Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Spookstad Doel

Anderhalf jaar geleden schreef ik over Een Kerncentrale Als Doel en noemde de leegloop van het dorp ter uitbreiding van de Antwerpse haven. Twee weken geleden bezocht ik de plek, letterlijk onder de rook van de kerncentrale aldaar. Het maakte onderdeel uit van ons tripje door Oost- en Zeeuwsch-Vlaanderen met een sterk Reynaert-tintje, want die zondag was de presentatie van Jaarboek 9 (2016) van Tiecelijn, in het stadsmuseum STEM van Sint-Niklaas. Via Hulst, de Woestijnestraat (van Hulst naar Nieuw-Namen), de Hulsterloostraat in Nieuw-Namen en het prachtig ogende Verdronken Land van Saeftinghe bereikten we Doel, een spookstad die verbaast. Let vooral ook op overstekende spookkinderen over 30 m.

Over de Reynaertconnectie kom ik spoedig nog te spreken; eerst maar even de ellende van alle dag. Het bezoekerscentrum van het Verdronken Land was helaas vanaf oktober tot april gesloten en op eigen gelegenheid de schorren en kwelders intrekken is levensgevaarlijk. Dus moesten we het doen met het werkelijk schitterend uitzicht vanaf de dijk over dat stukje Nederlands Vlaanderen dat eigenlijk gewoon bij België zou moeten horen, maar dan was Nederland de controle over de Westerschelde kwijt – u weet wel: Belgje pesten. Gevolg onder meer: het gênante gekibbel vanaf 2008 over de Hertogin Hedwigepolder; uitkomst: Nederland ontpoldert en Vlaanderen betaalt de kosten. Zo doe je dat.

Voort ging het. Over slecht onderhouden binnenweggetjes, extra glibberig door de suikerbietenoogst, bereikten we Doel, het dorp met de twee gezichten. Het helpt niet om er W.F. Hermans’ Het behouden huis op na te lezen, al zijn er wel parallellen. Het ene gezicht is het gezicht van een spookstad, zoals je ook wel in Spanje, Italië of Syrië tegen kunt komen: verlaten en leeg -een eeuw geleden huisden er nog dik 2.000 inwoners-, ruiten verbrijzeld, muren op instorten of reeds verdwenen, kapotte daken als open vensters voor zinloos daglicht, een onderhouden kerkhof als enig teken van leven.

Het andere gezicht is eigenlijk frappanter. Nadat de vaste Doelbewoners waren vetrokken, vrijwillig, zij het onder dwang, werden de huizen door ± 200 krakers bezet. Die zorgden niet alleen voor wat stuiptrekkerig leven in het dorp, maar zij beijverden zich ook in het opleuken van zowat alle muren met de meest uiteenlopende graffiti, sommige zeer kunstig, andere wat oppervlakkig, sommige met een scherpe boodschap, andere met een schreeuw.

Wat mij terloops opviel, waren de vele Poolse en wat minder talrijke Roemeense opschriften bij de schilderingen. Maar de nabije Antwerpse haven is altoos een smeltkroes van culturen en nationaliteiten geweest. De neerlandicus in mij verwijst daarvoor maar kortheidshalve naar het prachtige Dwaallicht van Willem Elsschot uit 1946, net als ik.

Klim je de Scheldedijk op, dan krijg je er gratis nog een kwartet uitzichten bij:
- over de brede Schelde met zijn langzaam voortglijdende schepen,
- op de jachthaven die wonderwel druk bevolkt was, maar dan toch niet door Doelenaren,
- op de oude molen van Doel, nu met staande wieken als een silhouet tegen de spierwitte koeltorens van de centrale waaruit spierwitte rook richting Rijnmond afbuigt, en

 

- op Sinterklaas die net uit de auto stapt, samen met een gelukkig nog ongekuiste, echte Zwarte Piet, om doelgericht de plezierjachteigenaren te plezieren. En natuurlijk om mij een afgemeten bruggetje te bieden naar het volgende artikel over Sint-Niklaas en de onophoudelijke reeks Reynaert-evenementen aldaar.

 

 

Taalverloed (2/2)

Tot de wat meer excentrieke objecten van mijn verzamelwoede behoren edities van Kuifje, De sigaren van de farao in zo veel mogelijk verschillende talen. Er moeten er tegen de 30 van bestaan; ik sta nu op 18 stuks. Daaronder bevindt zich ook de uitvoering in het Afrikaans, en dat komt nu goed uit als ik verder ga over het onderwerp taalverandering.

Zoals bekend heeft het Afrikaans zich ontwikkeld vanuit het Nederlands van midden 17e eeuw, meer bijzonder vanuit o.a. het Amsterdams dialect. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de vorm -ie voor verkleinwoorden, in plaats van het Nederlandse -je. Kuifje heet in Afrika dus Kuifie. De Afrikaners hadden, als relatief kleine en geïsoleerde gemeenschap, het probleem zich staande te moeten houden tegenover de sterke Britse invloed enerzijds, en die van de talen der oorspronkelijke bewoners als het Zulu en Xhosa anderzijds. Mede dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van het Afrikaans, ten opzichte van de ontwikkeling van het Nederlands, wordt gekenmerkt door een enorme versimpeling van grammatica (zoals: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig bestaan niet meer, behalve voor mans- en vrouwspersonen) en spelling (bijvoorbeeld: ik ben, jij bent, hij is enz. is in het Afrikaans ek is, jy is, hy/sy is, ons is, julle is, hulle is. De Nederlandse au en ou vallen in het Afrikaans samen tot ou, de ij en y tot simpelweg y, de ch en g tot g, enzovoort). Maurice de Hond moet er de oude dag maar gaan slijten.

Toen ik in 2009 online de Afrikaanse versie van Kuifie, Die sigare van die farao bestelde en prompt ontving, kreeg ik er enige dagen later bijgaande e-mail overheen. Verreweg het meeste is voor Nederlanders moeiteloos te lezen.
Er staan woorden en uitdrukkingen die je niet rechtstreeks aan een Nederlandse variant kunt koppelen, zoals kraai koning, magdom, webtuiste (@ “web-tehuis”, “website”), rondrits (“surft“), aanlyn (“online“), twakvrye (“tobacco-free“), boksie (“hokje“, “box“), tiek (“aanvinken“, “tick“), spog met (“trots zijn op“), sowel as (“zoals“, “as well as“), maar die in het tekstverband toch voor zich spreken.

