De ene ontkenning is de andere niet

Gelukkig leverde de tweede ronde van de Franse parlementsverkiezingen nog iets opmerkelijks op. Taalkundig gezien dan. Op de officiële overheidssite, waar de resultaten worden gemeld, stond daags na 18 juni te lezen: En raison des arrondis à la deuxième décimale, la somme des pourcentages peut ne pas être égale à 100% (http://elections.interieur.gouv.fr/legislatives-2017/FE.html), oftewel: Door de afronding op twee decimalen is de som der percentages niet noodzakelijkerwijs 100,00%.

Het interessante zit hem in de woordvolgorde: peut ne pas être égale, in plaats van ne peut pas être égale. In het Nederlands zijn beide varianten vertaalbaar als: kan niet gelijk zijn, of De som der percentages kan niet precies 100 zijn, maar dat is vreselijk dubbelzinnig. De officiële Franse tekst heeft gelijk. Die bedoelt aan te geven dat de mogelijkheid bestaat dat de optelsom van de vermelde percentage niet precies 100,00 is. Een van de twee lezingen van de Nederlandse vertaling zou aangeven dat het onmogelijk is (“kan niet“) dat de som der delen precies 100,00 is.

Het probleem zit in de plaats van het ontkennende woord niet, iets preciezer gezegd in het bereik van dat woord niet. Als in een Nederlandse samengestelde zin dat woord tussen beide delen van de samenstelling staat, zoals onze woordvolgorderegels ook vereisen, dan kan dat niet slaan op ofwel het linker, ofwel het rechter deel. Een geijkt voorbeeld van die homonymie is de zin

(1) Ik lust die dropjes niet omdat ze bruin zijn.

In de periode na publicatie van het profschrift “Negatieve zinnen” van Albert Kraak (1966) raakte de interesse in het verschijnsel ontkenning, in combinatie met de zich snel ontwikkelende transformationeel-generatieve grammatica, in een stroomversnelling, zowel in de wetenschappelijke linguïstische discours als in onderwijsmethoden. Ik meen dat de dropjeszin te vinden is in “Je weet niet wat je weet” van Marjolein van Dort e.a. In die taalmethode hameren de auteurs erop dat een goede taalbeheersing onder meer vereist dat je eenduidig communiceert en je dus homoniemen zo veel mogelijk dient te vermijden. Zeg daarom liever:

(1a) Ik lust die dropjes niet, want ze zijn bruin (het bereik van niet is nu evident het linker zinsdeel, links van de komma), ofwel
(1b) Ik lust die dropjes wel, maar niet omdat ze bruin zijn (het bereik van niet is nu evident het rechter zinsdeel, rechts van de komma).

Grappig: een dag later (20 juni) kreeg ik van de Gemeente Den Haag per post de mogelijkheid toegestuurd mij permanent te registreren voor Nederlandse verkiezingen. Daarbij moest ik wel even een vinkje zetten voor de volzin:

(2) Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.
Dat is dus te analyseren als:

(2a) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet] [in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen] of als
(2b) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik] [niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.]
De interpretatie van (2a) ontgaat mij evenwel (bedoel ik dan: ik neem elders in de EU wel deel, maar dat wil ik hier effe niet verklaren?). Overigens is de homonymie eenvoudig te vermijden door een komma te plaatsen, net voor of net na het woord niet.

Ook zinnen met een modaal hulpwerkwoord (kunnen, zullen, willen, moeten, mogen, laten) zijn te beschouwen als samengestelde zinnen: een soort voorzin met dat hulpwerkwoord enerzijds en de eigenlijke mededeling anderzijds.

(3) Ik kan die dropjes niet eten valt dan te parafraseren als
(3a) Het kan niet zo zijn, dat ik die dropjes eet, of
(3b) Het kan zo zijn, dat ik die dropjes niet eet.

Het probleem van het bereik van de ontkenning is dan weliswaar opgelost door het links of rechts van de komma te plaatsen, maar een bijkomend probleem is nu de interpretatie van kan. In (3a) geeft kan een zekerheid aan, namelijk de absolute onmogelijkheid om dropjes te eten, terwijl het in (3b) op een waarschijnlijkheid duidt (“Mogelijkerwijs eet ik die dropjes niet“).

Niet overtuigd? Kijk dan eens naar de (in de dieptestructuur) samengestelde zin

(4) Hij kan gemist worden. De twee interpretaties zijn respectievelijk:
(4a) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist, en
(4b) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist.

Daar schieten we dus niets mee op. De dubbelzinnigheid zit hem in de twee betekenissen van kunnen: “mogelijk, toegestaan zijn” tegenover “waarschijnlijk, eventueel“. Nog iets scherper: in (4a) is hij er wel, maar hebben anderen net zo lief dat hij vertrekt (“toestemming”), maar in (4b) is hij er niet, maar mogelijkerwijs wordt dat ontdekt, want hij zou er eigenlijk wel moeten zijn (“waarschijnlijkheid”). Kunnen is een niet zo simpel Nederlands werkwoord.

Terug naar de ontkenning, en dan ook meteen maar in een aantal Europese talen. Waar het Nederlands dus een homonieme zin als “De optelsom kan niet gelijk zijn aan 100,00” kent, heeft het Frans de oplossing gevonden door het ontkennend element (“ne“) te koppelen aan/te plaatsen voor ofwel het linker zinsdeel (“ne peut pas être“), ofwel aan het rechter zinsdeel (“Peut ne pas être“), waarmee volstrekte eenduidigheid is gecreëerd. Vergelijk dat maar met bijvoorbeeld een zin als

(5) Pourquoi une même personne ne peut pas être jugée deux fois pour le même fait? (http://www.liberation.fr/societe/2014/02/04/un-principe-du-droit-intraitable_977929) (“Waarom kan een en dezelfde persoon niet tweemaal voor hetzelfde feit terechtstaan?”, oftewel het beruchte non bis idem).
Kunnen betekent hier niet een waarschijnlijkheid, maar een zekerheid: “het kan niet zo zijn/het is onmogelijk dat“.

