Cruquius

Een goed initiatief van Christiaan om naast onze jaarlijkse reünie van klas Gym-Ib uit 1960 ook een educatieve uitbreiding te verzorgen: een rondleiding in en om het Cruquiusgemaal aan de rand van de Haarlemmermeerpolder. Hij was daar enige tijd geleden min of meer bij toeval als rondleider ingerold, geheel buiten zijn eigenlijke vakgebied om, en wist er inmiddels zo veel over te vertellen dat het de moeite loonde zijn verhaal te aanhoren en met eigen ogen dit wonder van techniek en vernuft te aanschouwen.

De Cruquius is al lang niet meer functioneel (verrichtte zijn werk in hoofdzaak van 1849 tot 1852 ter drooglegging van de Haarlemmermeer), maar nog wel werkend. Vorige week werd het Wouda-stoomgemaal in Lemmer nog ingezet ter voorkoming van wateroverlast, maar er zal nog heel wat water over de dijken moeten klotsen om ook het Cruquius-reservegemaal een dergelijke beschermende functie te laten uitoefenen.

Het nu hydraulische gemaal was in feite een prestigeobject van Willem I, wiens PR na zijn echec in 1830, het verlies van België, wel een opkikkertje kon gebruiken. Over ’s konings verbittering dienaangaande heb ik al eerder bericht. Vanuit zijn kennis van en connecties met de Britse machine-industrie wist hij rond 1848 de bouw van het gemaal te realiseren, geheel in Engelse stijl, fraai afgewerkt en van ornamenten voorzien en van een degelijkheid die ervoor zorgt dat de hele machinerie nog steeds draaiende kan worden gehouden. Pronkstuk, in mijn ogen, van die artistieke afwerking is de gietijzeren wenteltrap; een excellent staaltje van functional design.

De halve klas van destijds heeft, op twee achtereenvolgende zaterdagen, aan de excursie deelgenomen en daardoor de eigen kennis weer wat weten op te vijzelen.

Vreemd eigenlijk: heb ik ongeveer 25 jaar in Amsterdam gewoond, en was ik in al die jaren nog nooit op deze zo unieke plek in de naaste omgeving geweest. Maar goed, een mens is nooit te oud om een verzuim uit het verleden alsnog goed te maken. Met dank aan Christiaan, en in de hoop dat het ook andere klasgenoten ertoe kan bewegen een van hun kunstjes aan de anderen te gaan vertonen.

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Sacrament 7a

Lezers van deze weblog zullen zich ongetwijfeld mijn bericht uit december 2012 herinneren waarin ik een vrij onverkwikkelijk voorval uit mijn Ignatiustijd beschreef. Daarop is nogal gereageerd, meestal buiten deze weblog om.
De tijd is nu daar om er een vervolg aan te geven, hoe zeer mij dat ook zwaar valt.
Wat ik in ieder geval herhaal, is mijn verzoek om ter zake te reageren, op welke geoorloofde manier dan ook.

In genoemd artikel doe ik drie algemene uitspraken.
De eerste is dat ik het bijkans naïef vind te veronderstellen dat het Ignatiuscollege de enige Heilige, Veilige Haven zou zijn waar niks voorviel, terwijl vanuit scholen, internaten, kloosters in Nederland, België, Frankrijk, Duitsland, Amerika, Ierland, … het ene na het andere schandaal boven tafel komt.

De tweede is dat het mij hogelijk zou verbazen, ik bedoel: dat ik niet geloof dat ik nou juist net de enige zou zijn die tegen een dergelijk evenement aanliep; het moeten er gewoonweg veel meer zijn geweest.daarmee leg ik de bal nadrukkelijk bij anderen. Ik heb gezegd”, besluit ik mijn betoog.

De derde is dat met het verbreken van het Grote Zwijgen in dit verband niet alleen mogelijk een persoonlijk belang is gediend, maar stellig ook een publiek belang. Zoiets als waarheidsvinding.

Ik kom op dat artikel terug na recentelijk telefonisch contact te hebben gehad met een oud-Ignatiaan die mij omstandig zijn ervaringen meedeelde. Het dreigt een beetje de allure te krijgen van een klassiek drama, want wederom is er sprake van een destijds (tweede helft jaren-’60) op het IG werkzame docent klassieken. Meer dan heer K. zal ik niet noemen. Ook niet met wie precies zich iets heeft voorgedaan, noch tijd, plaats of handeling – die drie eenheden zijn niet aan mij om hier te vermelden.