Ik heb die ervaring trouwens ook, zij het in mindere mate, met het Zweeds, een taal die ik niet beheers, maar toen ik er rondreed en een grote portie friet bestelde, patat voor de noorderlingen, skyfies voor de Afrikaners, heette dat stor strips. Een verkeersdrempel heette farthinder, een vergunning tillstånd en een ontbijt frukost. Dat lees je ook zo weg, zonder de taal te kennen, maar met wel wat kennis van Engels en Duits naast je Nederlands.
Maar anders dan het Zweeds, dat op relevante onderdelen grammaticaal afwijkt van het Nederlands, zijn Afrikaanse zinnen net zo gebouwd als Nederlandse.

En daarmee ben ik terug op waar ik in het vorige artikel was gebleven: de taalverandering van het Nederlands. Ik splits die in twee delen: taalversnelling en vocabulaire.

Taalverandering is niet iets van sinds de jaren-’60, maar van alle eeuwen, en voor gejammer over taalverloedering geldt hetzelfde. Maar het zijn niet zozeer de grammaticaregels die zijn veranderd. Ja, we zijn in onze standaardtaal de dubbele ontkenning kwijtgeraakt die het Afrikaans nog heeft behouden, net als het Frans, en als die dan toch weer terugkeert (“Ik heb nergens geen zin in“, “Ik heb dat nooit niet gedaan“), dan heet dat nu “incorrect taalgebruik”, maar ook: een versterking van de enkele ontkenning. Doe maar, in het spraakgebruik, maar schrijf het niet, zou ik zeggen.

Het verkeerd gebruik van hun en hen is het zondigen tegen een kunstmatige taalregel uit de 17e eeuw en is officieel nog steeds een taalfout, maar ik voorzie dat dat niet lang als zodanig in de ANS zal blijven staan, want teveel Nederlands sprekenden bedienen zich niet meer van hen, alles is hun aan het worden. Iets anders ligt dat bij het gebruik van hun als onderwerp (“Hun hebben gezegd“). Ook dat lijkt nauwelijks nog tegen te houden, maar zal, schat ik, toch nog langer als incorrect blijven worden aangemerkt. Vreemd wel een beetje, want in sommige (Zuid-Nederlandse) dialecten is het schering en inslag om bijvoorbeeld de naamvalsvormen hem en den als onderwerp te gebruiken om extra nadruk te geven en even over de grens kijkend zien we bondgenoten daarvoor: Op de vraag “Wie is daar?” kunnen wij zeggen: “Ik ben het“, met extra klemtoon op Ik. Maar in het Engels: “It’s me” en niet: “It’s I” en in het Frans: “C’est moi” in plaats van “C’est je“. Zo dom is het kennelijk dus ook weer niet.

Nog een verschuiving: van de d-woorden naar de w-woorden: daaraan wordt waaraan, dat wordt wat enzovoort. Dat is een zoetjesaanbeweging vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Momenteel is de situatie zo dat “Het hogedrukgebied wat boven de Britse eilanden ligt” nog steeds officieel fout is (al is het nog iets minder erg dan het ook gehoorde “Het hogedrukgebied die boven de Britse eilanden ligt”), maar zeker in gesproken taal begint het al een meerderheidspositie in te nemen. Dat is nog niet het geval met “De man wie daar loopt“, maar ik voorvoel dat dat een kwestie van tijd is. Had Cruijff niet het fraaie startschot gelost met zijn orakel: “Cocu is een speler wie je van voren en van achter ken gebruiken“?

Fouten als “De meisje schepte er genoegen in diegene nog eens extra te jennen…” zijn voorbeelden van gebrekkige taalbeheersing, niet van taalverandering. Een loeder dus.

Nogmaals derhalve: taalverandering en taalfouten uiten zich niet primair in grammaticaregels, zoals die afgrijselijke, modieuze haarziekte, maar bijvoorbeeld in taalversnelling, de laatste eeuw vooral door de verbreiding en versnelling van media voor communicatieoverdracht. We kennen dat verschijnsel sterk in krantenkoppen, waar lidwoorden en voorzetsels worden weggelaten om een kortere kop in een grotere letter boven de kolommen te krijgen, met hilarische dubbelzinnigheden als gevolg: uit de rubriek Ruggespraak van het tijdschrift Onze Taal:

  • ROOKVERBOD IN KOELKAST
  • DRIEKWART VAN TURKEN VAST TIJDENS RAMADAN
  • PROEFTIJD VOOR AGENTEN NA DIEFSTAL WIJN
  • WEER GEEN STROP VOOR DE HORECA

en ik herinner me uit de tijd dat er verzet was tegen de aanleg van de Amsterdamse metro en de bouw van de Stopera de kop bij een oproep van actievoerders, ik meen in Het Parool,

  • SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP

hetgeen op een titel van een horrorverhaal zou kunnen duiden. Versnelling: ja. Verloedering: nee. Humor: ja. Duidelijke communicatie: nee.

En de door mij eerder geciteerde pagina op Teletekst van 6 juni 2015:

  • KOENDERS UIT ONVREDE IN MOSKOU 

Bij de voorzetsels is er een taalversnelling zichtbaar die al vanaf de middeleeuwen werkt, en in het Duits (kraft, laut, stoltz,…) evenzeer als in het Nederlands. Een van de bekendste recente voorbeelden is de versnelling van “in de richting van” tot “richting“: “Wij vertrokken richting Parijs“. Dit richting-verschijnsel zien we niet alleen in veel Europese talen optreden, maar ik heb destijds onderzocht bij welke Nederlandse zelfstandige naamwoorden nog meer. Het werd een rijtje van 17:

  • begin deze eeuw
  • bestemming New York
  • eind(e) van deze eeuw
  • halte Koningsplein
  • hartje centrum
  • hoek Kerkstraat
  • kantje boord
  • klokke zeven
  • klokslag 9 uur
  • lank(e) de voorgevel (vnl. Vlaams)
  • midden de mensen (vnl. Vlaams)
  • omgeving Westerkwartier
  • punt strafschopgebied
  • rand(je) buitenspel
  • richting het zuiden
  • spijt uw toezegging
  • station Weesp

en vast nog wel meer. Versnelling dus, geen verloedering.

Om minder tijd te verkwisten bij het typen van woorden worden er in toenemende mate afkortingen of iconen gebruikt: “@” voor “voor wat betreft“, “wss voor “waarschijnlijk“, “ff” voor “eventjes“, zoals ik hier in het Frans vaak inkortingen zie als promo, info, apéro, maar ook meer rebusachtige notaties als “+info” (“plus d’informations“; “meer informatie“) of “K7“voor “cassette“. Men doet maar. Ook dat lijkt mij geen reden om van verloedering te spreken. Kennelijk heerst de gedachte: hoe sneller, hoe beter, als het maar wordt begrepen. En dat is communicatief gezien volstrekt in orde.

