens door beide schrijvers evident wordt bekritiseerd. Dat was overigens niet alleen een streven binnen het kapitalisme (de lopendebandmaatschappij) en het militair-industrieel complex waarvan Ćapek in Tsjechoslowakije in de jaren-’20 deel uitmaakte, maar ook in de bolsjewistische Sovjet-Unie waarin Platonov zich bevond, en evenzeer in het Duitse en Italiaanse fascisme, getuige bijvoorbeeld het in De Antisexus geciteerde commentaar van Mussolini: “Ik zie de Antisexus-apparatuur als de onontbeerlijke uitrusting van elk beschaafd mens, zowel thuis als aan het front. Onze koning heeft bij decreet de toestellen van belasting en invoerrechten vrijgesteld. De van sexuele plicht en consequentie verloste vrouw komt het actief van ons land versterken. Voor leden van de fascistenbond is de aanschaf van het apparaat verplicht, iedereen moet er trouwens een hebben, van de Romeinse clochard tot onze koning”.

Voor je er zelf ook eentje gaat kopen: wat was het eigenlijk voor een apparaat? Grofweg gesteld was het een aftrekmachine. Omdat, stelt Platonov, wij aan het genotsmoment hoge waarde toekennen, “zijn onze modellen zodanig geconstrueerd, dat wij een intensiteit van dat moment mogelijk maken die drie maal hoger ligt dat dat bereikt bij de mooiste vrouw (…). Voorts kan met een speciale regulateur de genotsduur naar believen worden ingesteld, variërend van enkele seconden tot enkele etmalen”. Het apparaat, inmiddels ook op de Sovjetmarkt verkrijgbaar, werd in drie varianten geleverd, met of zonder sterilisator, voor prijzen van $20 tot $100 (prijs zonder korting en emballage, franco thuisbezorgd). “Voor dames zijn dezelfde drie modellen verkrijgbaar, echter met 15% toeslag op de vermelde prijzen”. En aan de nieuw te werven Sovjetklanten wordt 20% korting op de vastgestelde verkoopprijs in het vooruitzicht gesteld “met mogelijkheid tot termijnbetaling tot 12 maanden”.
Met behulp van dit apparaat stelt de fabrikant u voor “eens en voor altijd de post sexuele bevredigingskosten uit Uw huishoudboek te schrappen en zodoende op de weg van financiële welstand te geraken”.
Helaas ontbreken in de brochure een gebruiksaanwijzing, bouwtekeningen en illustraties, behoudens de op de omslag van de publicatie weergegeven affuitachtige tekening.

Stilistisch sluit het boekje uitnemend aan bij de destijds gangbare stijl en terminologie van fabrikanten die hun producten aan de man wilden brengen, inclusief de internationale, zelfs wereldwijde allure die aan het product wordt verleend, de pseudo-wetenschappelijke onderbouwing van nut en noodzaak van het aangeboden apparaat en het citeren van (gefingeerde) aanprijzingen door gezaghebbende personages als Henry Ford, Charlie Chaplin, Mussolini, Gandhi, Chamberlain e.v.a. Door die persiflage krijgt de tekst een extra dimensie, die tegelijkertijd ironisch, cynisch en kritisch-afwijzend is.

Natuurlijk heb ik over dit werkje een mening, anders zou ik er niet over schrijven.

Net als de robots in R.U.R. was in de jaren-’20 de antisexus een fictie, een science- fictionuitvinding die dus niet bestond. Maar waarvan het spook kennelijk wel rondwaarde in de hoofden van mensen, zoals we dat in andere context ook kennen van Jules Verne, Donald Duck, Kuifje en Suske en Wiske. Tijdmachines, ruimteschepen, invriezen van eicellen, xenotransplantatie, de door Asscher aangezwengelde robots-in-opmars, noem maar op. Vijftig of honderd jaar later kunnen we constateren dat al dat soort fictie aan de slagboom van de reële technologische wereld is gaan rukken. En de kennelijke behoefte bij deze en gene om technologisch in te grijpen in het fysieke en psychische menselijke gevoel is niet van vandaag of gisteren: van de oeroude ontwikkeling van folterwerktuigen, waaraan her en der nog wel druk bezochte tentoonstellingen worden gewijd, tot aan prostaatstimulatoren voor eigen gebruik (zoals de Fun Factory Duke, “Speciaal gemaakt voor mannen, de Fun Factory Duke is een heerlijke kwaliteits prostaat stimulator” - eerder dus een prosexus dan een antisexus). Ik bedoel maar, een ondernemende jonge geest kan best wel handel zien in een Antisexus 2.0, aangepast aan de huidige stand van de techniek.

