Anna Vondelstraat 2A/2

Ik zie aankomen dat het tweede deel over de Anna Vondelstraat nogal uitgebreid gaat worden. Daarom dat ik het nu eerst laat voorafgaan door een toponymische voorbeschouwing om alvast wat basisgegevens te kunnen aanreiken. In alfabetiche volgorde enkele relevante straatnamen en andere toponiemen.

Anna Vondelstraat
Verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelstraat.
Vernoemd naar Anna van den Vondel (±1620-1675),
dochter van Joost van den Vondel.
1882-1884: “geprojecteerde straat“.
1884-29 nov.1986: Anna Vondelstraat.
vanaf 29 nov.1986: Anna van den Vondelstraat (om verwarring met “Vondelstraat” te voorkomen).
Huisnummers en postcodes: nrs. 1-25 (1054 GX) en 2-30 (1054 GZ).

Heiligeweg
1345-heden: Verbindingsweg tussen de Kapel ter Heilige Stede (Kalverstraat) en het dorp Sloten, via de huidige Stadhouderskade en de overtoomse overlaat. Het tracé liep min of meer van de kapel via het Koningsplein, Leidsestraat, de voormalige Heiligewegspoort, Overtoom, Sloterweg.
De poort sloot om 22 uur; vandaar:
Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de overtoom.
Drinken we zoete melk met room, zoete melk met brokken,
Tien uur slaat de klokke. (en dus niet, zoals mij steeds voorgehouden, “Nardje mag niet jokken“.)
Het was niet alleen de toegangsweg vanuit Haarlem en Sloten tot de bedevaartsplek van het Mirakel van Amsterdam, maar tot ± 1500 tevens de enige landverbinding tussen Amsterdam en het Kennemerland.
Momenteel loopt de Heiligeweg nog slechts tussen Kalverstraat en Singel. De noordzijde van de Heiligeweg, langs de Overtoomse Vaart, heet sinds 1901 Overtoom. De zuidzijde heette van 1875-1901 Vondelkade (zie onder), daarna Overtoom.

Heiligewegsevaart
Waterloop die de Heiligeweg scheidt in een noorderlijk pad en een zuidelijke weg.
1625: Op de kaart van Van Berckenrode (zie detail hiernaast) aangeduid als “Vaart na den Overtoom“.
Later werd deze vaart Overtoomse Vaart genoemd, meestal kortweg aageduid als Overtoom

Luiebrug
Eerste brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, dus waar nu Nassaukade overgaat in Stadhouderskade en waar van 1923-1983 het GVB-hoofdkantoor stond.
Zo genoemd omdat hij maar traag open en dicht ging.
De brug verdween uiteraard bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1904.

overtoom (overhaal)
1432-1809: Handbediende, mechanische overhaal om schepen van de Schinkel naar de Kostverlorenvaart te hevelen.
1809-1942: De overhaal vervangen door een schutsluis.
1942-heden: De schutsluis vervangen door brug 199.

Overtoom (straat)
Verbindingsweg van ±1.800 meter lengte tussen de overtoomse overlaat en de huidige Stadhouderskade.
1345-1901: Heiligeweg (zie hierboven).
1875-1901: Vondelkade (zie hieronder).
1901-heden: Overtoom (foto: briefkaart uit ±1920).

Overtoom (water)
Waterloop over de hele lengte van de Overtoom (straat).
1345-: Heiligewegsevaart (zie hierboven).
-1902: Overtoomse Vaart.
1903: Demping van de Overtoom. Zie video “Gedempte grachten…“; even doorspoelen naar fragment tussen 12’47″ en 14’25″.
Gravure gezien vanaf de Luiebrug, in westelijke richting.

Pestbrug
Tweede brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, gelegen tussen de 2e Constantijn Huygensstraat en de Anna Vondelstraat, niet ver van de melkfabriek en de RIVA-Fordgarage aan de Overtoom. Via die brug bereikte men het Pesthuis, oftewel Buitengasthuis, later Wilhelminagasthuis.
De brug werd ook wel “latjesbrug” (vanwege de lattenconstructie) of eufemistisch “Gasthuisbrug” genoemd. “Je moet over de latjesbrug” betekende overigens dat je je moest melden in het gekkenhuis dat in het Buitengasthuis was gevestigd…
De passagiers op de schuit op de voorgrond gingen wellicht schuitje varen, theetje drinken verderop.

Vondelbrug
Amsterdamse brug 200 over het Vondelpark die de Eerste Constantijn Huygensstraat verbindt met de Van Baerlestraat.
1942-1947: ontwerp en begin aanleg, door de oorlog onderbroken.
1947: officiële opening. Zie o.m. Polygoonfilm op YouTube.
1958: ook trams (lijn 2 en 3) rijden over de brug, waardoor lijn 2 niet meer door de P.C. Hooftstraat hoeft, die nu verder tramloos blijft.

Vondelkade
1875-1901: benaming van het zuidelijk deel van de Heilige Weg langs de Overtoomse Vaart tussen de huidige Stadhouderskade en ongeveer Anna van den Vondelstraat, destijds de gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel.
Omdat de verwachting was dat ook de (nog niet tot de openbare weg behorende) noordzijde Vondelkade zou gaan heten, kregen de percelen aan de zuidzijde alleen oneven huisnummers.
1901-heden: Overtoom.
Zie annotatie op internet, waar ook interessant beeldmateriaal is te vinden.
Foto uit ±1901 genomen vanaf de Luiebrug. Te zien is het begin van de dempingswerkzaamheden.

Vondelkerk
R.K. kerkgebouw in de as van de Vondelstraat, ontworpen door architect Pierre Cuijpers als onderdeel van een stedebouwkundige eenheid van de Vondelstraat e.o.
Gebouw in neogotische stijl. Eerste steen 1872, in 1880 ingewijd als parochiekerk “Allerheiligst Hart van Jezus“.
Sinds 1977 buiten gebruik als kerk, daarna enige tijd gekraakt. Momenteel voornamelijk in gebruik als cultureel centrum en officieel aangewezen trouwlocatie van de gemeente Amsterdam. Meer info: zie HIER.

Vondelpark
In 1865 aangelegd langwerpig “Rij- en Wandelpark” tussen Stadhouderskade en Amstelveenseweg in Engelse landschapsstijl. Twee jaar later werd aan de hoofdingang Stadhouderskade een standbeeld van Joost van den Vondel geplaatst. Vlak daarbij ligt het Vondelparkpaviljoen waar van 1972-2012 het Filmmuseum was gevestigd. Momenteel biedt het als VondelCS (=cum suis) onderdak aan AVROTROS.
Eigen foto: “In het Vondelpark. Maart 1950″.

Vondelkerkstraat
Doodlopende verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelpark, tussen Reyer Anslostraat en Frederiksstraat. Toegang tot Vondelpark voor voetgangers en fietsers.
Zie AT5-uitzending over deze straat.
Naar verluid (AT5) is de straat vernoemd naar het kapelletje aan de Heilige Weg (=Overtoom), waar Vondel placht te bidden als zijn drukproeven in de nabijgelegen drukkerij werden gedrukt.

Vondelstraat
Straat ten noorden van het Vondelpark vanaf het Leidsebosje naar de Anna van den Vondelstraat.
Vernoemd naar dichter Joost van den Vondel (1587-1679).
1864-heden: Vondelstraat (tot aan Vondelkerk).
tot 1896: Verlengde Vondelstraat (vanaf Vondelkerk).
1896-heden: Vondelstraat.