Daarmee raak ik aan de meest voorkomende soort taalfouten: die van de spelling.
Halverwege mijn vorige artikel schreef ik over het vermeende onderscheid tussen prescriptieve (voorschrijvende) en descriptieve (beschrijvende) grammatica’s. Als er één terrein is waarop de Nederlandse grammatica volstrekt prescriptief is, dan is dat de spelling. Al sedert 1804 (Siegenbeek) streeft men in het Nederlands taalgebied naar één uniforme spelling. Dat heeft sindsdien voortdurend veel voeten in de aarde en het ondervindt steeds enorme weerstand. De herzieningen in de laatste eeuw (1948 “Niet zoo, maar zo“; 1954 het Groene Boekje; 1995 het tweede Groene Boekje; 2006 verdere herziening) zijn steeds bedoeld om verplicht voor te schrijven hoe er in Nederland dient te worden gespeld. Overheid, landelijke dagbladen, uitgeverijen en het onderwijs moeten er zich aan conformeren, ook al staat er geen gevangenisstraf of andere sanctie op overtreding. Hooguit drukken spelfouten je rapportcijfer-Nederlands.

Ik laat me wel eens ontvallen dat wat mij betreft spellingsregels kunnen worden afgeschaft. De wal zal het schip wel keren als blijkt dat de communicatiewaarde afneemt als men er maar op losspelt. Ik echter behoud me het recht voor een croquette lekkerder te vinden dan een kroket, om een geaccentueerde gesloten klinker met een accent grave te schrijven (dè, hèt, nòg) en geaccentueerde open klinkers met een accent aigu (één, logé, vóórkomen, zó), om af te zien van die vreselijke tussen-n; ik houd het op kattevoer; wij hebben maar één kat en die tussen-n hoor je toch niet.

Los daarvan is het vaker zo, dat spelfouten worden gemaakt uit dommigheid, onvermogen of desinteresse onder het mom van “as je maar begrijpt wat er wort bedoelt“. Eerder al besteedde ik aandacht aan de mededeling in onze brievenbus:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

De boodschap was duidelijk, de PR-waarde was voor mij strikt negatief.

Er ligt op dit punt in eerste instantie een grote taak bij de opvoeders: ouders ten opzichte van hun kinderen, het onderwijs, van basisschool tot universiteit, de media, van publieke omroep (de commerciëlen zenden toch alleen maar Amerikaanse bagger uit) tot en met uitgeverijen en de landelijke dagbladen. Zij bekleden een voorbeeldfunctie, en zij zijn het die daarnaast de attitude kunnen uitdragen dat verzorgd en correct taalgebruik niet voor de bühne is of iets louter voor luxe intellectuelen, maar voor een betere communicatie van ons allemaal, met zorg en aandacht te koesteren, ook al kost dat wat meer tijd. Aan Pauline Cornelisse en Wim Daniëls hebben we niet genoeg, zo blijkt.

In daardie lig gesien is daar vir “gedoogtaal” (Arjen Hoogervorst in zijn reactie) geen plek in ons taallandskap nie.

 

 

Taalverloed (1/2)

De react van Arjen Hoogervorst, nu twee week her, en te lezen onderaan mijn startblz, noopt mij tot een XXL-respo. Niet dat ik ‘t niet met hem 1s ben, maar ik kan daar niet int kort op ingaan niet.

Allereerst, ik zal maar even op gewoon Nederlands overgaan, is er een groot verschil tussen taalkundig-wetenschappelijke observaties en uitspraken, en waardeoordelen van meer emotionele aard, waartoe ook de term taalverloedering mag worden gerekend. Vervolgens rijst de vraag naar de “wettelijke” status van onze grammatica en woordenboeken, waar de term taalverandering een rol speelt. Ten slotte is er een wijzende vinger naar onze opvoeders en naar gezaghebbende instituties als de publieke omroep en de landelijke dagbladen, maar meer in het bijzonder het begrip taalonderwijs.

Taalverloedering impliceert een afkeuring van een vorm van taalverandering die twee kanten op kan wijzen:

- Ofwel het is het afkeuren van taalgebruik dat (te) sterk afwijkt van wat een ander “normaal” taalgebruik acht, waarvoor tot voor kort de term ABN bestond. Maar omdat Algemeen Beschaafd impliceert dat afwijkende vormen onbeschaafd, zo niet onbeschoft zijn, is het sociaal incorrect nog van ABN te spreken. Dus noemen wij het “Algemeen Gebruikelijk Nederlands” of “standaardtaal”, maar dat is oude wijn in nieuwe zakken. Zo lang deze afkeuring is gebaseerd op subjectieve, wellicht emotionele gronden, valt er weinig over te discussiëren en als er al een probleem is van het kaliber A praat/schrijft anders dan B, dan is dat probleem onoplosbaar en is de “waarheid” of “correctheid” onderhevig aan de macht van het getal. Voorbeeld van een vormelijke, modieuze trend: als in grote meerderheid, en zeker niet alleen bij Nederlands sprekenden onder de 25, de zogeheten Gooise R (of: hockey-R) uit de mond rolt, erger ik me groen en geel. Voor de klas liet ik het dan ook nooit na daarop subiet een persiflage te produceren in de hoop dat er een “normale” R zou gaan komen, zoals die -uitzondering- bij Marco Verhoef en Arno Vermeulen goed waarneembaar is. Maar ik heb geen poot om op te staan. Ik bedoel: er is geen enkel voorschrift of wettelijk dictaat om deze of gene R te produceren. Ik kan dus vinden wat ik vind, maar waarom ik dat vind, blijft vaag, laat staan dat ik het tij kan keren.

- Anders ligt dat wanneer iemands taalgebruik inhoudelijk morrelt aan de communicatieve waarde van het taalaanbod. Als bijvoorbeeld onder invloed van taalversnelling of de veel te kleine toetsjes op smartphones, of gewoon slecht onderwijs, iemand oorzaak en gevolg verwisselt, omdat en doordat verkeerd gebruikt, zinnen begint zonder ze af te maken, en dat soort dingen, kan er met recht om een correctie worden gevraagd. Immers: taal gebruiken is de communicatiewijze bij uitstek. Waarom zou iemand die meent iets te moeten meedelen of vragen er genoegen mee nemen dat maar 60% van de mededeling of vraag helder bij de gesprekspartner overkomt, terwijl dat ook 90% of 100% zou kunnen zijn? Inderdaad heeft internet en het mobiele telefoonverkeer enorm bijgedragen aan een grotere stroom van taaluitingen (dat op zich is een pluspunt), maar ook tot een toename van taalversnelling, dat is: meer willen zeggen in minder woorden. En dat is niet per definitie efficiënter. In plaats van snel even iemand te appen terwijl je over straat fietst, zou je ook gewoon naar huis kunnen rijden en er daar even rustig voor gaan zitten en nadenken en formuleren voordat je iets daadwerkelijk de lucht in stuurt. Daarmee geef ik geen subjectief waardeoordeel, maar promoot ik een zuiverder taalgebruik om tot betere communicatie te komen, in ieders belang. Het aloude adagium dat sollicitatiebrieven vol taalfouten direct in de prullenbak verdwijnen is van dezelfde orde.
Wie spreekt van de vertrossing van ons taalgebruik, doelt op zowel de vormelijke als inhoudelijke verandering, vervlakking zelfs, van het taalaanbod, met een sterke ondertoon van afkeuring. Verloed dus.

