KLu

Aan mijn carrière als dienstplichtige heb ik gemengde gevoelens overgehouden. Het betrof de verplichte diensttijd (1966-1968) alsmede vijf volstrekt zinloze herhalingsoefeningen in 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974, waarna mij met de hulp van enkele Tweede-Kamerleden verdere ellende bespaard bleef.
Ik was ingedeeld bij de verkeersleiding van onze Koninklijke Luchtmacht. Dat op zich was heel positief, maar er valt wel meer te melden.

 

Bij opkomst werd ik een nummer: 461011309, HOLLAND RK BLGR.A.RHO/0/POS. Dat staat ook gestanst in het metalen plaatje waarvan de ene helft op mijn lijk moest worden bevestigd en waarvan de andere helft naar mijn nabestaanden moest worden gezonden.

 

Op grond van het feit dat ik aantoonbaar tot de intelligentsia behoorde, kwam ik terecht bij de opleiding tot officier verkeersleider, die de eerste maanden plaatsvond op vliegbasis Gilze-Rijen. Ik vond het prima, want ik was dol op alles wat met luchtvaart had te maken. Bovendien kreeg ik de indruk dat er bij de Luchtmacht meer werd gedacht aan een bedrijf dat vliegtuigen veilig in de lucht en weer aan de grond moest zien te krijgen, dan dat het een gemoderniseerde variant was van de voorbereiding op veldslagen zoals die laatstelijk in 1944 waren gevoerd in de Ardennen en rond Overloon.
Het was dus ook niet waarschijnlijk dat dit met Israëlische Uzi’s bewapende klasje (bovenste foto) paraat was om de oprukkende Russen de definitieve nederlaag toe te brengen, maar wel dat de keurige heren in opleiding (onderste foto) enige bijdrage aan de vliegverkeersveiligheid zouden kunnen gaan leveren.

Ook positief was de vrij gedegen cursus Engels, want in de militaire en burgerluchtverkeersleiding is Engels de voertaal, ook al denken Fransen, Italianen en Turken, ook in NAVO-verband, daar vaak anders over. Van iets mindere diepgang was de EHBO-cursus, beter dan de beruchte en volstrekt infantiele BB-folder uit 1961 (“Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf”) die geheel vanuit het koudeoorlogsdenken was geschreven, maar minder degelijk dan de EHBO-cursus die ik later als docent nog eens heb gevolgd.
De hoofdmoot was het vouwblad I K 2-22, nr. G3/66 7501/T II-71147-705764F dd.18 juli 1966.

Ik bleef daar op Gilze-Rijen tot rond de grote vakantie van 1967. Het was een leer- en oefentijd met nauwelijks enige praktijkonderdelen. Het verkeersleiden leerden we met behulp van een simulator; Engels, EHBO, meteorologie en de verkeersleidingsterminologie ging allemaal uit boekjes met aansluitend wat praktijkoefeningen. Er werd op Gilze-Rijen ook niet zo erg veel gevlogen, en toen er in mei/juni 1967, vooral ’s nachts, opeens opvallend veel zware transportvliegtuigen van de basis opstegen, kregen we pas veel later in de gaten dat dat bevoorradingsvluchten waren voor Israël, dat aan de zesdaagse oorlog ging beginnen. Veel discussie daarover vond er niet plaats.

Eenmaal gevormd en inmiddels bevorderd tot dpl.sgt. werd ik tewerkgesteld op de vliegbasis Eindhoven. Dat was voor mij de best denkbare keus, mede omdat ik in Eindhoven ook familie had wonen, Brabant zowat mijn favoriete provincie was en er een goede treinverbinding met Amsterdam bestond. Maar meer nog dan dat beviel het werk me wel op de verkeerstoren van Eindhoven. Er waren drie squadrons gestationeerd (314, 315 en 316), waardoor het al tamelijk druk was, maar het vliegverkeer werd nog intensiever doordat Eindhoven ook fungeerde als burgerluchthaven, zoals nu nog steeds.
De NLM (binnenlands stiefkindje van de KLM) vloog tussen Maastricht, Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam, Enschede en Groningen op en neer met F-27 Friendships, de SABENA (dolle pret op de verkeerstoren als die zich tweemaal per week vanuit Brussel tussen al die straaljagers mengde met de DC-3 Dakota OO-BIA; bij forse tegenwind leek het vliegtuig boven de kop van de landingsbaan zowat stil in de lucht te blijven hangen), maar vooral de Philips Vliegdienst die in die jaren over acht vliegtuigen beschikte waarmee zeer frequent zakenvluchten werden gemaakt. Al met al was Eindhoven in die tijd na Schiphol de drukste burgerluchthaven van Nederland.

Het vliegbasispersoneel was gevarieerd van samenstelling. Het liep van rechts tot uiterst rechts. Op een gegeven moment hield ik het niet meer en begon ik stelselmatig te reageren op ziekmakende anti-communistische koudeoorlogartikelen in het periodieke personeelsblad van de basis. Wonder boven wonder werden die ook steeds geplaatst en ontstond er ook enige discussie over. Dat mijn stellingname mede van invloed is geweest op de uiteindelijke beoordeling van mijn functioneren, valt niet te bewijzen. Wel weet ik, inmiddels bevorderd tot vaandrig, het voorportaal van het officiersgilde, dat ik aan mijn kapitein-mentor een keer liet ontvallen dat ik de officierseed niet zonder meer zou afleggen, omdat ik als overtuigd republikein het “Ik zweer trouw aan de koningin…” niet uit mijn strot kon krijgen.

Niet lang daarna werd ik ongeschikt verklaard voor mijn functie, werd ik gedegradeerd tot sergeant en gedeporteerd naar de vliegbasis Twenthe. Dat laatste was nog het ergste.

Ik loog net een beetje door te stellen dat iedereen op de vliegbasis Eindoven rechts tot uiterst rechts was. Ik verbleef als vaandrig in het officiersgebouw met een eigen mess en slaapvertrekken. Daar deelde ik een kamer met een collega, niet van de verkeersleiding overigens, met wie ik het wonderwel kon vinden. Hij was een fervent aanhanger van de toen net opgerichte Tien over rood-beweging binnen de PvdA en als het niet aan de tap was, dan was het wel nachten lang in bed om samen te mijmeren over de beste manier om Nederland te redden van de wisse ondergang. Nederland was sinds kort opgezadeld met het kabinet-De Jong (KVP, VVD, ARP, CHU) met Luns op Buitenlandse Zaken, dus er was voor ons wel werk aan de winkel. We hebben in de maanden dat we samen waren zo ongeveer een heel regeringsprogramma geschreven en waren ook al een eind met het invullen van de ministersposten, net zoiets als wat Jaap de Hoop Scheffer en Pieter Haverman jaren daarvoor schijnen gedaan te hebben in de Gym-IB-tijd, al betrof het toen Kuweit. Ik geloof dat ik Onderwijs kreeg. Of Verkeer. Daar wil ik even af wezen.

