Salò en het gedonder in Keulen (vervolg)

In de uitzending van Per seconde wijzer van 12 februari werd mij een lijstje van negen schuinsmarcheerders in de schoot geworpen bij een vraag die werd ingeleid met de bekende sigaar uit eigen doos die Bill Clinton in 1995 aan Monica Lewinsky serveerde. Clinton kwam ermee weg, zelfs in het zo preutse Amerika, zelfs bij zijn carrièrebeluste echtgenote. En wij kunnen er wel een beetje lacherig en schouderophalend op reageren.
Bij Strauss-Kahn en de anderen begint het allengs wat bedenkelijker vormen aan te nemen.

Moeiteloos kan ik het rijtje nog uitbreiden met machtige figuren als Jeltsin, Mitterand, en natuurlijk Berlusconi. Op een iets lager niveau speelt ook Nederland een bescheiden bijrol: het gonst van de geruchten rond koning Willem III en Prins Bernhard, en meer recent bij premiers als Lubbers en Balkenende, staatssecretaris Jack de Vries, bisschop Gijsen.
De grootste gemene deler van al deze gevallen is dat politieke of financiële macht leidt tot machtsmisbruik en opvallend vaak tot seksuele uitspattingen. En daar ligt nu precies de link met Salò.

Maar -tegenwerping- de binnenkomende vluchtelingen zijn toch allesbehalve gezagsdragers? Nee en ja.

Nee: Concreet beschouwd staan ze onderaan de ladder en mogen ze al blij zijn als hun de sobere bed-bad-broodregeling ten deel valt. Dat dat tot spanningen kan leiden, met hun recente vluchtoorzaak en -gevaren in het achterhoofd, is niet bijster vreemd. Maar als een soort tweederangsburgers hebben ze het inderdaad niet voor het zeggen.

Ja: kenmerk van xenofobie, waarvan islamofobie een onderdeel vormt, is dat de authentieke bevolking in binnendringers een gevaar ziet, van welke snit of aard dan ook; zij verstoren de bestaande orde en rust, en nemen daarmee en stuk van de regie over. Dat heet dan: onveiligheid. De binnendringer, het zo vaak in films en literatuur optredende motief, vormt in feite, maar zeker in het denkpatroon van bestaande vooroordelen, een machtsfactor waartegen het eigen volk zich niet denkt te kunnen weren, onschuldig en machteloos als het zich voelt.

De hier bovenaan genoemde voorbeelden van stoute gezagsdragers hebben, in dat licht bezien, een totaal ongewenst neveneffect. Want wat nu opvalt, is dat er vanuit diverse hoeken (van PVV en VVD tot een heel scala aan media) een argument tegen de vluchtelingeninstroom wordt gezocht in hun potentiële ontucht. De zondebok wordt afgeschilderd als een seksbeluste crimineel, het liefst al bij voorbaat, als het maar om Arabieren gaat, ongeacht of die uit Syrië of Marokko komen; immers, Berbers en Arabieren zijn één pot nat: ze komen hier profiteren van onze meisjes en uitkeringen. Mijn dochter kan niet meer veilig naar school rijden. Borstvergroting. Misschien hebben de islamofoben te veel naar Drs. P geluisterd die, in het kader van een KRO-radioserie over fruit, de banaan onder de loep nam zonder dat woord ook maar één keer te noemen, maar wel door alle regels erop te laten rijmen. Het lied heet dus “Orgaan” en bevat de volgende strofe:

De ongedwongen Arabier kan zich laten gaan
Bij voorbeeld in het speelkwartier van zijn karavaan
Want daar ontspant men zich van harte en simultaan
Niet dat angstvallige aparte, maar zwaan-kleef-aan

Het vluchtelingendrama leidt daarnaast tot anti-AZC-protesten vanwege “te veel en te lang”, “Vol = vol”. In WO-I nam Nederland echter wel 1 miljoen Belgische vluchtelingen op (maar die spraken een soort Nederlands, waren doorgaans gewoon katholiek en wilden ook graag weer terugkeren naar hun thuisland). Tussen 1935 en 1940 wilde Nederland niet meer dan tussen de 25.000 en 30.000 Duits-joodse vluchtelingen opnemen omdat het zijn neutraliteit wilde waarborgen. Ook een argument. Van de 140.000 joden in Nederland werden er vervolgens meer dan 100.000 weer Nederland uitgedeporteerd. De geschiedenis strooit met getallen en statistieken en ieder kan er zijn gevoeg mee doen.

Waarom monden macht en angst vanuit onmacht zo haast vanzelfsprekend uit in seks? Ik leg weer de link met Salò.
In de woorden van Pasolini: “Salò is de enige film die over de werkelijkheid gaat”. Dat had hij ten tijde van Berlusconi met kracht van feiten kunnen staven, maar nu tijdens wat wij zo vlot ‘vluchtelingencrisis’ noemen al evenzeer.
En ter verduidelijking verklaart hij: “Seks in Salò is de metafoor van de macht. Alle seksualiteit die in Salò aanwezig is, vormt ook een metafoor van de verhouding tussen machthebbers en die aan hen zijn onderworpen. In andere woorden is het de al dan niet gedroomde uitbeelding van wat Marx ‘het tot handelswaar maken van de mens’ noemt: de reductie van het lichaam tot een voorwerp middels uitbuiting. In mijn film speelt derhalve de seks de metaforische rol van het verschrikkelijke”. – Zie hier voor meer (in het Italiaans).

Ik kan niet waarmaken dat er in Keulen (en enkele meer noordelijke steden) geen gedonder is geweest, maar waarom zijn er geen beelden van? Waarom zijn er geen daders of verdachten opgepakt (“er zijn 17 verdachten in beeld”; dat is alles)? Zou er misschien dan toch sprake zijn van een opgeklopte hysterie en fantoomdenken, zoals wij nog wel kennen van Oude Pekela of de Clown van Enschede, waar puntje bij paaltje helemaal niets van waar bleek te zijn? Kom met bewijzen vooraleer te (ver)oordelen en de vluchtelingen bij voorbaat collectief te stigmatiseren en criminaliseren, onze huidige aangepaste variant op de Kristallnacht.

Ik laat het niet bij deze deprimerende klaagzang. Ik wil wel twee aanzetten geven tot een iets realistischer en menselijker optreden jegens mensen die om welke reden dan ook liever in Nederland verblijven dan in hun thuisland.

Remedie 1: Zonder een cordon sanitair rond de PVV voor te staan, propageer ik het wat selectiever publiceren in deze kwesties en het niet meeliften op populistische prietpraat; kom in de pers en op bijeenkomsten liever maar met talloze voorbeelden van geslaagde opvang. Laten we er maar van uitgaan dat ruim 99,9% van de mannelijke vluchtelingen geen sekspiraten zijn – vrouwen en kinderen tellen we niet mee, want die doen dat soort dingen immers toch niet.

Remedie 2: Spreek niet langer over vage grote aantallen van anonieme vluchtelingen/gelukzoekers, maar focus op één persoon of één familie en probeer die te volgen van de reden tot ontvluchten tot de opvang ergens in Europa. Dat is ook precies mijn insteek geweest bij mijn historische miniroman Hortes 1636: niet de 600 inwoners van Hortes collectief laten afslachten, maar één lid van één Hortse familie de camera laten voeren en via hem alle anderen te schilderen. Evenzo was dat mijn insteek bij mijn jongste WO-I-boek La vérité et son image: de documenten van één vader van één familie uit Rosoy vanuit diverse optieken aan het woord laten en zo de hele oorlog tot leven brengen. Want het kleine leed is groter dan de Grote Oorlog.

Ik maak hier graag webruimte vrij voor het relaas van één zo’n Syriër in Nederland, en één verhaal zegt meer dan tienduizend vluchtelingen. Het Volkskrantartikel van 3 maart 2016 over de Urker zalmsnijder vervult daarvan een prima voorbeeld.

 

 

Salò en het gedonder in Keulen

Onlangs is er een DVD-box beschikbaar gekomen met daarin de gereviseerde versie van Salò (na een zeer ingrijpende kleurcorrectie) en een tweede DVD met een overvloed aan achtergondbeelden, foto’s en interviews rond die nu 40 jaar oude film. Ook in de box: een boekwerkje met teksten van en over Pasolini en Salò in het bijzonder. Deze gereviseerde versie leverde de eerste prijs op die de film ooit te beurt is gevallen.

Over Salò ga ik hier niet veel vertellen, want dat heb ik eerder al uitvoerig gedaan in een achtdelige serie. Hooguit verklap ik hier dat de box voor slechts € 17 is te bestellen bij de Cineteca di Bologna. Dat gaat per internet via http://cinestore.cinetecadibologna.it/bookshop/dettaglio/99.

Houd er wel rekening mee dat de Italiaanse portotarieven even schandalig zijn als de Nederlandse; ik moest € 20 bijbetalen voor de verzending per TNT. Maar dan loeveren ze erg snel, voor Italiaanse begrippen: drie dagen na bestelling had ik de box in de bus.

Al kijkende en lezende bekroop mij het akelige gevoel dat er een verband bestaat tussen Salò en de oudjaarsfestiviteiten in Keulen (en elders). Over dat gedonder moet ik nog even piekeren, maar ik kom er gauw mee voor de draad.

Der Rosenkönig (Portugal 1986)

Het heeft me bijna drie jaar gekost om over Der Rosenkönig een enigszins samenhangend verhaal te schrijven. Dat heeft zo zijn oorzaken, want nog los van de klus zich te moeten inlezen in de acteurs en personages, is er nog een veel groter probleem: Der Rosenkönig is eigenlijk geen film, althans niet in traditionele zin, het is veeleer een verfilmd dramatisch epos, waarbij de teksten in beelden zijn gevangen. En dat vraagt om een heel andere benadering dan die bij “gewone” films.

 

Der Rosenkönig ging in première op het Rotterdams Film Festival op 1 februari 1986 en kenmerkt zich door een aantal zeer verschillende eigenschappen.

Zo was er, om te beginnen, geen script. Er werd min of meer uit de losse pols gespeeld en gesproken. In de uitvoering die ik heb, is dat afwisselend Portugees, Engels, Frans, Italiaans, Arabisch en Duits. Dat die uitvoering ook nog eens Engelse ondertitels heeft, is prettig voor mij (ik spreek/versta Portugees noch Arabisch), maar zonde van de beelden en, nog veel belangrijker, door regisseur Werner Schroeter ook absoluut verboden. Maar Schroeter is dood (2010) en de filmwereld doet met zijn nalatenchap wat zij wil. Zo kan ik je ook nog een Spaanstalig .srt-bestand leveren voor Spaanse ondertitels.

Die afwezigheid van een script had te maken met haast, en wel om een reden die ook niet alledaags en des films is: Schroeter had als een der hoofdpersonages wederom en beroep gedaan op Magdalena Montezuma (1942-1984; Duitse van origine) van wie ten tijde van de opnamen al bekend was dat ze ongeneeslijk ziek was. Voor hem was dat aanleiding haar niet te strak te binden aan een filmscript en bovendien, zo blijkt uit de aftiteling, de hele film aan haar op te dragen. Zij overleed enkele weken na de laatste filmopnamen.

Schrijnend genoeg was het ook voor de Italiaanse Antonio Orlando (1960-1989), hier rechts in beeld, de laatste speelfilm waarin hij zou acteren. Vóór Der Rosenkönig had hij in tientallen andere films en tv-series gespeeld, onder meer ook in Pasolini’s Salò, waarin hij de rol van Tonino speelt. Naar verluidt kwam hij bij een auto-ongeluk in Napels op 28 september 1988 om het leven.
Voor de derde hoofdrolspeler, Mostáfa Djadjam, links op de foto, van Algerijnse afkomst, was Der Rosenkönig de eerste grote speelfilm waarin hij als acteur optrad.

Vooral de naderende dood van Magdalena Montezuma overheerst de film, zonder er qua plot of beelden ook maar iets mee te maken te hebben.

Heeft de film wel een plot? Ja, eventueel. Verstrikt en verscholen in beelden, metaforen en symboliek valt er wel een soort van verhaal van te vertellen.
Anna Rahma en haar zoon Albert runnen een rozenkwekerij in een vervallen complex aan het strand van een Portugees dorpje. Exacte tijd en plaats zijn niet gegeven, maar ook niet bijster terzake doende. Het zal wel een dorpje aan zee, niet ver van Lissabon zijn, want de acterende kinderen komen uit Sintra en Montijo, twee gemeenten onder de rook van de Portugese hoofdstad.
Zowel uit de sfeerbeelden van het deprimerende pand vol rommel en spinnenwebben, als uit de schaarse informatie die we te horen krijgen, valt op te maken dat de handel niet echt floreert: in de hele film wordt er niets verkocht, terwijl de ene lening slechts met de andere kan worden 
afgelost.
Dan is er opeens Fernando. Waar hij vandaan komt, wordt niet duidelijk. Maar als hij in de kapel stiekem het offerblok licht (met de overbekende Italiaanse smoes “voor mijn zieke moeder”), wordt hij betrapt door Albert en prompt onstaat er tussen beiden een vreemdsoortige relatie. Fernando wordt ‘gehuisvest’ op het stro in de schaapstal en ondergaat de steeds verder gaande avances van Albert lijdzaam (of is het gewillig?).
Terwijl de moeder steeds dieper wegzinkt in haar persoonlijke en bedrijfsellende, die haar tot over de rand der waanzin voert, zet Albert alles op alles om Fernando tot het summum van zijn kwekerijkunst te brengen: Fernando moet de Rozenkoning worden, wat er kort en goed op neerkomt dat Albert in Fernando’s lijf diepe sneden kerft waarin hij rozen ent. In die uitdossing legt hij hem in de rozentuin op de grond. Fernando wordt, als object van een onbereikbaar verlangen, tot idool, waarin Albert zijn ‘vakmanschap’, het enten van rozen, weet te leggen, ook al vernietigt hij daarmee zijn eigen liefdesobject (geen onbekend literair motief!).