Taalverandering impliceert dat er een norm bestaat, vastgelegd in een grammatica en een woordenboek, waaraan ieder zich heeft te houden, welke norm in de loop der jaren meeschuift met wat kennelijk taalgebruikelijk is geworden.
Allereerst maak ik hier onderscheid tussen twee soorten grammatica: de prescriptieve en de descriptieve grammatica. Beide bestaan niet, in zuivere vorm, dus ik licht ze even toe.

De prescriptieve, of voorschrijvende grammatica heet een normatieve grammatica te zijn die voor een bepaald taalgebied formeel vaststelt “hoe het moet” met taalregels, hetgeen meestal beperkt blijft tot regels over zinsbouw, naamvallen en spelling. Het heet dat de Franse grammatica prescriptief is, met de Académie française als notoire en elitaire waakhond, en dus bepaalt hoe Fransen zich talig dienen te gedragen, met inbegrip van de taallessen op school. Maar ook de Académie moet overstag: tegen de regels in gaat half Frankrijk de dubbele ontkenning ne…pas negeren en zegt en schrijft tegenwoordig rustig: “je sais pas” (“kweenie”), en tal van Franse patiënten zeggen, als ze naar de huisarts gaan: “Je vais au médecin” in plaats van het correcte “Je vais chez le médecin”. Vroeg of laat zal ook de Académie dan wel bijdraaien, zeker als deze veranderingen ook in de “officiële”, d.w.z. de in Parijs bewierookte literatuur gaan verschijnen. De norm is dus maar net zo sterk als de meerderheid die haar hanteert. Beter gezegd: omgekeerd evenredig daarmee.

Nagenoeg alle verschenen grammatica’s van het hedendaags Nederlands zijn descriptief, beschrijvend van opzet. Deze werken beschrijven wat in de actuele situatie het taalgebruik is, en daarom moeten zij ook elke 10, 20 jaar worden herschreven. De Algemene Nederlandse Spraakkunst (ANS) is momenteel de meest uitgebreide Nederlandse grammatica, die voor het eerst verscheen in 1984, gevolgd door een tweede druk in 1997 en sinds 2015 loopt er een Nederlands-Vlaams project voor wederom een herziening, om tussen 2016 en 2019 tot een versie te komen die weerspiegelt hoe Nederland in begin 21e eeuw taalt.

Maar ook hier zit er nog een aap in de mouw en steekt er nog een adder zijn kop boven het gras: ook de descriptieve ANS gaat uit van “hoe het hoort”, van ooit door wie dan ook opgestelde taalregels waaraan men zich dient te houden: prescriptief dus. Vandaar dus dat je in de ANS op diverse plaatsen mededelingen aantreft in de trant van “Het moet eigenlijk zus, maar tegenwoordig hoor je ook vaak zo. Dit gebruik keuren wij niet af”.
Dit is wat ik bedoelde met mijn eerdere uitspraak dat puur prescriptieve of descriptieve grammatica’s niet bestaan. Ook niet kunnen bestaan, eigenlijk.

Overigens zit de grootste taalverandering in ons vocabulaire, de woordvoorraad waarvan wij ons bedienen, en de bijbehorende spellingsproblematiek. Maar daarover, en over de hierboven beloofde wijzende vinger, kom ik in het vervolgartikel te spreken.

 

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

NON à Hollande

Dit is geen slogan voor de naderende presidentiële verkiezingen in Frankrijk, al zal die titel velen charmeren. Nee, het is mijn kruistocht tegen het gebruik van “Hollande” voor “Nederland” of “Pays-Bas“. Op tribunes (“Hup Holland Hup”; “Holland spreekt een woordje mee”), op vrachtwagens (“MAASTRICHT – HOLLAND”, of, zoals hiernaast: “SOEST – HOLLAND”, of, zoals hieronder, gespot tussen Parijs en Rouen: “ROOSENDAAL – HOLLAND”) en alom in Frankrijk (“Vous êtes hollandais?”).

Mijn antwoord op die laatste vraag is steevast: nee. En dan heb ik wat uit te leggen, maar dat doe ik dan volgaarne met een mengeling van plezier en grimmigheid.

 


Voor de duidelijkheid: ik ben geboren in Oss (Noord-Brabant), heb lang gewoond in Amsterdam (Noord-Holland), later in Venray (Limburg), Eindhoven en Boxmeer (beide Noord-Brabant) en sinds 2007 in Rosoy-sur-Amance (Haute-Marne). Als ik iets ben, ben ik Brabander, en paspoortmatig Nederlander. Vraagt iemand hier mij of ik een Hollander ben, dan vraag ik quasi verbaasd of de vraagsteller het fijn zou vinden om als Bask te worden betiteld. Immers, in deze streek strekt de evidente xenofobie zich uit tot binnen de landsgrenzen: alles wat uit Parijs komt (goud) of Marseille (zilver) of Baskenland (brons) is per definitie onbetrouwbaar en abject. Dus ik heb dan al iets minder uit te leggen.

Staan we dan nog steeds op goede voet en komt de vraagsteller hier over de vloer, dan laat ik volgaarne het volgende filmpje zien:

https://www.youtube.com/watch?v=eE_IUPInEuc

Waarna iedereen lacht, ik niets meer hoef uit te leggen en nooit meer een Hollander zal heten.

 

Lopen

Een bijkomend voordeel van de Olympische Spelen is dat je al kijkend en luisterend weer heel wat taaleigenaardigheden tegenkomt, fouten, versprekingen, maar ook interessante wendingen. Goud gaat met afstand naar de heel/hele-fout, zowel qua onzorgvuldigheid als qua aantal voorkomens. Zie ook mijn Goede Voornemens. De zilveren plak is voor de dat/wat-fout, die bij mijn Goede Voornemens met stip bovenaan stond, maar het in aantal nu aflegt tegen de hele domme heel/hele-fout. Brons gaat ex æquo naar de tenenkrommende Gooise R, vooral bij dames en bij filemelders van de ANWB-alarmcentrale, waarvoor mijns inziens geen enkel zinnig argument te bedenken valt, maar die ik meer beschouw als een modieuze hype, en ontegenzeggelijk ook naar de trieste omdat/doordat-fout, waarvan ik in mijn Goede Voornemens heb uitgelegd dat het een betreurenswaardige vervlakking van denken en argumenteren betreft waarbij reden en oorzaak op één hoop worden gegooid. De fouten komen van sporters zelf, maar helaas ook van diverse journalisten, die toch uit hoofde van hun opleiding en beroep beter zouden moeten weten. Er zijn gunstige uitzonderingen: NOS-lieden als Henry Schut, Tom Egbers, Herman van der Zandt en Ardy Stemerding zijn nauwelijks op taalfouten te betrappen.