Italianen doen het op vergelijkbare wijze:

(6a) Il totale può non essere uguale a 100 (mogelijkerwijs, eventueel)
(6b) Il totale non può non essere uguale a 100 (zeker niet, uitgesloten)

Het Tsjechisch heeft een vergelijkbare manier om eenduidigheid te verkrijgen: het ontkennende element (“ne-“) zit vast aan het bijbehorende werkwoord:

(7a) Součet nemůže rovnat 100% (de niet-bedoelde lezing)
      (Het totaal niet kan gelijken 100%)
(7b) Součet může nerovnat 100% (de bedoelde lezing)
      (Het totaal kan niet gelijken 100%)

Het Duits zit enerzijds in hetzelfde (woordvolgorde-)schuitje als het Nederlands:

(8) Die Summe kann nicht genau 100 sein, met als verkeerde lezing:
(8a) Es kann nicht so sein daß die Summe genau 100 ist

Ook zin (8) is immers homoniem, maar het Duits kan daaraan ontsnappen door een ander modaal hulpwerkwoord te kiezen:

(8b) Die Summe möchte das 100% nicht gleich sein

waarmee de bedoelde Franse versie correct is weergegeven.

Dit is op vergelijkbare wijze ook in het Engels goed mogelijk:

(9) The total cannot be equal to 100 heeft als parafrases:
(9a) It’s impossible that the total is/be equal to 100 (de verkeerde lezing dus), of:
(9b) The total may/might not be equal to 100, waarbij may, of sterker nog: might, de eventualiteit van de uitspraak “niet gelijk aan 100” benadrukt.

Dat statistieken voornamelijk uit leugens bestaan, heeft als een van de oorzaken dat genoemde feiten multi-interpretabel zijn, dus niet eenduidig, en dat komt dan weer maar al te vaak op het conto van gebrekkig taalgebruik waarbij homoniemen een misleidende rol kunnen spelen, zoals bij de ontkenning in samengestelde zinnen.

 

Zijkanter 6

Eind 1999, begin 2000 verzorgde ik voor de BLOS-radio, de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting, sinds vorig jaar onderdeel van Omroep Land van Cuijk, een serie columns. Het waren vijfminutenpraatjes over voetbal, waarbij ik steeds probeerde ook taalkundig of stilistisch iets aparts te doen en er een bijpassend uitleidend muzieknummer bij te vinden.
De columns kregen de titel “De zijkanter”, en de opnamen zijn bewaard gebleven. Van tijd tot tijd zal ik een Zijkanter hier doen herleven.
Elke uitzending bestond uit een vaste introtune van een minuut, een midibestandje van een of ander computerspelletje, meen ik, maar dat herinner ik me niet meer, gevolgd door een ingesproken tekst en uitgeleid met een muzieknummer dat enigszins aan de tekst was gerelateerd.

Hier staat Zijkanter 6 (oktober 1999) weergegeven, afgesloten met het nummer Arom Yim, een hit uit Thailand van circa 1990 over de welbekende Thaise glimlach, referend aan het meewarig karakter van de tekst. Het bijzondere aan de tekst is dat die bestaat uit één enkele zin. Als ik meer tijd had gekregen dan vijf minuten, had die zin nog wel langer kunnen worden dan de 823 woorden die hij nu omvat.
De betreffende uitzending is integraal te beluisteren op YouTube.

Het was voor die eenzame moeder langs de kant, die één zoontje bij de E-tjes had rondlopen en een ander bij de F-jes, waardoor ze, om geen van beiden voor te trekken, beurtelings ging kijken naar Jonathan en Eugène, bepaald geen lolletje om te moeten zien hoe haar jongste spruit, pas een dag of drie koortsvrij na een behoorlijke griepaanval, die het jongske meer dan een week van school en in bed had gehouden, waardoor het zich stierlijk ging vervelen en voor haar een waarlijk blok aan het been was geworden, zich wat onwennig op het lichtbevroren veld voortbewoog, hoewel aan alles te zien was dat hij een dusdanige conditionele achterstand had, dat het eigenlijk onverstandig was van die elftalleider, die ze overigens toch haast nooit sprak, iets wat binnen de vereniging een van de grote manco’s was, het contact tussen elftalleiding en ouders van de jongste jeugd, waarover ze wel eens iets had willen schrijven in het clubblad, maar waarvan ze toch maar weer had afgezien omdat ze vermoedde dat het toch niet geplaatst zou worden, en zo ja, dat het dan toch geen effect zou hebben, hem een hele wedstrijd te laten spelen terwijl de man toch kon zien dat het kind al na tien meter lopen zowat omviel van de duizeligheid, wat ook regelmatig gebeurde, waarbij het op een gegeven moment een open knietje opliep, zodat de pupil, huilend van de pijn en natuurlijk ook van de kou en de uitputting, naar de zijlijn strompelde met de kennelijke bedoeling zich alleen, maar dan ook uitsluitend door zijn bloedeigen moeder te laten behandelen, ook al wist hij dat zij geen ehbo-trommeltje bij zich had en zij dus niet in staat was die heilige pleister, die elke wond geneest en aan alle pijn een einde maakt, op het roodgekleurde knietje te plakken, waarna de dit keer falende spits zijn positie op het wit uitgeslagen veld weer zou kunnen innemen in de hoop er althans in de resterende tijd nog het beste van te maken, te scoren wellicht, desnoods net zo lucky als in het begin van het seizoen toen hij, bij de eerste thuiswedstrijd, op een gegeven moment niet goed oplette, waardoor hij een met de wind mee opvallend verre uittrap van de keeper, die eigenlijk best wel een waardeloze keeper was, maar niemand durfde daar iets van te zeggen, omdat niemand er ook maar over piekerde zelf in het doel te moeten gaan staan, zo maar plotseling en pijnlijk boven op zijn hoofd kreeg, van waar de bal met een onnavolgbare curve en vermoedelijk met een geraffineerde portie effect weer opsprong, verder voorwaarts draaide en tot bovenmatige verbijstering van de bezoekende keeper, die in grote vertwijfeling nog beide armpjes in de lucht stak om toch maar aan iedereen te laten zien dat hij in ieder geval nog wàt aan had proberen te doen, hoewel hij meteen al in de gaten had dat hij veel te ver voor zijn doel stond, zodat deze lucky kopbal onhoudbaar achter hem in het net zou ploffen, net onder de deklat van het kleine doeltje langs het net omlaag dwarrelde, op de grond nog wat sadistisch nahuppelde en toen, eenmaal uitgetold, een paar centimeter achter de doellijn, wat dus op dit halve veld eigenlijk de zijlijn was, bleef liggen als het rotsvaste bewijs van het feit dat hier van een loepzuivere goal sprake was, hetgeen ertoe leidde dat het hele team, het keepertje incluis, die eigenlijk, behalve dat hij niet goed kon keepen, ook best wel een ettertje was, want hij zat altijd in de kleedkamer op te scheppen over zijn spiksplinternieuwe keeperhandschoenen, of over zijn nieuwe mountain bike die veel duurder was dan die van alle andere jongens bij elkaar, of over weer iets anders, want hij had altijd wel wat om over op te scheppen, maar als je hem iets vroeg, dan gaf hij altijd niet thuis, dat het hele team dus als één man, als één jongetje eigenlijk, maar dat kun je zo niet zeggen, in volle vreugde op Eugène dook uit blijdschap over dit vroege, maar nu al bij voorbaat allermooiste doelpunt van het hele seizoen, met als gevolg dat de verbaasde, maar toch uiterst trotse doelpuntenmaker ten val kwam, en, eenmaal op de grond liggend, niet alleen bijkans werd verpletterd door zes deinende ploegmakkers, maar bovendien tot overmaat van ramp een schoen, die vermoedelijk vastzat aan de voet van zijn beste vriendje, midden in zijn gezicht kreeg, waardoor een van zijn voortanden afbrak hetgeen hem daags daarop bij de tandarts op een behoorlijk pijnlijke behandeling is komen te staan, iets wat hem heeft doen besluiten om voortaan na het scoren van alweer een goal direct naar de zijkant van het veld te snellen en bescherming te zoeken bij zijn leider of, liever nog, één keer in de veertien dagen, bij zijn eenzame moeder langs de kant, want alleen bij haar ben je veilig voor al dat onbesuisde geweld op het voetbalveld.