_______________________

Eerder bericht: Anna Vondelstraat 1/2

 

Anna Vondelstraat 1/2

Anna Vondelstraat 1, Amsterdam Oud-West, werd in 1882 gebouwd toen de Anna Vondelstraat nog niet bestond. Daarover meer in dl.2 dat eind februari hier zal verschijnen.
In oktober 1948 kwam de familie Loonen, vader, moeder en zes kinderen, daar te wonen op de tweede (woonkamer, keuken) en derde verdieping (3 slaapkamers). Over de weinig florissante situatie van dat onderkomen heb ik onder de titel Schaalvergroting in november 2012 al bericht.
Hoog tijd voor wat meer diepte-informatie.

In 1882 liet slachter A.J.W. Helleganger (what’s in a name!) een spiksplinternieuw slachthuis bouwen aan de Overtoom 101, gemeente Nieuwer-Amstel, later, na de annexatie door Amsterdam hernummerd tot Overtoom 217. Boven de varkensslachterij bevatte het hoekpand drie verdiepingen met bovenwoningen. Bouwtekeningen zijn te vinden in de beeldbank Amsterdam, met zoekopdracht “Anna Vondelstraat 1″. Voor het grootste gedeelte lag dat pand om de hoek van de Overtoom aan “een geprojecteerde straat”, de Anna Vondelstraat, die tussen 1890 en 1894 werd volgebouwd en de Overtoom ging verbinden met de Vondelstraat.

De Overtoom was toen nog niet gedempt; dat gebeurde pas twintig jaar later. Het zal den slachter wel van logistiek belang zijn geweest dat hij zijn varkens per boot kon laten aanvoeren, en het uitgebeende vleesch weer kon verschepen. Misschien zag hij de bui al hangen, want rond 1900 deed hij de zaak over aan Gerrit Pol, die er een vleeschhouwerij van maakte, d.w.z. dat hij de geslachte en uitgebeende koeien en varkens van het abattoir betrok en er zelf eindproducten van maakte, waaronder fijne vleeswaren. Ik vermoed dus ook dat de koeien voor de deur eerst naar het abattoir gingen; Pol slachtte niet aan huis. Overigens, de Beeldbank heeft de foto niet gedateerd (vermoedelijk tussen 1900 en 1920), en evenmin verklaard hoe daar opeens huisnr. 29 te zien is, in plaats van 217. Ik probeer dat nog wel uit te vissen.

Zoon Johan Pol nam rond 1920 de zaak over en hij was van 1948-1956 onze slager-op-de-hoek. Ik bewaar er prima herinneringen aan. We hadden uiteraard geen koelkast, dus elke dag moest iemand van ons even het eten van de dag gaan halen, tot ±1950 met distributiebonnen, later in de vrije verkoop.

Toen wij het huis betrokken had daar een zekere heer Weehuizen gewoond, werkzaam bij de N.V. Werkspoor. Ik heb van hem nog enige correspondentie liggen, met name vanwege zijn klacht uit november 1947, gericht aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken aan de Stadhouderskade. Hij beklaagt zich omstandig over het feit dat hij als huurder van de eigenaar, mejuffrouw E. Frank, wonende op de Stalinlaan, te horen kreeg dat die voornemens was de maandelijkse huur voor Anna Vondelstraat 1-II en -III exorbitant te verhogen van ƒ 35,= naar ƒ 60,=. Kort daarvoor was het hele pand Anna Vondelstraat 1 getaxeerd op ƒ 10.000,= (ik bied nu graag het dubbele ter verkrijging!), hetgeen een huurprijs van ca. ƒ 35,=/maand billijkte.

Ruim een maand later komt het Prijzenbureau met een soort Salomonsoordeel dat mede was gebaseerd op de overweging dat een maandhuur van ƒ 60,= “boven het op 9 mei 1940 (!) voor soortgelijke objecten gebruikelijke huurpeil ligt“. Als “hoogst toelaatbare huurprijs” noemt het Prijzenbureau een bedrag van ƒ 42,50 met de toevoeging “dat ten aanzien van het gebruik van electrische stroom, gas en verwarming niet meer in rekening mag worden gebracht dan de kosten van het werkelijk gebruik“. De eigenaresse gaat prompt akkoord en dat zal inhouden dat mijn vader enige maanden later ook datzelfde bedrag aan huur moest gaan betalen.

Naar huidige maatstaven van woningcorporaties hield mejuffrouw Frank zich vrij lang opvallend koest. Maar in januari 1952 stuurt zij mijn vader een kort briefje (“Met alle hoogachting“) dat zij zich genoodzaakt voelt de huur per 1 februari 1952 in één klap met 15% te verhogen tot ƒ 48,30 hetgeen gelijkstaat aan een jaarlijkse verhoging van 4%.

Over wat voor een pand hebben we het eigenlijk?
Via een stoepje voor de voordeur (hier op een foto uit 1949) kwam je in een halletje met rechts de trap naar boven en links een vrij grote ruimte die een driedubbele functie had: allereerst konden we daar de fietsen stallen, verder was er achterin een luik waardoor de steenkool werd gestort die de bewoners gebruikten om de kolenhaard te stoken, ten slotte stond er een piano waarop de zus van mejuffrouw Frank, Annie Zieren-Frank pianolessen gaf. Op de dagen dat zij lessen gaf, moesten wij de fietsen uit de ruimte halen (eerst het vloerkleed opzij rollen!). Mevrouw Zieren was, net als haar zus en nog een andere zus, blind, hetgeen haar niet belemmerde uitstekend pianolessen te geven. Met haar handen voelde ze of je vingerzetting wel deugde. Zij genoot landelijk wel enige bekendheid, niet in het minst bij het koninklijk huis: van Wilhelmina kreeg zij ooit eens een vleugel cadeau en Juliana inviteerde haar diverse malen op Soestdijk om kinderliedjes te komen begeleiden. Geboren in 1890 haalde zij de respectabele leeftijd van 103 jaar. Van haar is nog een NOS-radiointerview te beluisteren en op internet tref je nog een bericht over haar aan. Verder wijdde het Goois Weekblad van 7-8 november 1984 een paginagroot artikel aan de toen 94-jarige pianiste.

Drie van mijn zussen en mijn broer hebben pianoles bij haar gevolgd; ik was nog te jong, maar ik herinner me wel dat je eerst vanaf de begane grond de ene etude van Czerny na de andere hoorde spelen, waarna die boven in onze huiskamer nog eens dunnetjes werden verder gestudeerd.

Dan maar de trap op. Op 1 hoog woonde de familie Chung. Hij een Chinees waarvan ik niet weet of hij uit Indië was gerepatrieerd; in ieder geval was zijn Nederlands een garantie voor bijna geen communicatie. Mevrouw Annie Chung-Marx sprak met een sterk Duits accent, hetgeen haar in die tijd, en dan nog wel in Amsterdam, ongetwijfeld van de straat hield. Zij hadden één zoon, Kok Han, ongeveer van mijn leeftijd, maar dikke vriendjes zijn we nooit geworden. Het frequentste contact dat wij met de Chungs hadden was het toilet, het enige dat er aanwezig was op de 1e, 2e en 3e verdieping. Het had twee deuren, eentje voor de Chungs, de andere voor ons. Zij en wij moesten dus steeds twee deuren op het haakje doen, hetgeen wel eens achterwege bleef. De anekdote die mij het meest is bijgebleven is dat mijn vader op een dag de wc-bril had gevernist. Pa Chung, die het woord “NAT” niet kende, ging erop zitten en riep toen: “Annie, ikke zitte vasseplak!”