Naast de veel-te-vele fouten valt er ook zo af en toe iets taalkundig interessants te beluisteren. Zo hoorde ik een sporter beweren “kans te lopen voor een medaille”. Een voorzetselfout, inderdaad, want het is een contaminatie van “in aanmerking komen voor” en “kans maken op”, en bij merkwaardige voorzetselfouten komen bij mij alle zwaailichten in actie. Maar het gaat me hier nu even over het gebruik van het werkwoord lopen.
We kennen lopen met als standaardbetekenis: “zich in normalen tred te voet voortbewegen”, een actitief en intransitief werkwoord, dat dus met hebben wordt vervoegd (“Ik heb door het park gelopen”) en als mutatief, intransitief werkwoord, dat dus met zijn wordt vervoegd (“Ik ben door het park gelopen”). Dat op zich is al boeiend. Meer daarover bij Van den Toorn, Nederlandse Grammatica, blz. 29 en 182-183.

Daar staat ook vermeld dat sommige werkwoorden een soort passieve lezing kennen, waarbij het lijdend voorwerp tot onderwerp wordt: “Dat boek leest vlot”; “Die stoel zit lekker”; “Dat product verkoopt goed”. Met lopen kan dat ook: van een goed geconstrueerde trap kun je zeggen: “Die trap loopt lekker”, en daarmee valt ook voor een deel de merkwaardige zin te verklaren: “We zitten op de A2, die loopt van Amsterdam naar Maastricht”. Dat zitten komt vermoedelijk op rekening van het feit dat je normaliter in een auto zit op een snelweg; zou je er overheen lopen, dan kun je niet meer volhouden dat je erop zit. Maar dat een weg loopt, valt alleen maar te verklaren door de aanname dat lopen inderdaad beschikt over bovengenoemde passieve lezing.
Daarvoor bestaat ondersteunend bewijs: een loper kan zowel duiden op iemand die loopt, maar evenzeer op iets waarover je loopt (de befaamde rode loper), en in die optiek kan een (snel-)weg worden beschouwd als een langgerekte strook waarover men kan lopen. Het lijkt in de verte een beetje op mijn verhaal over CONTENU en CONTENANT.

Terug naar de hoopvolle sporter die kans dacht te lopen voor een medaille. Dat kan dus niet. Je hebt of maakt kans op een medaille, maar lopen doet dat niet. Hoe komt dat?
Ik vermoed dat lopen, in zijn figuurlijke betekenis, dus niet: “zich te voet voortbewegen”, heel vaak een negatieve connotatie heeft, iets wat de sporter allerminst zal hebben willen bedoelen. Je loopt wel kans op een besmetting of een nederlaag, maar niet op een medaille. Ook te hoop lopen en in de val lopen en (te) hard van stapel lopen hebben geen positieve bijsmaak. Iets soortgelijks zien we bij samengestelde werkwoorden met lopen, maar niet altijd:

  • negatief: een wiellager dat aanloopt; achter de feiten aanlopen
  • niet negatief: het paard kwam aanlopen
  • negatief: een besmetting of andere ziekte oplopen
  • niet negatief: een berg oplopen
  • negatief: op een mislukking/faillissement uitlopen
  • niet negatief: op het peloton uitlopen 

Maar wacht even: in alle negatieve voorbeelden hierboven is lopen figuurlijk gebruikt, terwijl het in de niet-negatieve voorbeelden het letterlijke zich voortbewegen aanduidt. Het verschil lijkt dus daarin te kunnen worden gezocht.

Helemaal waterdicht is dit verhaal misschien nog niet; laat het in ieder geval een poging zijn te verklaren waarom sporter X zijn medaille misliep (sic!).

 

 

Waarom draagt de paus een bomgordel?

Geen paniek. Het gaat mij hier slechts om falende communicatie, veroorzaakt door waarom-vragen. Eerder had ik al eens gefoeterd op het miskende onderscheid tussen omdat en doordat, maar er is veel meer aan de hand.
Lees dus doodgemoedereerd verder en probeer er iets in te herkennen.

 

 

 

Ik wil gaan proberen te verklaren waarom zo vele waarom-vragen leiden tot miscommunicatie.
Ik wil gaan proberen te verklaren waardoor zo vele waarom-vragen leiden tot miscommunicatie.
De eerste zin is foutief:
Een verklaring is rationeel en niet een kwestie van bewust handelen.
De tweede zin is correct:
Een verklaring is rationeel en een kwestie van oorzaak en gevolg.
Hier volgen mijn subcategorieën.

1. Waarom? moet Waardoor? zijn
Zie daarvoor mijn uitleg in het hierboven geciteerde eerdere artikel. Kortweg: kun je er wat aan doen, dan is het waarom (Waarom trek je geen jas aan?); kun je er niks aan doen, dan is het waardoor (Waardoor valt er ijzel?). Ik leg dat hier nu verder niet uit, maar volsta met de constatering dat een hoog percentage van waarom-vragen daardoor alleen al verkeerde vragen zijn en dus niet zijn te beantwoorden: miscommunicatie.
Woorfrequentietellingen van het Nederlands wijzen uit dat in geschreven taal waarom driemaal zo vaak voorkomt als waardoor, terwijl dat statistisch ongeveer 50-50 zou moeten zijn. In gesproken taal, waar men het zeg maar gewoon niet zo nauw neemt met precisie &zo, is dat zelfs 11x zo vaak. Dat geeft te denken.

2. Kindervragen
Doordat kinderen (nog) niet behept zijn met veel levenservaring, voldoende referentiekader en een grote dosis berusting, stellen zij, in de ogen van vele volwassenen, absurde, maar niettemin zeer basale vragen als Waarom gaan mensen dood? Waarom is een boksring vierkant? Waarom ben ik een meisje?
Nog los van het feit dat het hier meestal om waardoor-vragen gaat, is de communicatie vrij lastig; de uitleg vergt nogal wat kennis van wetmatigheden, taaleigenaardigheden, conventies, wetenschappen, die aan peuters nog niet geheel besteed zijn. Ouders dienen dus inventief te zijn door enerzijds de vraag serieus te nemen, anderzijds door een voor het kind voor de hand liggende verklaring te geven. Verkeerde antwoorden (al zou menig kind het ermee doen) zijn: Omdat er anders veel te veel mensen op aarde wonen. Omdat een biljarttafel ook niet rond is. Omdat het zo saai is als er alleen maar jongens zouden bestaan.
Er is redelijk wat literatuur beschikbaar over de opvoedkundige aanpak van de waarom-fase bij peuters. Zoek dat dus zelf maar uit, als je het risico van onbevredigende communicatie wilt verkleinen.