Uit het oogpunt van vliegverkeersveiligheid draaiden verkeersleiders wisseldiensten van in principe 4 uur op en 4 uur af. Dus ’s ochtends op de toren, ’s middags vrij en dan eventueel ’s avonds nog de Philips vliegtuigen die terugkwamen van de zakendiners weer aan de grond zien te praten. Dan wel: ’s ochtends en ’s avonds vrij, en ’s middags op. Al de zo ontstane vrije tijd was simpel te doden. Was het niet aan de tap of aan het biljart, dan wel in de sportzaal.
Daar kreeg ik te maken met de politiek ongelabelde Willy van de Kuylen, die dienstplichtig bij de meteo diende, één verdieping lager in de verkeerstoren. Veel van geleerd. Bijvoorbeeld dat ik nooit een goed voetballer zou worden, en dat je soms moet rennen voor je leven. Als hij in de zaal naast het doel schoot, ketste de bal van de ene korte wand helemaal tegen de andere en had dan nog steeds vaart. Doodeng. Hij heeft het beslist verder geschopt dan dat lullige plastic Van Houtenspeldje dat nu nog her en der voor een paar euro van eigenaar wisselt. Ander vertier was te halen in het PMT, het Protestant Militair Tehuis, dat zowaar bestond in dat katholieke zuiden, naast het wat saaiere KMT voor de katholieken. Het is daar waar ik voor het eerst een Pasolinifilm heb gezien – het begin van een van mijn grootste hobby’s. Het betrof, hoe kan het anders, Il Vangelo secondo Matteo, het Mattheusevangelie met Enrique Irazoqui als Christus, die ik vele jaren later nog eens ontmoette in het Vondelpark bij de presentatie van de opgefriste reeks Pasolinifilms. Een, in levenden lijve, uiterst minzaam, sympathiek en weldenkend persoon – je zou er bijna katholiek van worden.

Over het kenmerkende Twentse landschap (foto Twentse Erven, 2014) wil ik nog wel positief zijn. Het is ook de inspiratiebron geweest van Theun de Vries voor zijn door mij bewierookte roman Het zondagsbed, maar voor de rest heb ik daar alleen maar ellende ervaren. Ik mocht de mensen niet, hun taaltje en mentaliteit al evenmin, en ik werd er gezien als een overbodige, hun opgedrongen zuiderling die alleen maar in de weg liep. Het deed mij dan ook zeer deugd, dat ik bij de gratie Gods (of die van onze Vorstin, of die van defensieminister Den Toom) toestemming kreeg niet de volledige 24 maanden diensttijd te hoeven uitzitten, maar dat ik al na 21 maanden naar huis mocht, om op tijd met mijn studie Nederlands aan de UvA te kunnen beginnen. Dezelfde week dat ik afzwaaide, meldde ik mij in Amsterdam aan als lid van de PSP.

Daarmee was het leed echter niet nog geschied. In 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974 werd ik opgeroepen voor telkens 19 dagen herhalingsoefeningen, zogenaamd om mijn operationele inzetbaarheid op peil te houden, en dat dan steeds in dat vermaledijde Twente. Uit nijd had ik op het dak van mijn Fiatje 600 een vijfpuntige rode ster geschilderd. Dan verscheen ik toch mooi in rood-wit-blauw, bruuskeerde ik al die reactionaire militairen en kon ik erop hopen dat de Russen bij hun aanstaande bombardement althans mijn auto buiten schot zouden houden.
Maar verder was het huilen met de pet op. Op de toren was ik niet welkom – liep er te veel in de weg en verantwoordelijkheid kreeg ik toch niet, want ik miste de vereiste praktijkervaring. Daarom werd ik dagelijks met een luchtmachtbusje abgeschleppt naar een bunker in Bentelo, waar zich de radarpost van de vliegbasis bevond. Bij mooi weer vlogen de piloten op zicht, begeleid vanuit de verkeerstoren; dan had je in die bunker al helemaal niks te doen, maar hij moest wel steeds bemand zijn voor als de Russen kwamen. Bij minder mooi weer moest dat via radarinstructies. Daarmee had ik geen ervaring, en de Tukkers hebben er alles aan gedaan om mij dat ook niet bij te brengen; ik moest dus van die apparatuur, en zeker van de microfoon afblijven. Mijn rol bestond in hoofdzaak uit koffie halen, besmuikt lachen om de vele, iets te vaak herhaalde schuine moppen, en luisteren naar alle escapades die het lokale personeel in het afgelopen weekend bij elkaar had geneukt. De enige lotgenoot met wie ik nog een soort van vriendschap wist te ontwikkelen was een jongen uit Tilburg. Ook hij verveelde zich stierlijk en hij sprak plat Tilburgs. Maar vergeleken bij al dat Tukkers om me heen klonk het me als muziek in de oren.

Ik ben zoals ik ben. Ten einde raad en der dagen zat richtte ik mij tot een aantal min of meer fatsoenlijke partijen in de Tweede Kamer, te weten PSP, CPN, PPR, D’66 en PvdA, teneinde deze poppenkast te kunnen afschaffen. Alle vijf reageerden positief. Klaas de Vries, ingeschakeld door Ed van Thijn, sprak er Den Toom over aan en niet veel later was het de Commodore Gerritsen die het konijn van de kool en de geit uit de hoed toverde: ik hoefde na dit jaar niet meer op herhaling. Geniet hieronder van diens passage die getuigt van diep menselijk begrip, welwillendheid en goed gefundeerde complimenten voor mijn voortreffelijke attitude:

Had Marcel Bullinga gelijk met zijn boek Het leger maakt een man van je? (Amsterdam : SUA 1984)
Ik denk het wel, maar de door hem beschreven schandalen zijn in hoofdzaak kwesties binnen de afgestompte gelederen van de Landmacht. Voeg daarbij dat alles wat bij de Marine gebeurt traditioneel aan boord van het schip dient te blijven. Bij de Luchtmacht stond de bedrijfsvoering voorop. Er werd heus wel meer dan eens een schuine mop gelanceerd, en  na zoveel x10 pilsjes klonk het wel eens, ik citeer:

Aan de oever van de vliet (van de vliet, van de vliet)
zat kleine Piet (kleine Piet, kleine Piet)
met zijn piemeltje te spelen,
maar Marietje kwam maar niet. (Oh, oh, oh oh!)

Bij het vallen van de maan, (van de maan, van de maan)
kwam Marietje aan (kwam Marietje aan)
met haar broekje naar beneden
Piet zijn piemeltje ging staan. (Ho, ho, ho ho!)

Wat er verder is geschied (is geschied, is geschied)
vertel ik niet, (vrtel ik niet vrtel ik niet)
maar negen maanden later
was er weer een kleine Piet (Ja, ja, ja, ja!)

Een soort potjemetvetvariant die doorduurde tot men er genoeg van had en er niemand meer lachte.

Er lagen er wel eens twee in één bed die dat in het kader van hun dienstvervulling niet hoorden te doen; er werd wel eens gegluurd onder- of bovenlangs douche- of kleedhokjes, al haalde dat het niet bij wat er zich in het Amsterdamse AMVJ-zwembad allemaal afspeelde. De verveling en dagelijkse sleur werd bij tijd en wijle wel onder de gordel gecompenseerd. Maar wie ben ik om me daarover te beklagen.