De titel Antisexus is markant: seks wordt daarin kennelijk gezien als “zinnelijke lustbeleving” die bestreden kan worden door haar te stimuleren, en niet als “het verrichten van de huwelijksdaad” ten behoeve van de voortplanting. Dat strookt wonderwel met Platonovs streven “alle gevoelens, vooral de sexuele” te willen uitbannen, zoals Thomas Langerak op de laatste pagina stelt.
Toch denk ik dat Platonov niet uit was op een weergave van zijn verdrongen lusten, net zo min als dat Čapek er in R.U.R. op uit was mensen door robots te vervangen. Eerder stipten zij een in hun ogen ongewenste, doch wellicht onontkoombare ontwikkeling en mentaliteit aan, vooral omdat zij vanuit humanistisch oogpunt het menselijk individu het zag afleggen tegen de techniek, de politiek, de oorlogsindustrie, de economie.

Ik ben het met hen eens.

 

Asscher en zijn RUR-verhaal

Op maandag 29 september zette Lodewijk Asscher de toon: de steeds verdergaande robotisering van onze samenleving gaat veel banen kosten. Remedie: het onderwijs moet zich volgens hem meer richten op vaardigheden en creatief analyseren, dan op feiten en routine.
Daarop sloeg het robotvirus onverbiddelijk toe: eerst op het NOS-journaal, twee dagen later bij DWDD, en vandaag uitgebreid in De Volkskrant. We hebben weer iets om over elkaar heen te buitelen: komen er nu minder of juist meer banen? Moet niet langer arbeid worden belast, maar eerder kapitaal? Waarom moeten we allemaal langer doorwerken als we zo massaal werkloos worden? Gaat het nou over mensen of over machines?

De ouderen onder ons herinneren zich nog wel het praatprogramma RUR (“Rechtstreeks Uit Richter”) van Jan Lenferink tussen 1983 en 1987. De overledenen onder ons herinneren zich nog wel het toneelstuk R.U.R. van Karel Čapek uit 1921. In dat literaire werk bevinden we ons in een fabriek waar robots worden gefabriceerd die God en Zijn schepping overbodig maken, doordat ze worden ontworpen “naar beeld en gelijkenis van de mens”.

Jan Lenferink vertelde mij ooit eens aan de telefoon dat hij vaagweg wel weet had van dat toneelstuk, maar dat zijn programma daarmee niets van doen had. Of Lodewijk Asscher het toneelstuk kende, dat overigens nooit in het Nederlands is uitgegeven, is mij niet bekend. In ieder geval maakte hij, noch DWDD, noch De Volkskrant er enig gewag van. Evenmin dus werden er lessen getrokken uit het schijnbaar utopische verhaal van Čapek. Hoewel, niet zo utopisch bij nader inzien, want hij reageerde niet alleen op de soldaten uit 1914-1918 die als kanonnenvoer uit de loopgraven werden gejaagd, maar ook op de opkomende klasse van kapitalistische fabriekseigenaren die, te beginnen met Henri Ford, machines gingen inzetten om arbeidskrachten uit te sparen en zo de kwali- en kwantiteit van de productie te verhogen.

Vandaag de dag gaat de discussie meer over de gevolgen voor de mens, dan over de gevolgen voor de machines. En dat was nou net precies ook het motief voor de humanist Čapek om zijn toneelstuk te schrijven. Maar het grootkapitaal wil liever meer en betere machines, dan meer en duurdere arbeidskrachten.