3. De vraag is geen vraag, maar een verzuchting
Vragen als Waarom gaan we niet eens een keer naar Estland? (merk het merkwaardige niet erin op!) of Waarom heb ik toch altijd zo’n pech? (toch en altijd verraden al hoe de vlag erbij hangt) hebben helemaal niet de intentie dat de spreker informatie wenst te ontvangen over de feitelijke reden of oorzaak van het bevraagde. Veel meer zijn zij een zeer subjectieve uiting van verlangen of ongenoegen. Nu is ook dàt wel communicatie te noemen, maar als het de bedoeling van de spreker was om bij de aangesprokene een gedragsverandering teweeg te brengen, had de vraag ook wel wat directer gekund: Zullen we eens een keertje naar Estland gaan? of Kun je ervoor zorgen dat ik wat minder vaak pech heb? Het gebruik van waarom bij dit soort vragen werkt versluierend doordat er een dubbele bodem onder schuilgaat: de oppervlakkige van een verzoek om een reden of oorzaak te noemen, en een onderhuidse die de stemming van de spreker weergeeft. Daar waar effectieve communicatie talige eenduidigheid vereist, wordt daaraan bij dit type waarom-vragen dus niet voldaan.

4. De gestelde aanname is onwaar
In zijn simpelste vorm bestaat een waarom-vraag uit twee delen: het verzoek om een verklaring/uitleg/motief (waarom?) en een aanname (dat wat achter waarom volgt).
Niet zelden echter zal die aanname niet of niet geheel waar zijn, of minstens falsifieerbaar.
Zo is het bij de titelvraag Waarom draagt de paus een bomgordel? aannemelijk dat het gepostuleerde feit (de paus draagt een bomgordel) niet beantwoordt aan de ons omringende werkelijkheid, althans niet met feiten is gestaafd. Daarmede is de grond van de vraag komen te vervallen, is die vraag onbeantwoordbaar en is zij als communicatie mislukt. Bijkomende complicatie: de aanname kan geheel onjuist zijn (de aarde is een plat vierkant) of de aanname kan een onterechte generalisatie bevatten (waarom neuken mensen?). Dit impliceert een gelaagdheid in de aanname. Het nullidwoord, dus de afwezigheid ervan in de oppervlaktestructuur, voor mensen in de laatst genoemde vraag herbergt een dubbelzinnigheid; bedoeld kan zijn: alle mensen, of: een deelselectie van alle mensen. Betere, want ondubbelzinnige parafrasen zijn: Waarom neuken alle mensen? (een onjuiste aanname, dus onbeantwoordbaar) of Waarom zijn er mensen die neuken? (een eveneens onbeantwoordbare kindervraag). Generalisaties komen prominent in beeld als er nog eens woorden als altijd, steeds, overal bij worden ingelast, maar ook bij hunner afwezigheid kan een betwistbare generalisatie zijn inbegrepen.

De werkelijkheid is complexer dan wij niet willen. Dat is een zin die het midden houdt tussen het Van Kooten- en het Cruijff-jargon. Ik bedoel: veel hopeloze waarom-vragen herbergen twee of meer van de hierboven onderscheiden categorieën. Zo is de vraag Waarom moet jij altijd gelijk hebben? niet af te doen als een doordeweeks relationeel probleem, maar geeft een wat diepere analyse ook aan waarom de vraag niet is te beantwoorden, sterker nog, helemaal niet om een antwoord vraagt.

De dieptestructuur van de vraag omvat de deelzinnen:

  • Waarom is het zo, dat…?
  • Het is altijd zo, dat…
  • Iemand1 wil iets
  • Iemand1 heeft gelijk

De eerste subzin vraagt om een verklaring of motief.
De tweede subzin is een generalisatie, vermoedelijk onjuist.
De derde subzin legt de verantwoordelijkheid/schuld/het initiatief bij de aangesprokene.
De vierde zin is onbewezen en mogelijk ook onwaar.

Daarbovenop: de hele vraag is geen vraag, maar een verzuchting met een hoog Calimero-effect. En de aangesprokene zal zich bovendien aangevallen voelen – nooit bevorderlijk voor een vloeiende communicatie.

Wat dan rest, is de vraag wat het communicatief meest passende antwoord op de gestelde vraag zou moeten hebben kunnen willen wezen.

 

 

 

 

ABN – net iets te moeilijk

Er zijn er die menen dat ik er te veel over zeur. Dat ik niet zo moet vallen over foutief, slecht en onverzorgd taalgebruik in publieke communicatie. Maar juist daarom blijf ik het toch doen. De kwaliteit van de taal weerspiegelt de kwaliteit van de erin vervatte boodschap.
Eerder al heb ik jullie vermaakt met de flaters van WK2014.nl en Nutrivian. Vandaag is ABN-dochter MoneYou aan de beurt.

MoneYou. Geen gedoe. Dat rijmt, strikt fonetisch gezien, niet echt helemaal, maar het spoort ook niet. Het begon toen ik een tijdje terug geld naar onze MoneYou-rekening vanuit Frankrijk wilde overmaken en ik nergens op de site de daarvoor vereiste BIC-code van de bank kon vinden.
Niet getreurd, er is een online klantenservice. Maar die weet met de vraag geen raad en stelt voor “een aantal steekwoorden of korte zinnen te gebruiken”. Alsof ik dat niet had gedaan.
Beet.
Omdat ik er niet zeker van ben dat zo’n onpeilbaar 0800-nummer vanuit Frankrijk wel zo koste(n)loos is als MoneYou voorspiegelt, stuurde ik een mailtje met drie vragen:

  1. Wat is de BIC-code van MoneYou?
  2. Kan ik vanuit Frankrijk geld storten op een MoneYou-rekening?
  3. Waarom “steekwoorden” gebruikt (verfoelijk germanisme; “Stichwörter”) in plaats van het Nederlandse “trefwoorden”, maar in ieder geval niet het anglicisme “sleutelwoorden” (“key words”).