Nog maar een trap op, die uitkwam op een halletje. Rechts de keuken, klein, maar afdoende, met een aanrecht (ik weet niet of er ook warm water was), een gasfornuis op stadsgas, want aardgas was er nog lang niet, en een voorraadkast. Vanuit het halletje rechtdoor was de woonkamer, ik schat zo 6×4 meter. Die moest niet alleen plaats bieden aan 8 personen, maar ook had mijn vader op het pandhuis of bij veiling De Zwaan een compleet ameublement gekocht, zwaar en massief, geproduceerd door H. Pander & Zonen te ‘s-Gravenhage. Het omvatte een groot buffet, een ovale uitschuifbare eettafel met tussenblad, twee zware stoelen met leuningen en vier zonder leuningen (twee van ons moeten dus op keukenstoeltjes hebben gezeten), een theetafel en wat bijzettafeltjes. Het meeste daarvan staat nu bij mij in Rosoy, met aanmerkelijk meer rumte eromheen. Via de hijsbalk was alles vakkundig omhoog getakeld, samen met een djatihouten bureau, twee rookstoelen en een piano. Later kwam er nog een radio/grammofoonmeubel bij met ingebouwde luidsprekers. Hoe het er allemaal in heeft gepast, is me nog steeds een raadsel. Eigenlijk geen wonder dat Van der Schaal het niet wilde geloven.

In het halletje links liep de trap naar zolder, met daaronder een bergkast. Op die zolder waren drie slaapkamers, eentje voor mijn ouders, met een lampetkan op een toilettafeltje, eentje voor mijn oudste twee zussen met een wastafel die koud stromend water leverde, behalve ‘s winters, want dan waren de leidingen steevast bevroren, en eentje voor het jongere kroost: een tweepersoonsbed voor mijn jongste twee zussen en een stapelbed waar mijn broer bovenin lag en ik onderin. Die kamer was daarmee compleet gevuld; voor enig meubilair of een wastafel was er absoluut geen plek. Mijn oudste zussen konden door het dakraam in de goot aan de tuinzijde klimmen om te zonnen, huiswerk te maken of de was te drogen te hangen aan provisorisch bevestigde waslijnen aldaar.

Zelf heb ik dat opgehokte verblijf nooit zo rampzalig gevonden, bij gebrek aan enig referentiekader. Voor mij was het dus “normaal”. De anderen hadden wel een referentiekader: dat van de Jappen-vrouwenkampen op Java cq. de werkkampen langs de Birmaspoorlijn. Het is voorstelbaar dat zij het gevoel hadden er in Anna Vondelstraat 1 op vooruit te zijn gegaan.

Desalniettemin heeft mijn vader bijna van meet af aan stad en land bewogen om een meer passende woonruimte beschikbaar te krijgen, direct via het CBH, indirect via zijn werkgever, de Marine op Kattenburg waar hij in een civiele functie tot zijn pensioen heeft gewerkt. Maar zelfs een persoonlijke interventie in augustus 1951 van H.C.W. Moorman, Staatssecretaris van Marine, die beloofde “nogmaals persoonlijk een beroep te doen op de Burgemeester van Amsterdam”, mocht niet baten. De woningschaarste was te nijpend.

Makelaar Lemmens te Amsterdam probeerde in september 1954 nog wat schot in de zaak te brengen: middels een kil schrijven verzoekt hij mijn vader “hoezeer het mij spijt” binnen drie weken de woning te ontruimen en te verlaten, in de verwachting “dat het U nu moge gelukken een woning te vinden die het U en Uw gezin mogelijk zal maken eindelijk eens menschwaardig te wonen“.

Ook dat mocht niet baten, al weet ik niet hoe het is gelukt om het nog bijna twee jaar uit te houden daar. Maar op 8 mei 1956 kwam van het CBH, na een wachttijd van 6 jaar, het felbegeerde voorrangsbewijs met een woonvergunning voor het pand Lomanstraat 6 hs+I.
Die verhuizing was vlot geregeld.

 ___________________

Volgend bericht: Anna Vondelstaat 2a

 

 

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

NON à Hollande

Dit is geen slogan voor de naderende presidentiële verkiezingen in Frankrijk, al zal die titel velen charmeren. Nee, het is mijn kruistocht tegen het gebruik van “Hollande” voor “Nederland” of “Pays-Bas“. Op tribunes (“Hup Holland Hup”; “Holland spreekt een woordje mee”), op vrachtwagens (“MAASTRICHT – HOLLAND”, of, zoals hiernaast: “SOEST – HOLLAND”, of, zoals hieronder, gespot tussen Parijs en Rouen: “ROOSENDAAL – HOLLAND”) en alom in Frankrijk (“Vous êtes hollandais?”).

Mijn antwoord op die laatste vraag is steevast: nee. En dan heb ik wat uit te leggen, maar dat doe ik dan volgaarne met een mengeling van plezier en grimmigheid.

 


Voor de duidelijkheid: ik ben geboren in Oss (Noord-Brabant), heb lang gewoond in Amsterdam (Noord-Holland), later in Venray (Limburg), Eindhoven en Boxmeer (beide Noord-Brabant) en sinds 2007 in Rosoy-sur-Amance (Haute-Marne). Als ik iets ben, ben ik Brabander, en paspoortmatig Nederlander. Vraagt iemand hier mij of ik een Hollander ben, dan vraag ik quasi verbaasd of de vraagsteller het fijn zou vinden om als Bask te worden betiteld. Immers, in deze streek strekt de evidente xenofobie zich uit tot binnen de landsgrenzen: alles wat uit Parijs komt (goud) of Marseille (zilver) of Baskenland (brons) is per definitie onbetrouwbaar en abject. Dus ik heb dan al iets minder uit te leggen.

Staan we dan nog steeds op goede voet en komt de vraagsteller hier over de vloer, dan laat ik volgaarne het volgende filmpje zien:

https://www.youtube.com/watch?v=eE_IUPInEuc

Waarna iedereen lacht, ik niets meer hoef uit te leggen en nooit meer een Hollander zal heten.

 

50 jaar later

Als je, zoals ik vorige week, na 50 jaar het ouderlijk huis betreedt waar je van 1956 tot 1966 je pubertijd hebt doorgemaakt, gaat er heel wat door je heen aan gevoelens, weemoed, zoete en zure herinneringen, details en het grote geheel van de Lomanstraat anno toen en nu. De foto hiernaast, genomen in april 1961, toont de witgekalkte 6 nog beter dan de door mij gemaakte foto uit 1962 die ik eerder hier publiceerde. En er is veel meer dat nog steeds hetzelfde is gebleven, naast al wat er is veranderd.

 

Ik heb het dan niet alleen over heel kleine dingetjes, zoals het gaatje in het kozijn op mijn slaapkamer, waar je een pin doorheen kunt steken om het schuifraam een stukje open te laten staan, met mijn toen dagelijkse uitzicht op de Okeghemstraat en het balkon van huize Terlingen. Niet alleen over de barst die ik ontwaarde in de marmeren plaat van de schouw op de grote slaapkamer aan de voorkant, die in mijn herinnering er toen ook al in zat. Niet alleen over de deurkruk van de wc beneden – nog precies dezelfde als toen, en zelfs het haakje dat je 180° kon kantelen van VRIJ naar BEZET – nog precies hetzelfde als toen.