 

Stalinlaan en Dauphine

Ik toog dus naar de Stalinlaan, waarover later meer.
Weinig romans zullen zo poëtisch beginnen.
Het was voor mijn eerste vakantiebaantje, waarover later meer. Tussen mijn eindexamen en het in werkelijken dienst opkomen lagen immers ongeveer zes maanden, zoals eerder al opgemerkt, en die wilde ik graag verzilveren. Ik heb er nog steeds plezier van.

Over de populistische blunder om de Stalinlaan in 1956 om te dopen tot Vrijheidslaan (maar wel Tsjechovs Iwanow diezelfde maand in de Stadsschouwburg opvoeren!) eerst maar even het volgende. In de euforie in 1945 rond de bevrijding achtte men het kies enkele voorname straten in Amsterdam te vernoemen naar geallieerde leiders. Het gemeentebestuur koos voor de Jalta-variant: Roosevelt, Churchill en Stalin beklonken daar op de conferentie in februari 1945 een deel van de verdere Europese en wereldgeschiedenis. Hoewel aan Frankrijk weliswaar werd toegezegd dat het ook een kwart van het Duitse grondgebied uit veiligheidsoverwegingen mocht gaan bezetten, was dat land op de conferentie afwezig. De Amsterdamse gemeenteraad kwam daardoor niet op het lumineuze idee ook een De Gaullelaan aan te wijzen.
Blunder nummer 1.

In november 1956 vielen Sovjettroepen Hongarije binnen, net zoals zij dat in 1968 in Tsjechoslowakije deden. Vanuit Sovjetperspectief een noodzakelijke ingreep, die bovendien binnen de geest en kaders van de Jalta-akkoorden viel; daar was immers de demarcatielijn in Europa getrokken tussen de door de USSR en de door de USA te koloniseren landen. Beide grootmachten conformeerden zich redelijk netjes daaraan, met een correctie binnen Oostenrijk als uitzondering, maar afspraak is afspraak: Hongarije en Tsjechoslowakije behoorden volgens de overeenkomst tot de Sovjetinvloedssfeer. Zie in dat licht dus ook maar de wat lauwe en slechts formele reactie van Amerikaanse zijde tegen beide invallen.

Maar de Amsterdamse bevolking trok partij en keerde zich in een anti-Sovjetstemming tegen het handhaven van de Stalinlaan. Blunder nummer 2. Immers, hoewel Chroesjtsjov al in februari 1956 afstand genomen van Stalin, bleef het historische feit overeind dat Stalin de Sovjetleider was die in de Tweede Wereldoorlog met de andere geallieerden Nazi-Duitsland hadden verslagen, en daaraan kon de destalinisatie niets veranderen.

De Amsterdamse volkswoede had tot gevolg dat, met instemming van alle partijen behalve de CPN, de op één na grootste partij in de gemeenteraad, de Stalinlaan werd omgedoopt tot Vrijheidslaan. De CPN hanteerde daarbij het correcte standpunt dat het historisch gezien niet deugde een der drie geallieerde leiders opeens weg te zuiveren omdat die bij nader inzien niet zo beviel.

Ik heb mijzelf nooit echt een communist gevoeld, maar mijn weerzin tegen communisme en de Sovjet-Unie in het bijzonder legde het al in mijn middelbareschooltijd volstrekt af tegen mijn weerzin tegen de anticommunismehetze in de westerse wereld, aangewakkerd door abjecte predikers als Luns, pater Werenfried van Straaten, het OSL en de NAVO. Uit een soort compensatiedrang heb ik daarom altijd corrigerende warme gevoelens gekoesterd jegens de Sovjet-Unie, die mij deels zijn bevestigd door positieve persoonlijke ervaringen met manschappen van het Sovjetleger in Tsjechoslowakije, anderzijds ook ernstig zijn bemoeilijkt door optredens van Sovjetzijde, en individuele Sovjetpatjakkers die ik meermaals in Praag heb ontmoet.

Zonder overigens enig onderling overleg met hem vond ik in 2009 een medestander in Jonas Staal (what’s in a name) die in een ludieke actie de Vrijheidslaan korte tijd wist terug te transformeren tot Stalinlaan.
Ik wil er bij dezen voor pleiten dat ook blijvend te doen, met als aanvullende eis dat er ook voor een
De Gaullelaan passende ruimte wordt gevonden.
Misschien in de plaats van de Jekerstraat. Geen hond die weet waar de Jeker stroomt en of je er lekker in kunt poedelen, en bovendien ligt die straat keurig tussen Churchill en Roosevelt, zodat we van De Gaulle verder weinig te duchten zullen hebben.

Ik had het dus over mijn vakantiebaantjes. De eerste arbeidsplek waar ik terecht kwam, was een of ander ondefinieerbaar bedrijfje aan de omgedoopte Stalinlaan, waar mallen werden vervaardigd waarin schalen, bakjes en weet ik wat voor vormen konden worden gegoten waarvan mij het precieze procedé en het nut volstrekt ontging. Maar ik ging als argeloze schoolverlater voor het geld en stelde dus geen lastige vragen. We werkten daar met een man of vijf. Al na een week of daaromtrent kwam opeens de eenmansbaas zenuwachtig op ons af, drukte ons een loonzakje in de hand, met daarin het afgesproken weekloon – dat dan nog wel, en maande ons zo snel mogelijk het pand te verlaten via de achterdeur, door de tuin, en niet meer terug te komen.
Bij de voordeur stond de arbeidsinspectie aan te bellen.

Deze eerste ervaring met het ware kapitalisme weerhield mij niet ervan vervolgens een week of wat door te brengen op het AMRO-kantoor achter De Bijenkorf op het Beursplein. Daar moest ik enige tienduizenden papieren stukken, obligaties of iets dergelijks, op nummer leggen en weer in archiefdozen stoppen, iets waar ik heel goed in ben. Het betaalde niet slecht, maar uitzicht op een carrière bood het niet en het was daarenboven nogal stompzinnig werk. Ik wist toen ook nog niet dat je door te ponsen sneller tot sortering kunt komen; streepjescodes bestonden toen nog niet. Of het contract snel afliep, of dat ik er zelf de brui aan gaf, kan ik me niet meer herinneren.

Meer naar mijn aard was de baan die ik tot vlak voor het in werkelijken dienst opkomen heb weten vol te houden en waarmee ik tot op de dag van vandaag nog enige connectie heb: het Renaultgebouw aan het Mr. Treubplein, tegenover het Amstelstation, waarin tegenwoordig café-restaurant Dauphine is gevestigd. Is dat even toeval?

Misschien omdat econoom en liberaal politicus Treub net zo’n boef was als Stalin, werd het Mr. Treubplein in 1939 door het Amsterdamse gemeentebestuur omgedoopt tot Prins Bernhardplein, die immers alles behalve een boef was. Alleen van 1942 tot 1945 moest het plein even Gooiplein heten om De Telegraaf en de bezetter niet voor het hoofd te stoten. Treub was overigens toch niet zo drastisch als Stalin in ongenade gevallen, want de westelijke toegangsweg tot het plein heet ook nu nog Mr. Treublaan.