In het tijdschrift Dilemma (jg.1, nr.3) van juni 1987 heb ik over dat werk een uitvoerig artikel gepubliceerd. Omdat ik geen zin heb dat helemaal over te typen en de spelling aan te passen aan de huidig voorgeschrevene, heb ik dat artikel gescand, een beetje aangepast en HIER online raadpleegbaar gemaakt.

De achterliggende gedachte is eng. Net zo eng als die van Orwells 1984. De praktijk zal er toch wel een blijken te zijn van die niet te hete soep. Als je daarvan in het restaurant de lepel op de grond laat vallen, zal de robot die niet oprapen, stelt De Volkskrant vandaag. Asscher kan gerust zijn: er ontstaat een nieuwe werkende klasse van goedkope lepeloprapers.

________________________
De in het Dilemma-artikel vermelde paginaverwijzingen zijn gemaakt naar de 21e druk van R.U.R. uit 1972, en door mij uit het Tsjechisch vertaald.

 

Heel conditioneel

Is het een kwestie van rijkdom of van armoe, als een taal veel verschillende manieren heeft om hetzelfde uit te drukken?
Nederlandstalige stilisten zullen blij zijn met de geboden variatie;
niet-Nederlandstaligen zullen er geen barst van begrijpen.
Een bijgewerkte versie van wat ik mijn studenten-Nederlands in 2005 probeerde duidelijk te maken.

Een concept is een abstracte voorstelling van een toestand of gebeurtenis, die met taalmiddelen kan worden uitgedrukt. Zo betekent bijvoorbeeld het concept GEVEN dat er iets overgaat van iemand (de gever) naar iemand (de krijger), waarvoor wij werkwoorden als geven, gooien, toesturen kennen, maar ook ontvangen, opvragen, ontfutselen enz.

Het concept waarover ik het hier wil hebben, is het concept VOORWAARDE. In termen van de logica: een bewering is waar, alleen, maar niet uitsluitend, als aan de vermelde voorwaarde is voldaan. Simpel voorbeeld: Als het regent (voorwaarde), wordt de stoep nat (bewering). De stoep kan natuurlijk ook nat worden doordat ik er een emmer water overheen gooi, maar dat is nu niet aan de orde en wordt door de gegeven zin ook niet ontkend.

Ik denk dat het concept VOORWAARDE tot de taaluniversalia behoort, d.w.z. dat alle talen over de mogelijkheid beschikken dat concept talig uit te drukken.

Het Nederlands beschikt volgens mij over zeker acht syntactische (de taalvorm betreffende) constructies die duidelijk maken dat we een voorwaardelijke bewering willen uiten. Ik som ze hier op, met enig toelichtend commentaar.

 

1. Met behulp van een voegwoord van voorwaarde + inversie:

(1a)      Als hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1b)      Indien hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1c)      Ingeval hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1d)      Wanneer hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1e)      Zo hij morgen nog niet heeft geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(1f)       En g’ hebt, van zo gij roert, mijn man, uw laatste dag geleefd!
(1g)      Zodra hij iets van zich laat horen, (dan) geef ik hem jouw oplossing.
(1h)      Zolang (als) hij niks van zich laat horen, geef ik hem jouw oplossing niet.

Commentaar: inversie wil zeggen, dat na de linker zin (de voorwaarde), eerst de persoonsvorm volgt en dan pas het onderwerp: bel ik, in plaats van ik bel. Dat op zich is niet vreemd: in Nederlandse hoofdzinnen staat de persoonsvorm op de tweede zinsplaats. Hier vormen de voorwaardelijke linker zinnen de eerste zinsplaats, en staat de persoonsvorm dus keurig op de tweede plaats. Eventueel kan het aanwijzend bijwoord dan tussen beide zinnen worden geplaatst of gedacht als een soort herhalende bepaling.
In (1f), een zin uit Boerke Naas van Guido Gezelle, treedt geen inversie op, maar na vooropplaatsing: Van zo gij roert, hebt ge uw… weer gewoon wel.
Zinnen met als of indien zijn in feite de standaardvorm voor een voorwaardelijke uitspraak. Bij sommige van de andere vormen (wanneer, zodra, zolang) zou je ook kunnen denken aan een concept OMSTANDIGHEID naast dat van VOORWAARDE.