 

SALON-LAVOIR

Ik dacht dat de periode van de wasserettes wel zo’n beetje voorbij was, maar hoera, bij ons in de buurt, in Bourbonne-les-Bains, is er recentelijk weer eentje geopend. Die heet dus niet een wasserette, zoals ik eerder al eens uitlegde, maar een laverie automatique, of met een deftiger (en vermoedelijk Waals) woord: salon-lavoir. Was het vanaf de jaren-’60 een uitkomst voor hen die zich geen wasmachine konden veroorloven, vandaag de dag lijkt het meer iets voor haastelieden die geen tijd hebben om thuis de was te doen, vandaar ook die gratis Wi-Fi, zodat je je niet hoeft te vervelen onder de was, of voor mensen die tijdelijk elders verblijven waar geen wasmachine beschikbaar is.

Dat laatste verraadt ook waarom het nu juist in Bourbonne-les-Bains is dat die wasserette is geopend, en tevens waarom daarvoor reclame wordt gemaakt bij de receptie van mijn vaste fysiotherapeut aldaar. Bourbonne is vanouds een stad met thermale bronnen en baden, waar nog steeds tallozen hun heil zoeken om van allerhande akelige kwalen af te komen. Veel van het toerisme in die stad bestaat dus ook uit gebrekkigen die middels hydromassage, balnéothérapie, modderbaden (fangothérapie) of wat dies meer zij van hun artrose, ostéoporose op welke ouderdomskwaal dan ook hopen af te komen. Het is er een va et vient van oudjes die er ongelukkig op krukken binnengaan en gelukkig op krukken weer uitkomen. Omdat veel aangeboden arrangementen bestaan uit een meerdaagse kuur, tref je er een groot aantal hotels, B&B’s en huurappartementen aan.
Maar omdat lang niet alles door de verzekering wordt vergoed en Fransen ook op elke centime letten, doet zich de merkwaardige situatie voor dat er zich op de grote, gratis parkeerplaats nabij het fysiotherapiegebouw (la maison bleue) altijd een aantal campers bevindt waarin zieken en gebrekkigen de nacht doorbrengen tijdens hun behandelperiode in Valvital. Dat bespaart weer de kosten voor prijzige overnachtingen, die je voor een deel dan weer kunt besteden aan een bezoek aan de wasserette.

Het woord salon-lavoir refereert ook aan de lavoirs, de openbare wasplaatsen, die je in zowat elk Frans dorp aantreft. Ze zijn als zodanig niet meer in gebruik, maar in vervlogen tijden waren het de plekken waar de vrouwen van het dorp de was konden doen en oeverloos met elkaar konden kleppen en roddelen, iets waar Fransen nog steeds dol op zijn. Veel van die lavoirs zijn nog in de oude staat te bewonderen, soms omgetoverd tot kunstwerken, zoals hiernaast de lavoir te Vignory, soms volop van bloembakken voorzien, soms ook ommuurd, zoals de lavoir van Rosoy-sur-Amance die nu fungeert als salle-de fête. Immers, met de komst van rioleringen, begin 20e eeuw, liep er geen stromend water meer door de lavoirs en verloren zij hun oorspronkelijke functie.
Het loont werkelijk de moeite er tijd aandacht aan te besteden, als je door Frankrijk toert, want het zijn vaak beeldschone overblijfselen van een praktische en sociaal zeer welkome cultuur. Het waren eeuwenlang de wasserettes van elk dorp.

By the way: ook de Engelse hanteren Fransachtige woorden: de salon-lavoir, de Nederlandse wasserette, heet in het Engels een laund(e)rette.

 

 

Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Spookstad Doel

Anderhalf jaar geleden schreef ik over Een Kerncentrale Als Doel en noemde de leegloop van het dorp ter uitbreiding van de Antwerpse haven. Twee weken geleden bezocht ik de plek, letterlijk onder de rook van de kerncentrale aldaar. Het maakte onderdeel uit van ons tripje door Oost- en Zeeuwsch-Vlaanderen met een sterk Reynaert-tintje, want die zondag was de presentatie van Jaarboek 9 (2016) van Tiecelijn, in het stadsmuseum STEM van Sint-Niklaas. Via Hulst, de Woestijnestraat (van Hulst naar Nieuw-Namen), de Hulsterloostraat in Nieuw-Namen en het prachtig ogende Verdronken Land van Saeftinghe bereikten we Doel, een spookstad die verbaast. Let vooral ook op overstekende spookkinderen over 30 m.