Daar in dat Renaultgebouw werd ik tewerkgesteld in het magazijn. Voor mij een mekka. De hele dag deuren, motorkappen, complete motoren en allerlei andere onderdelen sjouwen ter opslag of uitlevering. Ik leerde er haarfijn de verschillende onderdelen van de R4, R8, de toen nieuwe R10 en, jawel, de Dauphine van elkaar te onderscheiden, iets waarvan ik nog steeds wel plezier heb om onderdelen voor mijn Dauphine en die van andere oude Renaulttypes uit elkaar te kunnen houden. Bovendien verdiende het werk meer dan behoorlijk goed en hoefden we ook nooit via de achterdeur de tuin in, naar de banketbakkersschool bijvoorbeeld, de lof der zoetheid, aan de Wibautstraat.

Van het vele verdiende geld kocht ik, opmerkelijk hevig geïndoctrineerd door Bernard Huijbers, een heuse Revox A77 studiotapedeck, dat toen net op de markt verscheen voor een slordige ƒ 2.000,=. Bernard had de voorloper, ik meen de Revox G36, een erop gelijkend apparaat maar dan nog met buizen uitgerust, terwijl de A77 met transistoren werkt.

Daarnaast kocht ik, ook op Bernards advies, de onovertroffen set van een Quad 33 voorversterker en Quad 303 eindversterker, samen voor een bedrag van ± ƒ 1.400,=.
Tot op heden zijn die Revox en Quad apparaten nog steeds prima werkend in mijn bezit. Voor de elektrostatische geluidsboxen, waar hij zo sterk op aandrong, had ik eventjes niet genoeg geld. Die heb ik na mij studietijd gekocht toen ik in Eindhoven woonde. Ook die doen het nu nog steeds naar behoren.

Zo bracht ik mijn vakantie door, leerde ik veel, verdiende nog meer, en omgaf ik mij met levenslang genot.

Nu alleen nog de Stalinlaan rehabiliteren. Dat alleen al zou voor mij reden zijn om bij de volgende gemeenteraadsverkiezing CPN te stemmen.
Alleen daarom; voor de rest bleef ik toch maar het liefst de PSP trouw.

 

Uitvliegen

Trouwe lezers van deze weblog hebben wellicht bemerkt dat mijn serie “Levensloop” leek te eindigen bij mijn eindexamen en mijn afsluitende reeks 7 sacramenten ter evaluatie. Dat is natuurlijk niet correct, maar vooral het 7e sacrament maakte zo veel los, dat enige bezinktijd was gewenst. Het verhaal houdt dus niet op met deze laatste foto die pater Zaat van mij maakte, op de RKAVIC-velden in mei 1966, het jaar dus waarin ik 20 werd.
Ik slaagde voor mijn eindexamen, zij het op het nippertje, en was daarmee klaar om uit te vliegen. Immers, het staat geschreven:
En komt het grote leven (het blijft een avontuur),
Met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.

Eigenlijk moet ik nu weer instappen in het jaar waarin ik 18 werd om twee memorabele details correct in de tijd te plaatsen.
Er werd op het IG aan beroepsvoorlichting gedaan, mede samenhangend met je keuze voor α of ß na IV-gym. Ik herinner mij een gesprek dat ik in dat kader had met pater Dionysius (Nies) van Lier, van wie wij dat jaar godsdienst hadden. Vanuit mijn vliegtuighobby en nogal systematische inborst had ik in mijn hoofd dat ik misschien later, als ik groot was, wel naar de KMA zou willen om officier bij de luchtmacht te worden.
Helaas droeg ik een bril, dus voor piloot was ik ongeschikt. De enige die dat wel mocht was de Duitse prins Bernhard die in het kader van de gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning in Nederland had gekregen en brildragend naar hartelust piloteerde. Wellicht heeft Lockheed hem ook nog op een Starfighter laten vliegen.

Waar was ik ook weer gebleven? KMA, geen piloot dus, maar dan graag iets in de logistiek of verkeersleiding. Nies van Lier hoorde het aan, gaf er geen oordeel over, maar voegde me wel toe dat ik in dat geval toch minstens kolonel zou moeten worden. Alsof je dat bij indiensttreding direct even kunt aangeven. Bovendien, het Griekse kolonelsregime dat vlak na mijn eindexamen aantrad, maakte mij toch al niet zo blij met die carrièredroom.

In datzelfde jaar, het jaar waarin ik 18 werd, viel bij ons de oproep voor de dienstplichtkeuring in de brievenbus. Gebruikmakend van het gele dienstreisbiljet, ik meen model F, dat recht gaf op gratis treinvervoer met de NS, 3e klasse, dus in die blauwe wagons met houten banken, net als de trams van het GVB in die tijd, begaf ik mij naar het keuringscentrum te Utrecht. Mulisch’ verhaal Keuring (uit De versierde mens) had ik gelukkig toen nog niet gelezen, anders zou ik me ziek hebben gemeld.
Die dienstplichtkeuring was een belevenis apart. Bij binnenkomst der meute eerst de registratie, dan een kop koffie en dan werden we allemaal in tweeën gedeeld. De hele groep dan, niet ieder op zich. Groep A kreeg voor de lunch eerst de psychologische test en daarna de medische keuring; voor groep B gold het omgekeerde. Daar tussenin een sobere lunch met regeeringsbrood, één plakje kaas en wat jam, en uiteraard weer koffie.
Ik belandde in groep B; waarom, dat werd niet uitgelegd. Het ritueel begon met maten en gewichten, tot op de centimeter en gram nauwkeurig, van je lijf, onder aftrek van de tarra van de onderbroek, het enige wat je vooralsnog aan mocht houden. Dan kreeg je van een norse beroepssergeant een reageerbuisje en een jampotje in handen geduwd, waarmee je naar de toiletten moest. Het eerste was voor een bloedmonster, het andere voor een urinestaal. Het enige wat de beroeps daarbij luidkeels uit zijn mond kreeg, was: “Godverdomme, niet in dat buisje piesen! Godverdomme, niet in dat buisje piesen!”
Daarop volgde de stethoscoop, en het plichtmatige voelen en knijpen om de meest vreselijke ziekten tijdig op het spoor te komen. Immers, er moest een ABOHZIS-classificatie van je worden opgesteld (resp. Algemeen, Boven, Onder, Horen, Zien, Intelligentie, Stabiliteit) met waarden tussen de 1 “geschikt” en 5 “ongeschikt”. Het schijnt dat in de jaren-’90 zo’n 35% van de Nederlandse keurlingen op een dezer gronden werd afgekeurd voor de dienstplicht. Over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is er zelfs een proefschrift verschenen dat er niet om liegt: het was kletsnatte vingerwerk.
Berucht, voor sommigen: geliefd, was een S5. Daarmee werd je weliswaar definitief ongeschikt verklaard en hoefde je dus niet in dienst, maar algemeen werd aangenomen dat je met een S5, het gekkenbriefje, zoals Ger Verrips dat in 1973 omschreef, later bij sollicitaties ernstig in de problemen kon komen. Bleek je dus psychisch instabiel, of volstrekt analfabeet, of gewoon homo, dat kon je het schudden: S5. Om die laatste afwijking te verifiëren, moest je je onderbroek uittrekken en diep bukken, iets waarmee ik van huis uit al enige ervaring had opgedaan. De dienstdoende arts, of een hospik in opleiding, bestudeerde dan de spreiding van je bilnaad, op grond waarvan aannemelijk was dat je al dan niet homo was. Ik bleek geen homo te zijn, zei hij ter geruststelling.
Ik moet hier eigenlijk niet lollig over doen, want het was in feite een grof gênante vertoning waaraan ook nog eens elke fundering ontbrak, maar kennelijk beschikte het Nederlandse leger over geen andere thermometer ter bepaling van je seksuele geaardheid.
Na de voortreffelijke lunch volgde de psychologische test, waarbij dus de I en S van de ABOHZIS ter vaststelling aan bod kwamen. Een hele serie opdrachten in volgorde van opklimmende moeilijkheid. Zoals “Welk getal ontbreekt er in de reeks 1-3-5-9?” (bij foutief antwoord: onverbiddelijk een I5 op je conduitestaat) tot het moment dat je een deurslot in losse onderdelen voor je neus kreeg dat je binnen 5 minuten weer in elkaar moest zetten; dat leverde een I1 op.