Maar voor het verhaal alleen hoef je de DVD niet te kopen, of te downstreamen, of naar de bioscoop te gaan. Het zijn de beelden die het hem doen. Telkens weer, tussen de scènes of vaak zelfs midden in scènes word je uit het verhaal en in de symboliek getrokken, waarvan zelfs de duiding het aflegt tegen de verrassing, verbazing, verdwazing. Daarbij zijn wel enkele constanten aan te geven:

Allereerst het kleurgebruik: het veelvuldig optredende rood; niet alleen van de rozen -de kwekerij heeft alleen rode rozen in de aanbieding-, maar ook van de kleding en, naar het einde toe, van het bloed. We kennen de symboliek van ‘rood’ genoegzaam.
Verder het blauw, koel en onbegrepen als het is, die blauwe zweem van dampende landschappen, de branding van de oceaan, de herhaaldelijk in beeld gebrachte close-ups van typisch Portugese ‘Delftsblauwe’ muurtegels.
En het zwart van de dood, het zwart dat we Anna enkele malen op haar gezicht en zelfs de piano zien smeren.

Vervolgens de viezigheid, als ik er dat tenminste onder mag verstaan, van de overal in huis aanwezige spinnenwebben, de verfletste foto’s. Daarnaast de kikkers, in water gevangen, die schier doelloos wachten op wat er gaat komen. En niet op de laatste plaats het vuur: de brandende kapel, de verbrande foto’s, het stro in brand (aangestoken met de laatste lucifer uit een niet onbekend doosje), de hele rozenkwekerij in vlammen, de dorpskinderen die rond een stapel brandend hout dansen – dat allemaal is geen toeval meer.
Vergeet ook niet de muziek en ander geluid in het geheel te betrekken, de 19e-eeuwse operafragmenten; de gedeclameerde gedichten; de in de verte wegtrekkende treinen.
Dan is er het water, onontbeerlijk voor de mens, maar evenzeer voor een bloemenkwekerij. Bij voortduring zien we iemand de rozen besproeien, bossen rozen druipen van het water, de golven van de zee in de blauwe nacht aankomen op het strand.

Dat laatste krijgt nog een extra dimensie. Natuurlijk is het niet voor niets dat we die branding in totaal 23 maal kortstondig (meestal maar zo’n 4 seconden) in beeld krijgen, zonder enige tekst of uitleg. Maar in de helft van de gevallen biedt die branding nog iets meer: we zien Fernando aanspoelen aan het strand, de golven slaan nog over hem heen, maar de voetstappen in het zand lijken erop te wijzen dat hij, eenmaal aangespoeld in het vreemde land, naar het dorpje is getrokken. Vanuit zijn eigen perspectief is hij de Odysseus of andere literaire held, denk ook aan Yunan in “Il fiore delle 1001 notte” van Pasolini, die schipbreuk lijdt, naakt aanspoelt en dan belandt op een ‘gevaarlijk’ eiland waar hem een zware klus wacht. Vanuit het perspectief van moeder en zoon is hij de onverwachte indringer, het ook al zo vaak gebezigde literaire/filmische motief om spanning in de plot te brengen. Ik besprak het eerder al bij mijn verhaal over Tras el cristal van Villaronga, waar de plotsklaps binnendringende Angelo de hele huishouding op zijn kop zet, sterker nog, die het hele verhaal naar zich toetrekt. Zo is het in Der Rosenkönig ook min of meer: de opeens ten tonele verschenen Fernando drijft een wig tussen moeder en zoon, die er beiden wanhopig onder worden.

Dat er, en passant, een scene is waarin Albert ‘zijn’ Fernando tegen een boomstam plaatst en hem omstandig gaat staan wassen (“Waarom was je mij?” – “Omdat ik je moet wassen.”) levert in de wat langere artikelen over deze film de vreemde discrepantie op, dat de een Fernando hier vergelijkt met Sebastiaan, de ander met Christus. Voor beide opties is wat te zeggen, alhoewel beide symbolen uit de religie in hun terminale positie niet werden gewassen – integendeel. Fernando mist te veel eigenschappen die hem ondubbelzinnig met een van de twee zou kunnen identificeren.

De film roept meer emoties op dan begrip. Misschien vind ik het wel juist daarom een goede film, omdat ik hem niet begrijp, maar er lang en vaak naar kan kijken.

_________________________

Der Rosenkönig (Portugal 1986). Regie: Werner Schroeter. 110 minuten.
Alternatieve titel: Le roi des roses.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0091871/
Geen ondertitels toegestaan, maar ze bestaan wel in Engels en Spaans.

Voor meer info: lees de bespreking door Dietrich Kuhlbrodt op http://www.filmzentrale.com/rezis/rosenkoenigdk.htm
en een bespreking op 16.internationales Forum des jungen Films (Berlin 1986), HIER als pdf te downloaden.

 

 

 

 

Anthracite (Frankrijk 1979)

Er was eens een tijd, zo tussen 1975 en 1990, dat er nogal wat films en romans verschenen met internaten of kostscholen als thema. De paters, broeders of nonnen waren de despoten die de tere kinderzielen verminkten.
Ik vermoed, maar zeker is dat niet, dat de betreffende auteurs daarmee hun jeugdtrauma’s, of die van hun omgeving, poogden van zich af te schrijven.

De Franse film Anthracite van Edouard Niermans (geb.1943), spelend in 1952 op een Jezuïeteninternaat in Zuid-Frankrijk, is er een goed, maar vrij onbekend voorbeeld van.
Ik vond de film terug op een oude VHS-band met een Duits nagesynchroniseerde tv-uitzending uit 1982.

Vooraf: ik bezit de film uitsluitend in deze nagesynchroniseerde versie. ‘s Lands wijs, ‘s lands eer. Jammer is dat, want alhoewel de thematiek bepaald niet typisch Frans is, had ik toch liever een origineel geluidsspoor gehad.

Om de film in enkele zinnen samen te vatten gaat hij over een pater Jezuïet die, in een ondergeschikte rol, geen orde weet te houden voor de klas. Deze pater Godard, aan wie de bijnaam Anthracite is toebedeeld, wil het allemaal wel goed doen, maar begaat in feite alleen pedagogisch-onderwijskundige blunders. Zijn superieuren besluiten daarop hem over te plaatsen, terug te sturen naar Parijs, maar op de avond voor zijn vertrek wordt hij door leerlingen deerlijk toegetakeld.

Deze samenvatting is echter te kort door de bocht. Als het al waar is, dat de film een egodocument is om enige in de jeugd opgelopen onderwijsschade te beteugelen, dan kan een slapjanus als Godard nooit de hoofdpersoon zijn. Het is waar: in mijn onderwijstijd heb ik tal van studenten begeleid die voor de klas de ene misstap na de andere begingen. Ik zou een hele equipe-Godard kunnen samenstellen. Maar ook heb ik ervaren dat vanuit de optiek van leerlingen en studenten onderwijzend personeel tot het meubilair van de school behoort dat at random kan worden ingeruild voor iemand anders. Docenten zijn passanten, net als voetbaltrainers, en ook zonder hen draait het circus gewoon door. Voor het betere begrip van de film is het daarom noodzakelijk enkele personages wat nader onder de loep te nemen.

De pikorde binnen de gesloten internaatsgemeenschap is manifest: bovenaan staan de jezuïtische superieuren, de rector (Jean Bouise; hier links met bril) en de prefect (Bruno Cremer), twee handen op één buik, voor wie de discipline boven alles gaat en voor wie er geen enkele ruimte tot discussie aanwezig is. De orde handhaven, dat is hun credo.
Daaronder het onmisbare middenkader: de docenten en begeleiders op wie de uitvoerende taak rust: pater Godard, die uitsluitend faalt, de gymnastiekleraar die zo zijn eigen invulling geeft aan het begrip discipline, de surveillant die één arm mist. Eén niveau lager staan de leerlingen, om wie het eigenlijk zou moeten draaien en voor wie de hele organisatie in feite bedoeld zou moeten zijn. Het blijkt echter een zootje ongeregeld te zijn, kinderen van rijkeluisouders die het zich kunnen permitteren hun kind naar een jezuïeteninternaat te sturen, iets wat ik ook nog wel een beetje herken uit de tijd dat ik bij het Luzac-college werkte. Hoe vaak niet betreft het leerlingen die het op een “gewone” school niet redden en aan wie derhalve deze kostbare Sonderbehandlung ten deel valt.
Onderaan de ladder het huishoudelijk en keukenpersoneel, gemakshalve hier ingevuld door verstandelijk gehandicapten die vermoedelijk nergens anders aan de bak kunnen komen dan in deze sociale werkplaats, maar die onontkoombaar slachtoffer van spot en getreiter worden door alle niveaus boven hen.

Op het internaat heerst een discipline die doet denken aan een militaire kazerne of een gevangenis. Wie zich niet adequaat aanpast, wordt verstoten. Als de rector en de prefect het ontbijt door een van de bedienden krijgen geserveerd, roept de rector de man bij zich, en met een “Brioches müssen warm gegessen werden. Bringen Sie sie wieder zurück” laat hij het brood terugbrengen naar de keuken. En even later tot de prefect, in een gesprek over de onderwijskundige aanpak op het internaat: “Wir können die Regeln nicht ändern ohne Anarchie zu sehen”. Maar juist de aldus geschapen ordening leidt ontontkoombaar tot chaos, zoals wij sinds W.F. Hermans en J.P. Sartre maar al te goed weten.

De gymnastiekleraar (Jean-Pierre Bagot) past prima in het systeem, zowel sadistisch, wanneer hij na de gymles de leerlingen laat douchen terwijl hij de warme kraan afsluit, als “opvoedkundig”, wanneer hij tijdens de gymles het dikkertje van de klas (mooie flash forward: in het begin van de film zien we die jongen in de slaapzaal stiekem een stuk chocola in zijn mond stoppen!) dat hij voor het front van alle klasgenoten belachelijk staat te maken om zijn papperige uiterlijk. Hij motiveert dat leermoment met de woorden: “Das Unglück der Einen ist das Glück der Anderen”. Voor wat het waard is.

Anthracite, naar wie de film is vernoemd, faalt op alle fronten, zoals gezegd. Te zachtaardig, te veel slapjanus in veler ogen, heeft hij ongetwijfeld het beste voor ogen, maar hij kan daaraan geen passende invulling geven. Hij is dus het mikpunt van pesterijen door de klas, nog niet zozeer vanwege zijn uiterlijk met zijn flaporen (dan zouden ze hem wel “pater Vleugelmoer” hebben genoemd), maar omdat ze weten dat hij toch niet ingrijpt als zij zich aan wat dan ook te buiten gaan. Daar komt nog bij dat hij, althans voor zover we te zien krijgen, een bijzondere affectie heeft voor Pierre, de sociale outcast van de klas, zodat pater Godard ook op dat front aan de verkeerde kant staat. Hoe dat voordeel (de speciale aandacht krijgen van een docent) kan omslaan in een nadeel, bewijst de slotscène waarin het Pierre is die hem uiteindelijk het hardste schopt.

Een treetje lager licht ik er twee leerlingen uit. Eerst Michel Fouquet (Jacques Bonnaffé), een van de oudere leerlingen die zich ontpopt als de flinke, tegendraadse rebel. Niet alleen trotseert hij manhaftig de (letterlijk) koude douche, even later ontvlucht hij de groep, rent door het internaat naar boven en begint vanaf de nok van het dak de verzamelde meute op de binnenplaats toe te schreeuwen, zijn klasgenoten die, in zijn woorden, nog in het fantoom van de vrijheid geloven, en dat ze angst hebben om te leven. “Ihr seit die Hoffnung der Nation!”, schampert hij ze nog na. Het komt hem op een aantal zweepslagen te staan wegens ontoelaatbare insubordinatie. Voor de spanningsboog van de film is het in ieder geval een aardige opsteker, want door de verder vrij trage handelingssnelheid zit er niet vaak veel dynamiek in de productie.

Dan Pierre (“zu sensibel”, volgens de prefect). Als hij niet al de hoofdpersoon in de film is, dan is hij toch de spil. Vermoedelijk zijn het zijn ogen die kijken als de ogen van de regisseur. Hij speelt niet zo zeer als actor, er wordt met hem gespeeld: achter zijn rug allerhande vreemde gebaren van klasgenoten die in hem een mietje of flikkertje zien. Zijn moeder die op een zondag op bezoek komt (van enige vader is geen spoor te bekennen); met haar blitse Jaguar, stuur rechts, gaan ze ergens in de campagne picknicken; hij gaat kreeftjes vangen, zij valt in slaap; tot een gesprek of zelfs maar enige genegenheid komt het niet. Pater Godard die zijn best doet zich over hem te ontfermen, maar dat helemaal verkeerd aanpakt, zodat hij van de koude kermis thuis komt. Opnieuw zijn klasgenoten die de kraai, die Pierre al tijden lang verzorgt, hebben gedood en achter in de klas aan de muur ophangen.
Het grootste deel van de film is Pierre de observator die met pierende en afkeurende blik aanschouwt wat er zich om hem heen afspeelt. Dit is niet zijn milieu, zo veel is duidelijk. Pas helemaal aan het einde komt hij in actie. Met gebalde vuisten loopt hij rond, ziet wat er gaande is en schopt vervolgens meer dan een halve minuut lang tegen de op de grond liggende pater die hem de hele tijd gemeend had te kunnen beschermen.

De film, gedraaid in 1979, speelt in 1952. In dat verband een tweetal opmerkingen.

Allereerst de volstrekte afwezigheid van zelfs maar een spoor van seksualiteit. Vandaag de dag zou het internaat één groot Sodom en Gomorra geweest zijn, maar in Anthracite gedragen de paters zich op dat vlak netjes en geen van de leerlingen schijnt zich met het onderwerp bezig te houden.