Vrij snel kreeg ik een mailtje retour met de simpele melding:

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
We horen graag wat onze klanten vinden van onze dienstverlening en nemen je bevindingen zeker mee.
De MoneYou BIC code is ABNANL2A. Je kunt alleen geld storten op je MoneYou Spaarrekening van af een Nederlandse betaalrekening. De invoering van SEPA heeft hier geen invloed op. Stort je toch van een buitenlandse rekening dan ontvang je het geld weer terug op je buitenlandse rekening.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

 

Dit was maar zeer ten dele een antwoord op mijn vragen: ik kreeg de BIC-code, maar kan blijkbaar niettemin geen geld vanuit Frankrijk overmaken. Vive l’Europe, vive l’Euro, vive le SEPA, het neusje van de Zalm.
De intenties van de al 13 jaar bestaande European Payment Council ten spijt, is het niet de eerste keer dat die verbazing mij ten deel valt. Een jaar geleden ongeveer presenteerde het CVZ mij hetzelfde verhaal: wel van een Belgische of Duitse rekening, maar niet van een Franse. Waarom dat zo was, wist men mij aan de telefoon niet uit te leggen. Zo zijn onze manieren, was de afsluitende zin.
Nu is het CVZ een instelling die, om zijn beschamende, feodale praktijken te verdoezelen onlangs heeft besloten zich voortaan Zorginstituut Nederland te noemen, maar naamswijzigingen zijn nooit een teken van kracht. Philips en de HEMA doen dat ook niet.

Kortom: de eerste vraag was beantwoord, het tweede antwoord was niet onderbouwd, en op de derde vraag ging mevrouw MYk niet in. Of misschien was het een man. Of een machine. Dus maar weer een mailtje of dat derde antwoord ook nog kwam.
Keurig en snel een reactie: 

Beste heer Loonen,
Hartelijk dank voor de e-mail.
De term steekwoorden is een nederlands woord wat wordt gebruikt om trefwoorden aan te duiden. MoneYou heeft dit woord gekozen om een onderwerp uit de tekst aan te duiden.
Wanneer hier nog vragen over zijn, verzoeken we vriendelijk om via dit bericht te antwoorden.
(…)
Met vriendelijke groet,
MoneYou klantenservice. 

Alweer beet.
Allereerst ontging het mij niet, dat net als bij die babes van WK2014.nl en die visoliecapsules van Nutrivian het antwoord anoniem werd verstuurd. Daar zit dus geen mens achter, maar een format, dat als onderdeel van de bedrijfscultuur niemand verantwoordelijk wil laten zijn voor wat dan ook.
Verder is mijn ervaring bij dit soort zaken dat ongeveer vanaf de derde mailuitwisseling aan de andere kant van de lijn de portee van mijn eerste reactie begint door te dringen. Pure dommigheid? Pure onwil? Oekazes van hogerhand?
Ik ga dan maar even op mijn strepen staan en na verloop van tijd valt het kwartje wel. Daar gaat-ie:

Nu even scherp en correct en op ABN-niveau:
1. De term steekwoorden is geen nederlands woord, maar een Nederlands woord.
2. De term steekwoorden is geen Nederlands woord, maar een verfoeilijk germanisme naar Stichwort. Ook het bij sommigen aangetroffen sleutelwoord is om soortgelijke redenen af te wijzen (naar Engels key word). Het enige Nederlandse woord om trefwoorden aan te duiden is trefwoord, zoals u vreemd genoeg ook definieert. Zeg dat dan ook.
3. Het is geen woord wat wordt gebruikt, maar dat wordt gebruikt.
Nu op naar de B-cursus.
Het valt niet mee om al sinds 1972 docent Nederlands te zijn…
________________
Inmiddels is het begin november en heb ik het uitblijven van een verdere reactie als klacht bij MoneYou gedeponeerd. Verder doe ik er maar even niets mee. ABN-Amro heeft blijkbaar wel iets anders aan het hoofd/voor ogen.

Het Grote Zwijgen

Er zijn van die foto’s die na kortere of langere tijd iconisch blijken te zijn. Uit mijn herinnering diep ik moeiteloos op: het Vietconglijk dat door een Amerikaanse tank wordt voortgesleept (World Press Photo 1966); het wegrennende napalmmeisje Kim Phuc (WPP 1973); meer recent de aangespoelde Aylan en de ‘toevallige’ vondst in Gouda van de executiefoto’s tijdens de Politionele acties in Nederlands-Indië, waar De Volkskrant onder meer mee kwam in oktober. Iconisch, doordat zij een grote invloed blijken te hebben op de publieke opinie en zelfs op de politiek.

Vreemd genoeg werken die foto’s ongeacht de bijbehorende context; zelfs als ze zouden zijn gemanipuleerd, gephotoshopt of anderszins een ‘verkeerd’ beeld geven, de eenmaal genestelde beeldvorming laat zich niet meer veranderen. Zo gaat bijvoorbeeld van die Amerikaanse tank het verhaal dat de Vietcong vaak mijnen legde onder gesneuvelde lichamen, waardoor het raadzamer was die met een tank weg te slepen dan respectvol op te tillen en op een draagbaar te leggen. Intussen was het anti-Vietnamoorlogsentiment al tot een beslissende hoogte opgevoerd. Prima.

Hoe toevallig de executiefoto’s uit Indië opeens uit een lade in Gouda kwamen, kan ik niet beoordelen. Wel dat ze passen in het tijdsgewricht dat schoon schip wil maken met de romantiek van Nederlands koloniale Indiëverleden en de door de KVP, de Kerk en vele andere opgehemelde bevrijdingsidealen van het Nederlandse leger in de Oost 1946-1949. Wat daarbij wringt, is dat een politiek correcte herziening van de visie op schokkende gebeurtenissen uit het verleden tegen het zere been is van hen die er zelf nog van zouden kunnen getuigen. De Amerikaanse Vietnam-, Afghanistan- en Irakveteranen, de Dutchbatters van Srebrenica, de KNIL-militairen die 1947-1948 hebben meegemaakt, hoe velen van hen lijden er wel niet onder psychische stoornissen, enerzijds door het gevoel dat ze als misdadigers worden weggezet, anderzijds door de nachtmerries die hen blijven achtervolgen na hun al dan niet vrijwillige optreden elders in de wereld. Onmiskenbaar gevolg: Het Grote Zwijgen dat we willen doorbreken, wordt door die getuigen uit de eerste hand alleen maar versterkt wanneer oude wonden weer worden opengereten.