Bij het administratieve intakegesprek had ik mijn idee genoemd om KMA-officier bij de luchtmacht te worden. En doordat, ik herhaal het, op het IG aan beroepsvoorlichting werd gedaan, kreeg ik in januari van mijn eindexamenjaar de mogelijkheid aangeboden naar een kijkdag van de KMA in Breda te gaan. De reiskosten werden vergoed. Jezuïeten hebben centen, hetgeen vermoedelijk betekende dat ze de kosten wisten af te wentelen op Defensie.
Het werd een regelrechte desillusie. Vanaf mijn binnenkomst op het Kasteel Breda ervoer ik de beklemmede sfeer, de Leidseballenjoligheid, de sterk rechtse mentaliteit die bepaald niet intellectueel, laat staan voor mij acceptabel overkwamen. In de trein terug wist ik het al: daar gaat de zoveelste jongensdroom aan diggelen. Geen tramconducteur, geen kolonel, maar vermoedelijk iets daar tussenin zou mijn lot zijn.

Toch kwam mijn geuite voornemen tijdens de dienstplichtkeuring mij later nog wel goed van pas, want ik werd na mijn eindexamen opgeroepen voor de opleiding tot dienstplichtig officier Verkeersleiding bij diezelfde luchtmacht. Dat wordt een volgend artikel.
Daaraan vooraf: hoe breng ik mijn vakantie door? Want tussen mijn eindexamen in juni en de oproep voor militaire dienst in december 1966 lagen bijkans zes maanden.
Eerst dus maar eens even centjes verdienen, genieten en leuke dingen doen. Lees dus verder in het artikel dat erop volgt.

 

 

 

 

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Sacrament 7a

Lezers van deze weblog zullen zich ongetwijfeld mijn bericht uit december 2012 herinneren waarin ik een vrij onverkwikkelijk voorval uit mijn Ignatiustijd beschreef. Daarop is nogal gereageerd, meestal buiten deze weblog om.
De tijd is nu daar om er een vervolg aan te geven, hoe zeer mij dat ook zwaar valt.
Wat ik in ieder geval herhaal, is mijn verzoek om ter zake te reageren, op welke geoorloofde manier dan ook.

In genoemd artikel doe ik drie algemene uitspraken.
De eerste is dat ik het bijkans naïef vind te veronderstellen dat het Ignatiuscollege de enige Heilige, Veilige Haven zou zijn waar niks voorviel, terwijl vanuit scholen, internaten, kloosters in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Amerika, Ierland, … het ene na het andere schandaal boven tafel komt.

De tweede is dat het mij hogelijk zou verbazen, ik bedoel: dat ik niet geloof dat ik nou juist net de enige zou zijn die tegen een dergelijk evenement aanliep; het moeten er gewoonweg veel meer zijn geweest.daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd”, besluit ik mijn betoog.

De derde is dat met het verbreken van het Grote Zwijgen in dit verband niet alleen mogelijk een persoonlijk belang is gediend, maar stellig ook een publiek belang. Zoiets als waarheidsvinding.

Ik kom op dat artikel terug na recentelijk telefonisch contact te hebben gehad met een oud-Ignatiaan die mij omstandig zijn ervaringen meedeelde. Het dreigt een beetje de allure te krijgen van een klassiek drama, want wederom is er sprake van een destijds (tweede helft jaren-’60) op het IG werkzame docent klassieken. Meer dan heer K. zal ik niet noemen. Ook niet met wie precies zich iets heeft voorgedaan, noch tijd, plaats of handeling – die drie eenheden zijn niet aan mij om hier te vermelden.

In genoemd geval betreft het iemand die vandaag de dag, na meer dan 45 jaar, nog steeds fysieke en psychische klachten ondervindt, die sterker zichtbaar worden zoals, in zijn woorden, “een foto in een bad ontwikkelaar steeds meer contouren en scherpte krijgt”.

Zeer binnenkort gaat de Commissie Hulp & Recht zich erover buigen. Voor betrokkene is dit geen pretje, zeker als je bedenkt dat er (uiteraard) geen getuigen zijn, en er voor zover hem en mij bekend ook geen andere klachten of meldingen tegen bedoelde docent zijn aangeleverd. En dan sta je niet zo sterk.

Als er lezers zijn die in dit specifieke geval een helpende hand kunnen bieden, zal dat de zware gang naar de Commissie wellicht wat verlichten. Een niet-anonieme reactie via deze weblog (die altijd eerst langs mij gaat ter plaatsing of niet) of per e-mail of telefoon direct naar mij is daarom meer dan welkom. Mijn gegevens staan op de Entrée-pagina van deze weblog. Enige haast is wel geboden, want uiterlijk 20 januari moeten alle relevante stukken zijn overlegd. Er is wellicht enige sterkte voor nodig, maar de dank zal, neem ik aan, zeer groot zijn.

VESI

Het mag in de krant. Afgelopen donderdag kwam de uitgever vroeg in de ochtend mijn hele oplage van La vérité et son image thuis afleveren, en zulks binnen de afgesproken termijn. Dat vormde het sluitstuk van een inspanning die 15 jaar geleden begon toen we tot onze verrassing de brieven en andere documenten uit 1914-1918 tussen de rommel aantroffen in het pas gekochte huis in Rosoy. Die zijn nu dus definitief voor het nageslacht bewaard.

VESI staat voor La vérité et son image (“De waarheid en derzelver beeld”).
Behalve dat ik, met de voortvarende medewerking van de opmaakafdeling van de uitgeverij, het boek er mooi vind uitzien, wil ik twee argumenten benadrukken waarom ik deze becommentarieerde en geïllustreerde documenten zo graag zag uitgegeven. Immers: wat heeft een Nederlander nu met de Eerste Wereldoorlog, zo lang geleden en zo ver van huis?