Verder vertoont Anthracite veel kenmerken van de film noir: we zien twee antihelden (Godard en Pierre) in een pessimistische, zo niet nihilistische entourage; somber- en mistroostigheid overheersen; vrij lange scènes zijn opgenomen met een niet-bewegende camera; er wordt gebruik gemaakt van spiegels, zoals het spionnetje dat net buiten het raam van de superieuren hangt en waar doorheen zij kunnen neerkijken (ook letterlijk, het is op de eerste verdieping) op wat zich op de binnenplaats afspeelt, en als de prefect ziet dat Godard door de leerlingen in elkaar wordt geschopt, sluit hij bedachtzaam het raam en brengt zijn kapsel in orde; de good guys leggen het af, de bad guys komen ermee weg – niet bepaald een happy end.

En laat het maar aan Franse regisseurs over: de film barst van de geraffineerde details die ofwel als flash forward worden ingezet, ofwel als een herhaaleffect, ofwel als een contrast. Zo is de gevangen vogel door de hele film heen zichtbaar: de kraai in een kooi die Pierre probeert in leven te houden contrasteert met de zaal met opgezette vogels waarin de prefect als ornitholoog bij tijd en wijle bezig is alweer een vogel op te zetten, met als dramatische hoogtepunten de gedode kraai die aan de muur komt te hangen en pater Godard die, door leerlingen geduwd tegen het doelnet op de binnenplaats, struikelt en in het net verstrikt raakt, waarna hij in elkaar wordt getrapt, als makkelijk mikpunt van het falende gezag. En de muzikale noot: vrij aan het begin, als de leerlingen voor het eerst in de eetzaal zijn beland, klinkt op de achtergrond La vie en rose van Edith Piaf. Als dat al geen sarcastische flash forward is, dan toch een sterk contrastelement.

In de ogen van Pierre, en wat mij betreft ook die van de regisseur, blinkt het internaat niet uit als kweekvijver waarin intellectuele waarden worden overgedragen, iets waarop Jezuïeten toch patent hebben, zoals wij ons van bijvoorbeeld het Ignatiuscollege kunnen herinneren. Of een broedplaats voor zelfstandig denkende, kritische wezens. Niets van dat al. Of dat aan de periode ligt, zo rond 1952, of aan de locatie in Zuid-Frankrijk – wie zal het zeggen. Misschien ligt het louter aan datgene wat de regisseur ons wilde meedelen. Parallel daaraan kun je Het Dolhuis lezen van Boudewijn Buch, of Red ons, Maria Montanelli van Herman Koch.

Ook opvallend is dat een videoband die ik al 33 jaar in de kast heb liggen, nog zo goed is weer te geven. Niet helemaal ongeschonden, maar nog steeds alleszins toonbaar. Net als de meeste personages in Anthracite.

 

________________________________
Anthracite (Frankrijk 1979). Regie: Edouard Niermans. 86 minuten. Kleur.
Alternatieve titels: This age without pity (UK); Anthrazit (D).
Opgenomen in de omgeving van Rodez, Aveyron (12).
Details:
 
http://www.imdb.com/title/tt0078785/.

Met o.a.:
Jean Bouise (rector)
Bruno Cremer (prefect)
Jean-Pol Dubois (père Godard aka Anthracite)
Jérôme Zucca (Pierre)
Jacques Bonnaffé (Michel Fouquet) 

Geen Nederlandse, Franse, Engelse of Duitse ondertitels gevonden.
Uitgezonden door WDR-3 op 7 oktober 1982.

 

Niks Kwai

Je hebt goede en slechte films. In mijn filmrubriek op deze weblog is het hele scala reeds voorhanden. Hieronder wil ik even mijn ergernis uiten over een oude, maar beroemde film: The Bridge on the River Kwai (1957), met in zijn kielzog de uit 1989 stammende zinloze productie Return from the River Kwai. Ik zal me beperken tot een selectie van de tientallen bezwaren die ik tegen beide heb.

Om maar meteen met het allerergste te beginnen (dan kun je desgewenst het vervolg overslaan): de films geven in geen enkel opzicht de situatie, omstandigheden, ellende weer die de honderdduizenden dwangarbeiders hebben meegemaakt bij de aanleg en het onderhoud van de Birma-Siamspoorlijn (1942-1945). Niet alleen zijn de films geen historische verantwoorde documentaires, nee, de trieste werkelijkheid is op z’n Hollywoods gemetamorfoseerd tot een brok amusement dat een kassucces kon waarborgen. The Bridge, goed voor 7 oscars en met een rating van 121 in de top-250 films – dan weet je al uit welke hoek de wind waait, heeft bovenaan zijn officiële poster staan: “Spans a Whole New World of Entertainment”, en Return, op de DVD-hoes aangeprezen als “Het langverwachte vervolg op de legendarische klassieker ‘Bridge on the River Kwai’” wordt uitgebracht door Video/FilmExpres – Entertainment and More. Ben benieuwd wat dat “More” inhoudt.

We zien legio min of meer gearriveerde Britse acteurs (en een aantal verdwaalde Japanse), in de schminkruimte rijkelijk voorzien van een dikke laag opsmuk die hun een hevig bezweet, getaand gelaat heeft opgeleverd. Ze ogen waarlijk kerngezond, meer heldhaftig en vastberaden dan barmhartig, en zeer goed doorvoed – mag ook wel, na drie jaren dwangarbeid onder de Jap.

Gelukkig kun je op de meeste afspeelapparatuur de veel te felle kleuren wat dempen, maar het gevoel van enig historisch besef (“respect” klinkt weer zo moralistisch) komt daarmee onvoldoende terug.

De grootste historische blunder in beide films is dat de brug niet over de Kwai-rivier was gespannen, maar over de Mae Khlong, op 2 km van waar die met de Kwai Noi samenvloeit. Misschien verkoopt “mae khlong” niet zo goed. Nota bene: oorspronkelijk was de brug nog honderden meters verder stroomopwaarts geprojecteerd, maar door Japanse stommiteiten werd het de “verkeerde” plek, bij Tamakan (ook wel Tha Markan genoemd), iets ten ZO van Kanchanaburi (ook wel Kanburi genoemd). En dan ook maar meteen: er was geen “brug over de River Kwai”, er waren twee bruggen: een houten schraagbrug, eigenlijk bedoeld als hulpverbinding bij de definitieve bouw, en een “echte” stalen brug, zo’n 100 m verderop. De foto hierboven is uit ’40-’45 Toen & Nu. Beide bruggen zijn in de oorlog herhaalde malen gebombardeerd en weer gerestaureerd. De houten brug is in 1946 afgebroken omdat de lage doorvaarthoogte de scheepvaart belemmerde; over de stalen brug, in aangepaste vorm, kun je nu nog steeds met de trein rijden. Een echt toeristische attractie.

Op de hieronder vermelde pagina’s van IMDB.COM kun je een hoop technische en historische fouten in de twee films teruglezen. Ik ga ze hier niet allemaal herhalen. Maar ik mis bijvoorbeeld het feit dat de spoorlijn op z’n Japans werd aangelegd, d.w.z. met een spoorwijdte van 106,7 cm, terwijl hij in Return een normale spoorwijdte van 143,5 lijkt te hebben, of zelfs van de in India gebruikelijke 167,6 cm. Ook in Return, direct aan het begin, zien we een bombardement door een of meer eenmotorige Amerikaanse P-47 Thunderbolt bommenwerpers van het 493 Squadron. Bij mijn weten was dat Squadron in februari 1945 gestationeerd in Europa (Frankrijk of Italië). Ex-piloten beweren dat ze in Siam met viermotorige B24-bommenwerpers vlogen – een totaal ander toestel, en dat ze hun bommen afwierpen op 12.000 voet hoogte (de Amerikanen in februari 1945; kijk maar op http://www.youtube.com/watch?v=3WDDpCQVRag, hoewel het bijschrift daarbij ook niet klopt) of op 4.000-6.000 voet hoogte (de Britten in april 1945). Wat je op de film ziet zijn bombardementen op 500 à 1.000 voet hoogte, wel een stuk spectaculairder. En wat ze bombarderen: alleen de stalen brug, die absoluut niet lijkt op de toen bestaande brug; van een tweede brug is geen spoor te bekennen. Sorry voor de wat misplaatste woordspeling. In The Bridge is het van hetzelfde laken een pak: alleen maar één brug, die er volstrekt anders uitziet dan wat er daar ooit is gebouwd. Voor die film hadden ze echter de hele setting in Ceylon gelokaliseerd, niet in Thailand. Maar dan nog.

Om verder elke nog overeind staande link met de realiteit te verbreken: in The Bridge bestaat de Heldenmoed der Britten daaruit, dat ze met ware doodsverachting erin slagen de brug te ondermijnen en op te blazen, net op het moment dat de eerste Japanse trein eroverheen rijdt. Dat is dus nooit zo gebeurd. Wel die eerste trein, met vlaggetjes en eerbetoon kwam hij op zijn bestemming aan, maar niet dat opblazen. Het waren de bombardementen die de brug(gen) vernielden.

Ik laat de films even voor wat ze zijn en bepaal me tot de Siamese werkelijkheid van de jaren-’40, in het bijzonder het tracé van de spoorlijn en de daarmee samenhangende cartografie. Als je een breedbeeldscherm hebt, kun je de hier afgebeelde kaart goed bestuderen. Het is een oorspronkelijk Japanse kaart uit hooguit 1942, door Britten min of meer tweetalig Engels-Japans gemaakt, die de spoorlijn van west (Moulmein) naar oost (Non Pladuk) uittekent.

Nu bestaat er het hardnekkige, generaliserende vooroordeel dat Oost-Aziaten geen kaart kunnen lezen of samenstellen, waaronder de vooronderstelling ligt dat zij moeilijk, of liever gezegd: anders abstraheren dan wij dat in Europa doen. Ik werd in 1992 in die gedachte bevestigd toen ik in Bangkok diverse malen moest ervaren dat taxichauffeurs geen kaart konden lezen. Als ik hun op de kaart aanwees naar welk hotel of welke tempel ik wilde, snapten ze er niks van; ook niet als ik aanwees waar we ons op dat moment bevonden. Liet ik ze echter een visitekaartje of folder zien van de plek van bestemming, dan knikten ze begrijpend en stoven er met ware doodsverachting direct naartoe. Ooit heb ik me eens laten vertellen dat Chinezen geen irrealis kennen en er ook niet in kunnen denken. Ik bedoel niet het uitdrukken van een gebeurtenis die nog moet plaatsvinden, maar van een gebeurtenis of situatie die juist niet plaatsvindt of zal vinden: Als ik rijk was, dan… (If I were a rich man…). Dat impliceert dat je het juist niet bent. Welnu, dan moet je er ook niet over spreken en al zeker niet in de verleden tijdsvorm. Het zou in dezelfde sfeer liggen als het beweerde feit dat Chinezen onze sprookjes niet snappen – een probleem dat in het tweetalige en tweeculturige Hongkong (Engels en Chinees) merkbaar aan de oppervlakte zou komen, als het allemaal waar is.

Overigens heb ik ook eens een vergelijkbare verbazingwekkende cartografische miskleun meegemaakt in Rome, begin jaren-’90. Wandelend door de stad, op zoek naar filmboekhandel Leuto in de Via di Monte Brianzo, vroeg ik aan een passerende Romein de weg. Een kaart had ik niet bij me, maar geduldig tekende hij achterop een vel papier uit hoe ik er kon komen: de brug over de Tiber nemen, dan meteen rechts, tweede links, tweemaal rechts en bij het driehoekige pleintje schuin linksvoor zou ik de winkel aantreffen. Wij de brug over en meteen rechts, maar vanaf dat moment klopte er van zijn schets helemaal niets meer. Dwalend, dolend en vragend kwamen we er uiteindelijk achter dat de man, met een werkelijk fabelachtige precisie, zijn kaart in spiegelbeeld had getekend: rechts en links waren perfect verwisseld. Leonardo da Vinci is er beroemd mee geworden.

Ik vermoed dat het hanteren van de irrealis, het kunnen denken in sprookjes en het rechts-links-onderscheid (“Rechts is waar je duim links zit, zei mijn moeder altijd”, hoorde ik ooit in een uitzending van Radio Bergeijk) aan elkaar verwante hersenactiviteiten vergen.

Maar goed, Japanners kunnen dus geen kaart tekenen of lezen. Welnu, dat hebben de vele krijgsgevangen dwangarbeiders gemerkt ook. Van de hen ter beschikking staande kaart klopte niet zo bar veel. De bruggen bij Tamakan werden op een verkeerde, tevens uiterst onpraktische, plaats geprojecteerd; op zeker moment bleek, dat als de werkers vanuit Birma en die vanuit Siam elkaar volgens de kaart in de buurt van de Driepagodenpas zouden ontmoeten, zij elkaar op ca. 1 km afstand zouden mislopen; opgegeven kilometrages bleken niet te kloppen, en meer van dat soort dingen. De Britten, je kunt veel van ze zeggen, maar ze weten ook vaak wel van ellende het beste te maken, hebben die Japanse onkunde uitgebuit door kaartwijzigingen voor te stellen, zogenaamd om een betere spoorlijn te krijgen, maar in wezen om het tracé zo aan te passen dat de werkers minder moeite met de aanleg zouden hebben. Dus zo lang mogelijk over vlak terrein langs een rivier, in plaats van een “kortere route” waar heuvel- en bergdoorgravingen aan te pas zouden komen. De kaart zoals hier gepresenteerd geeft de feitelijk uitgevoerde situatie redelijk goed weer. Met dank aan de Britten. En ik kan het weten, want ik ben er geweest en heb de route gereden. Sterker nog: ik ben niet ver van die spoorlijn verwekt.
Momenteel is de spoorlijn nog in gebruik van Bangkok tot aan Nam Tok (voorheen Tha Soe); ik heb een wandkaart van Thailand uit 1990 (ISBN 9748564428) waarop hij nog doorloopt tot een eind voorbij Sai Yok, 50 à 60 km verder westwaarts. Volgens de Britse kaart hierboven was dat in 1976 niet zo, en toen ik in 1992 de treinreis maakte, reed de trein van Thonburi Station (in Bangkok) tot aan Nam Tok als eindbestemming, zoals ook op het treinbord zelf stond aangegeven. Onbetrouwbaar, die Thaise kaarten.