Iets grotere dingetjes dan: de maatvoering die nu ineens heel anders blijkt dan hij toen leek: de kamers-ensuite beneden die nu opeens veel kleiner oogt dan de balzalen die ze mij toen voorkwamen. In de meeste benedenhuizen van de Lomanstraat zal het om die reden zijn dat men de schuifdeuren en inbouwkasten, waartussen wij op een klassenavond in 1962 nog De Menæchmi opvoerden, heeft uitgebroken om er één grote kamer van te maken.
Zo ook in Lomanstraat 6, maar niet in het nu te koop/huur staande pand waarvan ik gauw even een foto maakte. Ook de tuin, die ook toen al niet echt groot was, bleek nu een beklemmend klein plaatsje te zijn, op het noorden ook nog eens, zodat ik het eigenlijk direct kon koppelen aan de trieste en verstikkende ambiance van Richard, zelfde tijd, zelfde leeftijd ook, in “De elektriseermachine van Wimshurst” van W.F. Hermans. Mijn slaapkamer daarentegen kwam mij nu groter voor dan ik vanuit die jaren in mijn hoofd had. Wellicht doordat mijn opklapbed nogal fors aan de maat was, en ook het bureau ruim genoeg was bemeten voor al die schoolboeken, zodat er aan loopruimte destijds maar weinig overbleef. En ook viel mij ineens op hoe hoog de plafonds zijn, zeker op de eerste verdieping. Misschien heb je als kind voor dat soort dingen weinig oog. Het kan ook zijn dat je intussen totaal andere referenties in je hoofd hebt na zo vele jaren en zo vele verhuizingen.

Nog een slagje groter: de (zeven?) struikelstenen die in de Lomanstraat voor de voordeuren van enkele huizen zijn geplaatst ter nagedachtenis aan van daaruit gedeporteerde joodse bewoners. En natuurlijk het volgens mij bewust zo ontworpen meest markante aspect van de Lomanstraat: de platanenboog, nu nog voller en imposanter dan de staatsiefoto die Hans Aarsman er rond 1993 van maakte.

Een waardevol weerzien, al met al, met dank aan de huidige bewoners die met liefde en plezier “open huis” hielden. Zij snapten ook wel wat zoiets na 50 jaar allemaal kan betekenen.

 

 

Lomanstraat – Van S naar 6

Eindelijk lukte het me begin deze maand, na zo vele jaren, weer eens een bezoek te brengen aan mijn ouderlijk huis Lomanstraat 6. Herinneringen, emoties, weemoed.
Plus de (vermoedelijke) oplossing van een mysterie waar ik nog nooit goed uit was gekomen. De huidige bewoners wisten het ook niet, maar het Stadsarchief bracht me op een idee. De vraag was: wat doet die inmiddels verdwenen witgekalkte 6 onder het huisnummerbordje, en wat heeft daar oorspronkelijk gestaan?

Ik weet zo goed als zeker dat er in 1956, toen we er kwamen wonen, geen 6 stond gekalkt, maar een grote dikke S. Je kunt ook op de foto uit 1962 zien dat er op de plaats van die 6 iets was weggepoetst. Altijd dacht ik, waarschijnlijk omdat me dat door wie dan ook was verteld, dat die S stond voor SD, dat wil zeggen dat informanten een S kalkten om de SD te alarmeren dat een bezoek aan dat huis erg zinvol zou zijn. Daarbij hoort het verhaal dat er bij ons in de kelder een gedeelte kruipruimte was, waarin je door een gat in de muur kon komen, en dat daar in de oorlog joden waren ondergedoken geweest. Enig bewijs daarvoor ontbrak echter.

Wel is het zo, dat er in de oorlog in de Lomanstraat joden woonden, net als in de Rivierenbuurt. Onlangs zijn er zeven (meen ik) zogenaamde struikelstenen geplaatst in de stoep van de Lomanstraat bij de huizen van waaruit joden zijn gedeporteerd. Maar voor nummer 6 ligt niet zo’n struikelsteen.


Navraag bij het Stadsarchief leverde vrij snel een alternatieve betekenis op. Peter Kroesen berichtte mij desgevraagd:

De witgekalkte 6 is in de oorlogsjaren aangebracht i.v.m. de verduisteringsvoorschriften. In de schemering gaven de witgekalkte cijfers nog enige oriëntatie in de verduisterde straten.
De S staat voor schuilkelder. Hiermee werd aangegeven dat er, in geval van luchtalarm, in een openbaar toegankelijke schuilkelder geschuild kon worden.
Of er op een bepaald adres onderduikers hebben gezeten, kan niet worden nagegaan. Er zijn geen lijsten van onderduikadressen o.i.d. Het geheime karakter van de onderduik sluit registratie uit.
De aanwezigheid van een openbaar toegankelijke schuilkelder overigens, maakt het m.i. minder waarschijnlijk dat er onderduikers gezeten zouden hebben.

Ook voor die aanwijzing als schuilkelder ontbreekt overigens ieder bewijs. Er is geen foto van te vinden, en op internet is ook geen ondersteunend bewijs dat er in de Lomanstraat, dus ook niet op nummer 6, een publieke schuilkelder is geweest, noch tijdens de oorlog, noch tijdens de Koude Oorlog toen de BB er van alles aan deed om ons bang te maken voor de Russen en er her en der weer schuilkelders werden ingericht. Vreemd is het ook, dat die S is verdwenen en er een 6 voor in de plaats is gekomen. Ik zou toch verwachten dat beide in de oorlog tegelijk zichtbaar aanwezig waren, en zo niet, dat dan de 6 zou zijn overgekalkt met een S. Maar het omgekeerde was het geval. En van die witgekalkte huisnummers i.v.m. verduistering is wel wat te vinden uit onder andere de Rivierenbuurt. Zie HIER.

Er bestaat dus toch nog een onopgelost stukje historische puzzel.
Intussen zal ik de huidige eigenaar van Lomanstraat 6 huis vragen of die 6 weer kan worden aangebracht. Mooi stukje historisch erfgoed.

 

 

KLu

Aan mijn carrière als dienstplichtige heb ik gemengde gevoelens overgehouden. Het betrof de verplichte diensttijd (1966-1968) alsmede vijf volstrekt zinloze herhalingsoefeningen in 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974, waarna mij met de hulp van enkele Tweede-Kamerleden verdere ellende bespaard bleef.
Ik was ingedeeld bij de verkeersleiding van onze Koninklijke Luchtmacht. Dat op zich was heel positief, maar er valt wel meer te melden.

 

Bij opkomst werd ik een nummer: 461011309, HOLLAND RK BLGR.A.RHO/0/POS. Dat staat ook gestanst in het metalen plaatje waarvan de ene helft op mijn lijk moest worden bevestigd en waarvan de andere helft naar mijn nabestaanden moest worden gezonden.

 

Op grond van het feit dat ik aantoonbaar tot de intelligentsia behoorde, kwam ik terecht bij de opleiding tot officier verkeersleider, die de eerste maanden plaatsvond op vliegbasis Gilze-Rijen. Ik vond het prima, want ik was dol op alles wat met luchtvaart had te maken. Bovendien kreeg ik de indruk dat er bij de Luchtmacht meer werd gedacht aan een bedrijf dat vliegtuigen veilig in de lucht en weer aan de grond moest zien te krijgen, dan dat het een gemoderniseerde variant was van de voorbereiding op veldslagen zoals die laatstelijk in 1944 waren gevoerd in de Ardennen en rond Overloon.
Het was dus ook niet waarschijnlijk dat dit met Israëlische Uzi’s bewapende klasje (bovenste foto) paraat was om de oprukkende Russen de definitieve nederlaag toe te brengen, maar wel dat de keurige heren in opleiding (onderste foto) enige bijdrage aan de vliegverkeersveiligheid zouden kunnen gaan leveren.