Het eerste argument is dat ik het vele gevonden authentieke materiaal op deze manier wilde behoeden voor de vergankelijkheid, voor de stort, voor de oud-papieractie waarvan de opbrengst per kilo naar de plaatselijke carnavalsvereniging gaat. Bovendien, het gaat hier om het familie-erfgoed, daterend van eind 19e eeuw tot na de Tweede Wereldoorlog, van mensen van wie ik nog steeds het idee heb dat ik nu woon in hun huis, met het karakter dat zij erin hebben aangebracht, met de vele spullen die zij erin hebben achtergelaten. Een hommage dus aan een gezin dat zonder nageslacht in de vergetelheid dreigde te geraken.
Daarom ben ik blij hier nu een stapel van hun verleden te hebben liggen onder het toeziend oog van dochter Solange Parisot (1900-1997). Zie mijn bericht Zomaar een muur voor de wordingsgeschiedenis van die buste.

Het tweede argument betreft mijn visie op de berichtgeving over oorlogen. Alle oorlogen, de 30-jarige, 80-jarige, 100-jarige; de 1e of 2e (of 3e) Wereldoorlog, de als regionaal bestempelde oorlogen op de Balkan of in het Midden-Oosten. Natuurlijk is het uiterst zinvol dat al die gruwelijkheden in hun totaliteit worden beschreven, vastgelegd in boeken, in films, op internet – zij die het kunnen navertellen, worden steeds schaarser en de les van het verleden kan richting geven aan de toekomst.

Maar hoe groter de oorlog, hoe groter het aantal miljoenen zinloze slachtoffers, des te meer dreigt het “kleine leed” uit het zicht te verdwijnen.
Toen ik over de plundering en verwoesting schreef van het dorp Hortes in 1636, hier twee kilometer vandaan, richtte ik mij met opzet niet op de gigantische ellende, van de Jura tot aan Sleeswijk-Holstein, die de “Kroatische bendes” teweeg brachten, maar bracht ik de minutieus beschreven gebeurtenissen van één septemberweek in 1636 terug tot de belevenissen van één enkele, nota bene door mij verzonnen familie in Hortes die het allemaal over zich heen kreeg.

Vanuit mijn opvatting dat het Kleine Leed groter is dan de Grote Oorlog vielen mij de documenten van de familie Parisot-Millot uit Rosoy dan ook als een godsgeschenk in de schoot. Niet alleen kreeg ik eerstehandinformatie over wat één persoon, de vader, allemaal aan het front moest meemaken tussen 1914 en 1918, maar ook kwam overduidelijk aan de oppervlakte wat de rest van de familie, de moeder met haar twee kinderen, geboren in 1900 en 1909, moesten doorstaan, ook al was dat ver van het front verwijderd. Zonder elektriciteit of machines, zelfs zonder paard of karren, moesten zij naast het bewerkelijke huishouden ook voor de weggevallen inkomsten zorgen, om over “opvoeding” en school maar te zwijgen. De noodzaak van zelfvoorzienendheid hield de haast onmogelijke klus in de tegen de honderd stukken land die het gezin bezat te moeten bewerken. Weilanden, akkergrond, wijngaarden, bosgrond. Alles met de hand bewerken en lopend transporteren. Twee koeien, een varken, wat kippen in en om het huis. Slechte hygiëne, nauwelijks medische zorg (als je een dokter nodig had, moest die per fiets uit Fayl-Billot komen, 12 kilometer verderop, maar je had geen geld om hem te betalen). Ze hebben het alle vier overleefd, stierven achtereenvolgens in 1948, 1962, 1982 en 1997.

Geen “echt” oorlogsverhaal dus, want dan moet je sneuvelen of minstens wat ledematen verliezen, en moet je de kogelgaten in je helm kunnen laten zien. Maar wat deze familie overhield na de getekende vrede in 1918 was die andere soort van littekens waarmee zij tot hun dood verder moesten leven en die meestal buiten de oorlogsboeken en -films blijft. Dat is de reden dat ik mij gelukkig prijs deze zo persoonlijke documentatie in boekvorm te hebben kunnen vastleggen.

Voor wie het nog niet uit andere berichten heeft meegekregen: een uitgebreid overzicht, aangevuld met meer dan 500 gescande documenten, foto’s, kaarten en wat dies meer zij, heb ik bijeengebracht op de website rond La vérité et son image: www.parisot52.fr. Helemaal in het Frans en het Nederlands, opdat u niets ontga.

 

 

 

Belgje pesten (3/3)

Het was in de zomer van 1952 dat ik mijn eerste grensoverschrijdende schokervaring te verwerken kreeg. Aan de Belgische grens tussen Tilburg en Turnhout moesten we allen de bus uit en werden onze bagage en deviezen grondig geïnspecteerd. Wat de douane-unie uit 1944 tussen de Beneluxlanden precies inhield, snapte ik toen niet. Later overigens al evenmin.

Het was mijn eerste buitenlandse reis. Als vijfjarig jongetje mocht ik met mijn moeder een aantal dagen op reis naar Hoogstraten in het verre België om daar te logeren bij mijn grootouders. Ongetwijfeld gingen we eerst per NS (3e klasse) van Amsterdam naar Tilburg. De spoorlijn naar Turnhout, het Bels lijntje, was reeds in 1934 niet meer in gebruik voor personenvervoer, onderdeel van wat ik eerder al betoogde, en dus ging de reis nu verder per BBA-bus, de maatschappij die in datzelfde jaar 1934 was gefuseerd met onder meer de ABT-tramlijn die ik ook al eerder voor het voetlicht bracht. Aan de grens vond een heuse paspoortcontrole plaats en werd gevraagd (zo niet gesnuffeld) wat iedere reiziger zoal aan verboden waar bij zich had. ik hoor mijn moeder nog zeggen: “Niets, alleen kleding en wafels en bonbons”. Nu is wafels en bonbons naar Vlaanderen brengen zoiets als water naar de zee dragen, dus daarover deden de douaniers niet moeilijk. Er vond ook deviezencontrole plaats. Nederlands geld meenemen over de grens was verboden, en je kon niet zo maar ergens Belgische of Franse franken kopen in Amsterdam. Je moest daarvoor naar het Grenswisselkantoor op het Centraal Station, of naar een reisbureau als Thomas Cook op het Damrak. Daar kon je, tegen een woekerkoers, een tot ƒ 50,= per dag gelimiteerde hoeveelheid franken kopen met daarbij een deviezenboekje als waarborg voor geautoriseerde deviezenaankoop. Dat moest je dan aan de grens tonen (plus natuurlijk de inhoud van je portemonnee) en eventueel overgebleven franken kon ja na thuiskomst weer terug inwisselen tegen een nog woekeriger koers minus bovendien de gebruikelijke provisie. Ik heb zo’n boekje nog liggen uit begin jaren-’50; zie de scan hier bovenaan.
Het geheel bleef in mijn geheugen gegrift staan bij mijn meer dan vijftig reizen door het IJzeren Gordijn naar Oost-Europese landen: dezelfde rompslomp, controles en deviezenverplichtingen, zij het met een verplicht minimum in plaats van een toegestaan maximum, waaraan overigens vrij simpel bleek te ontsnappen. Die deviezenbewijzen waren doorgaans gehecht aan het visumaanvraagformulier, zoals hier een voorbeeld dat destijds door de ČSSR werd gehanteerd. De verplichte hoeveelheid kronen kon je overigens toen ook aan de grens aankopen, eveneens tegen een schandalige koers natuurlijk. Op straat in Praag was je tot tien maal goedkoper uit – maar dat was uiteraard verboden.
Mijn eerste Oost-Europareis was in 1968. Hier een clandestiene dia die ik op die reis bij de West-Duits-Tsjechoslowaakse grenspost maakte.