Over de Reynaertconnectie kom ik spoedig nog te spreken; eerst maar even de ellende van alle dag. Het bezoekerscentrum van het Verdronken Land was helaas vanaf oktober tot april gesloten en op eigen gelegenheid de schorren en kwelders intrekken is levensgevaarlijk. Dus moesten we het doen met het werkelijk schitterend uitzicht vanaf de dijk over dat stukje Nederlands Vlaanderen dat eigenlijk gewoon bij België zou moeten horen, maar dan was Nederland de controle over de Westerschelde kwijt – u weet wel: Belgje pesten. Gevolg onder meer: het gênante gekibbel vanaf 2008 over de Hertogin Hedwigepolder; uitkomst: Nederland ontpoldert en Vlaanderen betaalt de kosten. Zo doe je dat.

Voort ging het. Over slecht onderhouden binnenweggetjes, extra glibberig door de suikerbietenoogst, bereikten we Doel, het dorp met de twee gezichten. Het helpt niet om er W.F. Hermans’ Het behouden huis op na te lezen, al zijn er wel parallellen. Het ene gezicht is het gezicht van een spookstad, zoals je ook wel in Spanje, Italië of Syrië tegen kunt komen: verlaten en leeg -een eeuw geleden huisden er nog dik 2.000 inwoners-, ruiten verbrijzeld, muren op instorten of reeds verdwenen, kapotte daken als open vensters voor zinloos daglicht, een onderhouden kerkhof als enig teken van leven.

Het andere gezicht is eigenlijk frappanter. Nadat de vaste Doelbewoners waren vetrokken, vrijwillig, zij het onder dwang, werden de huizen door ± 200 krakers bezet. Die zorgden niet alleen voor wat stuiptrekkerig leven in het dorp, maar zij beijverden zich ook in het opleuken van zowat alle muren met de meest uiteenlopende graffiti, sommige zeer kunstig, andere wat oppervlakkig, sommige met een scherpe boodschap, andere met een schreeuw.

Wat mij terloops opviel, waren de vele Poolse en wat minder talrijke Roemeense opschriften bij de schilderingen. Maar de nabije Antwerpse haven is altoos een smeltkroes van culturen en nationaliteiten geweest. De neerlandicus in mij verwijst daarvoor maar kortheidshalve naar het prachtige Dwaallicht van Willem Elsschot uit 1946, net als ik.

Klim je de Scheldedijk op, dan krijg je er gratis nog een kwartet uitzichten bij:
- over de brede Schelde met zijn langzaam voortglijdende schepen,
- op de jachthaven die wonderwel druk bevolkt was, maar dan toch niet door Doelenaren,
- op de oude molen van Doel, nu met staande wieken als een silhouet tegen de spierwitte koeltorens van de centrale waaruit spierwitte rook richting Rijnmond afbuigt, en

 

- op Sinterklaas die net uit de auto stapt, samen met een gelukkig nog ongekuiste, echte Zwarte Piet, om doelgericht de plezierjachteigenaren te plezieren. En natuurlijk om mij een afgemeten bruggetje te bieden naar het volgende artikel over Sint-Niklaas en de onophoudelijke reeks Reynaert-evenementen aldaar.

 

Dat er toch wellicht nog hoop is voor het dorp Doel valt te lezen in het uitgebreide artikel in De Volkskrant van 21 juni 2017, p.8-9, “Het dorp dat (niet) verdwijnt in de haven”.

 

 

Taalverloed (2/2)

Tot de wat meer excentrieke objecten van mijn verzamelwoede behoren edities van Kuifje, De sigaren van de farao in zo veel mogelijk verschillende talen. Er moeten er tegen de 30 van bestaan; ik sta nu op 18 stuks. Daaronder bevindt zich ook de uitvoering in het Afrikaans, en dat komt nu goed uit als ik verder ga over het onderwerp taalverandering.

Zoals bekend heeft het Afrikaans zich ontwikkeld vanuit het Nederlands van midden 17e eeuw, meer bijzonder vanuit o.a. het Amsterdams dialect. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de vorm -ie voor verkleinwoorden, in plaats van het Nederlandse -je. Kuifje heet in Afrika dus Kuifie. De Afrikaners hadden, als relatief kleine en geïsoleerde gemeenschap, het probleem zich staande te moeten houden tegenover de sterke Britse invloed enerzijds, en die van de talen der oorspronkelijke bewoners als het Zulu en Xhosa anderzijds. Mede dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van het Afrikaans, ten opzichte van de ontwikkeling van het Nederlands, wordt gekenmerkt door een enorme versimpeling van grammatica (zoals: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig bestaan niet meer, behalve voor mans- en vrouwspersonen) en spelling (bijvoorbeeld: ik ben, jij bent, hij is enz. is in het Afrikaans ek is, jy is, hy/sy is, ons is, julle is, hulle is. De Nederlandse au en ou vallen in het Afrikaans samen tot ou, de ij en y tot simpelweg y, de ch en g tot g, enzovoort). Maurice de Hond moet er de oude dag maar gaan slijten.

Toen ik in 2009 online de Afrikaanse versie van Kuifie, Die sigare van die farao bestelde en prompt ontving, kreeg ik er enige dagen later bijgaande e-mail overheen. Verreweg het meeste is voor Nederlanders moeiteloos te lezen.
Er staan woorden en uitdrukkingen die je niet rechtstreeks aan een Nederlandse variant kunt koppelen, zoals kraai koning, magdom, webtuiste (@ “web-tehuis”, “website”), rondrits (“surft“), aanlyn (“online“), twakvrye (“tobacco-free“), boksie (“hokje“, “box“), tiek (“aanvinken“, “tick“), spog met (“trots zijn op“), sowel as (“zoals“, “as well as“), maar die in het tekstverband toch voor zich spreken.

