Schaalvergroting (1948-1959)

In juli 1948 verhuisde het nu achtkoppige gezin naar Amsterdam Oud-West, Anna Vondelstraat 1, driehoog voor en achter, maar geen wc of ander sanitair. Vier kamers, waarvan een met wastafel (koud stromend water) en een met een lampetkan, en een kleine keuken. Als kind vind je dat allemaal niet erg. Je hebt er geen last van zo opgehokt te zitten; je vindt het normaal, bij gebrek aan enig objectief referentiekader.

Iets van wat “normaal” heette te zijn, ondervond ik pas in de derde klas van de R.K. Lagere School aan de Pieter de Hoochstraat. Een prima school, zeker, maar niet op elk moment. Als meester had ik dat jaar een zekere meneer Van der Schaal, waarvan ik niet exact alle kwaliteiten kan noemen, maar wel een paar van zijn blijken van pedagogisch onvermogen: niet alleen had ik op een keer een schriftje ingeleverd met een “lelijk handschrift”, waarop ik naar voren moest komen en midden voor de klas een enorme klap in mijn gezicht kreeg, maar ook viel mij voor het eerst een regelrechte onvoldoende ten deel. Tot het leertraject behoorde schaaltekenen, wat bij mijn weten overigens niet naar hem was vernoemd. Het huiswerk omvatte de opdracht je eigen woonkamer thuis op schaal na te tekenen inclusief alle aanwezige gemeubelte. Met een meetkundige precisie, waar mijn lotgenoot, de kleine Richard uit W.F. Hermans’ De elektriseermachine van Wimshurst, nog een puntje aan kon zuigen, had ik met passer en liniaal op de millimeter nauwkeurig de kamer uitgetekend met daarin alle meubilair dat er zich daadwerkelijk in bevond op de geometrisch correcte plaats. De tekening werd afgekeurd, want de maatvoering deugde niet: zoveel grote meubels konden zich onmogelijk in een zo klein kamertje bevinden. Ik huilde. En ik begon te beseffen dat wij klein behuisd waren, alsof ik me daarvoor nog moest schamen ook.

Maar goed, ik ging dat jaar toch over als derde beste van de klas, met onder meer een 9 voor Nederlandse Taal en een 4 voor gymnastiek. Sterker nog, aan het einde van de zesde klas was ik nummer 1 van de klas, met onverminderd een 9 voor Nederlands, maar nu zelfs met een 7 voor gymnastiek. Als prijs voor beste leerling ontving ik Van wigwam en plaggenhut (door A. Snitjer; Zonnebloem Serie). Over kleinbehuisdheid gesproken.

Over kleinbehuisdheid gesproken: eindelijk, na oeverloze correspondentie en inschrijvingen bij het CBH, kregen wij toestemming om in mei 1956 (wellicht op instigatie van een gewroegde Meester Van der Schaal) te verhuizen van Oud-West naar Oud-Zuid, om precies te zijn naar de Lomanstraat 6hs.

Lomanstraat op een lentemorgen. Foto: Hans Aarsman, ± 1993. Te vinden in het Stadsarchief Amsterdam: (http://stadsarchief.amsterdam.nl/archief/10002/010002126009)

Alsof we in het paradijs terecht kwamen: die prachtige, statige Lomanstraat (al ben ik dat pas veel later gaan beseffen) waar we de benedenverdieping konden betrekken, een chique voordeur waarnaast nog een grote, witte S op de muur stond gekalkt, een hal met tussendeur, dan een gang waar je eerst links naar de voorkamer kon, verderop links naar de woonkamer die er en suite aan grensde met glas-in-lood-schuifdeuren en inbouwkasten ertussen, rechtdoor een kleine slaapkamer, aanvankelijk voor mij, later de vaste stek voor onze naaister, rechtsachter, net voorbij de wc (een eigen wc!) een zigzaggangetje naar de uitgebouwde keuken; rechts eerst de trap naar de kelder (hoofdstuk apart) onder het hele huis, maar overlangs in tweeën gesplitst: in het oostelijk deel kon je van voor tot achter makkelijk rechtop lopen, het westelijk deel was tot op halve hoogte vol met puin en zand. Het verhaal gaat dat daar in de oorlog joden in hadden gehuisd. Midden in de gang rechts de trap naar boven, en daar nog eens vier slaapkamers, twee grote en twee kleine, met tussen de grote kamers een heuse badkamer met wc, wastafel en ligbad. De gasgeiser (en ik meen ook de elektra) liepen op muntjes, die je om de hoek bij de drogist in de Okeghemstraat kon kopen.

Van gekkigheid wist ik me met al die ruimte geen raad. Ik weet nog, en als ik het niet meer weet, herinnert mijn familie mij daar nog wel eens aan, dat ik de eerste tijd niets liever deed dan hard hollend rondjes te draaien van de woonkamer de gang in, de voorkamer in, door naar de woonkamer en zo verder.

Aan de achterkant een heuse tuin, niet groot, geheel omschuttingd, met 2 hortensia’s en heel veel grind, want dat hoef je niet te maaien. Langs de keukenmuur een rozenstruik. Beetje wrang: toen we daar eenmaal met zijn achten waren ingetrokken, duurde het niet lang meer of de ene na de andere zus studeerde af en verliet het huis. Zes kinderen, allemaal Gym-ß en een vervolgstudie: voorwaar een compliment aan ouders die dat in de gegeven moeilijke omstandigheden hebben weten te vermogelijken. Het slot van het liedje was dat ik binnen enkele jaren de facto over twee kamers boven beschikte: een kleinere slaapkamer en een wat grotere daarnaast die verder nergens voor werd gebruikt dan bij gelegenheid als logeerkamer.

Dus per saldo toch de gewenste schaalvergroting.