Al die manmoedige Britse militairen, met hun koloniale superioriteitsgevoel zelfs nog boven hun Japanse overheersers uitvechtend, hen uit elkaar weten te spelen en, zoals in Return, aan boord van de Brazil Maru, weten te overmeesteren. Een koopvaardijschip trouwens dat in 1941 door de Jappen was gevorderd en in augustus 1942 werd getorpedeerd en tot zinken gebracht. De onverschrokken Britten varen er niettemin in 1945 mee uit, waarna het door een geallieerde onderzeeër wederom tot zinken wordt gebracht. Noodlot is immers onverbiddelijk.
Het is Spartacus in Siam.
De Colonel Bogeymars uit 1914 die als leadmuziek in The Bridge galmt, kan mij overigens nog wel bekoren. Hij doet mij in alle eerlijkheid verlangen, zoals er ooit stomme films bestonden met beeld zonder geluid, naar blinde films: geluid zonder beeld. Sound track heet dat in het Engels, geloof ik.

Wil je nog zo’n slechte oorlogsfilm? Lees dan mijn bericht over Europa, Europa.
Wil je een heel goede oorlogsfilm? Kijk dan bij Unsere Mütter unsere Väter

______________________________________

The Bridge on the River Kwai (UK/USA 1957). Regie: David Lean. 161 minuten.
O.a. verkrijgbaar op DVD Sony Pictures Home Entertainment. 2010 (EAN 8712609679021). 156 min. met Engelse, Ned. en Franse ondertitels.

Return from the River Kwai (UK 1989). Regie: Andrew V. McLaglen. 101 minuten.
O.a. verkrijgbaar op DVD Video/FilmExpres bv. 2000 (EAN 8713053000997). 97 min. met Ned. en Franse ondertitels.

Gebruikte bronnen:

 

 

Unsere Mütter, unsere Väter (Duitsland 2013)

 

In een eerder bericht besprak ik, in vrij negatieve bewoordingen, Europa, Europa van Agnieszka Holland (1990). Aan het einde van die bespreking beloofde ik beterschap door aandacht te besteden aan Unsere Mütter, unsere Väter (Stefan Kolditz, 2013).
Bij dezen.

Een van de argumenten die de VPRO zal hebben gehad het eerste deel van deze serie tussen kerstmis 2013 en nieuwjaar 2014 uit te zenden zal zijn gelegen in het motto dat ook boven het artikel van Maarten van Bracht op de VPRO-website staat: Met kerst zijn we weer thuis. Een gedachte die velen in 1941 daadwerkelijk in het hoofd hadden, zoals ook veel Fransen in augustus 1914 dachten de klus wel voor de kerst te zullen hebben geklaard. Maar er stond vier jaar voor.

De parallellen met Europa, Europa zijn er in opvallende mate en omvang. Beide films spelen van omstreeks de Kristallnacht tot net na de bevrijding van Berlijn in 1945. Het zijn Duitse films over Duitse mensen, families, militairen. Het Duitse leger trekt naar het oostfront en verliest. Een enkeling weet heelhuids terug te keren. Een van de hoofdpersonen in beide films is de zoon van een verdienstelijke joodse schoenmaker resp. kleermaker die de zaak tezijnertijd aan zijn zoon zal overdoen. Deze zoon echter trekt ook oostwaarts en raakt in het oorlogsgeweld betrokken. De onoplosbare vraag: “ben ik jood of ben ik Duitser?” is in beide films een grillige rode draad. En in beide films keert de zoon terug in een verslagen en verwoeste wereld. Met lege handen en zonder toekomstperspectief, zoals ook wij als kijker met lege handen blijven staan.

Tot zover de overeenkomsten tussen beide producties.
Ik ga op deze plaats niet het hele verhaal van de tv-serie uit de doeken doen – her en der op internet staat daarover voldoende te lezen. In heel kort bestek: vijf kameraden (drie jongens en twee meisjes) van rond de twintig, bijeen in een Berlijns café aan het begin van WO-II, beloven elkaar na afloop van de oorlog (“met kerst zijn we weer thuis”!) op dezelfde plek weer bij elkaar te komen. Ieder van hen gaat zijn eigen weg, oostwaarts, dat wel. Van tijd tot tijd komen sommigen elkaar tegen. Die toevalligheid is meteen ook het zwakste punt in de film. Aan het einde zijn er twee omgekomen en treffen de resterende drie elkaar in de desolate en deprimerende ambiance van wat er van het café anno 1945 resteert.

Waar het mij in dit bericht meer om te doen is, zijn de verschillen tussen Unsere Mütter, unsere Väter en Europa, Europa.

Om te beginnen: de handelingssnelheid, en dat nog wel bij een productie van circa 4½ uur. Al kijkende kun je het je niet permitteren een minuut of wat te missen, bij wijze van spreken: even naar de wc gaan is er niet bij, want bij terugkomst heb je al zo veel gemist dat je de draad van het verhaal kwijt bent. Onder meer bereikt de regisseur dat effect door elk van de vijf personages door elkaar heen in beeld te brengen. Niet de personages bepalen de volgorde, maar de chronologie. Keurig netjes staat bij elke overgang wel netjes vermeld op welke locatie we nu weer zijn beland, en hoe veel kilomter dat van Moskou of Berlijn is verwijderd, maar desalniettemin moet je vijf verhalen simultaan weten te volgen; voorwaar geen geringe opgave. Maar kijkers houden er wel van een hele kluif te krijgen voorgeschoteld.

Vervolgens de verhaallijn in termen van spanningsboog. Waar je bij Europa, Europa op je vingers kan natellen dat Salomon het er wel levend zal afbrengen naarmate er meer personen uit zijn omgeving om het leven komen, valt er bij Unsere Mütter, unsere Väter met geen mogelijkheid te voorzien wie wel en wie niet in 1945 Berlijn weer zal halen. En dat niet alleen: elke gebeurtenis, zowat elke handeling van een der personages roept onmiddellijk repercussies, gevolgen, wendingen, nieuwe verhoudingen op. Die maken het de kijker lastig een standpunt te bepalen tegenover de personen in kwestie. Er is geen zwart en wit, er zijn geen goede en slechte personages, keer op keer moet je je oordeel over elk van hen heroverwegen, variërend van afwijzend tot lovend – vaak ook neutraal en afwachtend. Aldus blijft de kijker voortdurend bezig zich bij de (in films zo onmisbare) identificatie met een of meer personages te bedenken en niet zelden van standpunt te wijzigen. En als je vooringenomenheid ten aanzien van WO-II niet zover gaat dat je alle Duitsers slecht vindt, alle joden zielig, alle Polen onbetrouwbaar en alle Russen uiterst beangstigend, kortom als je niet verder komt dan de alom bekende platitudes en generalisaties, dan heb je er de handen vol aan een oordeel te vormen over deze of gene persoon, in zijn context van tijd, plaats en gebeurtenis, en dan ook nog eens dat oordeel aan te passen aan nieuwe ontwikkelingen in de film. Bij mij was het zo dat ik elk van de vijf vrienden aanvankelijk wel sympathiek vond, vervolgens in wisselende mate onsympathiek, of gewoon eng, of triest, of toch maar weer sympathiek; het switchte de hele tijd op en neer. Ik noem dat een kwaliteit van de film.

Over het acteertalent van de diverse acteurs hoef ik het niet te hebben. Ik bedoel: dat vind ik bovenmodaal goed. Niet onbelangrijk detail is dat is me er al veel vaker over heb verbaasd hoe goed Duitse acteurs een uiterst abjecte nazi-officier kunnen spelen. Dat wordt ook in deze film volop bevestigd. Hulde en walging tegelijk. Ludwig Trepte, Viktor Goldstein in deze film, wil ik daarnaast even apart noemen omdat hij de enige acteur is die ik al uit eerdere films kende. Voor de gelegenheid moest hij zich inlezen en inleven wat het betekende om jood te zijn in Duitsland 1940-1945; hij was het immers zelf niet, net zo min als Salomon in Europa, Europa. Daarover laat hij zich bij ZDF uitvoerig uit. Wat mij opvalt, is dat hij zich net als in Keller – Teenage Wasteland (2005) en Kombat Sechzehn (ook 2005), twee films die alleszins de moeite waard zijn, mits je maag sterk genoeg is, ontpopt als iemand die in zijn rol secundair reageert, d.w.z. niet zozeer een drijvende kracht is, maar een speelbal die zich aanpast aan de omstandigheden en daarbij goede of minder goede keuzes maakt. Dat is evenwel iets anders dan sympathiek zijn of onsympathiek.

Ter afsluiting: Unsere Mütter, unsere Väter dwingt ons, 70 jaar na dato, opnieuw stelling te nemen, onze visie te bepalen, over een niet onbelangrijk deel van de Tweede Wereldoorlog, namelijk de beleving en ervaring daarvan door Duitse staatsburgers die er zelf in betrokken raakten zonder daarom te hebben gevraagd.

_________________________

Unsere Mütter, unsere Väter (Duitsland 2013). Regie: Stefan Kolditz. 275 minuten.
Details: http://www.imdb.com/title/tt1883092//
http://www.vpro.nl/lees/gids/dagtips/2013/52/zaterdag.html
Nederlandstalig ondertiteld (in de VPRO-uitzendingen)

 

Salò in achten (8/8)

Als Pasolini gelijk heeft, is Salò de enige film ter wereld die over de werkelijkheid gaat. Anderen betitelen de film als de meest gruwelijke aller tijden. Sommigen raken er compleet door gefascineerd, anderen verlaten halverwege de vertoning de bioscoopzaal, al dan niet kokhalzend, want ze kunnen het niet langer aanzien. Niemand die de film kent, vind er niks van: steeds weer flitsen de opinies van superlatieven tot uitermate pervers. Salò is een unieke film.
Vanuit mijn decennialange verbondenheid met Pasolinifilms kan het dan ook niet anders dan dat ik uitvoerig ga stilstaan bij Salò. Het worden acht bijdragen, want dat is tweemaal vier en Salò is een vierkante film. Het wordt ook meer tekst dan beeld, want de bespreking is mij meer waard dan het vertoon van boeiende of schokkende plaatjes. Die kun je zelf in de film wel bekijken.
Hier het laatste deel 8/8: collaboratie.

Het valt niet mee om te collaboreren. Van oudsher betekent het, net als nu nog in het Engels, Frans en Italiaans: samenwerken, in neutrale zin. Maar sinds ’40-’45 heeft het in het Nederlands (en ja hoor, ook in het Duits) in hoofdzaak de betekenis gekregen van “heulen met den vijand“. Daarmee kan de vraag of er in of rond Salò wordt gecollaboreerd niet zo simpel worden beantwoord.

Als de Hertog aan het eind de niet-terdoodveroordeelden voorhoudt dat zij wellicht mee mogen naar Salò, doet hij dat “a patto che continuino a collaborare”, d.w.z. “op voorwaarde dat zij blijven meewerken“. Niet “collaboreren” dus.

Wat is er nodig om te collaboreren: een bezettende mogendheid en iemand die vanuit de bezette mogendheid aan de bezetter hand- en spandiensten verricht. Maar zelfs dan: ik ken iemand wiens vader in de oorlog fietsenmaker was en toen onder meer gevorderde fietsen opknapte ten behoeve van de Duitsers. En dat nog wel in Amsterdam. Hij deed dit om zelf te overleven en zijn kinderen te eten te kunnen geven. Was hij collaborateur? Je hoort het mij niet zeggen, ook al wroet er van alles bij. Waren de tekenaars van de aan Philips gerelateerde Pal-studio collaborateurs omdat zij in 1943 in Den Haag voor het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten aan de slag gingen om beeldjes te tekenen voor de fascistische animatiefilm Van den Vos Reynaerde? Ze deden het voor het geld, zegden zelf niet eens goed te weten wat ze aan het maken waren, hebben niemand kwaad gedaan en de film is niet eens in publieke vertoning gekomen. Maar er wroet van alles bij.

Collaboratie heeft een negatieve bijsmaak. De bezetter zal zelf niet gauw van collaborerende vrienden spreken. Dus komen we terecht in de sfeer van het volksgericht dat zwart-wit denkend iemand nogal makkelijk tot “goed” of “fout” bestempelt. Literatuur genoeg daarover. Daaruit worden twee dingen duidelijk: in het bezet gebied wordt de welwillende medewerking aan de bezetter gezien als “fout”, maar ook de collaborateur zelf moet bliksems goed in de gaten hebben dat hij met “verkeerde dingen” bezig is, ook al meent hij ze te kunnen rechtvaardigen. Per ongeluk collaboreren kan niet.

Dan meteen maar het volgende probleem: was er in Italië anno 1943-1945 sprake van een bezettende mogendheid? In het noorden steunden de Duitsers de (hoe je het wendt of keert: legitieme) Fascistische Republiek van Salò, terwijl het zuiden was bezet (zegt de een) of bevrijd (zegt de ander) door de Geallieerden. Wie in die periode in Noord-Italië meewerkte met Italiaanse fascisten en met de Duitsers die hen steunden, was dus geen collaborateur. Dus wordt er in Salò niet gecollaboreerd, net zomin als dat er bij De Sades De 120 dagen van Sodom wordt gecollaboreerd, want die gebeurtenissen werden niet alleen slechts opgeschreven, niet uitgevoerd, en bovendien was er van enige staatkundige bezetting geen sprake. Franse woordenboeken van rond die tijd vermelden het werkwoord “collaborer” ook niet eens.

Daarmee zouden we gauw klaar zijn met dit hoofdstuk en konden overgaan tot de orde van de dag, ware het niet dat wij in ons gemeenlijk taalgebruik het begrip “collaboreren” allengs zijn gaan verbreden tot “bewust aan de verkeerde kant gaan staan“, gezegd door en gericht tegen anderen in de omgeving. Net als klikken dus bijvoorbeeld, op z’n minst asociaal, vaak ook schadelijk of gevaarlijk. Wie die betekenisverbreding niet accepteert, kan de rest van dit artikel overslaan, want ik zal vanaf hier de term ook in die zin gaan gebruiken.