Ik heb die ervaring trouwens ook, zij het in mindere mate, met het Zweeds, een taal die ik niet beheers, maar toen ik er rondreed en een grote portie friet bestelde, patat voor de noorderlingen, skyfies voor de Afrikaners, heette dat stor strips. Een verkeersdrempel heette farthinder, een vergunning tillstånd en een ontbijt frukost. Dat lees je ook zo weg, zonder de taal te kennen, maar met wel wat kennis van Engels en Duits naast je Nederlands.
Maar anders dan het Zweeds, dat op relevante onderdelen grammaticaal afwijkt van het Nederlands, zijn Afrikaanse zinnen net zo gebouwd als Nederlandse.

En daarmee ben ik terug op waar ik in het vorige artikel was gebleven: de taalverandering van het Nederlands. Ik splits die in twee delen: taalversnelling en vocabulaire.

Taalverandering is niet iets van sinds de jaren-’60, maar van alle eeuwen, en voor gejammer over taalverloedering geldt hetzelfde. Maar het zijn niet zozeer de grammaticaregels die zijn veranderd. Ja, we zijn in onze standaardtaal de dubbele ontkenning kwijtgeraakt die het Afrikaans nog heeft behouden, net als het Frans, en als die dan toch weer terugkeert (“Ik heb nergens geen zin in“, “Ik heb dat nooit niet gedaan“), dan heet dat nu “incorrect taalgebruik”, maar ook: een versterking van de enkele ontkenning. Doe maar, in het spraakgebruik, maar schrijf het niet, zou ik zeggen.

Het verkeerd gebruik van hun en hen is het zondigen tegen een kunstmatige taalregel uit de 17e eeuw en is officieel nog steeds een taalfout, maar ik voorzie dat dat niet lang als zodanig in de ANS zal blijven staan, want teveel Nederlands sprekenden bedienen zich niet meer van hen, alles is hun aan het worden. Iets anders ligt dat bij het gebruik van hun als onderwerp (“Hun hebben gezegd“). Ook dat lijkt nauwelijks nog tegen te houden, maar zal, schat ik, toch nog langer als incorrect blijven worden aangemerkt. Vreemd wel een beetje, want in sommige (Zuid-Nederlandse) dialecten is het schering en inslag om bijvoorbeeld de naamvalsvormen hem en den als onderwerp te gebruiken om extra nadruk te geven en even over de grens kijkend zien we bondgenoten daarvoor: Op de vraag “Wie is daar?” kunnen wij zeggen: “Ik ben het“, met extra klemtoon op Ik. Maar in het Engels: “It’s me” en niet: “It’s I” en in het Frans: “C’est moi” in plaats van “C’est je“. Zo dom is het kennelijk dus ook weer niet.

Nog een verschuiving: van de d-woorden naar de w-woorden: daaraan wordt waaraan, dat wordt wat enzovoort. Dat is een zoetjesaanbeweging vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Momenteel is de situatie zo dat “Het hogedrukgebied wat boven de Britse eilanden ligt” nog steeds officieel fout is (al is het nog iets minder erg dan het ook gehoorde “Het hogedrukgebied die boven de Britse eilanden ligt”), maar zeker in gesproken taal begint het al een meerderheidspositie in te nemen. Dat is nog niet het geval met “De man wie daar loopt“, maar ik voorvoel dat dat een kwestie van tijd is. Had Cruijff niet het fraaie startschot gelost met zijn orakel: “Cocu is een speler wie je van voren en van achter ken gebruiken“?

Fouten als “De meisje schepte er genoegen in diegene nog eens extra te jennen…” zijn voorbeelden van gebrekkige taalbeheersing, niet van taalverandering. Een loeder dus.

Nogmaals derhalve: taalverandering en taalfouten uiten zich niet primair in grammaticaregels, zoals die afgrijselijke, modieuze haarziekte, maar bijvoorbeeld in taalversnelling, de laatste eeuw vooral door de verbreiding en versnelling van media voor communicatieoverdracht. We kennen dat verschijnsel sterk in krantenkoppen, waar lidwoorden en voorzetsels worden weggelaten om een kortere kop in een grotere letter boven de kolommen te krijgen, met hilarische dubbelzinnigheden als gevolg: uit de rubriek Ruggespraak van het tijdschrift Onze Taal:

  • ROOKVERBOD IN KOELKAST
  • DRIEKWART VAN TURKEN VAST TIJDENS RAMADAN
  • PROEFTIJD VOOR AGENTEN NA DIEFSTAL WIJN
  • WEER GEEN STROP VOOR DE HORECA

en ik herinner me uit de tijd dat er verzet was tegen de aanleg van de Amsterdamse metro en de bouw van de Stopera de kop bij een oproep van actievoerders, ik meen in Het Parool,

  • SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP

hetgeen op een titel van een horrorverhaal zou kunnen duiden. Versnelling: ja. Verloedering: nee. Humor: ja. Duidelijke communicatie: nee.

En de door mij eerder geciteerde pagina op Teletekst van 6 juni 2015:

  • KOENDERS UIT ONVREDE IN MOSKOU 

Bij de voorzetsels is er een taalversnelling zichtbaar die al vanaf de middeleeuwen werkt, en in het Duits (kraft, laut, stoltz,…) evenzeer als in het Nederlands. Een van de bekendste recente voorbeelden is de versnelling van “in de richting van” tot “richting“: “Wij vertrokken richting Parijs“. Dit richting-verschijnsel zien we niet alleen in veel Europese talen optreden, maar ik heb destijds onderzocht bij welke Nederlandse zelfstandige naamwoorden nog meer. Het werd een rijtje van 17:

  • begin deze eeuw
  • bestemming New York
  • eind(e) van deze eeuw
  • halte Koningsplein
  • hartje centrum
  • hoek Kerkstraat
  • kantje boord
  • klokke zeven
  • klokslag 9 uur
  • lank(e) de voorgevel (vnl. Vlaams)
  • midden de mensen (vnl. Vlaams)
  • omgeving Westerkwartier
  • punt strafschopgebied
  • rand(je) buitenspel
  • richting het zuiden
  • spijt uw toezegging
  • station Weesp

en vast nog wel meer. Versnelling dus, geen verloedering.