Ook positief was de vrij gedegen cursus Engels, want in de militaire en burgerluchtverkeersleiding is Engels de voertaal, ook al denken Fransen, Italianen en Turken, ook in NAVO-verband, daar vaak anders over. Van iets mindere diepgang was de EHBO-cursus, beter dan de beruchte en volstrekt infantiele BB-folder uit 1961 (“Wenken voor de bescherming van uw gezin en uzelf”) die geheel vanuit het koudeoorlogsdenken was geschreven, maar minder degelijk dan de EHBO-cursus die ik later als docent nog eens heb gevolgd.
De hoofdmoot was het vouwblad I K 2-22, nr. G3/66 7501/T II-71147-705764F dd.18 juli 1966.

Ik bleef daar op Gilze-Rijen tot rond de grote vakantie van 1967. Het was een leer- en oefentijd met nauwelijks enige praktijkonderdelen. Het verkeersleiden leerden we met behulp van een simulator; Engels, EHBO, meteorologie en de verkeersleidingsterminologie ging allemaal uit boekjes met aansluitend wat praktijkoefeningen. Er werd op Gilze-Rijen ook niet zo erg veel gevlogen, en toen er in mei/juni 1967, vooral ’s nachts, opeens opvallend veel zware transportvliegtuigen van de basis opstegen, kregen we pas veel later in de gaten dat dat bevoorradingsvluchten waren voor Israël, dat aan de zesdaagse oorlog ging beginnen. Veel discussie daarover vond er niet plaats.

Eenmaal gevormd en inmiddels bevorderd tot dpl.sgt. werd ik tewerkgesteld op de vliegbasis Eindhoven. Dat was voor mij de best denkbare keus, mede omdat ik in Eindhoven ook familie had wonen, Brabant zowat mijn favoriete provincie was en er een goede treinverbinding met Amsterdam bestond. Maar meer nog dan dat beviel het werk me wel op de verkeerstoren van Eindhoven. Er waren drie squadrons gestationeerd (314, 315 en 316), waardoor het al tamelijk druk was, maar het vliegverkeer werd nog intensiever doordat Eindhoven ook fungeerde als burgerluchthaven, zoals nu nog steeds.
De NLM (binnenlands stiefkindje van de KLM) vloog tussen Maastricht, Eindhoven, Rotterdam, Amsterdam, Enschede en Groningen op en neer met F-27 Friendships, de SABENA (dolle pret op de verkeerstoren als die zich tweemaal per week vanuit Brussel tussen al die straaljagers mengde met de DC-3 Dakota OO-BIA; bij forse tegenwind leek het vliegtuig boven de kop van de landingsbaan zowat stil in de lucht te blijven hangen), maar vooral de Philips Vliegdienst die in die jaren over acht vliegtuigen beschikte waarmee zeer frequent zakenvluchten werden gemaakt. Al met al was Eindhoven in die tijd na Schiphol de drukste burgerluchthaven van Nederland.

Het vliegbasispersoneel was gevarieerd van samenstelling. Het liep van rechts tot uiterst rechts. Op een gegeven moment hield ik het niet meer en begon ik stelselmatig te reageren op ziekmakende anti-communistische koudeoorlogartikelen in het periodieke personeelsblad van de basis. Wonder boven wonder werden die ook steeds geplaatst en ontstond er ook enige discussie over. Dat mijn stellingname mede van invloed is geweest op de uiteindelijke beoordeling van mijn functioneren, valt niet te bewijzen. Wel weet ik, inmiddels bevorderd tot vaandrig, het voorportaal van het officiersgilde, dat ik aan mijn kapitein-mentor een keer liet ontvallen dat ik de officierseed niet zonder meer zou afleggen, omdat ik als overtuigd republikein het “Ik zweer trouw aan de koningin…” niet uit mijn strot kon krijgen.

Niet lang daarna werd ik ongeschikt verklaard voor mijn functie, werd ik gedegradeerd tot sergeant en gedeporteerd naar de vliegbasis Twenthe. Dat laatste was nog het ergste.

Ik loog net een beetje door te stellen dat iedereen op de vliegbasis Eindoven rechts tot uiterst rechts was. Ik verbleef als vaandrig in het officiersgebouw met een eigen mess en slaapvertrekken. Daar deelde ik een kamer met een collega, niet van de verkeersleiding overigens, met wie ik het wonderwel kon vinden. Hij was een fervent aanhanger van de toen net opgerichte Tien over rood-beweging binnen de PvdA en als het niet aan de tap was, dan was het wel nachten lang in bed om samen te mijmeren over de beste manier om Nederland te redden van de wisse ondergang. Nederland was sinds kort opgezadeld met het kabinet-De Jong (KVP, VVD, ARP, CHU) met Luns op Buitenlandse Zaken, dus er was voor ons wel werk aan de winkel. We hebben in de maanden dat we samen waren zo ongeveer een heel regeringsprogramma geschreven en waren ook al een eind met het invullen van de ministersposten, net zoiets als wat Jaap de Hoop Scheffer en Pieter Haverman jaren daarvoor schijnen gedaan te hebben in de Gym-IB-tijd, al betrof het toen Kuweit. Ik geloof dat ik Onderwijs kreeg. Of Verkeer. Daar wil ik even af wezen.

Uit het oogpunt van vliegverkeersveiligheid draaiden verkeersleiders wisseldiensten van in principe 4 uur op en 4 uur af. Dus ’s ochtends op de toren, ’s middags vrij en dan eventueel ’s avonds nog de Philips vliegtuigen die terugkwamen van de zakendiners weer aan de grond zien te praten. Dan wel: ’s ochtends en ’s avonds vrij, en ’s middags op. Al de zo ontstane vrije tijd was simpel te doden. Was het niet aan de tap of aan het biljart, dan wel in de sportzaal.
Daar kreeg ik te maken met de politiek ongelabelde Willy van de Kuylen, die dienstplichtig bij de meteo diende, één verdieping lager in de verkeerstoren. Veel van geleerd. Bijvoorbeeld dat ik nooit een goed voetballer zou worden, en dat je soms moet rennen voor je leven. Als hij in de zaal naast het doel schoot, ketste de bal van de ene korte wand helemaal tegen de andere en had dan nog steeds vaart. Doodeng. Hij heeft het beslist verder geschopt dan dat lullige plastic Van Houtenspeldje dat nu nog her en der voor een paar euro van eigenaar wisselt. Ander vertier was te halen in het PMT, het Protestant Militair Tehuis, dat zowaar bestond in dat katholieke zuiden, naast het wat saaiere KMT voor de katholieken. Het is daar waar ik voor het eerst een Pasolinifilm heb gezien – het begin van een van mijn grootste hobby’s. Het betrof, hoe kan het anders, Il Vangelo secondo Matteo, het Mattheusevangelie met Enrique Irazoqui als Christus, die ik vele jaren later nog eens ontmoette in het Vondelpark bij de presentatie van de opgefriste reeks Pasolinifilms. Een, in levenden lijve, uiterst minzaam, sympathiek en weldenkend persoon – je zou er bijna katholiek van worden.