In genoemd geval betreft het iemand die vandaag de dag, na meer dan 45 jaar, nog steeds fysieke en psychische klachten ondervindt, die sterker zichtbaar worden zoals, in zijn woorden, “een foto in een bad ontwikkelaar steeds meer contouren en scherpte krijgt”.

Zeer binnenkort gaat de Commissie Hulp & Recht zich erover buigen. Voor betrokkene is dit geen pretje, zeker als je bedenkt dat er (uiteraard) geen getuigen zijn, en er voor zover hem en mij bekend ook geen andere klachten of meldingen tegen bedoelde docent zijn aangeleverd. En dan sta je niet zo sterk.

Als er lezers zijn die in dit specifieke geval een helpende hand kunnen bieden, zal dat de zware gang naar de Commissie wellicht wat verlichten. Een niet-anonieme reactie via deze weblog (die altijd eerst langs mij gaat ter plaatsing of niet) of per e-mail of telefoon direct naar mij is daarom meer dan welkom. Mijn gegevens staan op de Entrée-pagina van deze weblog. Enige haast is wel geboden, want uiterlijk 20 januari moeten alle relevante stukken zijn overlegd. Er is wellicht enige sterkte voor nodig, maar de dank zal, neem ik aan, zeer groot zijn.

Ignatiuslied – herziening

Tijden veranderen.
Sinds de publicatie van mijn uitgebreide artikel over het Ignatiuslied in december 2012 was er daarom een herziening nodig die ik inmiddels heb voltooid.

In het kort de wijzigingen:

 

  • De online te beluisteren uitvoering uit de Krijtberg is niet meer op internet te vinden; de link daarnaar heb ik dus maar verwijderd.
  • De te beluisteren harmonisatie die ik zelf had uitgeschreven met het programma Finale en die door Antoine Oomen is gecorrigeerd, heb ik daarvoor in de plaats geupload. Zie ook de afbeelding hierboven.
  • Van wijlen Louis Grijp (Meertensinstituut) heb ik uitgebreid antwoord gekregen op een aantal vragen over de muziek van het lied; ik heb zijn commentaar in de tekst verwerkt en bovendien een link geplaatst naar een vergelijkbare uitvoering van het vrolijke lied Ys-vreucht dat van rond 1600 stamt.
  • Verder nog wat schoonheidsfoutjes, een loei van een taalfout en wat kleine details. Enfin, kijk en luister maar naar de nu actuele versie van het artikel.

Trouwens, al snuffelend stiet ik in een toneeluitgave van 1738 op een Franse tekst, een zogenaamde vaudeville, uit de amusementswereld op een vergelijkbare melodie, een tekst die even harlekinesk is als calimeroachtig:


Je ne suis né ni roi ni prince
Je n’ai ni ville ni province,
Ni presque rien de ce qu’ils ont.
Et je suis plus content peut être:
Je ne suis pas tout qu’ils sont,
Mais je suis ce qu’ils veulent être 

 

Geboren ben ik niet als prins of als een koning,
Geen stad die ik bezit, noch een district.
Schier niets heb ik van wat aan hen behoort.
Ik ben nochtans misschien best wel gelukkig:
Ik ben geenszins datgene wat zij zijn,
Maar wel wat zij graag zouden willen wezen.

Iets memorabels voor een rouwadvertentie. Gewoon alle tegenwoordige tijden bij ik veranderen in verleden tijden. Durft u het aan?

 

Pijpenstorm geluwd (slot)

Mijn oproep in het vorige artikel werd snel bevredigend beantwoord. Orgelbouwer Flentrop, die het Ignatiusorgel had gedemonteerd, wist mij te melden dat mijn inblaasopening, een autobandventiel dat op de foto hiernaast links onder is te zien, veel te klein was, en dat er, als ik de volle diameter van de pvc-buis (40 mm) benutte, relatief maar weinig luchtdruk nodig zou hoeven zijn om te pijpen te laten klinken.

Mijn dank voor deze tip is uiteraard zeer groot.