Wordt er in Salò gecollaboreerd? Ja, bij de vleet. Het begint al vóór de film bij de audities. Lees het bericht uit Bologna daarover in mijn vorig artikel er nog maar eens op na. De gretigheid en welwillendheid van de aspirant-acteurs alleen al maakt hen tot medeplichtigen aan iets waarvan zij op hun klompen konden aanvoelen dat het bepaalde bestaande normen en waarden zou gaan schenden. Maar het geld lonkte, net als bij die striptekenaars van de Pal-studio. Bovendien: ze deden toch niets onwettigs? Hun ouders hadden toch ook toestemming gegeven? Staat filmkunst dan niet verheven boven geldende mores? Zal allemaal wel. Idem voor de vier vertelsters die, nu ze eenmaal ut het vak waren, de schnabbel wel konden gebruiken en er met zichtbaar plezier aan hebben meegewerkt.


Maar laten we gemakshalve binnen het filmverhaal blijven. Dat verhaal (van Salò, van onze maatschappij) is nog niet verteld als we weten dat er vier heren zijn met macht en acht plus acht slachtoffers, aan hen onderworpen. Tussen die bovenlaag en die onderlaag floreert het middenkader, de absoluut noodzakelijke tussenschakel die de in principe simpele lijn van boven naar beneden gestalte geeft en in stand houdt. Het begint al met de Duitse soldaten: figuranten, maar onmisbaar voor het handhaven van de fascistische orde; anoniem, maar herkenbaar; met bevelen als excuus, maar het zijn hun daden die het Kwaad gestalte geven. Zij rijden in het begin van de film een paar fietsende jongens klem en werven op deze en soortgelijke wijze een aantal jonge soldaten uit het volk; de wegloper wordt op de vlucht neergeschoten, een appèl aan de nationale medeplichtigheid. Eenmaal in hun rol gekleed laten deze meelopertjes zich voor elke kar spannen: of het nu het bespuwen van de verwerpelijk geachte dochters van de heren is, of het tijdens het gezamenlijk diner verkrachten van een serveerster, of het voortdurend in bedwang houden van de slachtoffers, het nonchalant zitten kaartspelen tijdens het bewaken van de in mesttonnen gepropte veroordeelden, of het opvoeren van een dansje tijdens de slotmartelingen, zij doen het schromeloos en gretig. De drie hoeren-vertelsters kennen hun rol al evenzeer: het verhitten der gemoederen der heren om hun uitspattingen meer cachet en dimensie te geven. Zij kennen hun positie en lijken onaantastbaar (dat is de veiligheid die veel collaborateurs in wezen ook zoeken). En hoewel zij in feite van geen enkel vergrijp kunnen worden beticht, is hun rol toch een uiterst smerige. Akkoord, de Pianiste krijgt wroeging en springt uit het raam. Daarmee is ze van haar positie en gewetensnood verlost, maar de anderen hebben daar niet bijster veel aan.

Maar toch blijf ik voorzichtig in  mijn veroordeling: Toen Mulisch in 1961 De zaak 40/61 schreef over het proces-Eichmann in Israël, voegde hij daar de zeer terecht waarschuwing aan toe dat eronder ons velen zullen zijn die zich, eenmaal in de omstandigheden gebracht waarin Eichmann in de jaren-’40 was beland, zich op gelijksoortige wijze zou zijn gaan gedragen. Theun de Vries maakt in W.A.-man (1946) voor iedereen begrijpelijk hoe iemand met een op zich niet afkeurenswaardig toekomstbeeld zich aan het begin van de oorlog aanmeldt voor de W.A. Eigenlijk zegt W.F. Hermans dat ook in al zijn werk; alleen al in Het behouden huis (in: Paranoia, 1953) wordt het ons volstrekt duidelijk hoe iemand in wie we een gewoon mens kunnen herkennen, in oorlogsomstandigheden tot een bandiet kan verworden, tot moordenaar en rover. Dick Walda kan pas heel laat (1980) zijn gewetensnood op papier krijgen: Trompettist in Auschwitz, waarin hij verhaalt hoe hij in het kamp gedwongen werd, maar ook in staat bleek, om vrolijke muziek te maken, zelfs om gepakte vluchtelingen weer in het kamp te verwelkomen en om executies op te vrolijken. Dat alles kunnen we niet met de onschendbare mantel der literatuur bedekken: het is de realiteit. Zelf heb ik altijd tweeslachtigheid gevoeld bij mijn eigen oordeelvorming over bijvoorbeeld Albert Speer (de Sovjets hadden daar minder moeite mee) en cineaste Leni Riefenstahl, met betrekking tot hun hand- en spandiensten-in-moeilijke-tijden.

Toch zeg ik dat er in Salò wordt gecollaboreerd op alle fronten; pijnlijk duidelijk wordt dat al in die broodnodige middenlaag, zoals de leiders en koppelaarsters van de kostscholen waar de jeugdige bloem der natie wordt geselecteerd; zij doen zichtbaar hun uiterste best het de heren zo aantrekkelijk mogelijk te maken, alsof de eer van een gekozen jongen of meisje ook op hen zal afstralen. Zij vormen geen decor of beeldvulling, zij beelden de absoluut noodzakelijke voorwaarde uit waaronder macht kan gedijen. Het zij gezegd.

Waarom doen mensen dat? Het ligt in de lijn van wat hierboven al enkele malen is gememoreerd, maar het is saillant dat het in feite de zestien slachtoffers zelf zijn die dat aan het einde van de film zo evident maken. Dan, tussen minuut 92 en 95, want ik heb het hele script in mijn hoofd, toont een aantal van hen zich wanhopig bereid te collaboreren in de hoop de eigen positie veilig te stellen. De een na de ander verraden zij elkaar tegenover de vier machthebbers. Klikken, noemde ik dat hierboven. Collaboreren, noem ik het nu. En ook al doen ze het ‘s nachts in het donker, dus niet zo publiekelijk en in uiterste nood: ze doen het.

Ik ga een stap verder: de hele film door zien we geen spoor van verzet bij de slachtoffers. Ik weet het, ik heb makkelijk praten, maar zij laten zich willoos en weerloos misbruiken en slachtofferen. De Giusti vermeldt het ook in een bijschrift bij enkele van zijn Salò-foto’s: “Le vittime non sono propriamente innocenti, ma passivamente complice” (“De slachtoffers zijn niet zozeer onschuldigen, maar passief medeplichtigen“) (De Giusti 1983, p.146) en even verderop: “Il pianto di una delle vittime non incontra la pietà e la solidarità di nessuno” (“Het huilen van een van de meisjes ontmoet medeleven noch solidariteit van wie ook maar“) (De Giusti 1983, p.151).

Het bontst maakt eigenlijk Umberto het, al heb ik daarover in de vele literatuur over Salò vreemd genoeg niets kunnen terugvinden. Ik heb het in eerdere berichten al kort aangestipt: bij de selectie door de vier heren staat hij met een sullige, wat dromerige kop in de camera te gapen. Maar eenmaal in zijn rol betoont hij zich overijverig. Bij het zingen tijdens het diner zingt hij uit de volste borst mee; bij het huwelijk van Sergio en Renata staat hij op de voorste rij; in de scène van het voederen van de honden: Umberto is hondje de voorste. Hij doet zó zijn best dat de heren hem soldaat maken (letterlijk zelfs), als Ezio door een minne-avontuur is weggevallen. Hij is er helemaal klaar voor. Nog maar net in zijn nieuwe functie presteert hij het de verzamelde slachtoffers, tot dan toe zijn lotgenoten, met zijn mitrailleur quasi neer te maaien. Het leedvermaak -hij staat nu aan de “goede”, veilige kant van de streep- straalt uit zijn ogen. Hij is, voor zover ik kan nagaan, de enige die in de film een erectie krijgt, namelijk bij het aanschouwen van de slotmartelingen, als de Hertog hem door zijn gulp bevoelt (en hij zich zonder enige tegenwerping ook laat bevoelen) en dan prijzend zegt: “Umberto, bravo! Eri pronto!” (“Je was er helemaal klaar voor!“). Bravo, kleine man.

De welhaast graagte om “complice“, medeplichtige te mogen zijn, treffen we in extenso aan bij berichten en getuigenissen in Brongersma’s standaardwerk over jongensliefde (Brongersma 1987 en 1990). In schril contrast daarmee staat de vrij recente publieke bewering (van wie ook weer? Iemand uit de SGP?) dat een vrouw die “tegen haar wil verkracht is” (?) niet zwanger kan raken “omdat het lichaam zich daartegen verzet“. Ook leerzaam was EO-Tijdsein, waarin ijskoud werd beweerd dat de jongen die in seksueel verkeer verwikkeld raakt (“wordt verkracht“) en die in termen van de hulpverlening dus alvast maar “slachtoffer” wordt genoemd, weliswaar dikwijls tekenen vertoont van plezier en opwinding, “maar dat dat komt door louter fysieke stimulans, en dan gaat hij zich later heel schuldig voelen(EO 1994). Maar een penis werkt niet op batterijen. En van een dergelijk schuldgevoel hadden de toch als vrij schroomvol bekend staande Italiaanse pubers in ieder geval weinig last. Pasolini, desgevraagd: “Macht is datgene wat lichamen door manipulatie tot dingen reduceert en slachtoffers en naïevelingen verandert in medeplichtigen en spionnen(Schwarz 1992, p.747-748).

 

De grootste representant in Salò van macht en geweld, Paolo Bonacelli (Hertog) links, en de grootste bestrijder ervan, Pier Paolo Pasolini

Van Pasolini is welbekend dat hij een rabiaat tegenstander en fel bestrijder was van de naoorlogse Italiaanse consumptiemaatschappij waarin het volk, maar met name de jeugd wordt gereduceerd, geminimaliseerd, genullificeerd tot aan macht en geweld onderworpen consumenten. In twee opzichten zelfs: zij worden vervormd tot consumenten van de Coca-Colamaatschappij waarin zij geen andere keus hebben dan wat hun in de reclame als goed en begeerlijk wordt voorgespiegeld, en zij worden zelf gebruikt ter consumptie door de concerns en de media die daaruit hun winsten kunnen peuren. De machten en de geweldsinstrumenten die daarbij worden gehanteerd, wijken af van die in Salò, maar zulks alleen bij oppervlakkige beschouwing. In wezen zijn het dezelfde methodieken. Materieel en immaterieel, nog steeds in de visie van Pasolini; seks is verworden tot een sociale verplichting in plaats van een individuele bevrijding te zijn. Pasolini zelf over Salò: “Ik moet bekennen dat ik zelfs hier niet tot de kern van het geweld kom. [...] Het echte geweld is dat van de televisie. [...] Het toppunt van geweld is voor mij een televisieomroeper. In mijn films is geweld een mechanisme, nooit een realiteit.(Schwarz 1992, p.749-750)

Wat had ik graag een ontmoeting willen arrangeren van Pasolini met Berlusconi.
Of met een Noord-Koreaanse televisie-omroepster.

____________________________________________

Zwart-witfoto’s: © Fondo Pier Paolo Pasolini/Cinemazero
Voor literatuuropgave: zie onderaan Salò in achten (1/8)

De hele reeks van deze 8 Salò-artikelen:

 

 

Salò in achten (7/8)

Als Pasolini gelijk heeft, is Salò de enige film ter wereld die over de werkelijkheid gaat. Anderen betitelen de film als de meest gruwelijke aller tijden. Sommigen raken er compleet door gefascineerd, anderen verlaten halverwege de vertoning de bioscoopzaal, al dan niet kokhalzend, want ze kunnen het niet langer aanzien. Niemand die de film kent, vind er niks van: steeds weer flitsen de opinies van superlatieven tot uitermate pervers. Salò is een unieke film.
Vanuit mijn decennialange verbondenheid met Pasolinifilms kan het dan ook niet anders dan dat ik uitvoerig ga stilstaan bij Salò. Het worden acht bijdragen, want dat is tweemaal vier en Salò is een vierkante film. Het wordt ook meer tekst dan beeld, want de bespreking is mij meer waard dan het vertoon van boeiende of schokkende plaatjes. Die kun je zelf in de film wel bekijken.
Hier deel 7/8: selectie als onderdeel van macht en machtsmisbruik.

Dus, als Pasolini gelijk heeft, is het zo frequent in Salò voorkomende mechanisme van selectie een afspiegeling van het werkelijke leven. Selectie, van de Citotoets tot het oppoten bij partijtjes kiezen, van een sollicitatieprocedure tot een Duits officier op het perron in Auschwitz die met zijn duim naar links of rechts wenkt, mensen worden oeverloos geselecteerd – of juist niet geselecteerd, whichever is worse. Op zich is het selectieprincipe niet verkeerd. Als we boodschappen doen, selecteren we en kopen niet de hele winkel leeg; als we op vakantie gaan, selecteren we een bestemming, en wie gaat samenwonen, heeft daartoe iemand uitgekozen. Wie selecteert, bepaalt de keuze en heeft dus in welke mate dan ook macht.

Toch zal de kijker naar Salò zich vrij ongemakkelijk voelen bij het aanschouwen van al die selecties. Nog even terug naar dat oppoten bij straatvoetbal of het partijtjes kiezen bij gymnastiek op school: velen zullen zich het psychologische drama herinneren dat degene raakt die bij voorkeur NIET wordt gekozen, en dan ten slotte als laatste tegen ieders zin aan de overblijvende partij wordt toebedeeld. Het dramatische is de impliciete afwijzing, de minderwaardigheidsverklaring die daaraan ten grondslag ligt. Je deugt niet, maar de spelregels bepalen dat je toch spek en bonen mag zijn. Hier valt selectie samen met macht en machteloosheid, en vanuit de laatst uitverkorene bezien met onvrijwilligheid.