Over het kenmerkende Twentse landschap (foto Twentse Erven, 2014) wil ik nog wel positief zijn. Het is ook de inspiratiebron geweest van Theun de Vries voor zijn door mij bewierookte roman Het zondagsbed, maar voor de rest heb ik daar alleen maar ellende ervaren. Ik mocht de mensen niet, hun taaltje en mentaliteit al evenmin, en ik werd er gezien als een overbodige, hun opgedrongen zuiderling die alleen maar in de weg liep. Het deed mij dan ook zeer deugd, dat ik bij de gratie Gods (of die van onze Vorstin, of die van defensieminister Den Toom) toestemming kreeg niet de volledige 24 maanden diensttijd te hoeven uitzitten, maar dat ik al na 21 maanden naar huis mocht, om op tijd met mijn studie Nederlands aan de UvA te kunnen beginnen. Dezelfde week dat ik afzwaaide, meldde ik mij in Amsterdam aan als lid van de PSP.

Daarmee was het leed echter niet nog geschied. In 1969, 1971, 1972, 1973 en 1974 werd ik opgeroepen voor telkens 19 dagen herhalingsoefeningen, zogenaamd om mijn operationele inzetbaarheid op peil te houden, en dat dan steeds in dat vermaledijde Twente. Uit nijd had ik op het dak van mijn Fiatje 600 een vijfpuntige rode ster geschilderd. Dan verscheen ik toch mooi in rood-wit-blauw, bruuskeerde ik al die reactionaire militairen en kon ik erop hopen dat de Russen bij hun aanstaande bombardement althans mijn auto buiten schot zouden houden.
Maar verder was het huilen met de pet op. Op de toren was ik niet welkom – liep er te veel in de weg en verantwoordelijkheid kreeg ik toch niet, want ik miste de vereiste praktijkervaring. Daarom werd ik dagelijks met een luchtmachtbusje abgeschleppt naar een bunker in Bentelo, waar zich de radarpost van de vliegbasis bevond. Bij mooi weer vlogen de piloten op zicht, begeleid vanuit de verkeerstoren; dan had je in die bunker al helemaal niks te doen, maar hij moest wel steeds bemand zijn voor als de Russen kwamen. Bij minder mooi weer moest dat via radarinstructies. Daarmee had ik geen ervaring, en de Tukkers hebben er alles aan gedaan om mij dat ook niet bij te brengen; ik moest dus van die apparatuur, en zeker van de microfoon afblijven. Mijn rol bestond in hoofdzaak uit koffie halen, besmuikt lachen om de vele, iets te vaak herhaalde schuine moppen, en luisteren naar alle escapades die het lokale personeel in het afgelopen weekend bij elkaar had geneukt. De enige lotgenoot met wie ik nog een soort van vriendschap wist te ontwikkelen was een jongen uit Tilburg. Ook hij verveelde zich stierlijk en hij sprak plat Tilburgs. Maar vergeleken bij al dat Tukkers om me heen klonk het me als muziek in de oren.

Ik ben zoals ik ben. Ten einde raad en der dagen zat richtte ik mij tot een aantal min of meer fatsoenlijke partijen in de Tweede Kamer, te weten PSP, CPN, PPR, D’66 en PvdA, teneinde deze poppenkast te kunnen afschaffen. Alle vijf reageerden positief. Klaas de Vries, ingeschakeld door Ed van Thijn, sprak er Den Toom over aan en niet veel later was het de Commodore Gerritsen die het konijn van de kool en de geit uit de hoed toverde: ik hoefde na dit jaar niet meer op herhaling. Geniet hieronder van diens passage die getuigt van diep menselijk begrip, welwillendheid en goed gefundeerde complimenten voor mijn voortreffelijke attitude:

Had Marcel Bullinga gelijk met zijn boek Het leger maakt een man van je? (Amsterdam : SUA 1984)
Ik denk het wel, maar de door hem beschreven schandalen zijn in hoofdzaak kwesties binnen de afgestompte gelederen van de Landmacht. Voeg daarbij dat alles wat bij de Marine gebeurt traditioneel aan boord van het schip dient te blijven. Bij de Luchtmacht stond de bedrijfsvoering voorop. Er werd heus wel meer dan eens een schuine mop gelanceerd, en  na zoveel x10 pilsjes klonk het wel eens, ik citeer:

Aan de oever van de vliet (van de vliet, van de vliet)
zat kleine Piet (kleine Piet, kleine Piet)
met zijn piemeltje te spelen,
maar Marietje kwam maar niet. (Oh, oh, oh oh!)

Bij het vallen van de maan, (van de maan, van de maan)
kwam Marietje aan (kwam Marietje aan)
met haar broekje naar beneden
Piet zijn piemeltje ging staan. (Ho, ho, ho ho!)

Wat er verder is geschied (is geschied, is geschied)
vertel ik niet, (vrtel ik niet vrtel ik niet)
maar negen maanden later
was er weer een kleine Piet (Ja, ja, ja, ja!)

Een soort potjemetvetvariant die doorduurde tot men er genoeg van had en er niemand meer lachte.

Er lagen er wel eens twee in één bed die dat in het kader van hun dienstvervulling niet hoorden te doen; er werd wel eens gegluurd onder- of bovenlangs douche- of kleedhokjes, al haalde dat het niet bij wat er zich in het Amsterdamse AMVJ-zwembad allemaal afspeelde. De verveling en dagelijkse sleur werd bij tijd en wijle wel onder de gordel gecompenseerd. Maar wie ben ik om me daarover te beklagen.

 

Stalinlaan en Dauphine

Ik toog dus naar de Stalinlaan, waarover later meer.
Weinig romans zullen zo poëtisch beginnen.
Het was voor mijn eerste vakantiebaantje, waarover later meer. Tussen mijn eindexamen en het in werkelijken dienst opkomen lagen immers ongeveer zes maanden, zoals eerder al opgemerkt, en die wilde ik graag verzilveren. Ik heb er nog steeds plezier van.

Over de populistische blunder om de Stalinlaan in 1956 om te dopen tot Vrijheidslaan (maar wel Tsjechovs Iwanow diezelfde maand in de Stadsschouwburg opvoeren!) eerst maar even het volgende. In de euforie in 1945 rond de bevrijding achtte men het kies enkele voorname straten in Amsterdam te vernoemen naar geallieerde leiders. Het gemeentebestuur koos voor de Jalta-variant: Roosevelt, Churchill en Stalin beklonken daar op de conferentie in februari 1945 een deel van de verdere Europese en wereldgeschiedenis. Hoewel aan Frankrijk weliswaar werd toegezegd dat het ook een kwart van het Duitse grondgebied uit veiligheidsoverwegingen mocht gaan bezetten, was dat land op de conferentie afwezig. De Amsterdamse gemeenteraad kwam daardoor niet op het lumineuze idee ook een De Gaullelaan aan te wijzen.
Blunder nummer 1.

In november 1956 vielen Sovjettroepen Hongarije binnen, net zoals zij dat in 1968 in Tsjechoslowakije deden. Vanuit Sovjetperspectief een noodzakelijke ingreep, die bovendien binnen de geest en kaders van de Jalta-akkoorden viel; daar was immers de demarcatielijn in Europa getrokken tussen de door de USSR en de door de USA te koloniseren landen. Beide grootmachten conformeerden zich redelijk netjes daaraan, met een correctie binnen Oostenrijk als uitzondering, maar afspraak is afspraak: Hongarije en Tsjechoslowakije behoorden volgens de overeenkomst tot de Sovjetinvloedssfeer. Zie in dat licht dus ook maar de wat lauwe en slechts formele reactie van Amerikaanse zijde tegen beide invallen.