 

Zo gezegd, zo gedaan, of, zoals hier in lokaal dialect wordt gezegd: fut dit fut fait.
Uit de rubriek Wat Onze Handen Kunnen Maken: Men neme een oude steelstofzuiger, die je nog wel ergens op zolder hebt liggen rondslingeren. Demonteer de 350 Watt motor, reinig die grondig en vervang eventueel de koolborsteltjes. Monteer hem dan in de belendende garage met een pvc-buis door de 60 cm dikke muur op de plek waar vroeger een ventilatie-opening zat; zo ben je van de herrie van die motor af in de kamer. Vervolgens bouw je in het snoer een lichtdimmer in (die heb je nog wel liggen in een kist vol elektrarommel), om het toerental van de stofzuiger te kunnen regelen, en dus ook de hoeveelheid ingeblazen lucht. Het effect is wonderbaarlijk: het werkt!

Ten bewijze, voor na de vastentijd: De aanhef van het Ignatiuslied, hier op mijn ooit eens opgelapte Jappenorgeltje, klinkt om en nabij ZO. En de niet zo perfecte microfoonopname van wat er, nagenoeg zuiver op toon, uit de vier orgelpijpen komt, klinkt ZO.

Nu alleen nog even alle verbindingen goed luchtdicht verlijmen en/of vastklemmen, de vier pijpen wat bijstemmen en de constructie een beetje netjes afwerken, en de herinnering is vereeuwIGd.
Ad Maiorem Mei Gloriam.

 

 

Pijpenstorm geluwd

Het was nog een heel gedoe en gepruts, maar uiteindelijk lukte het me een viertal zinken pijpen van het Ignatiusorgel voor de schroothoop te behoeden en hier in huis hunne laatste rustplaats te gunnen in een hoekje van de salon.
Ze rechtop in positie krijgen was geen probleem, het laten klinken echter des te meer.
Maar toch is voor mij nu definitief de pijpenstorm geluwd.

 

Zoals je van mij al kon verwachten, heb ik er niet zo maar vier uitgekozen die er wel mooi uitzagen. Ze zagen er allemaal mooi uit, want de pijpen die er nog bij de orgelbouwer stonden waren alle zogenaamde prestantpijpen, d.w.z. de pijpen die in de oorspronkelijke opstelling in het zicht stonden, de vooropstaanders dus. Welke het precies zijn op de foto hieronder, weet ik niet, maar ze staan ertussen.

Nee, met opzet wilde ik kiezen voor een B, een d een fis en een b.
De kenners weten dan al hoe laat het is: het zijn precies de vier tonen die het openings- en slotakkoord vormen van het Ignatiuslied (“Ignaci dat den Heer u seghen…”).
Je moet dat maar even geloven, want helaas kan ik ze nog niet laten horen.

Immers, zo simpel als het was de vier pijpen op te hangen aan een staketsel van eiken plankjes, die hier in huis in overvloed nog rondslingeren, zo moeilijk bleek het te zijn een aanblaasinrichting te fabrieken van spullen die hier in huis liggen. Ik had dat niet verwacht. Met de mond kun je elk van de vier pijpen moeiteloos aanblazen – en ze blijken ook nog eens goed gestemd te zijn en bovendien zijn ze ook nog ietsje bij te stemmen.
Maar hoewel ik een grote mond heb, vier dezulke pijpen krijg ik niet tegelijk tussen de lippen en mijn al dan niet aangetaste longen zullen ook niet genoeg druk voor vier pijpen kunnen produceren. Met nog aanwezig pvc-buis dus maar een constructie gebouwd die mechanisch is aan te blazen, maar noch met de forse blaasbalg van de houtkachel, noch met de fietspomp, noch met de vijfliterpulverisator voor de tuin kreeg ik de juiste luchtstroom om een welluidend akkoord ten gehore te brengen.

Ja, die oude pathéfoon ernaast, die werkt. Maar die heeft een sterke veer die je met een slinger kunt opwinden. En dat stopcontact bracht me op het idee er de compressor maar eens op aan te sluiten. Maar met 10 bar aanblazing gingen de pijpen zowat airborne. Bovendien maakt een compressormotor veel te veel herrie – dat kunnen we niet hebben. Misschien moet ik wachten tot er drie mensen op bezoek komen; dan kunnen we kwartetten. Een blaaskwartet voor orgel, dat heeft iets unieks.