In Salò vertoont het selectiemechanisme een aantal interessante kanten, te beginnen al bij de acteurskeuzes die aan de film voorafgingen. Daarover doen merkwaardige verhalen de ronde. Ik citeer even, vertalend, wat Gideon Bachmann daarover schreef in Sight and Sound:
We zitten in 1943, en de Duitsers (…) hebben een heleboel jongelui uit de naburige dorpen bijeengetrommeld, op instigatie van de vier sadisten, en zij moeten nu, naakt, aantreden voor de selectie van de circa veertig slachtoffers van de naderende losbandigheden. (…) Omdat de film emotieloos moet worden, kon ik maar moeilijk de graagte, medeplichtigheid zelfs, vatten waarmee deze jongens zich, ook als filmacteurs, blootstellen aan de anatomisch heen en weer draaiende camera’s. Ze verdringen elkaar om de beste plaats te krijgen, de eer gekozen te worden, geslepen ellebogenwerk en wedijver. Op zo’n moment lijken de filmscène en dat wat die wil uitbeelden, samen te vallen. Deze jongens zijn trots op hun lichaam, oog in oog met Pasolini, net als ze, onnozel en wel, misschien zouden zijn op het kasteel van De Sade, in Zwitserland, 200 jaar geleden. Toen ze voor de film werden geselecteerd, kregen ze niets van het script te horen. Een enkele naaktscène zou er wel in voorkomen, wisten ze, want het was een film van Pasolini. Maar geen van allen waren ze zich bewust van de gebeurtenissen waarin ze verwikkeld zouden raken. En toch is de ambitie zo groot, de wil om in een film van Pasolini te spelen, zo belangrijk voor hun materiële toekomst, dat niemand protesteert.(Bachmann 1975, p.53)

Bachmann was bij dat voorval aanwezig, dus hij heeft recht van spreken. Toen ik het later met hem (of misschien was het met Laura Betti, ik ben dat even kwijt) nog eens over die auditie had, kwamen er wat verbazingwekkende nuances en aanvullende details boven tafel. Het was bekend geworden dat er in Bologna op zekere dag, tijd en plaats, een acteursselectie zou worden gehouden voor jongens voor een nieuwe Pasolinifilm. Al voor de ingang van de lokaliteit dromde een horde jeugd bijeen die onderling slaags raakte om als eerste naar binnen te mogen. Het dreigde zo uit de hand te lopen dat de politie eraan te pas moest komen om “de orde te herstellen”. Zij die naar binnen werden gelaten en het verzoek kregen zich uit te kleden en op te stellen, wisten niet hoe gauw ze uit de kleren moesten en ze probeerden werkelijk met geweld op de eerste rij te komen te staan. Op zich is dat al vreemd, gelet op het ook toen (of juist toen) nogal preutse karakter van de Italiaanse jeugd. Maar iedereen is te koop, naar het schijnt. Geld was de voornaamste drijfveer waarmee schaamte met gemak wordt overwonnen. Waren het dan in hoofdzaak masochisten, die aspirant-acteurs? “Als ik ze heb uitgekozen, betekent dat, dat ze het zijn”, noteert Schwarz uit de mond van Pasolini (Schwarz 1992, p.755). Dat maakt de zaak er niet minder complex door. Zelf ben ik ook nog steeds verbaasd over de argeloze nuchterheid waarmee Franco Merli, niet bij dat Bologna-evenement aanwezig, want hij was al geselecteerd na zijn succesvolle optreden in Il fiore delle mille e una notte een jaar eerder, in 1989 tegen mij sprak over het naakt acteren in een Pasolinifilm. Het was heel beschaafd bloot, zei hij, niet pornografisch of zo, en op die leeftijd van rond de 17 jaar ben je niet vies van dat soort avontuurtjes, zeker niet als alle anderen ook niks aan hebben.

A propos: de hele reeks films van Pasolini overziende, van Accattone uit 1961 tot en met Salò is het opmerkelijk dat het juist uitsluitend de laatste twee films zijn, Il fiore (1974) en Salò (1975) waarin zo oeverloos veel wordt geselecteerd; in Il fiore bijvoorbeeld Zumurrud, Nur-ed-Din, Shahzaman, Yunan, de koningszoon. De vraag blijft of dat maatschappelijk aspect in Pasolini’s denken ook zo prominent post had gevat die laatste jaren.

Terug naar Salò. In het begin worden de negen jongens en negen meisjes geselecteerd die uiteindelijk mee naar de villa mogen. Dat gebeurt op zo niet irrationele, dan toch in ieder geval op volstrekt willekeurige gronden: Sergio en Franco worden op de stembriefjes genoteerd omdat ze zo’n mooie geslachtsdelen hebben. Hoezo? Er wordt geen enkele vergelijking gemaakt met de tientallen andere jongens die om hen heen staan. Bij sommigen van hen valt aan het gezicht af te lezen trouwens dat ze het maar wat jammer vinden zelf niet te worden geselecteerd. Een figurant verdient immers niet zo veel. Umberto valt in de prijzen vanwege zijn sullige blik in de ogen, maar later in de film zien we een heel andere Umberto terug, zie mijn achtste bericht over collaboratie. Tonino blijkt het al jaren door Curval begeerde en bejaagde lustobject van Curval te wezen; zijn betraande gezicht versterkt het motief voor zijn uitverkiezing. Eva wordt uitverkoren vanwege haar zo gave achterwerk (het enige wat voor de heren bij meisjes telt). Renata brengt de heren in absolute verrukking door haar huilbui over het verlies van haar moeder; terwijl zij van verdriet op haar knieën zakt, staan de vier heren als in een contrabeweging uit hun stoelen op. Enzovoort, enzovoort.

Een tweede grootst opgezet selectiemoment is de even beruchte als absurde achterwerkwedstrijd. Signora Maggi heeft de 16 slachtoffers, ook wel aangeduid als “onze gasten“, in voorovergebogen positie in een halve cirkel in de zaal gepositioneerd en doeken om hun hoofden en bovenlijven gedrapeerd om te versluieren of het om een meisje of een jongen gaat, want dat zou “onze keuze te zeer kunnen beïnvloeden“. Het licht gaat uit en met zaklantaarns worden de tentoongestelde lichaamsdelen geïnspecteerd en door de heren besproken en geprezen. Dat Franchino als winnaar uit de bus komt, doet nu even niet ter zake. Veel meer dringt zich de zinloosheid op: waarom er eentje uitkiezen terwijl zij toch de ongelimiteerde beschikking hebben over allen, zowel in de tijd als in aantal? Later in de film komt Signora Castelli met een overgenomen citaat van vergelijkbare aard. In potjesduits verkondigt zij volgens de Dialoghi: “Viiarvolvist es ghenuct bigt denselben hencien in mavida zutôten esistacheghen zu emfelen sufil vesen cihollich umzubringhen“. Daar zal de Italiaanse typist(e) heel goed geprobeerd hebben een fonetische weergave te typen van “Wie ihr wohl wißt, es genügt nicht denselben Menschen immer wieder zu töten. Es ist dagegen zu empfehlen so viel Wesen wie möglich umzubringen” (“Zoals jullie weten volstaat het niet dezelfde persoon steeds maar weer te doden. Het is daarentegen aan te raden zoveel mogelijk mensen om te brengen“).
Markant is trouwens wel de keuze van het lichaamsdeel waarop wordt geselecteerd: voor wat betreft de jongens gaat het juist niet om hun (mannelijke) voorkant, maar om de als meer kwetsbare, want vrouwelijk geachte achterkant. Dat is niet Pasoliniaans, dat is onderdeel van het mediterrane denken, waarbij de anus als substituut van de vagina kan worden gezien. Ik heb dat eerder al gespecificeerd in het geval van de als bruid verklede Sergio. Vreemd is het dan ook dat juist Sergio en Franco in het begin zo unaniem worden uitgekozen op grond van hun voorkant; niet dat daaraan iets uitzonderlijks valt waar te nemen, maar misschien wordt de welhaast vanzelfsprekende bereidheid gewaardeerd waarmee het tweetal zich zonder aarzelen wenst te exposeren. Merk bovendien op dat in de hele film van geen van de jongens de voorkant als lustobject wordt genoemd, beschouwd of gebruikt, dat hun mannelijkheid van meet af aan wordt ontkend en genegeerd, zodat er op dat punt al een grote mate van verontpersoonlijking heeft plaatsgevonden. Voor wat betreft de meisjes: uit talrijke citaten van de heren blijkt hun absolute weerzin tegen de vrouwelijkheid der meisjes. Hun opvattingen over het huwelijk, zie mijn ja, ik wil“-bericht hierover, spreken boekdelen en zijn van die weerzin oorzaak of gevolg, of beide. Ook hier dus moet de achterkant als nog enigszins acceptabel substituut dienen – alweer dus een ontkenning en degradatie van het persoonlijk eigene van de personen in kwestie.

De derde grote selectiescène vindt aan het einde plaats als bekend wordt gemaakt wie zijn voorbestemd voor de slotmartelingen en wie als brave helpers met de heren na afloop mee mogen naar Salò. Deze selectie vindt plaats, om de spanningsboog nog wat extremer te doen uitkomen, vlak nadat de Pianiste en Signora Vaccari een act hebben staan opvoeren die de zestien slachtoffers werkelijk een keer tot lachen heeft weten te bewegen.
We zien hier van links naar rechts de meisjes Renata, Antiniska, Eva, Graziella, Giuliana, Doris, Fatmah en de jongens Claudio, Umberto, Franco, Rino, Sergio, Tonino, Lamberto en Carlo.
De uiteindelijke keuze wordt door de Hertog afgekondigd: “Susy, Giuliana, Liana, Tatiana, Sergio, Lamberto, Claudio, Carlo, Franco, Tonino, Antiniska, Renata, Doris, Fatmah, Giuliana. Degenen die ik heb opgenoemd krijgen een lichtblauwe strik om. Zij kunnen zich voorstellen wat hen te wachten staat. De anderen, mits ze hun medewerking blijven verlenen, kunnen erop hopen dat ze met ons mee mogen naar Salò“.

Wellicht een wat zwakker punt in de film is dat we van enkele van de geselecteerden niet te weten komen waarop hun selectie is gebaseerd; waar we dat wel weten, is het op grond van een overtreding van het (arbitraire, idiote, of nietszeggende) reglement dat helemaal aan het begin is voorgelezen.

Ja, het is ontegenzeggelijk waar: het zijn uitsluitend de vier heren die bepalen wie er wordt geselecteerd, en hoe, en op grond waarvan. Macht, lust, de vrijheid om in volstrekte willekeur te kunnen beschikken over anderen zijn daarbij de hun toegeëigende instrumenten. Maar de medaille heeft een keerzijde, ook al is die in veel gevallen nogal wat onprettig: niet zelden heeft het er alle schijn van dat de groep waaruit wordt geselecteerd een mate van bereidheid, zo niet graagte, demonstreert om aan het proces mee te werken. Soms is geselecteerd worden immers een “positieve” uitverkiezing, ook al gaat het om een feitelijk absurde zaak met schadelijke gevolgen. Zie bijvoorbeeld het fanatisme bij zowat alle slachtoffers in de scène waarin zij als honden de trap worden opgestuurd en worden gevoederd. Het lijkt onverklaarbaar te zijn dat mensen meewerken aan een proces waarvan zij toch een meer dan vaag vermoeden kunnen hebben dat het zich in hun nadeel zal ontwikkelen. Het raakt, als ik dat hier mag memoreren, aan de discussie die wel eens werd en wordt gevoerd hoe het mogelijk is dat geïnterneerden in Duitse en Japanse concentratiekampen niet of nauwelijks tot massaal protest zijn gekomen, hoe moeilijk zoiets ook te realiseren was. Sporadisch slechts zijn de berichten over verzet of sabotage in hun gelederen – vaker zien we lijdzaamheid en berusting in een onontkoombaar noodlot.

Een aanwijzing zou kunnen liggen in de woorden van Hertog Blangis, die ik in het vorige bericht al citeerde, dat liefde altijd een medeplichtige nodig heeft, die bij voorbaat het raffinement kent tegelijkertijd beul en slachtoffer te zijn.

Daarmee raak ik aan het aspect van collaboratie, het onderwerp van mijn laatste bijdrage rond Salò.

De hele reeks van deze 8 Salò-artikelen:

 

Salò in achten (6/8)

Als Pasolini gelijk heeft, is Salò de enige film ter wereld die over de werkelijkheid gaat. Anderen betitelen de film als de meest gruwelijke aller tijden. Sommigen raken er compleet door gefascineerd, anderen verlaten halverwege de vertoning de bioscoopzaal, al dan niet kokhalzend, want ze kunnen het niet langer aanzien. Niemand die de film kent, vind er niks van: steeds weer flitsen de opinies van superlatieven tot uitermate pervers. Salò is een unieke film.
Vanuit mijn decennialange verbondenheid met Pasolinifilms kan het dan ook niet anders dan dat ik uitvoerig ga stilstaan bij Salò. Het worden acht bijdragen, want dat is tweemaal vier en Salò is een vierkante film. Het wordt ook meer tekst dan beeld, want de bespreking is mij meer waard dan het vertoon van boeiende of schokkende plaatjes. Die kun je zelf in de film wel bekijken.
Hier deel 6/8: Ja, ik wil. Over staande normen en waarden en de perversie ervan in Salò.

Van alle maatschappelijke instituties die in Salò onder vuur komen te liggen, wordt het huwelijk misschien wel het meest geraakt. Waarom?
Allereerst hebben we te maken met de persoon Pasolini: hij beschouwde het huwelijk van zijn ouders als een compleet mislukt verbond. Hij haatte zijn vader onder meer daarom, dat die te weinig respect toonde voor zijn moeder Susanna Colussi, die voor hem heilig was. Zelf is Pasolini ook nooit getrouwd geweest, al beweerde Laura Betti te pas en te onpas dat zij zijn vrouw was. En Ninetto Davoli met wie hij het zo goed kon vinden, besloot hem op een gegeven moment te verlaten … om te trouwen.
Niet alleen praktisch had Pasolini weinig met het huwelijk op. Het is, zowel in burgerlijke als in kerkelijke kring, een hoeksteen van een samenleving waarvan de orde door Pasolini niet werd onderschreven.
Voorts: het Duits/Italiaans fascisme handhaafde het huwelijk wel, mits natuurlijk raszuiver, maar de huwelijkspropaganda sleepte voortdurend de verdenking met zich mee dat het man-vrouwverbond er in hoofdzaak was om verzekerd te zijn van nieuwe arbeiders en soldaten. Binnen het fascisme was het huwelijk als sublimatie van gevoelens van liefde in feite niet aan de orde. Een kapitalistisch en oorlogszuchtig argument derhalve, door Pasolini verafschuwd.