Om minder tijd te verkwisten bij het typen van woorden worden er in toenemende mate afkortingen of iconen gebruikt: “@” voor “voor wat betreft“, “wss voor “waarschijnlijk“, “ff” voor “eventjes“, zoals ik hier in het Frans vaak inkortingen zie als promo, info, apéro, maar ook meer rebusachtige notaties als “+info” (“plus d’informations“; “meer informatie“) of “K7“voor “cassette“. Men doet maar. Ook dat lijkt mij geen reden om van verloedering te spreken. Kennelijk heerst de gedachte: hoe sneller, hoe beter, als het maar wordt begrepen. En dat is communicatief gezien volstrekt in orde.

Daarmee raak ik aan de meest voorkomende soort taalfouten: die van de spelling.
Halverwege mijn vorige artikel schreef ik over het vermeende onderscheid tussen prescriptieve (voorschrijvende) en descriptieve (beschrijvende) grammatica’s. Als er één terrein is waarop de Nederlandse grammatica volstrekt prescriptief is, dan is dat de spelling. Al sedert 1804 (Siegenbeek) streeft men in het Nederlands taalgebied naar één uniforme spelling. Dat heeft sindsdien voortdurend veel voeten in de aarde en het ondervindt steeds enorme weerstand. De herzieningen in de laatste eeuw (1948 “Niet zoo, maar zo“; 1954 het Groene Boekje; 1995 het tweede Groene Boekje; 2006 verdere herziening) zijn steeds bedoeld om verplicht voor te schrijven hoe er in Nederland dient te worden gespeld. Overheid, landelijke dagbladen, uitgeverijen en het onderwijs moeten er zich aan conformeren, ook al staat er geen gevangenisstraf of andere sanctie op overtreding. Hooguit drukken spelfouten je rapportcijfer-Nederlands.

Ik laat me wel eens ontvallen dat wat mij betreft spellingsregels kunnen worden afgeschaft. De wal zal het schip wel keren als blijkt dat de communicatiewaarde afneemt als men er maar op losspelt. Ik echter behoud me het recht voor een croquette lekkerder te vinden dan een kroket, om een geaccentueerde gesloten klinker met een accent grave te schrijven (dè, hèt, nòg) en geaccentueerde open klinkers met een accent aigu (één, logé, vóórkomen, zó), om af te zien van die vreselijke tussen-n; ik houd het op kattevoer; wij hebben maar één kat en die tussen-n hoor je toch niet.

Los daarvan is het vaker zo, dat spelfouten worden gemaakt uit dommigheid, onvermogen of desinteresse onder het mom van “as je maar begrijpt wat er wort bedoelt“. Eerder al besteedde ik aandacht aan de mededeling in onze brievenbus:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

De boodschap was duidelijk, de PR-waarde was voor mij strikt negatief.

Er ligt op dit punt in eerste instantie een grote taak bij de opvoeders: ouders ten opzichte van hun kinderen, het onderwijs, van basisschool tot universiteit, de media, van publieke omroep (de commerciëlen zenden toch alleen maar Amerikaanse bagger uit) tot en met uitgeverijen en de landelijke dagbladen. Zij bekleden een voorbeeldfunctie, en zij zijn het die daarnaast de attitude kunnen uitdragen dat verzorgd en correct taalgebruik niet voor de bühne is of iets louter voor luxe intellectuelen, maar voor een betere communicatie van ons allemaal, met zorg en aandacht te koesteren, ook al kost dat wat meer tijd. Aan Pauline Cornelisse en Wim Daniëls hebben we niet genoeg, zo blijkt.

In daardie lig gesien is daar vir “gedoogtaal” (Arjen Hoogervorst in zijn reactie) geen plek in ons taallandskap nie.

 

 

Taalverloed (1/2)

De react van Arjen Hoogervorst, nu twee week her, en te lezen onderaan mijn startblz, noopt mij tot een XXL-respo. Niet dat ik ‘t niet met hem 1s ben, maar ik kan daar niet int kort op ingaan niet.

Allereerst, ik zal maar even op gewoon Nederlands overgaan, is er een groot verschil tussen taalkundig-wetenschappelijke observaties en uitspraken, en waardeoordelen van meer emotionele aard, waartoe ook de term taalverloedering mag worden gerekend. Vervolgens rijst de vraag naar de “wettelijke” status van onze grammatica en woordenboeken, waar de term taalverandering een rol speelt. Ten slotte is er een wijzende vinger naar onze opvoeders en naar gezaghebbende instituties als de publieke omroep en de landelijke dagbladen, maar meer in het bijzonder het begrip taalonderwijs.

Taalverloedering impliceert een afkeuring van een vorm van taalverandering die twee kanten op kan wijzen:

- Ofwel het is het afkeuren van taalgebruik dat (te) sterk afwijkt van wat een ander “normaal” taalgebruik acht, waarvoor tot voor kort de term ABN bestond. Maar omdat Algemeen Beschaafd impliceert dat afwijkende vormen onbeschaafd, zo niet onbeschoft zijn, is het sociaal incorrect nog van ABN te spreken. Dus noemen wij het “Algemeen Gebruikelijk Nederlands” of “standaardtaal”, maar dat is oude wijn in nieuwe zakken. Zo lang deze afkeuring is gebaseerd op subjectieve, wellicht emotionele gronden, valt er weinig over te discussiëren en als er al een probleem is van het kaliber A praat/schrijft anders dan B, dan is dat probleem onoplosbaar en is de “waarheid” of “correctheid” onderhevig aan de macht van het getal. Voorbeeld van een vormelijke, modieuze trend: als in grote meerderheid, en zeker niet alleen bij Nederlands sprekenden onder de 25, de zogeheten Gooise R (of: hockey-R) uit de mond rolt, erger ik me groen en geel. Voor de klas liet ik het dan ook nooit na daarop subiet een persiflage te produceren in de hoop dat er een “normale” R zou gaan komen, zoals die -uitzondering- bij Marco Verhoef en Arno Vermeulen goed waarneembaar is. Maar ik heb geen poot om op te staan. Ik bedoel: er is geen enkel voorschrift of wettelijk dictaat om deze of gene R te produceren. Ik kan dus vinden wat ik vind, maar waarom ik dat vind, blijft vaag, laat staan dat ik het tij kan keren.