 

2. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de tegenwoordige tijd + vraagzinvorm:

(2a)      Wil hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.
(2b)      Ik bel hem morgen op, wil hij dan nog niet hebben geantwoord.
(2c)      Laat hij morgen nog niet hebben geantwoord, dan bel ik hem op.

Commentaar: Hulpwerkwoorden van modaliteit (dat zijn kunnen, zullen, willen, moeten, mogen en laten) zijn hulpmiddelen om een bewering ergens te plaatsen op de realiteitslijn van 0 (helemaal onwaarschijnlijk) tot 1 (absoluut zeker); de meeste van onze beweringen zijn niet zo uiterst zwart of wit, maar enige vorm van grijs: ergens tussen 0 en 1 in. Hij kan komen zit ergens in het midden; hij zal wel niet komen nogal aan de linker kant, dicht bij 0.
Door in de zinnen (2a) t/m (2c) wil of laat te gebruiken, houdt de spreker open of de voorwaarde realiteit zal zijn, dus het opbellen is onzeker, zolang het niet zeker is of aan de voorwaarde wordt voldaan.

 

3. Met behulp van een hulpww. van modaliteit in de verleden tijd + vraagzinvorm:

(3a)      Mocht hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(3b)      Zou hij morgen nog niet hebben geantwoord, (dan) bel ik hem op.

Commentaar: Voor een deel geldt hier hetzelfde als bij 2., namelijk v.w.b. het gebruik van een modaal hulpwerkwoord. Wat echter opvallend is, is het gebruik van de verleden tijd, terwijl we het toch over “morgen” hebben. Ik vermoed dat mocht en zou, weliswaar in de vorm van de verleden tijd, in wezen een conjunctief is (= subjonctif = aanvoegende wijs); in voorkomende gevallen zou het Frans eût gebruiken (subjonctif) in plaats van de verleden tijd avait en het Duits möchte (konjunktiv) in plaats van de verleden tijd mochte. Daarmee wordt, behalve het voorwaardelijke aspect, ook het modale, onzekere aspect geduid: je weet morgen pas of hij wel of niet heeft geantwoord.

 

 4. Met behulp van de vraagzinvorm:

(4a)      Heeft hij morgen nog niet geantwoord, (dan) bel ik hem op.
(4b)      Kun je nog zingen, zing dan mee.
(4c)      Houd je van vlees, (dan) braad je in Croma. *)
(4d)      Was/Ware dat niet gebeurd, (dan) had ik meteen maatregelen getroffen.
(4e)      Was/Ware dat niet gebeurd, ik had meteen maatregelen getroffen. 

Commentaar: De zinnen (4a) t/m (4c) zijn een meer moderne, kortere manier om VOORWAARDE uit te drukken: gewoon de tegenwoordige tijd gebruiken, maar de vraagzinvolgorde gebruiken (heeft hij in plaats van hij heeft) en door de intonatie aangeven dat je een voorwaarde stelt. Luister bij jezelf maar naar het intonatieverschil tussen (4a1) en (4a2):
(4a1)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord, dan bel ik hem op.
(4a2)    Heeft hij morgen nog niet geantwoord? Dan bel ik hem op

Uit (4d)-(4e) blijkt dat we die vraagzinvolgorde ook kunnen hanteren in de verleden tijd, en hier zien we dat de aanvoegende wijs (zie hierboven bij 3.) opeens ook zichtbaar kan worden: ware.
Verder: Uit het feit dat in (4e) de hoofdzin ik had meteen… niet met de persoonsvorm begint (zoals in alle zinnen (4a) t/m (4d)), maar met het onderwerp, mag je afleiden dat het hier eigenlijk niet om een voorwaarde, maar een toegeving gaat, net als in zinnen als: Al zeur je nog zo lang, je krijgt die auto niet.”; Ook al deed zij haar best, het lukte haar niet.”.