Van die eerste België-reis herinner ik me niet veel meer dan dat we op zondag in Hoogstraten eerst naar de mis gingen en dan linea recta naar de bakker om gebak te kopen met heel veel slagroom. Verder nog dat ik op een gegeven moment bij mijn grootvader op de knie zat die mij de fabel vertelde van twee ezels die elk van een andere oever een plank opliepen die over een riviertje lag. Omdat ze elkaar niet lieten passeren, donderden ze alle twee in het water. Wat de moraal van het verhaal was, begrijp ik nog steeds niet. Ik ben geen ezel.

Die BBA-bus reed via Goirle en Ravels naar Turnhout. Jammer dat hij niet de route over Baarle-Hertog volgde zoals het Bels lijntje dat deed, want dan had ik meteen een begin kunnen maken met het eigenlijke onderwerp van dit bericht. Immers, de 22 enclaves in het gebied rond Baarle vertellen ons wel iets over hoe moeizaam de afscheiding van België is verlopen (en de kwestie is nog steeds niet is opgelost!), met vooral dank aan Willem-I, Willem-II en Willem-III. Weliswaar ligt de kwestie-Baarle al vele eeuwen op tafel, maar met enige souplesse was die klus toch al lang geklaard. Baarle is nou niet een enclavegebied van groot strategisch belang, zoals Kaliningrad en Gibraltar dat wel zijn. Enerzijds de grenzen niet tot tevredenheid willen afbakenen, en anderzijds een douane-unie sluiten – het blijft vreemd, zeker als je bedenkt dat er bij het 25-jarig bestaan van de Benelux nog steeds roomboter van Noord naar Zuid, en sigaretten van Zuid naar Noord werden gesmokkeld, en niet alleen door beroepspungelaers, en met vuurwerk, vuurwapens en drugs is het vandaag de dag nog steeds niet helemaal koosjer.
Ik vermoed dat het hardnekkige voortbestaan van het vrij geïsoleerde Baarle-Hertog een zelfde weerbarstigheid van Neêrlands vorsten in de 19e eeuw aantoont die we ook al zagen bij de forten Liefkenshoek en Lillo: zij wat loze stukjes grond in de armetierige Kempen, wij de strategische forten en Zeeuwsch-Vlaanderen om de Westerschelde en daarmee de Antwerpse haven onder controle te kunnen houden.
Een tweede staaltje van datzelfde “ik een bietje meer as ouw” is de kwestie-Maastricht. Pas in 1843 werd het pleit beslecht in die zin, dat Nederland ‘uiteraard’ Maastricht behield, plus een gebied van 2½ km eromheen (de afstand van een kanonschot), plus de corridor vanaf Roermond naar Maastricht die eerder al door België was bezet. Dat verklaart de vreemde wormvormige uitstulping van het Koninrijk der Nederlanden aan de zuidoostzijde. Was Brabant door de Belgische onafhankelijkheid al gesplitst in Noord-Brabant en Vlaams-Brabant (met de provincie Antwerpen ertussen, maar dat hebben de Fransen in 1795 gedaan om administatieve redenen), zo werd ook de provincie Limburg gedeeld in Belgisch en Nederlands Limburg met de Maas als grensrivier, behalve rond Maastricht vanwege de kanonskogels uit die garnizoenstad.

Bij die twee provinciesplitsingen zou het niet blijven: ook de provincie Luxemburg moest eraan geloven. KW-I, II en III beschouwden het oostelijke deel, het huidige groothertogdom, zo’n beetje als hun buitenverblijf, een soort Camp David of Castel Gandolfo. Na de Belgische onafhankelijkheid bleef het in een personele unie met Nederland verbonden tot 1890 en konden de Belgen ernaar fluiten. Willem-III had het zo druk met al zijn beschamende strapatsen dat hij verzuimde een mannelijke troonopvolger na te laten, zodat de in Luxemburg vigerende Salische Wet de troon liet overgaan op een mannelijke groothertog. Bovendien hadden zowel Frankrijk als Pruisen al, naar we mogen aannemen om economische redenen, zitten trekken aan het ogenschijnlijk weinig waardevolle ministaatje, maar uiteindelijk waren de Luxemburgers al dat getouwtrek zat en onder het motto “Mir wölle bleiwe wat mir sin” (“We willen blijven wat we zijn”), bezegelden en koesterden ze hun onafhankelijkheid van Nederland en uiteraard ook van België.
Dat ze de Nederlandse vlag behielden, zij het met een wat verbleekte blauwe baan, lijkt historisch gezien een onjuiste aanname te zijn. En de poging het Luxemburg provinciewapen tot nationale vlag te maken (waarmee ze een vlag zouden krijgen die verdacht veel lijkt op de provincievlag van Zeeland waarbij de half verdronken leeuw helemaal boven water is; zie het tweede wapen van rechts in onderstaand Belgisch wapen) maakt vooralsnog ook geen kans.
Wat willen ze eigenlijk blijven wat ze zijn? Wat zijn ze eigenlijk wat ze willen blijven? Hun devies komt al even oninterpreteerbaar en loos over als de wapenspreuk van het verdeelde België: “Eendracht maakt macht / L’union fait la force” of het “Je maintiendrai” van het huidige Nederland. Wat valt er te maintiendreren? Frans als voertaal in Nederland? De hebberige, krijgshaftige periode van KW-I, II en III? De VOC-mentaliteit van Balkenende? De tijd van Drees, Fortuyn of Rutte?


Drie verscheurde provinciën maakten in de loop van de 19e eeuw deel uit van de trieste balans van de jonge Belgische natie, die vervolgens nog eens intern verdeeld raakte in een Vlaams, Waals, Brussels en Duitstalig deel, gemankeerd door het verlies van Zeeuws- en Frans Vlaanderen, en de helft van de provincies Limburg en Luxemburg. Een beetje projectontwikkelaar zou een andere blauwdruk hebben gepresenteerd, zeker als je beseft hoe schril het armlastige Wallonië afsteekt bij het welvarende Luxemburg.
Dat heet bij onze zuiderburen “het verdriet van België”. Daarover volgt nog wel een apart bericht, in het bijzonder over de markante situatie in Martelange/Rombach.

_________________________________
Vorige artikelen: BELGIË SPOORT NIET en EEN KERNCENTRALE ALS DOEL

Ignatiuslied – herziening

Tijden veranderen.
Sinds de publicatie van mijn uitgebreide artikel over het Ignatiuslied in december 2012 was er daarom een herziening nodig die ik inmiddels heb voltooid.