- Anders ligt dat wanneer iemands taalgebruik inhoudelijk morrelt aan de communicatieve waarde van het taalaanbod. Als bijvoorbeeld onder invloed van taalversnelling of de veel te kleine toetsjes op smartphones, of gewoon slecht onderwijs, iemand oorzaak en gevolg verwisselt, omdat en doordat verkeerd gebruikt, zinnen begint zonder ze af te maken, en dat soort dingen, kan er met recht om een correctie worden gevraagd. Immers: taal gebruiken is de communicatiewijze bij uitstek. Waarom zou iemand die meent iets te moeten meedelen of vragen er genoegen mee nemen dat maar 60% van de mededeling of vraag helder bij de gesprekspartner overkomt, terwijl dat ook 90% of 100% zou kunnen zijn? Inderdaad heeft internet en het mobiele telefoonverkeer enorm bijgedragen aan een grotere stroom van taaluitingen (dat op zich is een pluspunt), maar ook tot een toename van taalversnelling, dat is: meer willen zeggen in minder woorden. En dat is niet per definitie efficiënter. In plaats van snel even iemand te appen terwijl je over straat fietst, zou je ook gewoon naar huis kunnen rijden en er daar even rustig voor gaan zitten en nadenken en formuleren voordat je iets daadwerkelijk de lucht in stuurt. Daarmee geef ik geen subjectief waardeoordeel, maar promoot ik een zuiverder taalgebruik om tot betere communicatie te komen, in ieders belang. Het aloude adagium dat sollicitatiebrieven vol taalfouten direct in de prullenbak verdwijnen is van dezelfde orde.
Wie spreekt van de vertrossing van ons taalgebruik, doelt op zowel de vormelijke als inhoudelijke verandering, vervlakking zelfs, van het taalaanbod, met een sterke ondertoon van afkeuring. Verloed dus.

Taalverandering impliceert dat er een norm bestaat, vastgelegd in een grammatica en een woordenboek, waaraan ieder zich heeft te houden, welke norm in de loop der jaren meeschuift met wat kennelijk taalgebruikelijk is geworden.
Allereerst maak ik hier onderscheid tussen twee soorten grammatica: de prescriptieve en de descriptieve grammatica. Beide bestaan niet, in zuivere vorm, dus ik licht ze even toe.

De prescriptieve, of voorschrijvende grammatica heet een normatieve grammatica te zijn die voor een bepaald taalgebied formeel vaststelt “hoe het moet” met taalregels, hetgeen meestal beperkt blijft tot regels over zinsbouw, naamvallen en spelling. Het heet dat de Franse grammatica prescriptief is, met de Académie française als notoire en elitaire waakhond, en dus bepaalt hoe Fransen zich talig dienen te gedragen, met inbegrip van de taallessen op school. Maar ook de Académie moet overstag: tegen de regels in gaat half Frankrijk de dubbele ontkenning ne…pas negeren en zegt en schrijft tegenwoordig rustig: “je sais pas” (“kweenie”), en tal van Franse patiënten zeggen, als ze naar de huisarts gaan: “Je vais au médecin” in plaats van het correcte “Je vais chez le médecin”. Vroeg of laat zal ook de Académie dan wel bijdraaien, zeker als deze veranderingen ook in de “officiële”, d.w.z. de in Parijs bewierookte literatuur gaan verschijnen. De norm is dus maar net zo sterk als de meerderheid die haar hanteert. Beter gezegd: omgekeerd evenredig daarmee.

Nagenoeg alle verschenen grammatica’s van het hedendaags Nederlands zijn descriptief, beschrijvend van opzet. Deze werken beschrijven wat in de actuele situatie het taalgebruik is, en daarom moeten zij ook elke 10, 20 jaar worden herschreven. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is momenteel de meest uitgebreide Nederlandse grammatica, die voor het eerst verscheen in 1984, gevolgd door een tweede druk in 1997 en sinds 2015 loopt er een Nederlands-Vlaams project voor wederom een herziening, om tussen 2016 en 2019 tot een versie te komen die weerspiegelt hoe Nederland in begin 21e eeuw taalt.

Maar ook hier zit er nog een aap in de mouw en steekt er nog een adder zijn kop boven het gras: ook de descriptieve ANS gaat uit van “hoe het hoort”, van ooit door wie dan ook opgestelde taalregels waaraan men zich dient te houden: prescriptief dus. Vandaar dus dat je in de ANS op diverse plaatsen mededelingen aantreft in de trant van “Het moet eigenlijk zus, maar tegenwoordig hoor je ook vaak zo. Dit gebruik keuren wij niet af”.
Dit is wat ik bedoelde met mijn eerdere uitspraak dat puur prescriptieve of descriptieve grammatica’s niet bestaan. Ook niet kunnen bestaan, eigenlijk.

Overigens zit de grootste taalverandering in ons vocabulaire, de woordvoorraad waarvan wij ons bedienen, en de bijbehorende spellingsproblematiek. Maar daarover, en over de hierboven beloofde wijzende vinger, kom ik in het vervolgartikel te spreken.

 

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

NON à Hollande

Dit is geen slogan voor de naderende presidentiële verkiezingen in Frankrijk, al zal die titel velen charmeren. Nee, het is mijn kruistocht tegen het gebruik van “Hollande” voor “Nederland” of “Pays-Bas“. Op tribunes (“Hup Holland Hup”; “Holland spreekt een woordje mee”), op vrachtwagens (“MAASTRICHT – HOLLAND”, of, zoals hiernaast: “SOEST – HOLLAND”, of, zoals hieronder, gespot tussen Parijs en Rouen: “ROOSENDAAL – HOLLAND”) en alom in Frankrijk (“Vous êtes hollandais?”).

Mijn antwoord op die laatste vraag is steevast: nee. En dan heb ik wat uit te leggen, maar dat doe ik dan volgaarne met een mengeling van plezier en grimmigheid.