 

5. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de gebiedende-wijsvorm + object:

(5a)      Stel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5b)      Stel je voor dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(5c)      Veronderstel dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op

Commentaar: Behalve dat hier sprake is van een voorwaarde (het morgen nog niet geantwoord hebben) is ook ingebouwd dat de spreker het open houdt of daaraan zal worden voldaan, door bijna neutraal de mogelijkheid te opperen dat die gebeurtenis zal plaatsvinden. Stellen, voorstellen en veronderstellen zijn werkwoorden die het evenement ongeveer halverwege de onder punt 2. al eerder genoemde realiteitslijn van “zeker niet” tot “zeker wel” plaatsen.

 

6. Met behulp van een hypothetisch werkwoord in de deelwoordvorm + object:

(6a)      Aangenomen dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(6b)      Gesteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6c)      Verondersteld dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6d)      Vooropgezet dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op.
(6e)      Ervan uitgaande dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, dan bel ik hem op. 

Commentaar: Bij deze zinnen geldt hetzelfde als bij de zinnen onder 5., al is de variatie van de positie op de realiteitslijn wat groter: aangenomen plaatst het evenement wat meer naar rechts (richting “zeker wel”), en voor ervan uitgaande dat geldt dat in nog sterkere mate.
Bij alle zinnen (5a) t/m (6e) is het qua zinsconstructie en betekenis mogelijk het eerste, vetgedrukte gedeelte te vervangen door als of indien, waarmee die constructie op gelijk niveau staat met zin (1a).

 

7. Met behulp van een nevenschikking in de tegenwoordige tijd met voegwoord en of of:

(7a)      Nog één doelpunt van de thuisploeg en het staat weer gelijk.
(7b)      Je hoeft hem maar één kans te geven of het staat weer gelijk.
(7c)      Je hoeft je handtekening maar te zetten en/of je zit eraan vast.
(7d)      Nog ietsje verder voorover bukken en je valt in het water

Commentaar: Zin (7a) is een wat curieuze constructie: het voegwoord en verbindt hier niet twee nevengeschikte zinnen, want het linker lid (“Nog één doelpunt van de thuisploeg“) is geen zin. Toch is een zin als (7a) zeer gangbaar. Van (7d) kan worden gesteld dat het linker deel een ellips is (de persoonsvorm ontbreekt), al is het niet of nauwelijks mogelijk die weer aan de zin toe te voegen met gelijkblijvende nevenschikkende en-constructie.
Bij (7b)-(7c) staat die persoonsvorm er wel (hoeft), maar hier is het opvallend dat het nevenschikkende of kan worden gebruikt, terwijl er toch van een keuze helemaal geen sprake is. Daarbij komt ook nog dat hoeft wordt gebruikt, terwijl de zin geen ontkenning bevat, hetgeen bij het gebruik van hoeven wel de standaard is (anders gebruik je moeten).
Dit gebruik van of doet denken aan de zgn. balansschikking (“Ik was nog niet thuis of het begon te regenen“; “Je kunt het zo gek niet bedenken of hij weet er wel een oplossing voor“) waarin het linker lid echter wel altijd altijd een ontkenning moet bevatten **). Bij de balansschikking is er van een voorwaarde helemaal geen sprake; ook is het zo dat of in al deze gevallen niet een keuze uitdrukt, net als bij (7b) en (7c).
Zie voor mijn uitgebreide behandeling van de balansschikking DIT artikel.

 

8. Met behulp van een idiomatische verbinding + bijvoeglijke bijzin:

(8a)      In het geval dat hij morgen nog niet heeft geantwoord, bel ik hem op.
(8b)      Op voorwaarde dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8c)      Onder beding dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.
(8d)      Onder/Op conditie dat je het niet verder vertelt, noem ik je een paar namen.