Een tweede maatschappelijke ingang om het huwelijk te benaderen is de positie van de vrouw. De vrouw, la mamma, als broedmachine, niet als pseudo-heilige, en stellig ook niet alleen in het mediterrane denken. Haar biologische noodzaak, het moederschap, weegt niet op tegen de immense afkeer en minachting van de vrouw die we ook in Salò door de vier heren zien tentoongespreid. Belemmert de vrouw (lees: de echtgenote) de man in zijn bewegingsvrijheid? Voor zover dat waar moge zijn, is het toch niet de drijfveer voor de vrouwenhaat die in Salò aan de orde is. Is de vrouw een inferieur schepsel? Vanuit de bijbel gezien wel, en vele culturen, waaronder de christelijke en islamitische, en stromingen, waaronder het fascisme, vertonen dat beeld keer op keer.

Je kunt van de vier heren in Salò zeggen dat ze zich aan God noch gebod iets gelegen laten liggen, dus conformeren zij zich ook niet aan staande kerkelijke of politieke standpunten, maar als het ze uitkomt, zijn ze er maar al te graag toe bereid. Door de inferioriteit van de vrouw sterk te benadrukken geven zij, heet het, meer inhoud aan hun eigen superioriteit. Het is de Hertog die met overtuiging verkondigt dat “hij in ieder geval gelukkig is omdat hij anders is dan dat canaille dat zich het volk noemt; als alle mensen gelijk zouden zijn, zou er geen geluk bestaan” (“Comunque io, sono più felice di questa canaglia che si chiama popolo; dovunque gli uomini siano uguali, e non esista questa differenza, nemmeno la felicità esisterà mai”). Een principiële ongelijkheid dus ten faveure van de gewenste zelfbevestiging. En omdat het zich niet keert tegen één bepaalde vrouw, maar tegen de soort als zodanig, staat dit principe op één lijn met het vijanddenken van de nazi’s tegen joden en zigeuners, van Amerikanen tegen communisten, van zo ongeveer iedereen tegen de Koerden, van Wilders tegen de Islam. Een collectieve, massale vijand die als zwarte piet fungeert bij economische tegenslag en die verder dient om het militair-industriële complex draaiende te houden, om het besef van de zin en de grootheid van het eigen systeem te voeden, of om offers van eigen onderdanen te kunnen rechtvaardigen. Ik beperk me maar even tot het voorbeeld van offers die waar ook ter wereld door de R.K.-Kerk al eeuwenlang van de gelovigen worden gevraagd, dat zij goud en andere sieraden inzamelen ten behoeve van de bouw van een of andere kathedraal of basiliek; steeds weer worden het juweeltjes van bouwsels waarin diezelfde gelovigen devoot kunnen dagdromen over hun geluk in het hiernamaals. Het doet zich niet alleen voor in Latijns-Amerika of in Verweggistan: de prachtige basiliek van Vézelay, niet ver hier van mij vandaan, kent een vergelijkbare oorsprong – met een revolte onder de bevolking als gevolg. Zie bijvoorbeeld op Wikipedia.
En let wel, want we hadden het eigenlijk over de positie van de vrouw, bijvoorbeeld binnen het huwelijk. Bij mijn weten worden er wereldwijd meer meisjes uitgehuwelijkt dan jongens; in het Nederlands kennen we het niet zo, maar in het Italiaans bestaat het werkwoord sposarsi voor trouwen, dat betekent: een sposa, bruid nemen, en ook het werkwoord ammogliarsi, tot moglie, gemalin nemen. Het omgekeerde bestaat niet; in het Tsjechisch is het niet anders: trouwen is daar: ženit se, oftewel aan de žena, vrouw geraken; dit alles binnen de westerse, christelijke cultuur.

Het zijn de vier heren in Salò die een aantal malen huwelijken ensceneren; een van hen, de bisschop, voltrekt die ook – geheel in stijl dus. Daarmee bepalen zij welke vrouw voortaan van welke man is en bovendien scheppen zij er uiteraard bovenmatig genoegen in overspel te organiseren en op z’n minst ook de schijn van incest op zich te laden, m.a.w. de waarde van het huwelijk daarmee grondig te ondergraven. In concreto: het begint ermee dat de Hertog besluit dat elk van de vier heren trouwt met een dochter van een der andere heren: de President met Tatiana, dochter van Zijne Excellentie; hijzelf met Susy, dochter van de President; de Excellentie en de Monsignore trouwen respectievelijk met Liana en Giuliana, zijn eigen dochters. Bedoeling van deze zinloze affaire: het verstevigen van de onderlinge trouw en lotsverbondenheid in een soort bloedbroederschap. De dochters worden vervolgens in de hiërarchie zo ongeveer op de laagste plaats gezet, nog lager dan de jongens- en meisjesslachtoffers: bijna steeds zijn zij naakt, mogen nooit op een stoel plaatsnemen, maar worden ergens op de grond gepositioneerd of aan de onderste tree van de grote trap op de vloer gedumpt, ze moeten aantreden als (naakte) serveersters tijdens de maaltijden en ze zijn alle vier ook voorwerp van de slotmartelingen. Nergens in de film ook krijgen zij iets te eten of te drinken – alle anderen wel. De term “huisdieren” is nog te veel eer voor hen.

Een tweede gelegenheid is gereserveerd voor Sergio en Renata, zoals in eerdere berichten al gememoreerd. Wat een verschil is dit huwelijk met dat van de vier dochters! Sergio en Renata zijn de eersten van wie manueel en proefondervindelijk het ware geslacht is vastgesteld; als beloning krijgen zij de plicht met elkaar te trouwen.
(Even tussendoor: uit de standfoto’s blijkt dat aanvankelijk Antonio Orlando voor deze mannelijke hoofdrol was uitverkoren. Ik weet niet waarom hij later door Sergio is vervangen. Paste dat beter in het profileren van Sergio als hoogbegeerde jongen met een mooier lichaam? Bedankte Tonino voor de eer vanwege zijn eigen homo-identiteit? Deed de een “het” beter dan de ander? Vraag het mij, en ik zou de keus niet kunnen maken).
Hoe dan ook, de heren maken werk van het feest. Als de stoet de zaal binnenschrijdt, zien we het bruidspaar in keurige bruidskledij in het midden, geflankeerd door zes van de jongens (alleen Tonino ontbreekt; misschien was die wel een paar dagen ziek en Pasolini had haast als altijd) en de andere meisjes rechts, allen spiernaakt, slechts met een lelie in de hand. Daar achter de vier vertelsters en wat soldaten, en aan de rand de vier dochters als vlakvulling. De bisschop spreekt de huwelijksformules uit, het ja-woord wordt gegeven, de ringen worden aan de vingers geschoven.

Dan verwijderen de heren, samen met de soldaten, alle feestgangers ruw uit de zaal en duwen ze de trap naar beneden op. Sergio en Renata moeten zich uitkleden en voor het oog van de vier heren het huwelijk consommeren: “Siete liberi di fare sfogo ai vostri sentimenti…” (“Het staat jullie nu vrij je gevoelens te bevredigen…”). Onwennig, uiteraard, niet wetend wat te doen, begeeft het tweetal zich naar het andere uiteinde van de zaal en begint wat te strelen. Dan, als Sergio aanstalten maakt, zich als aangegeven over Renata uit te strekken, is het basta: “No… no… no… questo no! Questo fiore è reservato a noi!” (“Nee… nee… nee… die bloem is voor ons bestemd!”). Twee van de heren storten zich op het uiteengetrokken paar en doen er vervolgens hun gerief mee.

De derde verwijzing naar het huwelijk levert wederom Sergio op, nu verkleed als bruidje. Hij is door Zijne Excellentie Curval uitverkoren tot zijn bezit. Gelet op mijn eerdere opmerkingen over de positie van de vrouw, moet ik daarbij aantekenen dat Sergio hier niet de rol krijgt van broedmachine, noch als aanrechtsloof die thuis moet blijven, maar dat het hier in zoverre een perversie, Umwertung, betreft dat een jongen met veel omhaal en passende kledij uiterlijk en dus puur fysiek in de nederige positie van een vrouw wordt getransformeerd. Sergio, als vrouw verkleed, om de verrassing van zijn mannelijkheid verborgen te laten. Curval, of voor wie in onze maatschappij hij dan ook model staat, kan zich daarna volstrekt gelegitimeerd ontfermen over Sergio’s mannelijkheid, die hem bij zijn huwelijk met Renata nog werd onthouden, maar meer voor de hand ligt dat Sergio werkelijk als vrouw wordt behandeld, zijn anus als welkom substituut van de zo verafschuwde vagina. Zelf ben ik van mening dat de “degradatie” van jongetje Sergio tot substituut-vrouwensekspop het hoogtepunt is van wat ik hierboven heb geschetst als de positie van de vrouw. Jammer dat ik niet meer in staat ben hem daarover te spreken; hij heeft zijn zuur verdiende gage verkeerd besteed.

De vierde en laatste huwelijksscène bieden ons drie van de vier heren die zich, nu zelf als vrouwen verkleed, door de Bisschop in de echt laten verbinden met drie van de oudere soldaten. De Bisschop zelf komt niks te kort: tijdens de huwelijksvoltrekking wordt hij van achteren ostentatief gepalpeerd, en een latere bedscène met hem laat ook niets aan onduidelijkheid over.

Al met al wordt het huwelijk in Salò voor andere doeleinden gebruikt dan de “oorspronkelijke” in veler ogen: de voortplanting, het stichten van een gezin, het bevestigen van een liefdesband. Daarvoor in de plaats komen de doeleinden: het sluiten van een broederschap tussen de vier heren, in het geval van de vier dochters; het zich verlekkeren aan een voorproefje van wat er te gebeuren staat (Sergio en Renata; het genoegen van het uitgesteld verlangen), het feitelijk legitiem in bezit nemen van een der slachtoffers ter ontmaagding (Curval met Sergio) en het smeden van een homoseksuele band voor hoe lang dan ook (de vier heren met de oudere soldaten).

Deze huwelijksopvatting strookt met de westerse, noch met de oosterse opvatting over het huwelijk, inbegrepen de christelijke, islamitische, boeddhistische, hindoestaanse of wat dan ook. Hooguit met de libertijnse opvattingen van De Sade. Het heeft ook niets van doen met fascistische denkbeelden, die al met al tamelijk aseksueel waren. Het is puur een losgeslagen, libertijnse rite om het bezit van een lustobject van een officieel en legitiem sausje te voorzien, een eenzijdige handeling zoals je bij een postorderbedrijf een opblaaspop bestelt.

Dat is het, maar er is nog iets meer, in de woorden van de Hertog: “De liefde is daardoor begrensd, dat er altijd een medeplichtige voor nodig is. Deze liefdespartner kent bij voorbaat het raffinement van de bandeloosheid: tegelijk beul en slachtoffer zijn” (“Il limite dell’ amore è quello di avere sempre bisogno di un complice. Questo suo amico sapeva però che la raffinatezza del libertinaggio è quello di essere al tempo stesso carnefice e vittima”). Sergio dus als medeplichtige door zich beschikbaar te stellen; hoe graag zou ik het met hem daarover gehad willen hebben.

De hele reeks van deze 8 Salò-artikelen:

 

 

Pasolini in achten (5/8)

Als Pasolini gelijk heeft, is Salò de enige film ter wereld die over de werkelijkheid gaat. Anderen betitelen de film als de meest gruwelijke aller tijden. Sommigen raken er compleet door gefascineerd, anderen verlaten halverwege de vertoning de bioscoopzaal, al dan niet kokhalzend, want ze kunnen het niet langer aanzien. Niemand die de film kent, vind er niks van: steeds weer flitsen de opinies van superlatieven tot uitermate pervers. Salò is een unieke film.
Vanuit mijn decennialange verbondenheid met Pasolinifilms kan het dan ook niet anders dan dat ik uitvoerig ga stilstaan bij Salò. Het worden acht bijdragen, want dat is tweemaal vier en Salò is een vierkante film. Het wordt ook meer tekst dan beeld, want de bespreking is mij meer waard dan het vertoon van boeiende of schokkende plaatjes. Die kun je zelf in de film wel bekijken.
Hier deel 5/8: de personages in Salò en hun machtsposities in het verhaal.

Om de machtsverhoudingen in Salò te analyseren, verdeel ik de personages in vier (!) blokken: de vier heren, de vier vertelsters, de 20 slachtoffers (inclusief de vier dochters), en het personeel. Boven alles staat dat de vier heren de baas zijn. Zij laten zich helpen door de vier vertelsters, die met alle égards worden behandeld, en door het personeel. De slachtoffers worden door alle anderen geslachtofferd.
Een dergelijke structuur is wereldwijd in onze maatschappij, in wisselende mate gedomineerd door economie, kerk en politiek, niet onbekend: een toplaag die het voor het zeggen heeft, al is dat soms slechts in naam, een breed, onmisbaar middenkader als uitvoerende macht en een grote groep “volk” die moet leven van de hun toegeworpen kruimels en goedwillend verleende tolerantie. Het is de piramide van de macht, waarvan elke laag een essentieel onderdeel uitmaakt. Maar de psychologische schildering van de personages in Salò is aanmerkelijk verfijnder.
Allereerst de vier heren.