Al mijn natuurkundekennis, en al die boeiende lessen van Sweerts ten spijt, ben ik er nog niet uit. Een goede tip zal ik harmonieus verwelkomen.

Tot die tijd moet je me dus maar even geloven en als goed katholiek in deze weken maar de versterving ondergaan van het auditief vasten.

Het afsluitende vervolgartikel maakt echter veel goed, hoop ik.

____________________________________

Vorige artikelen: Pijpenstorm en de daarop volgende delen (2), (3) en (4).

 

Dominicus 50

Ik had het me niet gerealiseerd. Dit jaar is het 50 jaar geleden dat onze uitbraakpoging met een deel van het IG-koor, weg van het Ignatiuscollege, uiteindelijk ertoe leidde dat het koor zijn nieuwe thuis vond in de Dominicuskerk in de Spuistraat. We worden oud.
(foto: amsterdam.nl

Over die middelpuntsvliedende kracht heb ik HIER al eens omstandig gepubliceerd. De jubileumcommissie heeft daarvan ook rijkelijk gebruik kunnen maken om de geheugens op te frissen en de nostalgie te koesteren.

Onlangs ontving ik bijgaande uitnodiging. Zelf zal ik er die dagen niet bij kunnen zijn, maar voor wie het interessant is, geef ik die invitatie hier weer.

_________________________________________________________________________
Aan alle oud-koorleden,

2014-2015 viert de Dominicuskerk het 50-jarig bestaan in huidige vorm. Dat is een prachtige aanleiding voor het koor om een speciaal feest voor alle oud-leden en huidige leden te organiseren! Het wordt een muzikale reünie, uiteraard in de kerk, op zaterdag 7 februari die we graag willen laten ‘naklinken’ tijdens de viering op zondag 8 februari 2015.

Zaterdag 7 februari 2015
Om 15.00 uur staat de kerkdeur open en heten we je hartelijk welkom met koffie, thee en lekkers.

Om 16.00 uur gaan we enkele prachtige Dominicus-liederen zingen. We willen ook een deel van het programma van de zondagviering voorbereiden.

Ca. 18.30 uur staat een heerlijk buffet klaar en is er volop gelegenheid elkaar te ontmoeten en te spreken.

Tussen 20.00 en 21.00 uur kraken we de laatste zangnootjes van deze dag. Om 21.00 uur eindigt het programma maar de Teerketel biedt alle gelegenheid om nog een uurtje door te babbelen.

Zondag 8 februari 2015
Wij hopen dat we tijdens de viering met een heel groot koor iets moois kunnen laten horen! De repetitie start zoals gebruikelijk om (uiterlijk) kwart over 10.

Opgave
Misschien heb je je al aangemeld, misschien wist je nog van niets, misschien ben je er nog niet toe gekomen je aan te melden. Hoe dan ook, je bent van harte welkom.

Bevestig dat a.u.b. via: carla.vanderheijden@upcmail.nl, of
Carla van der Heijden, Bickerswerf 66, 1013 KX Amsterdam, 06-11293224

 

 

Pijpenstorm (4) : weg is weg

Deze foto van het koor-met-het-verdwenen-orgel in de kapel van het Ignatiuscollege is door Huub Mous genomen op onze reünie van 3 mei.
Het orgel was weg, is weg en blijft weg, althans fysiek.


Gisteren liet Erik Winkel van Flentrop Orgelbouw mij het volgende weten:

Dag Nard,
Na een grondig onderzoek bleek dat de kosten voor herstel zo hoog waren dat de eigenaar niet meer tot overplaatsing wilde overgaan. De belangrijke, vitale onderdelen, zoals de windladen, blijken erg slecht te zijn gemaakt en kunnen daarom niet economisch verantwoord worden hersteld.
Dat betekent helaas dat het orgel niet wordt herplaatst, maar wordt afgevoerd.
Ik hoop je met deze teleurstellende info toch van dienst te zijn geweest,
Met vriendelijke groet,
Erik Winkel, Flentrop Orgelbouw B.V.

Ik ga ervan uit dat “afvoeren” een eufemisme is voor “naar de stort brengen” en met die jobstijding ben ik weer van een van mijn jeugdherinneringen beroofd.