Maar de Amsterdamse bevolking trok partij en keerde zich in een anti-Sovjetstemming tegen het handhaven van de Stalinlaan. Blunder nummer 2. Immers, hoewel Chroesjtsjov al in februari 1956 afstand genomen van Stalin, bleef het historische feit overeind dat Stalin de Sovjetleider was die in de Tweede Wereldoorlog met de andere geallieerden Nazi-Duitsland hadden verslagen, en daaraan kon de destalinisatie niets veranderen.

De Amsterdamse volkswoede had tot gevolg dat, met instemming van alle partijen behalve de CPN, de op één na grootste partij in de gemeenteraad, de Stalinlaan werd omgedoopt tot Vrijheidslaan. De CPN hanteerde daarbij het correcte standpunt dat het historisch gezien niet deugde een der drie geallieerde leiders opeens weg te zuiveren omdat die bij nader inzien niet zo beviel.

Ik heb mijzelf nooit echt een communist gevoeld, maar mijn weerzin tegen communisme en de Sovjet-Unie in het bijzonder legde het al in mijn middelbareschooltijd volstrekt af tegen mijn weerzin tegen de anticommunismehetze in de westerse wereld, aangewakkerd door abjecte predikers als Luns, pater Werenfried van Straaten, het OSL en de NAVO. Uit een soort compensatiedrang heb ik daarom altijd corrigerende warme gevoelens gekoesterd jegens de Sovjet-Unie, die mij deels zijn bevestigd door positieve persoonlijke ervaringen met manschappen van het Sovjetleger in Tsjechoslowakije, anderzijds ook ernstig zijn bemoeilijkt door optredens van Sovjetzijde, en individuele Sovjetpatjakkers die ik meermaals in Praag heb ontmoet.

Zonder overigens enig onderling overleg met hem vond ik in 2009 een medestander in Jonas Staal (what’s in a name) die in een ludieke actie de Vrijheidslaan korte tijd wist terug te transformeren tot Stalinlaan.
Ik wil er bij dezen voor pleiten dat ook blijvend te doen, met als aanvullende eis dat er ook voor een
De Gaullelaan passende ruimte wordt gevonden.
Misschien in de plaats van de Jekerstraat. Geen hond die weet waar de Jeker stroomt en of je er lekker in kunt poedelen, en bovendien ligt die straat keurig tussen Churchill en Roosevelt, zodat we van De Gaulle verder weinig te duchten zullen hebben.

Ik had het dus over mijn vakantiebaantjes. De eerste arbeidsplek waar ik terecht kwam, was een of ander ondefinieerbaar bedrijfje aan de omgedoopte Stalinlaan, waar mallen werden vervaardigd waarin schalen, bakjes en weet ik wat voor vormen konden worden gegoten waarvan mij het precieze procedé en het nut volstrekt ontging. Maar ik ging als argeloze schoolverlater voor het geld en stelde dus geen lastige vragen. We werkten daar met een man of vijf. Al na een week of daaromtrent kwam opeens de eenmansbaas zenuwachtig op ons af, drukte ons een loonzakje in de hand, met daarin het afgesproken weekloon – dat dan nog wel, en maande ons zo snel mogelijk het pand te verlaten via de achterdeur, door de tuin, en niet meer terug te komen.
Bij de voordeur stond de arbeidsinspectie aan te bellen.

Deze eerste ervaring met het ware kapitalisme weerhield mij niet ervan vervolgens een week of wat door te brengen op het AMRO-kantoor achter De Bijenkorf op het Beursplein. Daar moest ik enige tienduizenden papieren stukken, obligaties of iets dergelijks, op nummer leggen en weer in archiefdozen stoppen, iets waar ik heel goed in ben. Het betaalde niet slecht, maar uitzicht op een carrière bood het niet en het was daarenboven nogal stompzinnig werk. Ik wist toen ook nog niet dat je door te ponsen sneller tot sortering kunt komen; streepjescodes bestonden toen nog niet. Of het contract snel afliep, of dat ik er zelf de brui aan gaf, kan ik me niet meer herinneren.

Meer naar mijn aard was de baan die ik tot vlak voor het in werkelijken dienst opkomen heb weten vol te houden en waarmee ik tot op de dag van vandaag nog enige connectie heb: het Renaultgebouw aan het Mr. Treubplein, tegenover het Amstelstation, waarin tegenwoordig café-restaurant Dauphine is gevestigd. Is dat even toeval?

Misschien omdat econoom en liberaal politicus Treub net zo’n boef was als Stalin, werd het Mr. Treubplein in 1939 door het Amsterdamse gemeentebestuur omgedoopt tot Prins Bernhardplein, die immers alles behalve een boef was. Alleen van 1942 tot 1945 moest het plein even Gooiplein heten om De Telegraaf en de bezetter niet voor het hoofd te stoten. Treub was overigens toch niet zo drastisch als Stalin in ongenade gevallen, want de westelijke toegangsweg tot het plein heet ook nu nog Mr. Treublaan.

Daar in dat Renaultgebouw werd ik tewerkgesteld in het magazijn. Voor mij een mekka. De hele dag deuren, motorkappen, complete motoren en allerlei andere onderdelen sjouwen ter opslag of uitlevering. Ik leerde er haarfijn de verschillende onderdelen van de R4, R8, de toen nieuwe R10 en, jawel, de Dauphine van elkaar te onderscheiden, iets waarvan ik nog steeds wel plezier heb om onderdelen voor mijn Dauphine en die van andere oude Renaulttypes uit elkaar te kunnen houden. Bovendien verdiende het werk meer dan behoorlijk goed en hoefden we ook nooit via de achterdeur de tuin in, naar de banketbakkersschool bijvoorbeeld, de lof der zoetheid, aan de Wibautstraat.

Van het vele verdiende geld kocht ik, opmerkelijk hevig geïndoctrineerd door Bernard Huijbers, een heuse Revox A77 studiotapedeck, dat toen net op de markt verscheen voor een slordige ƒ 2.000,=. Bernard had de voorloper, ik meen de Revox G36, een erop gelijkend apparaat maar dan nog met buizen uitgerust, terwijl de A77 met transistoren werkt.

Daarnaast kocht ik, ook op Bernards advies, de onovertroffen set van een Quad 33 voorversterker en Quad 303 eindversterker, samen voor een bedrag van ± ƒ 1.400,=.
Tot op heden zijn die Revox en Quad apparaten nog steeds prima werkend in mijn bezit. Voor de elektrostatische geluidsboxen, waar hij zo sterk op aandrong, had ik eventjes niet genoeg geld. Die heb ik na mij studietijd gekocht toen ik in Eindhoven woonde. Ook die doen het nu nog steeds naar behoren.

Zo bracht ik mijn vakantie door, leerde ik veel, verdiende nog meer, en omgaf ik mij met levenslang genot.

Nu alleen nog de Stalinlaan rehabiliteren. Dat alleen al zou voor mij reden zijn om bij de volgende gemeenteraadsverkiezing CPN te stemmen.
Alleen daarom; voor de rest bleef ik toch maar het liefst de PSP trouw.

 

Uitvliegen

Trouwe lezers van deze weblog hebben wellicht bemerkt dat mijn serie “Levensloop” leek te eindigen bij mijn eindexamen en mijn afsluitende reeks 7 sacramenten ter evaluatie. Dat is natuurlijk niet correct, maar vooral het 7e sacrament maakte zo veel los, dat enige bezinktijd was gewenst. Het verhaal houdt dus niet op met deze laatste foto die pater Zaat van mij maakte, op de RKAVIC-velden in mei 1966, het jaar dus waarin ik 20 werd.
Ik slaagde voor mijn eindexamen, zij het op het nippertje, en was daarmee klaar om uit te vliegen. Immers, het staat geschreven:
En komt het grote leven (het blijft een avontuur),
Met ingespannen streven, met plichten zwaar en duur.