In het kort de wijzigingen:

 

  • De online te beluisteren uitvoering uit de Krijtberg is niet meer op internet te vinden; de link daarnaar heb ik dus maar verwijderd.
  • De te beluisteren harmonisatie die ik zelf had uitgeschreven met het programma Finale en die door Antoine Oomen is gecorrigeerd, heb ik daarvoor in de plaats geupload. Zie ook de afbeelding hierboven.
  • Van wijlen Louis Grijp (Meertensinstituut) heb ik uitgebreid antwoord gekregen op een aantal vragen over de muziek van het lied; ik heb zijn commentaar in de tekst verwerkt en bovendien een link geplaatst naar een vergelijkbare uitvoering van het vrolijke lied Ys-vreucht dat van rond 1600 stamt.
  • Verder nog wat schoonheidsfoutjes, een loei van een taalfout en wat kleine details. Enfin, kijk en luister maar naar de nu actuele versie van het artikel.

Trouwens, al snuffelend stiet ik in een toneeluitgave van 1738 op een Franse tekst, een zogenaamde vaudeville, uit de amusementswereld op een vergelijkbare melodie, een tekst die even harlekinesk is als calimeroachtig:


Je ne suis né ni roi ni prince
Je n’ai ni ville ni province,
Ni presque rien de ce qu’ils ont.
Et je suis plus content peut être:
Je ne suis pas tout qu’ils sont,
Mais je suis ce qu’ils veulent être 

 

Geboren ben ik niet als prins of als een koning,
Geen stad die ik bezit, noch een district.
Schier niets heb ik van wat aan hen behoort.
Ik ben nochtans misschien best wel gelukkig:
Ik ben geenszins datgene wat zij zijn,
Maar wel wat zij graag zouden willen wezen.

Iets memorabels voor een rouwadvertentie. Gewoon alle tegenwoordige tijden bij ik veranderen in verleden tijden. Durft u het aan?

 

Pijpenstorm geluwd (slot)

Mijn oproep in het vorige artikel werd snel bevredigend beantwoord. Orgelbouwer Flentrop, die het Ignatiusorgel had gedemonteerd, wist mij te melden dat mijn inblaasopening, een autobandventiel dat op de foto hiernaast links onder is te zien, veel te klein was, en dat er, als ik de volle diameter van de pvc-buis (40 mm) benutte, relatief maar weinig luchtdruk nodig zou hoeven zijn om te pijpen te laten klinken.

Mijn dank voor deze tip is uiteraard zeer groot.

 

Zo gezegd, zo gedaan, of, zoals hier in lokaal dialect wordt gezegd: fut dit fut fait.
Uit de rubriek Wat Onze Handen Kunnen Maken: Men neme een oude steelstofzuiger, die je nog wel ergens op zolder hebt liggen rondslingeren. Demonteer de 350 Watt motor, reinig die grondig en vervang eventueel de koolborsteltjes. Monteer hem dan in de belendende garage met een pvc-buis door de 60 cm dikke muur op de plek waar vroeger een ventilatie-opening zat; zo ben je van de herrie van die motor af in de kamer. Vervolgens bouw je in het snoer een lichtdimmer in (die heb je nog wel liggen in een kist vol elektrarommel), om het toerental van de stofzuiger te kunnen regelen, en dus ook de hoeveelheid ingeblazen lucht. Het effect is wonderbaarlijk: het werkt!

Ten bewijze, voor na de vastentijd: De aanhef van het Ignatiuslied, hier op mijn ooit eens opgelapte Jappenorgeltje, klinkt om en nabij ZO. En de niet zo perfecte microfoonopname van wat er, nagenoeg zuiver op toon, uit de vier orgelpijpen komt, klinkt ZO.

Nu alleen nog even alle verbindingen goed luchtdicht verlijmen en/of vastklemmen, de vier pijpen wat bijstemmen en de constructie een beetje netjes afwerken, en de herinnering is vereeuwIGd.
Ad Maiorem Mei Gloriam.

 

 

Pijpenstorm geluwd

Het was nog een heel gedoe en gepruts, maar uiteindelijk lukte het me een viertal zinken pijpen van het Ignatiusorgel voor de schroothoop te behoeden en hier in huis hunne laatste rustplaats te gunnen in een hoekje van de salon.
Ze rechtop in positie krijgen was geen probleem, het laten klinken echter des te meer.
Maar toch is voor mij nu definitief de pijpenstorm geluwd.

 

Zoals je van mij al kon verwachten, heb ik er niet zo maar vier uitgekozen die er wel mooi uitzagen. Ze zagen er allemaal mooi uit, want de pijpen die er nog bij de orgelbouwer stonden waren alle zogenaamde prestantpijpen, d.w.z. de pijpen die in de oorspronkelijke opstelling in het zicht stonden, de vooropstaanders dus. Welke het precies zijn op de foto hieronder, weet ik niet, maar ze staan ertussen.

Nee, met opzet wilde ik kiezen voor een B, een d een fis en een b.
De kenners weten dan al hoe laat het is: het zijn precies de vier tonen die het openings- en slotakkoord vormen van het Ignatiuslied (“Ignaci dat den Heer u seghen…”).
Je moet dat maar even geloven, want helaas kan ik ze nog niet laten horen.

Immers, zo simpel als het was de vier pijpen op te hangen aan een staketsel van eiken plankjes, die hier in huis in overvloed nog rondslingeren, zo moeilijk bleek het te zijn een aanblaasinrichting te fabrieken van spullen die hier in huis liggen. Ik had dat niet verwacht. Met de mond kun je elk van de vier pijpen moeiteloos aanblazen – en ze blijken ook nog eens goed gestemd te zijn en bovendien zijn ze ook nog ietsje bij te stemmen.
Maar hoewel ik een grote mond heb, vier dezulke pijpen krijg ik niet tegelijk tussen de lippen en mijn al dan niet aangetaste longen zullen ook niet genoeg druk voor vier pijpen kunnen produceren. Met nog aanwezig pvc-buis dus maar een constructie gebouwd die mechanisch is aan te blazen, maar noch met de forse blaasbalg van de houtkachel, noch met de fietspomp, noch met de vijfliterpulverisator voor de tuin kreeg ik de juiste luchtstroom om een welluidend akkoord ten gehore te brengen.

Ja, die oude pathéfoon ernaast, die werkt. Maar die heeft een sterke veer die je met een slinger kunt opwinden. En dat stopcontact bracht me op het idee er de compressor maar eens op aan te sluiten. Maar met 10 bar aanblazing gingen de pijpen zowat airborne. Bovendien maakt een compressormotor veel te veel herrie – dat kunnen we niet hebben. Misschien moet ik wachten tot er drie mensen op bezoek komen; dan kunnen we kwartetten. Een blaaskwartet voor orgel, dat heeft iets unieks.

Al mijn natuurkundekennis, en al die boeiende lessen van Sweerts ten spijt, ben ik er nog niet uit. Een goede tip zal ik harmonieus verwelkomen.

Tot die tijd moet je me dus maar even geloven en als goed katholiek in deze weken maar de versterving ondergaan van het auditief vasten.

Het afsluitende vervolgartikel maakt echter veel goed, hoop ik.

____________________________________

Vorige artikelen: Pijpenstorm en de daarop volgende delen (2), (3) en (4).