Het enige is, en wellicht hebben anderen daar ook nog wat aan, dat het orgel niettemin toch nog altijd is te beluisteren. De volkstaalliturgische grammofoonplaten uit de beginperiode waren namelijk opgenomen in de kapel van het Ignatiuscollege. Later werd dat de Karmelkerk (Amstelveen) en de Dominicus (Spuistraat).
Maar op het in deze weblog al eerder besproken EP-tje Ambrozijn en Groggelgijn is het orgel uit de kapel nog te horen, evenals op de LP Zijn liefde gaat van mond tot mond. Ik meen dat dat ook de eerste LP was uit de Huijbers/Oosterhuisreeks. Een jaartal heb ik op de Fontana-hoes (uit de serie Gouden Harpen) niet kunnen ontdekken. Het moet begin jaren-’60 zijn geweest; latere LP’s verschenen in de reeks Didascalia. Wel, op de voorzijde, het prachtige glas-in-loodraam van de kapel (foto: Bart Mulder), en op de achterkant de geruststellende mededeling “Het stereo effect wordt slechts verkregen bij gebruik van stereo afspeelapparatuur”.

Hier een overzichtsfoto van 9 juni 1965, toen de LP werd opgenomen.

Het zijn galmende geluiden uit een vervlogen verleden, nu de pijpenstorm voorgoed is geluwd.

________________________________________________
Eerdere en latere pijpenstormberichten:
pijpenstorm
pijpenstorm-2
pijpenstorm-3
pijpenstorm-geluwd

 

Pijpenstorm (3)

Het orgelverhaal blijkt er een van lange adem te zijn. Prima; het gaat immers ook om een pneumatisch orgel.
Onlangs kreeg ik van Rolf Schoevaart nadere informatie over hoe het destijds allemaal is gelopen.
Hier een weergave van zijn bevindingen.

Rond eind jaren-’90 bleek het orgel in bedenkelijke staat te verkeren en was een prijzige opknapbeurt noodzakelijk, waarna bovendien de ruimte zou moeten worden voorzien van kostbare klimaatbeheersing.
Aanvankelijk leek het OLVG interesse in het orgel te hebben voor de toen nieuwe kapel aldaar, maar daar bleek het orgel toch niet in te passen.
Het is toen voor ƒ 20.000,= verkocht voor een of andere kerk in Italië, God mag weten waar precies, want Hij weet alles. Dat geld kon goed worden gebruikt voor het bouwbudget voor de renovatie van het IG.
Los daarvan is het Montessori Lyceum in die periode nog enige tijd in onderhandeling geweest met Sotheby’s met betrekking tot de glas-in-loodramen voor eventuele verkoop. Dat bleek echter geen haalbare kaart, zonder de ramen op te moeten delen in panelen. Inmiddels hebben de ramen monumentstatus, zodat verwijdering niet meer aan de orde kan zijn, laat staan verkoop.

Tot zover het IG-kapelfeuilleton voor dit moment.

Het is overigens een kwestie van toeval dat ik aan de metamorfose (eufemisme voor ontheiliging en aftakeling) van de Ignatiuskapel moest denken bij de opening van een tentoonstelling van de schilderacademie van Langres, afgelopen zaterdag, in de kapel van het ex-Jezuïetencollege in Langres. Ook daar was alles wat aan een kapel deed denken zorgvuldig weggewerkt: altaar, priesterkoor, orgel, alles verdwenen of aan het zicht onttrokken. Veel erger nog dan in de Ignatiuskapel: schrijnende voorbeelden van achterstallig onderhoud: afbladderende pleisterlagen, scheuren in plafond en muren, kaalgelopen vloer.


Kerk en staat zijn gescheiden in Frankrijk, dus waarom zou de overheid opdraaien voor het instandhouden van religieus erfgoed?

 

 

________________________________________
Vorige en volgende pijpenstormberichten:
http://nardloonen.nl/2014/05/05/pijpenstorm/
http://nardloonen.nl/2014/06/12/pijpenstorm-2/
http://nardloonen.nl/2014/11/12/pijpenstorm-4-weg-is-weg/ 
http://nardloonen.nl/2015/03/11/pijpenstorm-geluwd/