Commentaar: Deze inleiders van de voorwaarde zijn alle varianten van als/indien, waarbij slechts een licht nuanceverschil in de betekenis valt waar te nemen. Ongetwijfeld is deze reeks (8a)-(8d) nog uitbreidbaar. Het verschil met de voorbeelden (5a) t/m (6e) is alleen van syntactische aard: onder 5. en 6. treffen we een werkwoordsvorm aan gevolgd door een bijbehorend object (lijdend voorwerp of voorzetselvoorwerp, beginnend met dat), onder 8. staan voorbeelden van een zelfstandig naamwoord (geval, voorwaarde, beding, conditie) met een bijbehorende bijvoeglijke bijzin, wederom ingeleid door dat. Het aspect VOORWAARDELIJK blijft niettemin geheel intact.

______________________________________

*) Klooster (Grammatica van het hedendaags Nederlands, 2001, p.324-325) spreekt in dit verband van Croma-zinnen.

**) Voor de balansschikking: zie Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, 19849, p.107-109.

 

 

 

Hebreeuws

Ik mag dan nog zo dol op (vreemde) talen zijn, van sommige talen weet ik hoegenaamd niets af. Zo ook van het Hebreeuws. En dan komt het moment dat je even met de handen in het haar zit. Zo ook nu, vanwege een boekje dat wij in een ingekochte verzameling aantroffen.

 

Het gaat om een joods gebedenboekje, als ik het goed inschat, waarvan ik niet meer weet dan het volgende:

 

Het boekje meet 12x8x2½ cm, heeft een groenlinnen harde kaft en een uitermate curieuze paginering: van rechts naar links eerst pag.1-96, in verschillende lettertypen aan de boven-buitenzijde gedrukt, maar soms aan de binnenzijde van de pagina en soms ook op z’n kop gedrukt; dan pag.1-28, gevolgd door pag.127, 128, 124 (zetfout?), 130 t/m 190; dan pag. 93-174, waarvan sommige pagina’s ongenummerd, enzovoort. Toch wekt het bindwerk van de katernen niet de indruk dat het een samenraapsel van diverse edities zou zijn.

De titelpagina en de erop volgende pagina vóór pag.1 staan hier afgebeeld.

Over de herkomst verraden deze pagina’s dat het boekje is uitgegeven door boekhandel (“Księgarnia”) M. Munk, gevestigd in de ulica Nowomiejska 20, in het centrum van Łódż.
De druk werd verzorgd door Drukarnia “Pospiech” die was gevestigd in Warschau, Św Jerzka 32, in het stadsdeel dat in de oorlog het “kleine getto” (Małe getto) vormde.

 

 

 

 

Alles wijst erop, zowel boektechnisch als historisch gezien, dat het gaat om een uitgave uit de jaren-’30, verzorgd door een joodse uitgeverij en gedrukt bij een joodse drukkerij. Ik vermoed dat er vanaf 1939 niet veel meer van de persen rolde daar in Polen.

Anderzijds: het druk- en zetwerk is van dermate inferieure kwaliteit dat het best wel eens een haastklus geweest kan zijn met beperkte middelen. Het bindwerk is overigens prima, evenals de algehele staat van het boekje.

Ik ben nu op zoek naar een deugdelijke titelbeschrijving van deze editie, alsmede eventuele verdere informatie rond het boekje, de uitgeverij en de drukkerij. Wie helpt?
Overigens heb ik de vraag ook al voorgelegd aan het Amerikaanse HebrewBooks.org.

In onderstaande tweede reactie meldde ik dat de conservator Rosenthaliana geen passend antwoord kon geven. Tot mijn verrassing echter kreeg ik half juli wederom een mail, waarin conservator Rachel Boertjens mij liet weten het boek te hebben aangetroffen op de site van de National Library of Israel. De hier afgebeelde fiche brengt mij iets verder, zij het nog niet compleet, want er blijft een hoop Hebreeuws te transcriberen/vertalen over. Wel weet ik nu dat het boekje in 1910 is gedrukt en dat het inderdaad een gebedenboek betreft volgens de ‘Hassidic sephardic’ rite, voorzien van een uitleg van M. Levi en Kneset Yisrael, aldus de toelichting in de mij toegestuurde e-mail.