Zoiets kan ook worden gezegd van de broers Frans (1926-1993) en Bertus (1927-2006) Bosman, over wie Paul Welling kort geleden zijn boek Ze spraken er niet over heeft gepubliceerd. Tussen 1947 en 1949 verbleven de broers als dienstplichtig militair op Java en namen zij deel aan de politionele acties van het Nederlandse leger tegen de Indonesische ‘extremisten’. Tijdens hun verblijf aldaar, maar ook na hun terugkeer in Nederland spraken zij met geen woord over gruweldaden, door henzelf of in hun bijzijn gepleegd. Wie veel meegemaakt heeft, praat niet over Indië, motiveert Bertus dat (p.153) en Frans sprak van een vuile oorlog (p.154). Geen details, geen schuldvraag, eigenlijk ook geen zichtbare emotie.

Het moet voor Paul Welling (en na hem: voor de lezer) een soort van teleurstelling zijn geweest dat hij niet heeft weten door te dringen tot enige ontboezeming van de belevenissen van zijn twee ooms. Ze zijn overleden, dus niet meer tot een onthullend gesprek te bewegen, maar ook in de periode ervoor zou het een mission impossible zijn geweest. Ik ken dat van mijn eigen familieleden, in het bijzonder van mijn vader die in 1946 in Soerabaja zes maanden in dienst was bij de militaire inlichtingendienst NEFIS die aanvankelijk inlichtingen over Japanse manœuvres, maar later die van de Soekarnogezinden moest weten te vergaren ten behoeve van de geallieerden, en van het KNIL in het bijzonder. Geen woord erover, ook al wist hij zich gedekt door een door hem op 24 april 1946 schriftelijk ondertekende geheimhoudingsplicht. Ook over zaken die buiten zijn strikte dienstvervulling om speelden, zweeg hij.

Paul Welling moest zich dus tevreden stellen met de constatering, in de titel, in de inleiding en in het nawoord, dat het zwijgen consistent en onverbreekbaar was; in plaats daarvan biedt hij ons een bewonderenswaardig minutieuze opsomming van familie- en persoonsgegevens. Door diep tot de uit bronnen herleidbare gegevens door te dringen weet hij de hoofdpersonen voor de lezer tot leven te brengen. Ook zeer nauwkeurig heeft hij de door hem verzamelde militaire gegevens op schrift gesteld, daarmee bevestigend dat er tegenwoordig veelzijdige data op internet raadpleegbaar zijn en dat (militaire) instanties vandaag de dag uiterst bereidwillig zijn tot het verlenen van inzage in historisch archiefmateriaal. Om dat maar even te onderstrepen: afgelopen week ontving ik van de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen een envelop met 47 tweezijdige gekopieerde archiefstukken over betalingen en de diensttijdgegevens van mijn vader. Gratis en voor niks en op eerste simpele verzoek. Terwijl de monden gesloten blijven, gaan de boeken open.

Toch frappeert mij het boek van Paul Welling om nog twee andere redenen. De eerste is een bevestiging van mijn herhaalde uitspraak in La vérité et son image: “Toutes les guerres sont comparables, sinon pareilles“, alle oorlogen zijn vergelijkbaar, zo niet identiek. Of het nu gaat om de hier nadrukkelijk uit brieven te lezen zorgen en machteloosheid van de familieleden thuis, de moeder van Frans en Bertus voorop, of de stijl van de brieven vanuit de Oost die vooral uitstralen dat er voor ongerustheid nauwelijks grond is, of de soms wat primitief overkomende, maar meer dan goed bedoelde zendingen richting front (hier: sigaretten en een vulpen in een dichtgesoldeerd blikje; in mijn boek: vers gebakken wafels die meer dan vijf weken onderweg bleven en bij aankomst aan het front al door kameraden waren opgegeten voor de geadresseerde het pak in handen kreeg), of het onwrikbare geloof dat God uiteindelijk alles wel weer ten goede zou keren.

De tweede reden is de parallel tussen de boven tafel gekregen berichten van de broers Frans en Bertus, die de werkelijkheid filteren om slechts een beeld ervan aan het achterland te tonen, en de volstrekt vergelijkbare correspondentie die ik heb teruggevonden zowel die tussen mijn ouders in de periode 1942-1945 in Indië en Thailand, als die tussen ‘mijn’ Eugène Parisot en zijn familie in Rosoy uit de periode 1914-1918. De kiem voor Het Grote Zwijgen werd steeds al in oorlogstijd zelf gelegd – het gaat niet om  een schaamte- of schuldgevoel achteraf. Het doet een beetje denken aan fotoalbums: die vertonen bij voorkeur mooiweervakantiefoto’s, geen regen of wind; vreugdevolle gebeurtenissen als huwelijk en geboorte, geen stervenspijn of verkeersongelukken; lachende mensen die alleen van vreugde huilen. Niet bijster iconisch allemaal.

Jammer genoeg vertoont het boek de editoriale tekortkomingen die ik ook van andere Boekscout-uitgaven ken: Het papier van de kaft is zo sterk krullend dat het boek voortdurend half open blijft liggen als een gebarsten peulvrucht. De foto’s zijn in zo lage resolutie afgedrukt en op een zo matige papierkwaliteit, dat hun waarde ervan wordt geschaad. Bedenk dat het om uniek materiaal gaat dat het verdient prominent en helder te boek te staan; bij de kwartierstaat en de landkaarten speelt daarenboven dat ze, ongetwijfeld om pagina’s uit te sparen, zo pietepeuterig staan afgedrukt dat ze schier onleesbaar zijn. En met een loep erbij blijken ze ook nog eens behoorlijk onscherp te zijn. Dat zal de auteur toch niet zo hebben aangeleverd. Of het de verantwoordelijkheid van de uitgever is, weet ik niet, maar de enkele haast onvermijdelijke taalfoutjes die in het boek staan, heeft de correctieafdeling van Boekscout niet in de gaten gehad. Overigens ben ik zeer gecharmeerd van Paul Wellings taalgebruik en stijl, die zorgen voor een uiterst prettig leesbare tekst.

Wat wel op het bord van de uitgever ligt, is de prijsstelling, maar we weten van print-on-demanduitgaven dat ze altijd wat aan de dure kant zijn vanwege de lage oplage en het risicodeel van de overheadkosten. Voor mijn uitgaven geldt hetzelfde.

Dat alles neemt niet weg dat we met Ze spraken er niet over een prachtige getuigenis in handen hebben van een onopgelost probleem: Het Grote Zwijgen.

Paul Welling hoopt dat er ooit nog meer (foto-)materiaal over zijn familieleden uit die periode teruggevonden zal worden. Misschien gaat er in Gouda nog wel eens toevallig een laatje open.

__________________

Paul Welling, Ze spraken er niet over. Twee Amersfoortse broers in Nederlands-Indië. Soest : Boekscout 2015. 156 blzz. Illustraties en kaarten in kleur en zwart-wit. Index. ISBN 9789402219401. Prijs € 18,15. Te bestellen via www.boekscout.nl.