 


Voor de duidelijkheid: ik ben geboren in Oss (Noord-Brabant), heb lang gewoond in Amsterdam (Noord-Holland), later in Venray (Limburg), Eindhoven en Boxmeer (beide Noord-Brabant) en sinds 2007 in Rosoy-sur-Amance (Haute-Marne). Als ik iets ben, ben ik Brabander, en paspoortmatig Nederlander. Vraagt iemand hier mij of ik een Hollander ben, dan vraag ik quasi verbaasd of de vraagsteller het fijn zou vinden om als Bask te worden betiteld. Immers, in deze streek strekt de evidente xenofobie zich uit tot binnen de landsgrenzen: alles wat uit Parijs komt (goud) of Marseille (zilver) of Baskenland (brons) is per definitie onbetrouwbaar en abject. Dus ik heb dan al iets minder uit te leggen.

Staan we dan nog steeds op goede voet en komt de vraagsteller hier over de vloer, dan laat ik volgaarne het volgende filmpje zien:

https://www.youtube.com/watch?v=eE_IUPInEuc

Waarna iedereen lacht, ik niets meer hoef uit te leggen en nooit meer een Hollander zal heten.

 

Lopen

Een bijkomend voordeel van de Olympische Spelen is dat je al kijkend en luisterend weer heel wat taaleigenaardigheden tegenkomt, fouten, versprekingen, maar ook interessante wendingen. Goud gaat met afstand naar de heel/hele-fout, zowel qua onzorgvuldigheid als qua aantal voorkomens. Zie ook mijn Goede Voornemens. De zilveren plak is voor de dat/wat-fout, die bij mijn Goede Voornemens met stip bovenaan stond, maar het in aantal nu aflegt tegen de hele domme heel/hele-fout. Brons gaat ex æquo naar de tenenkrommende Gooise R, vooral bij dames en bij filemelders van de ANWB-alarmcentrale, waarvoor mijns inziens geen enkel zinnig argument te bedenken valt, maar die ik meer beschouw als een modieuze hype, en ontegenzeggelijk ook naar de trieste omdat/doordat-fout, waarvan ik in mijn Goede Voornemens heb uitgelegd dat het een betreurenswaardige vervlakking van denken en argumenteren betreft waarbij reden en oorzaak op één hoop worden gegooid. De fouten komen van sporters zelf, maar helaas ook van diverse journalisten, die toch uit hoofde van hun opleiding en beroep beter zouden moeten weten. Er zijn gunstige uitzonderingen: NOS-lieden als Henry Schut, Tom Egbers, Herman van der Zandt en Ardy Stemerding zijn nauwelijks op taalfouten te betrappen.

Naast de veel-te-vele fouten valt er ook zo af en toe iets taalkundig interessants te beluisteren. Zo hoorde ik een sporter beweren “kans te lopen voor een medaille”. Een voorzetselfout, inderdaad, want het is een contaminatie van “in aanmerking komen voor” en “kans maken op”, en bij merkwaardige voorzetselfouten komen bij mij alle zwaailichten in actie. Maar het gaat me hier nu even over het gebruik van het werkwoord lopen.
We kennen lopen met als standaardbetekenis: “zich in normalen tred te voet voortbewegen”, een actitief en intransitief werkwoord, dat dus met hebben wordt vervoegd (“Ik heb door het park gelopen”) en als mutatief, intransitief werkwoord, dat dus met zijn wordt vervoegd (“Ik ben door het park gelopen”). Dat op zich is al boeiend. Meer daarover bij Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, blz. 29 en 182-183.

Daar staat ook vermeld dat sommige werkwoorden een soort passieve lezing kennen, waarbij het lijdend voorwerp tot onderwerp wordt: “Dat boek leest vlot”; “Die stoel zit lekker”; “Dat product verkoopt goed”. Met lopen kan dat ook: van een goed geconstrueerde trap kun je zeggen: “Die trap loopt lekker”, en daarmee valt ook voor een deel de merkwaardige zin te verklaren: “We zitten op de A2, die loopt van Amsterdam naar Maastricht”. Dat zitten komt vermoedelijk op rekening van het feit dat je normaliter in een auto zit op een snelweg; zou je er overheen lopen, dan kun je niet meer volhouden dat je erop zit. Maar dat een weg loopt, valt alleen maar te verklaren door de aanname dat lopen inderdaad beschikt over bovengenoemde passieve lezing.
Daarvoor bestaat ondersteunend bewijs: een loper kan zowel duiden op iemand die loopt, maar evenzeer op iets waarover je loopt (de befaamde rode loper), en in die optiek kan een (snel-)weg worden beschouwd als een langgerekte strook waarover men kan lopen. Het lijkt in de verte een beetje op mijn verhaal over CONTENU en CONTENANT.

Terug naar de hoopvolle sporter die kans dacht te lopen voor een medaille. Dat kan dus niet. Je hebt of maakt kans op een medaille, maar lopen doet dat niet. Hoe komt dat?
Ik vermoed dat lopen, in zijn figuurlijke betekenis, dus niet: “zich te voet voortbewegen”, heel vaak een negatieve connotatie heeft, iets wat de sporter allerminst zal hebben willen bedoelen. Je loopt wel kans op een besmetting of een nederlaag, maar niet op een medaille. Ook te hoop lopen en in de val lopen en (te) hard van stapel lopen hebben geen positieve bijsmaak. Iets soortgelijks zien we bij samengestelde werkwoorden met lopen, maar niet altijd:

  • negatief: een wiellager dat aanloopt; achter de feiten aanlopen
  • niet negatief: het paard kwam aanlopen
  • negatief: een besmetting of andere ziekte oplopen
  • niet negatief: een berg oplopen
  • negatief: op een mislukking/faillissement uitlopen
  • niet negatief: op het peloton uitlopen 

Maar wacht even: in alle negatieve voorbeelden hierboven is lopen figuurlijk gebruikt, terwijl het in de niet-negatieve voorbeelden het letterlijke zich voortbewegen aanduidt. Het verschil lijkt dus daarin te kunnen worden gezocht.

Helemaal waterdicht is dit verhaal misschien nog niet; laat het in ieder geval een poging zijn te verklaren waarom sporter X zijn medaille misliep (sic!).