Eigenlijk moet ik nu weer instappen in het jaar waarin ik 18 werd om twee memorabele details correct in de tijd te plaatsen.
Er werd op het IG aan beroepsvoorlichting gedaan, mede samenhangend met je keuze voor α of ß na IV-gym. Ik herinner mij een gesprek dat ik in dat kader had met pater Dionysius (Nies) van Lier, van wie wij dat jaar godsdienst hadden. Vanuit mijn vliegtuighobby en nogal systematische inborst had ik in mijn hoofd dat ik misschien later, als ik groot was, wel naar de KMA zou willen om officier bij de luchtmacht te worden.
Helaas droeg ik een bril, dus voor piloot was ik ongeschikt. De enige die dat wel mocht was de Duitse prins Bernhard die in het kader van de gezinshereniging een permanente verblijfsvergunning in Nederland had gekregen en brildragend naar hartelust piloteerde. Wellicht heeft Lockheed hem ook nog op een Starfighter laten vliegen.

Waar was ik ook weer gebleven? KMA, geen piloot dus, maar dan graag iets in de logistiek of verkeersleiding. Nies van Lier hoorde het aan, gaf er geen oordeel over, maar voegde me wel toe dat ik in dat geval toch minstens kolonel zou moeten worden. Alsof je dat bij indiensttreding direct even kunt aangeven. Bovendien, het Griekse kolonelsregime dat vlak na mijn eindexamen aantrad, maakte mij toch al niet zo blij met die carrièredroom.

In datzelfde jaar, het jaar waarin ik 18 werd, viel bij ons de oproep voor de dienstplichtkeuring in de brievenbus. Gebruikmakend van het gele dienstreisbiljet, ik meen model F, dat recht gaf op gratis treinvervoer met de NS, 3e klasse, dus in die blauwe wagons met houten banken, net als de trams van het GVB in die tijd, begaf ik mij naar het keuringscentrum te Utrecht. Mulisch’ verhaal Keuring (uit De versierde mens) had ik gelukkig toen nog niet gelezen, anders zou ik me ziek hebben gemeld.
Die dienstplichtkeuring was een belevenis apart. Bij binnenkomst der meute eerst de registratie, dan een kop koffie en dan werden we allemaal in tweeën gedeeld. De hele groep dan, niet ieder op zich. Groep A kreeg voor de lunch eerst de psychologische test en daarna de medische keuring; voor groep B gold het omgekeerde. Daar tussenin een sobere lunch met regeeringsbrood, één plakje kaas en wat jam, en uiteraard weer koffie.
Ik belandde in groep B; waarom, dat werd niet uitgelegd. Het ritueel begon met maten en gewichten, tot op de centimeter en gram nauwkeurig, van je lijf, onder aftrek van de tarra van de onderbroek, het enige wat je vooralsnog aan mocht houden. Dan kreeg je van een norse beroepssergeant een reageerbuisje en een jampotje in handen geduwd, waarmee je naar de toiletten moest. Het eerste was voor een bloedmonster, het andere voor een urinestaal. Het enige wat de beroeps daarbij luidkeels uit zijn mond kreeg, was: “Godverdomme, niet in dat buisje piesen! Godverdomme, niet in dat buisje piesen!”
Daarop volgde de stethoscoop, en het plichtmatige voelen en knijpen om de meest vreselijke ziekten tijdig op het spoor te komen. Immers, er moest een ABOHZIS-classificatie van je worden opgesteld (resp. Algemeen, Boven, Onder, Horen, Zien, Intelligentie, Stabiliteit) met waarden tussen de 1 “geschikt” en 5 “ongeschikt”. Het schijnt dat in de jaren-’90 zo’n 35% van de Nederlandse keurlingen op een dezer gronden werd afgekeurd voor de dienstplicht. Over de betrouwbaarheid van de onderzoeksresultaten is er zelfs een proefschrift verschenen dat er niet om liegt: het was kletsnatte vingerwerk.
Berucht, voor sommigen: geliefd, was een S5. Daarmee werd je weliswaar definitief ongeschikt verklaard en hoefde je dus niet in dienst, maar algemeen werd aangenomen dat je met een S5, het gekkenbriefje, zoals Ger Verrips dat in 1973 omschreef, later bij sollicitaties ernstig in de problemen kon komen. Bleek je dus psychisch instabiel, of volstrekt analfabeet, of gewoon homo, dat kon je het schudden: S5. Om die laatste afwijking te verifiëren, moest je je onderbroek uittrekken en diep bukken, iets waarmee ik van huis uit al enige ervaring had opgedaan. De dienstdoende arts, of een hospik in opleiding, bestudeerde dan de spreiding van je bilnaad, op grond waarvan aannemelijk was dat je al dan niet homo was. Ik bleek geen homo te zijn, zei hij ter geruststelling.
Ik moet hier eigenlijk niet lollig over doen, want het was in feite een grof gênante vertoning waaraan ook nog eens elke fundering ontbrak, maar kennelijk beschikte het Nederlandse leger over geen andere thermometer ter bepaling van je seksuele geaardheid.
Na de voortreffelijke lunch volgde de psychologische test, waarbij dus de I en S van de ABOHZIS ter vaststelling aan bod kwamen. Een hele serie opdrachten in volgorde van opklimmende moeilijkheid. Zoals “Welk getal ontbreekt er in de reeks 1-3-5-9?” (bij foutief antwoord: onverbiddelijk een I5 op je conduitestaat) tot het moment dat je een deurslot in losse onderdelen voor je neus kreeg dat je binnen 5 minuten weer in elkaar moest zetten; dat leverde een I1 op.

Bij het administratieve intakegesprek had ik mijn idee genoemd om KMA-officier bij de luchtmacht te worden. En doordat, ik herhaal het, op het IG aan beroepsvoorlichting werd gedaan, kreeg ik in januari van mijn eindexamenjaar de mogelijkheid aangeboden naar een kijkdag van de KMA in Breda te gaan. De reiskosten werden vergoed. Jezuïeten hebben centen, hetgeen vermoedelijk betekende dat ze de kosten wisten af te wentelen op Defensie.
Het werd een regelrechte desillusie. Vanaf mijn binnenkomst op het Kasteel Breda ervoer ik de beklemmede sfeer, de Leidseballenjoligheid, de sterk rechtse mentaliteit die bepaald niet intellectueel, laat staan voor mij acceptabel overkwamen. In de trein terug wist ik het al: daar gaat de zoveelste jongensdroom aan diggelen. Geen tramconducteur, geen kolonel, maar vermoedelijk iets daar tussenin zou mijn lot zijn.

Toch kwam mijn geuite voornemen tijdens de dienstplichtkeuring mij later nog wel goed van pas, want ik werd na mijn eindexamen opgeroepen voor de opleiding tot dienstplichtig officier Verkeersleiding bij diezelfde luchtmacht. Dat wordt een volgend artikel.
Daaraan vooraf: hoe breng ik mijn vakantie door? Want tussen mijn eindexamen in juni en de oproep voor militaire dienst in december 1966 lagen bijkans zes maanden.
Eerst dus maar eens even centjes verdienen, genieten en leuke dingen doen. Lees dus verder in het artikel dat erop volgt.

 

 

 

 

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.