  • Paolo Bonacelli, beroepsacteur, speelt de rol van il Duca, hertog Blangis bij De Sade. Het scheelt maar één letter, zodat de verwijzing naar Mussolini voor de hand ligt. Hij is duidelijk de baas, de leidinggevende van het viertal, waarvan niet onopgemerkt mag blijven dat hij het meeste van de vier schone handen weet te houden als het om feitelijke misdrijven gaat. Ook dat patroon is herkenbaar.
  • Giorgio Cataldi, eigenaar van een modezaak, afkomstig uit de borgata van Rome. Hij is bevriend met Pasolini en heeft de rol van bisschop, il Vescovo. Als representant van de geestelijkheid staat hij voor de collaborerende rol die aan de R.K.-Kerk in de Tweede Wereldoorlog wordt toegeschreven. Maar evenzeer staat hij voor onze naoorlogse maatschappij, waarin de Kerk zich van alles lijkt te kunnen permitteren en die schier moeiteloos actief participeert aan het vigerende systeem.
  • Uberto Paolo Quintavalle, van beroep schrijver, staat voor Zijne Excellentie Curval, President van het Hof van Appèl. Via hem wordt de rechterlijke macht mee in het complot getrokken, en de man verricht zijn werk naar behoren. Adel, geestelijkheid en rechterlijke macht: een soort trias politica waartegen geen volk bestand is.
  • Aldo Valletti tenslotte, leraar klassieken, is President Durcet, bankpresident. Hij lijkt op de hiërarchische ladder wat lager te staan dan de andere drie heren, maar hij compenseert dat met een ijverige bestraffingszucht, een onverholen promotie van het mannelijk lichaam boven het vrouwelijke, en de voor hem zo karakteristieke humor.

Maar het zou onjuist zijn deze vier op één hoop te gooien. De Hertog heeft dan wel de leiding, en laat zich ook vaak genoeg gaan, maar het zijn de andere drie die enkele malen overgaan tot geweldsuitbarstingen. Zelfs bij de slotmartelingen, waarbij alle vier heren uiteraard aanwezig zijn, zien we de Duca geen actieve rol spelen. Wel is hij de persoon aan wie de andere drie bij herhaling voorstellen doen om het reglement van orde te wijzigen, of om een gunst te vragen, of om op een ontoelaatbare gebeurtenis te wijzen. Hijzelf moet dan beslissen wat er verder moet gebeuren. Precies wat wij ons kunnen voorstellen bij “iemand aan de top”. Intussen weten de Bisschop, de Excellentie en de President zich gedekt door hun leider en kunnen ze derhalve ongestraft hun gang gaan. Zij doen dat dan ook met de redelijke inschatting waar de grenzen liggen, maar die liggen heel ruim in Salò.

Ook de vier vertelsters kunnen we 1 of 4 indelen.

  • Sonia Saviange is eigenlijk geen vertelster, maar de pianiste die de drie vertelsters met pianospel begeleidt. En zelfs dat is niet helemaal waar: haar spel wordt gedubd door Arnaldo Graziosi. Verder wijkt zij van de overige drie af doordat zij, als de slotmartelingen zijn begonnen en zij die vanuit de villa aanschouwt, zelfmoord pleegt door uit het raam te springen. Markant detail: zij laat de klep van de piano open staan als zij wegloopt. Daarmee suggereert zij dat er verder gespeeld kan worden, door wie dan ook. Op geen enkel moment in de film kan zij erop worden betrapt ook maar iets negatiefs tegen de slachtoffers te ondernemen, maar dat maakt haar betrokkenheid en niet echt minder om. Iets in haar blik laat echter voortdurend doorschemeren dat ze het allemaal niet ziet zitten, in tegenstelling tot de andere drie, die zichtbaar van hun positie en rol genieten.
  • Hélène Surgère, alias Signora Vaccari, goed nagesynchroniseerd door Laura Betti, is de vertelster van de eerste cirkel, de minst erge. Om haar heen hangt een waas van gracieuze charme, maar waar nodig blijkt zij ook fors tegen de slachtoffers te kunnen optreden, zoals tijdens de maaltijd bij de masturbatie-oefeningen.
  • Elsa de’ Giorgi, in de rol van Signora Maggi, en vriendin van Pasolini, vertelt tijdens de tweede cirkel. Zij laat zich uitsluitend met de heren in, niet direct met de slachtoffers. Wel is zij het die de beruchte achterwerkwedstrijd organiseert en inricht. Adembenemend is de wals (Chopin, Valse, op.34 nr.2) die zij met de Bisschop danst terwijl ze een van haar vertellingen ten gehore brengt.
  • Caterina Boratto, ofwel Signora Castelli, treedt ook al op als koppelaarster bij de selectie van de meisjes vooraf. Haar verhalen in de derde cirkel zijn het meest gruwelijk, haar vaak cynische blik en haar optreden jegens de meisjes-slachtoffers maakt duidelijk dat er van haar kant geen heil valt te verwachten.

De vier dochters, de vier oudere soldaten (twintigers), de vier jongere geronselde soldaten (tieners, en daarmee een soort kindsoldaten) en het huishoudelijk personeel krijgen te weinig persoonlijke invulling om hen hier binnen hun groep van elkaar te onderscheiden, op twee gebeurtenissen na: Eerst is het Efisio, een der oudere soldaten, die tijdens een der maaltijden het initiatief neemt op de serverende dochter Liana te laten struikelen en haar vervolgens van achteren te verkrachten. De heren laten hem geamuseerd begaan, hoewel het protocol voorschreef dat elke liefdesdaad tussen man en vrouw met de dood wordt bestraft. Dat blijkt ook bij het tweede voorval, als Ezio, ook een der oudere soldaten, een oogje heeft laten vallen op Ines Pellegrini, het zwarte keukenmeisje dat we ook al kennen uit Il fiore delle mille e una notte. Al in het begin van de film krijgen we een flash forward naar die gebeurtenis, als zij elkaar een tijdje recht in de ogen kijken; tegen het einde echter worden ze in bed op heterdaad betrapt, verklikt eigenlijk door Eva, die zo poogt haar eigen hachje te redden. Ezio en Ines worden door de vier heren rücksichtlos ter plekke doodgeschoten.

Meer individueel uitgetekend zijn de acht meisjes en acht jongens die als slachtoffer optreden. Zoals al eerder vermeld waren het er aanvankelijk tweemaal negen. Maar bij het transport naar Marzabotto, het lugubere dorp waarheen Pasolini de gebeurtenissen heeft verplaatst, springt een der jongens, Ferruccio Tonna, uit de vrachtwagen en vlucht een droge rivierbedding in. Niet voor niets vertelde tijdens de selectie koppelaar Galois van hem dat hij stamt uit een familie van subversieven (ook weer een flash forward; er zijn er nogal wat in Salò). Hij wordt door Duitse soldaten neergemaaid.

Het negende meisje komt hieronder nog apart ter sprake.

In beide gevallen grijpt Valletti de situatie aan door een grapje te maken over het getal 8, waarvan één in de trant van: Een man had een goede vriend die Van Agt heette. Op een druk bezocht feestje roept hij bij het weggaan tot zijn vriend: “Kom je nog bij me langs, Van Agt?” waarop de ander roept: “Nee, liever morgenochtend!” (vertaling van mij). Voor de Italiaans lezenden is dit de letterlijke tekst: Si tratta di un tale che aveva un amico che si chiamava Perotto. Una notte rientrando, insieme durante lo oscuramento, i due si sono perduti. Allora il nostro uomo cerca l’amico e a tentoni cerca, cerca, cerca e finalmente gli sembra di vedere qualcosa che si muove nel buio. Tutto contento pensando di aver trovato l’amico Perotto grida: “Sei Perotto?” E una voce risponde: “48!” Minstens even leuk.

Het is in zekeren zin eigen aan de Italiaanse film dat er ook onder de meest absurde omstandigheden een bepaalde vorm van humor aanwezig is. Zie ook hieronder bij Sergio. Dat is niet alleen bij Pasolini, het is een specifiek Italiaanse opvatting over humor die de kijker de gelegenheid geeft tot uitademen, tot relativeren. Maar in genoemd geval zegt het natuurlijk genoeg over de persoon van il Presidente.

Van de meisjes-slachtoffers licht ik er vier uit:

  • Sorella Troccoli is het negende meisje; zij is de zus van tienersoldaat Claudio Troccoli en wordt ook alleen als zodanig genoemd: sorella, zusje. Vreemd dat zij noch in de Dialoghi, noch in de feitelijk gesproken tekst een voornaam krijgt. Reden mij niet bekend. Zij is het die bij de selectie luidt schreeuwt om uit deze omgeving te mogen verdwijnen. Dat ook dat een flash forward is, blijkt als zij iets later in de film God aanroept en om die reden, het reglement volgend, wordt vermoord: aan de voet van het Maria-altaar van de huiskapel snijdt men haar de keel door.
  • Benedetta Gaetani heeft de rol van Eva; ik vermoed dat “Benedetta” te christelijk klonk in dit milieu. Zij is degene bij wie andere meisjes af en toe troost zoeken en die ook daadwerkelijk probeert andere te helpen. Dat is een zeldzaam fenomeen, ook binnen de groep slachtoffers, waar het toch voornamelijk ieder voor zich is. Maar aan het einde, als zij met Antiniska samen in bed wordt betrapt, weet zij zich er alleen uit te redden door Ezio te verraden en te vertellen dat die elke nacht met de zwarte serveerster in bed ligt.
  • Dorit Henke wordt in de Dialoghi aangeduid als Doris; ik meen te horen dat dat in de film ook zo wordt uitgesproken. Ik heb er geen verklaring voor. Van haar is het opvallend dat zij de minst gedisciplineerde der meisjes heet te zijn (“una delle più indisciplinate”). Zo heeft zij, tegen de voorschriften in, haar ontlasting niet ingeleverd voor de exquise maaltijd, maar in de nachtpo gedeponeerd, iets wat bij de jongens Carlo ook presteert.
  • Renata Moar, die wel onder haar eigen naam Renata optreedt, is een zeer apart geval. Al bij de selectie wordt duidelijk waarom. In een mislukte poging haar uit handen van de heren te houden is haar moeder te water geraakt en verdronken voor de ogen van haar dochter. Dat brengt haar, eerst tijdens de selectie, later bij een der vertellingen van Signora Maggi, tot een hevige huilbui, hetgeen de vier heren bovenmatig opwindt. Zij is het dan ook die wordt uitverkoren midden in de volle zaal de uitwerpselen van il Duca te consumeren. (Terzijde: steeds in de film bestonden die uitwerpselen uit de fijnste Zwitserse chocola gemengd met jam; het was een ware delicatesse, maar het uiterlijk weerhield velen ervan om dat als zodanig te waarderen). Renata is het ook die het schijnhuwelijk met Sergio moet aangaan, waarover later meer.

Vier van de jongens die ik nader wil bespreken:

  • Gaspare de Jenno wordt met zijn verkorte diminutief Rino aangeduid. Zijn selectie is niet in de uiteindelijke montage opgenomen, maar via de meer dan 7.000 standfoto’s die Deborah Beer tijdens de opnameperiode heeft gemaakt weten we dat hij ter selectie met zichtbaar enthousiasme zijn lange regenjas opent waaronder hij niets aan heeft. Gaandeweg de film wordt duidelijk dat hij het liefje par excellence van il Duca is; reden waarom geen der andere heren ook maar een vinger naar hem uit durft te steken. Hij wordt uiteraard aan het einde gespaard.
  • Sergio Fascetti, dus in de film Sergio, valt al bij de selectie op, waar hij zich, met Franco op de eerste rij staande, ter keuring moet ontkleden. Een tweede keuring valt hem ten deel als Guido, een der oudere soldaten, moet testen of Sergio wel een echte man is. Als dat inderdaad zo blijkt te zijn, mag hij als premie trouwen met Renata, van wie tegelijkertijd is gebleken dat ze “een echte vrouw” is. Het belang van dit huwelijk in de film vergt een apart hoofdstuk. Sergio is ook degene die een element van humor inlast (spontaan? gescript?): als de slachtoffers als honden de trap op worden geleid, tilt Sergio, bovenaan gekomen, een been op als om tegen de muur te plassen. Hij verdient er een close-up mee. Later weer wordt hij uitverkoren om nogmaals te trouwen, maar nu als bruid van Curval (wederom een Umwertung dus). Het helpt hem allemaal niet: ook hij ontkomt niet aan de slotmartelingen. Overigens weten we dat Sergio, die in geen andere films heeft gespeeld en die ik desondanks toch graag een keer over Salò had willen interviewen, in 1992 door een overdosis drugs is overleden; een kort berichte in het archief van de Corriere della Sera zij daarvan getuige.
  • Antonio Orlando wordt aangeduid met zijn diminutief Tonino. Eigenlijk valt hij op door veel uit beeld te blijven. Zo is hij bijvoorbeeld om mij niet bekende redenen afwezig bij de bruiloft van Renata en Sergio. Bij de selectie komt hij naar voren als een door Curval al jarenlang zeer begeerd knaapje. Ook hij behoort desondanks tot de geselecteerden voor de slotmartelingen. Net als Sergio had ik Tonino graag eens willen interviewen, in dit geval omdat hij als een der weinigen een acteurscarrière opbouwde met rollen in meer dan 15 speelfilms, de laatste daarvan als hoofdrolspeler in Der Rosenkönig. Maar net als bij Sergio zal mij dat niet lukken: naar verluid is hij kort na die laatste filmrol, op 28 september 1988 bij een verkeersongeluk in of in de buurt van Napels om het leven gekomen.
  • Franco Merli tenslotte, die Franco of Franchino wordt genoemd, kenden we al als een der hoofdrolspelers in Il fiore delle mille e una notte. Hij wordt met Sergio bij de selectie van de jongens al bijzonder in beeld gebracht. Hij is het ook die als winnaar uit de bus komt van de achterwerkwedstrijd, met een (schijn-)executie als hoofdprijs. Zie hierover een eerder bericht. In een wel verfilmde, maar bij de montage niet opgenomen scène misdraagt hij zich in de jongensslaapzaal en wordt hij door een paar soldaten in elkaar getrapt. Hem wordt aan het einde de tong afgesneden (althans een aangeplakt verlengstuk ervan). Met Franco heb ik wel een interview gehad en daarover hier gepubliceerd.
  • En, o ja, Umberto Chessari, die er wel of niet bij hoort, want Umberto is een overloper. Die schuiven we dus door naar een volgend bericht over collaboratie.

 

 

____________________________________
(Alle portretfoto’s zijn screen shots uit de film.)

De hele reeks van deze 8 Salò-artikelen: