Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.

Wat al onzin hebben wij gezongen

Als je in tien jaar tijd van, in mijn geval, je twaalfde groeit tot je tweeëntwintigste, heb je wellicht het idee dat de wereld om je heen verandert. Dat is waarschijnlijk ook wel zo, maar meer nog zul je moeten erkennen dat je zelf verandert. Daarom is het achteraf vaak zo lastig een onderscheid te maken tussen jouw eigen ontwikkeling en die van de grote wereldorde.
Dat is mij natuurlijk ook overkomen. Terwijl ik tussen 1959 en 1966 de middelbare school doorliep, daarna in dienst mocht, ging studeren, los kwam van thuis, op kamers ging &c. &c., dacht ik dat ik daar in Amsterdam in een tijd van politieke en volkstaalliturgische revolutie vertoefde en ik verwarde voortdurend mijn (post-)puberale fantasieën met de mij omringende werkelijkheid waarvan ik deel uitmaakte.
Eenmaal oud en grijs probeer je dan die twee werelden weer van elkaar te scheiden, en ik moet zeggen: dat valt niet mee.

Over de politieke situatie in het Amsterdam van de jaren-’60 zal ik het verder niet hebben. Genoeg bronnen elders, te beginnen met Bericht aan de rattenkoning, het boek dat mij op slag een fan van Harry Mulisch maakte. Hier beperk ik me tot de begintijd en verdere ontwikkeling van de volkstaalliturgie, een revolutie binnen de revolutie van de jaren-’60.

Die volkstaalliturgie, laten we als startpunt 1959 noemen en als plaats van oorsprong het Ignatiuscollege met Bernard Huijbers en Huub Oosterhuis als roergangers, was niet zo maar het vervangen van Latijnse teksten door Nederlandse, en niet zo maar het overstappen van koorzang naar volkszang. Het was meer. Amper zes jaar later bekrachtigde het Tweede Vaticaans Concilie dat niet alleen gezangen in de volkstaal werden toegestaan, maar dat zelfs de liturgie, die kerkelijke ritus, in de volkstaal mocht (niet: moest) plaatsvinden. Liedjes in de volkstaal waren al eeuwenlang in de katholieke (en uiteraard steevast in de protestante) kerken te horen. In de middeleeuwen en de daarop volgende eeuwen glipte daar nog wel eens een Latijnse frase tussendoor; wellicht ken je nog het refrein van “Wij komen tezamen onder ’t sterrenblinken” dat uit 1640 stamt: “Venite adoremus (ter) dominum“, soms in vertaling gezongen als “Komt, laten wij aanbidden (3x) den Heer“. Tal van geestelijke liederen in de volkstaal, in de kerk of thuis aan tafel gezongen, waren allang ingeburgerd, maar het revolutionaire aspect was de vervanging van de Latijnse mis door een volkstaalvariant. Evenzo was het revolutionair dat die volkstaalliturgie ook “door podium en zaal”, dus door koor en volk ging gezongen worden. Bernard Huijbers heeft zijn opvattingen dienaangaande in 1969 bij Gooi & Sticht als een becommentarieerd manifest uitgegeven onder de titel “Door podium en zaal tegelijk. Volkstaalliturgie en muzikale stijl. Vijf en een half essay over muzikale functionaliteit”. Ik heb van die uitgave heel veel geleerd. Maar dat had voornamelijk met volkstaalliturgische muziek te maken, niet met de daarbij gebezigde teksten.

Wat al onzin hebben wij gezongen – dit besef drong pas veel later tot mij door, toen Bernard Huijbers al lang van zijn geloof was afgevallen en in Frankrijk woonde en van daaruit met teksten kwam die mij al evenmin konden bekoren, over het Al en het Zijn en de Kosmos.

Ik moet mijn standpunt eerst wel even wat relativeren. Ik vind het inderdaad bijna beschamend dat wij, als koorknaapjes, zo argeloos en onnadenkend onze stembanden spendeerden aan teksten als:

Ik zing van ganser harte voor de Heer,
ben opgetogen om mijn God, de Redder.
Want Hij had oog voor mij, zijn dienares,
maar wie ben ik dat Hij mij heeft gevraagd.

(nr.78 bundel Volkstaalliturgie)

Huub Oosterhuis was bij repetities nooit aanwezig, en Bernard Huijbers deed niet bijster veel moeite ons wat tekstanalyse te presenteren. Hij lette op de nootjes en de harmonie. Wij dus ook.

Maar het zou te kort door de bocht zijn Marialiederen op de vuilnishoop te gooien omdat je er uit religieus oogpunt weinig voeling mee hebt. Toen ik mij in 1954 in de Vondelkerk moest voorbereiden op mijn Eerste Communie leerden wij onder andere dit lied van Guido Gezelle, daterend van ongeveer 1890:

Maria, mild en machtig
vereerd bij God en mens
Weest moeder mij indachtig
die mij te bet’ren wens
Ik heb mijn schone dagen
verroek’loosd en verdaan
En kom, O Moeder, klagen
bij u voortaan
(Beêvaartslied. Nr.9 uit Dertig geestelijke liederen van Guido Gezelle op oude en nieuwe zangwijzen geschikt door Remi Ghesquiere)

Dat is al even onbegrijpelijke onzin als Oosterhuis’ tekst hierboven, maar literair gezien is het een juweeltje. Naast het oerkatholieke onuitstaanbare educatieve monstrum dat wij ons als gelovigen voortdurend schuldig moeten voelen, met alle confiteors en mea culpa’s en biechtproblematiek, presenteerde Gezelle een prachtig taalgebruik met fraaie zinsconstructies. De bijzin “die mij te bet’ren wens” leent zich voortreffelijk voor een ontleedtoets!

  • Waarnaar verwijst “die” ?
  • Is “mij” een wederkerend of een persoonlijk voornaamwoord ?
  • Wat voor zinsdeel is “te bet’ren” ?

Daar bovenop trakteert hij ons ook nog eens op het fraaie woord verroek’loosd, waarvan de etymologie nog niet zo simpel is, maar ik vind verroeklozen doodgewoon een prachtig werkwoord, zozeer zelfs dat ik me zou kunnen voornemen elke dag een paar uurtjes te verroeklozen, gewoon voor de taalkundige kick. Het wint het voor mij zelfs van het etymologisch al even lastig te doorgronden verkwanselen, dat ook in de middeleeuwen al in zwang was.

Bedenk ook dat Godfried Bomans ons al heel lang geleden (ik kan de bron niet meer terugvinden) heeft uitgelegd dat de magische kracht van het onbegrepen woord en van onbegrijpelijke zinnen juist zit in die onbegrijpelijkheid: tabberd, kapoentje, kregen wij voor koek een gard, makkers staakt uw wild geraas, en zo. Hij had gelijk, maar dat was nou juist wat de volkstaalliturgie zo revolutionair maakte: al die onbegrijpelijke Latijnse formules voor den volke begrijpelijk maken. Dat heeft de Kerk heel wat trouwe leden gekost, nu die eenmaal, beroofd van hun mystieke Latijnstalige wierookwalm, konden inzien wat al onzin zij al die tijd hadden moeten aanhoren en zingen.

Het œuvre van Huub Oosterhuis laat zich in een aantal thema’s onderverdelen. Aanvankelijk betrof het de al dan niet kerkelijk goedgekeurde (“nihil obstat”) Nederlandse vertalingen van het Latijnse misformulier. Dat was dus de volkstaalliturgie in optima forma. Prima, en het kreeg een ruime verspreiding binnen het Nederlands taalgebied, tot op heden zelfs. Daarnaast een grote reeks van in het Nederlands vertaalde psalmen van een meer dan aanvaardbaar niveau, maar daarmee was hij niet uniek. Vondel en Hooft bijvoorbeeld, de Statenbijbel, Ida Gerhardt en Gabriël Smit gingen hem voor. Weer wat later vloeiden er teksten uit zijn pen (naar zeggen van zijn secretaresse is Huub Oosterhuis digibeet, dus hij zal wel met kroontjespen schrijven, of op twee stenen tafelen – mij best) die los stonden van de liturgische rite in strikte zin, maar meer het menselijke, sociale aspect bezongen. Daar treffen we de teksten aan die enerzijds al even onbegrijpelijk waren als de tabberds en het verroeklozen, maar die toch in mijn ogen een aantrekkelijke sfeer ademden van erbij horen, literaire fictie van niveau, geen bijbelse of sprookjes-, maar een geesteswereld waarin ik mij wel kon vinden. Hoogtepunt, wat mij betreft, Een lied voor de winter (“Geen zilveren sleeën, geen goud in de grond, enkel een hand op een hart en een mond op een mond”), maar, voor de kenners, ook teksten als: Hij is een zwarte vlek in het donker, Hij is een vochtige plek op de grond. Hij is een windvlaag, hij kan bewegen: draaien kruipen staan lopen rechtop. Zwemmen en varen, lopen de branding in, lopen maar, lopen over de zee” en “Vier muren en een dak van riet, meer is het niet, meer is het niet”. En natuurlijk “Zo maar een dak boven wat hoofden”, dat onze Bossche bisschop zich verwaardigde in de ban te doen, daarmee het demasqué, de ontbinding van de Nederlandse Katholieke kerkprovincie bewust manifesterend.

Een laatste hier te vermelden thema is zijn affectie voor het Oude Testament, voor de joodse geschiedenis. Ik weet dat Bernard Huijbers daar ook al op afknapte, en voor mij is het zelfs stuitend te merken hoe deze volkstaaldichter, die met al zijn kwaliteiten en fraaie producties toch maar mooi nergens in enig Nederlandse literaire canon wordt vermeld, met zo vele teksten komt aanzetten die lijken geschreven te zijn als reclamemateriaal voor de plaatselijke VVV van Tel Aviv.

In feite maakte hij dit soort teksten al van meet af aan. Ik pik er één voorbeeld uit. Een tekst waarover ik eigenlijk in een eerdere fase al een apart artikel had willen schrijven, maar nu bed ik het maar in dit bericht in. We schrijven 1961, schat ik zo, want ik ken zowel de alt- als de baspartij nog uit mijn hoofd, en in de grote vakantie van dat jaar brak mijn stem en werd ik kort daarop babybasje van het koor. Vastenliturgie-I. Bernard Huijbers begon zijn opvatting in praktijk te brengen dat oudere volksmuziek zich prima leent voor liturgische toepassingen. Op de wijze van het 16e-eeuwse Frans-Vlaamse visserslied “Allen die willen naar Island gaan” componeert hij een vierstemmig arrangement “voor vierstemmig gemengd koor, orgel en volkszang” bij teksten van Huub Oosterhuis over de uittocht van het joodse volk:

Hoort mensenbroeders die hier nu zijt.
Waarom zijt gij gekomen? Om te waken of te dromen?
Nu waakt en bidt om redding uit uw slavernij.
God weet gaat u de engel van de dood voorbij.
(nr.54 bundel Volkstaalliturgie)

Vreselijk. Allereerst vanuit literair-perspectivisch oogpunt: wie is hier aan het woord? God zelf? Nee. Mozes dan die “ons” wegvoert naar het beloofde land? De dienstdoende pastoor? Huub Oosterhuis zelf? En tot wie richt die alwetende spreker zich? Tot de uitsluitend mannelijke mensenbroeders die hier nu zijn, en al half ingedut zitten te luisteren?

Ik lig ’s avonds in bed. Gordijnen dicht, raam een beetje open, want de lente is in aantocht. Handjes niet boven dekens, want ik heb het druk en bovendien ben ik zojuist opgeroepen om tijdens de katholieke ramadan vooral niet in te slapen, maar te waken. Met halfdichte ogen dwemmel ik weg in genot maar met gespitste oren. Als mijn ouders maar niks ervan merken, want dat levert me wederom een pak slaag op; ook dat is nog eens een keer waar, en het blijft me dwarszitten.
En komt het gevaar niet van de gang achter mijn hoofdeinde, dan toch zeker van de raamzijde aan mijn voeteneinde, waar de passerende engel des doods mij komt bestraffen voor mijn verroekloosde brave opvoeding. Maar gelukkig heb ik één escape. Eén tegen honderd dat het lukt, maar ik kan het proberen:

Heer God wij hebben u kwaad gedaan,
Maar laat u toch verbidden, sla uw tent op in ons midden.
En mochten wij genade vinden in uw oog,
Dan zult Gij ons uw Glorie tonen van omhoog.

Veel geholpen hebben deze woorden mij niet, net zomin als ze er vandaag de dag in Gaza of de Westelijke Jordaanoever van wakker zullen liggen, ook niet met de reclameachtige slotscène:

Vader, wij hebben u nooit gezien.
Maar Jezus heeft gesproken en het woord voor ons gebroken,
Die eeuwig met u samen is en met uw Geest.
Heer God, alleen uw Zoon is onze gids geweest.

Woordbreuk als verkoopargument: je zou je bijna op die gids abonneren. Maar wat een onzin om daar anno 1961 de revolutionaire geesten-in-de-dop mee lastig te vallen en 120 koorleden, opgehokt voor het beruchte Pelsorgel in de Ignatiuskapel (zie de foto bovenaan uit 1961), daaraan medeplichtig te maken.

Des te jammerder, daar ik (ik geef het toe: veel te laat, te laat om het er met Bernard nog eens goed over te kunnen hebben) tot het inzicht ben gekomen dat zijn arrangement van dit Islandlied razend knap is gecomponeerd, zowel de vierstemmige intredezang met bijna een tweestemmige canon in het derde couplet, als de toccata- en fuga-achtige tussenzang (8′, 4′, 2′, Tranquillo, staat er bij), als de grande finale van de slotzang met de melodie in de bas+volk+orgelpedalen, en de sopranen, alten en tenoren daar fraai bovenuit.

Ik wil jullie deze compositie niet onthouden.

  • Voor een redelijke uitvoering van het “originele” visserslied Allen die willen naar Island gaan verwijs ik naar YouTube
  • Voor een door mij getranscribeerde volledige versie van Huijbers’ arrangement wav-file met ah’s als koorstemmen moet je me even mailen. Het ruim 42 Mb grote bestand stuur ik je dan per wetransfer toe.
  • Voor de partituur: zie hieronder.

 

32-voets

Tot mijn stomme verbazing en prettige verrassing oefende organist Julien Bret afgelopen zaterdag op het majestueuze Cavaillé-Coll orgel van de Abbatiale Saint-Ouen in Rouen voor zijn concert aldaar, daags erop. Het was net toen ik bezig was foto’s te maken van die kerk en van dat orgel tijdens mijn eerste bezoek aan Rouen ooit. Het zware 32-voetsregister deed mijn buik trillen en mijn hoofd suizen.

In feite betrof het een soort thuiswedstrijd van Bret, die immers aan het conservatorium van Rouen zijn opleiding tot organist volgde. Momenteel is hij de vaste bespeler (“titulaire du grand-orgue Merklin”) van het grootorgel van de Saint-Ambroise in Parijs, een orgel dat overigens geen 32-voetsregister heeft, net zoals veruit de meeste orgels. Daarvoor moet je echt bij de zware jongens wezen, in Nederland bijvoorbeeld de Haarlemse Bavo of de Bossche Sint-Jan. De machtige orgels van de Týnkerk en de barokke Nicolaaskerk in Praag, aan welke instrumenten ik warme herinneringen bewaar, hebben het niet eens.

Maar ook het orgel van de Saint-Ouen in Rouen mag er wezen met zijn 64 registers, waaronder 2 pedaalregisters van 32 voet, een soubasse en een contre-bombarde. Die twee registers produceren zeer lage tonen, de laagste van ruim 16 Hz, met moeite hoorbaar, maar des te beter voelbaar aan de trillingen in je buik. Het betreft pijpen van bijna 10 meter lengte die aan weerszijden van het front in de pedaaltorens staan opgesteld. Ter vergelijking: de Ignatiuspijpen die ik heb staan zijn 8-voets (dus 2 octaven hoger dan de 32-voets) met een lengte van ±2½ meter, en ook die doen bij vol volume de schilderijen al bungelen aan de wand. Een zeer fraaie demonstratie op YouTube, gepaard aan al even fraaie beelden van de gotische kerk, is de Toccata uit de 5e orgelsymfonie van de Franse organist/componist Charles-Marie Widor, die de compositie nog zelf speelde als slotstuk bij de inauguratie van het orgel in 1890. In de YouTubefilm is het de Fin Kalevi Kiviniemi die de toetsen en de pedalen bedient. Mocht je deze uitvoering beluisteren, zet dan een koptelefoon op, zet het volume op maximaal, om de buren niet te bruuskeren; geniet van de indrukwekkende impact op je innerlijk en neem eventuele gehoorschade voor lief.

Het kan nog zwaarder: er zijn ter wereld twee orgels, een in de Boardwalk Hall in Atlantic City (New Jersey) en het andere is het Town Hall Organ in Sydney, met een 64-voetsregister. Met hun frequentie van 10 Hz liggen ze buiten ons gehoorspectrum en er wordt nogal getwijfeld aan het muzikale nut van deze 20 meter lange pijpen, die, laat het zich aanzien, meer te maken hebben met een poging een wereldrecord te breken en toeristen te trekken.

Het orgel van de Saint-Ouen in Rouen klinkt al imposant genoeg. Ik meen dat serieus, ook al vind ik het orgel eerlijk gezegd wat steriel, koel gestemd, bepaald niet barokkerig, de lage pedaaltonen zetten rauw en wat vertraagd aan, en de nagalm van 3 à 4 seconden is rijkelijk lang. Maar wat wil je ook in een verder vrij kale, gotische kerk van 135 meter lengte en 33 meter hoogte.

Overigens heeft Rouen nog wel meer verrassingen in petto.

Wie denkt dat vakwerkhuizen een typisch verschijnsel zijn voor noordoost-Frankrijk, de Vogezen, de Elzas, komt in Rouen bedrogen uit: het wemelt er van de huizen in deze specifieke bouwtrant, sommige van wat recenter datum, andere zichtbaar ouder, soms zelfs met scheef gebouwde constructies. Wat precies daarbij de rol is geweest van de geallieerde bombardementen in 1944, kan ik niet helemaal overzien – wel weet ik dat er toen in la semaine rouge heel wat is vernield.

Naast als die vakwerkhuizen is niet alleen het aantal kerken in het centrum van een middelgrote stad (Rouen telt al met al niet veel meer dan 110.000 inwoners, vergelijkbaar met Dordrecht en Leeuwarden), maar vooral dat het allemaal gotische kerken zijn, wellicht op romaanse grondvesten herbouwd, maar toch. Barok heb ik er niet gezien.

En Rouen timmert aan de culturele weg, op de vleugelen van Jeanne d’Arc 1431. Elke avond vindt er een beeld- en geluidspektakel plaats waarbij op de voorgevel van de kathedraal een schitterende animatie wordt geprojecteerd. Ik verwijs hiervoor ook maar weer naar YouTube. Ik weet het, de Burj Khalifa in Dubai heeft ook zoiets, maar daar zou je het ook eerder verwachten dan in een provinciestadje als Rouen.

 

Misschien nog wel indrukwekkender is het Panorama XXL, waarvoor een apart gebouw aan de kade van de Seine is neergezet. Met behulp van 200.000 foto’s, vanaf een van de kathedraaltorens gemaakt, is een 3D-collage geprint op linnen doek van 35 meter hoog, dat in een 360° cilindervorm is gebogen en zicht geeft op het Rouen van 1431. Ik zal me in de gebruikte techniek van deze compositie nog verder moeten verdiepen om de speciale effecten van perspectief, lichtinval en schaduwwerking beter te kunnen duiden.

En wat me op een gegeven moment ook nog ging opvallen: iedereen in Rouen oogt zo rustig en tevreden. Zittend op een terrasje zag ik honderden mensen voorbij lopen, alleen of in paartjes, zonder enige stress of haast, luchtig converserend, opgewekt. Niet de beklemmende gehaastheid van Parijs, niks geen lompigheid of onverschilligheid. Er straalt een vriendelijkheid van af die zich ook openbaart in de bediening in de horeca-gelegenheden in deze stad die voor de rest best wel vies is, kwestie van gebrek aan asbakken en overdaad aan honden(poep),vol ook met opbrekingen, maar nog steeds rijp voor een enorme inhaalslag aan restauraties en facelift.

En als we het dan over gastronomie hebben: een absolute aanrader zijn restaurant La Walsheim (een vakwerkpand op nog geen 200 meter van de kathedraal) en Brasserie Paul, aan de zijkant van het kathedraalplein, waar je nog tot 23 uur kunt bestellen. Dat is een zeldzaamheid in Frankrijk.


En als we het dan toch over Brasserie Paul hebben: merk in Rouen, met zijn Britse verleden, ook op hoeveel borden en beletteringen zijn gesteld ofwel in varianten op het art-nouveauachtige Broadway lettertype, ofwel in Keltisch aandoende lettertypen – alsof Rouen nooit meer afkomt van zijn Noormannenverleden.


Ik was ruim 32 uur in Rouen, zonder er uitgekeken te raken, maar van 32 voet raakte ik van mijn stuk.

 

 

Nationale Volksliederen

Ik heb iets met nationale volksliederen. Steeds rond een EK of WK blijken het melodieën te zijn die zich lange tijd als oorwurmen met weerhaakjes in mijn hoofd vastzetten.
Dan zoemt de hele dag het Zweedse, Zwitserse of Spaanse volkslied door mijn oren en lukt het me niet me ervan te ontdoen.
Over nationale volksliederen heb ik me al eerder uitgelaten, maar nu ga ik er wat specifieker op in.

 

 

Als we de zin of onzin van nationale volksliederen willen duiden, moeten we een drietal terreinen van elkaar onderscheiden: de pure muziek ervan, de tekst ervan, de huidige functionele waarde ervan.

Om met dat laatste te beginnen: het lijkt soms een beetje op de beruchte zwartepietendiscussie, waar volstrekt onvergelijkbare argumenten van allerhande snit strijden om het eigen gelijk en waar uiteindelijk een polderoplossing uit tevoorschijn komt. Om me maar even tot het Wilhelmus te beperken: tegenstanders ervan beweren terecht dat wij heden ten dage niets meer hebben of willen hebben met het Dietsche Bloed of met de Koning van Hispaniën. Voorstanders benadrukken de mogelijkheid om verbondenheid tot uitdrukking te brengen, een soort Community Singing, dat het bij de verzamelde massa zoals in stadions goed doet. Het doet me ook denken aan het gebruik bij de goede oude radio in de periode na de oorlog, waar ‘s ochtends de VARA-uitzendingen steevast werden geopend met een socialistisch strijdlied, en waar alle omroepen als dagsluiting rond middernacht het Wilhelmus speelden. Ik meen dat de AVRO de laatste (en meest gezagsgetrouwe) omroep was die dat nog placht te doen. En als tegenstanders van het Wilhelmus er in het geheel niets op tegen hebben dat voetbalpubliek voor en tijdens wedstrijden clubliederen aanheft, iets waarvan in Nederland Feyenoord met afstand het meest veelzijdige repertoire bezit, en waarvan Engelse clubs bol staan, waarom zou je dan ingeval van het Nederlands elftal niet het Nationale Clublied mogen zingen?
Maar ook daar is wel wat op af te dingen; ik kom dan op de discussie over de (on-)wenselijkheid van het begrip Nationale Staten, iets wat mede door het handhaven van het Nationale Volkslied in stand wordt gehouden. Waar volksliederen zo uitbundig en hartstochtelijk worden gezongen -ik heb de Braziliaanse mascottemeisjes al eerder vertoond-, is het veelzeggend dat het zogenaamde Europese Volkslied door geen enkele meute wordt aangeheven. De nationale staat gaat kennelijk ver boven de Europese droom.
Pogingen het Wilhelmus af te schaffen en te vervangen door een ander lied is in ieder geval oude wijn in nieuwe zakken. Het nationalistische gevoel blijft overeind.

Het tweede terrein is dat van de tekst.  Een globaal overzicht leert dat de meeste volksliederen ofwel de schoonheid van het land bezingen (Denemarken, Zweden, Finland, Bulgarije, Tsjechië, Wales, de Filippijnen, zelfs Noord-Korea), ofwel het moedige volk dat zich aan de onderdrukking heeft ontworsteld (een heel lange lijst van landen), ofwel de monarchie en derzelver godsvrucht bezingen (Groot-Brittannië, Nederland), ofwel de nationale eenheid van land en volk vooropstellen (West-Duitsland en de DDR na 1945, Micronesië en nog vele andere), ofwel zelfs geen tekst heeft (Spanje, Argentinië, Verenigde Arabische Emiraten). Voor Argentinië geldt overigens dat het volkslied wel degelijk 9 coupletten tekst en een refrein kent, maar de opera-achtige muziek wordt door het publiek met la-la-la meegezongen, net als door het Spaanse publiek, waar na Franco niemand zich meer aan een tekstontwerp heeft gewaagd.
Er valt inderdaad veel af te dingen op de “wenselijkheid” van veel van deze krijgshaftige teksten en het in ere houden van de bloedige frasen (l’étendard sanglant est levé!). Je kunt ook veel afdingen op de “onbegrijpelijkheid” van veel teksten of tekstgedeelten. Maar dan komen we terecht in dezelfde discussie die in de jaren-’60 ontstond rond de volkstaalliturgie: omdat alles “begrijpelijk” moest worden (een soort democratisering van het katholicisme), moest het Latijn wijken voor normaal Nederlands, met nogal wat afhakers als gevolg, die nu opeens in de gaten kregen wat al onzin ze al die tijd in de kerk hadden gezongen en gemurmeld. Op dat specifieke onderwerp kom ik in een ander artikel later nog wel terug. Dan gaat het over Huub Oosterhuis en zijn teksten.
Maar, zoals Godfried Bomans al heel lang geleden beweerde, het is deels juist die onbegrijpelijkheid van een tekst (kapoentje, tabberd,…) die aan een tekst iets magisch verleent, alsof je door het samen zingen samen op een hoger plan wordt getild. Dan doet het er dus helemaal niets toe wat Mijn schild ende betrouwen betekent, als je het maar samen zingend kunt beleven. Of, zoals Gerard Wijdeveld schreef: Maar wat uw hart hier heeft gekregen aan ware klank, aan edel woord, samen gezongen, samen gehoord, bewaar dat, vriend, op al uw wegen.

Ik begon dit artikel met de oorwurmpjes, en die hebben uitsluitend betrekking op de muziek, het laatste van de drie terreinen ter bespreking van het Nationale Volkslied.
Ik kan het ook niet helpen dat ik bij het afgelopen EK-voetbal voortdurend het Zweedse en Zwitserse volkslied de hele dag door in mijn hoofd hoorde zoemen; bij WK’s ijshockey is dat steeds het Canadese – dat wordt nou eenmaal het meeste gespeeld in die branche.

De meeste nationale volksliederen zijn hymnen of marsen en, vooral in Latijns-Amerika, operacomposities, om daarmede de plechtstatigheid dan wel de fierheid van land en volk ten toon te spreiden. Veel volksliederen stammen uit de 19e eeuw, en dat verklaart al veel van hun karakter, of uit de 20e eeuw. Grotendeels heeft dat ermee te maken dat in die perioden nieuwe nationale staten ontstonden. Maar er zijn uitzonderingen: het Japanse volkslied schijnt de oudste der nationale volksliederen te zijn, gevolgd door het Nederlandse en het Britse; de Nederlandse tekst is wel de oudste die nog als nationaal volkslied fungeert.

Hoe kleiner het land, hoe langer het volkslied. Een soort Calimero-achtige compensatie, lijkt het wel. Beluister er maar een paar op http://www.lengua.com/hymnen.htm. Hoge scores boeken Vaticaanstad, Monaco, Oost-Timor, Luxemburg en IJsland, maar over dat laatste land geen kwaad woord meer sinds het EK. Dat van de DDR ontbreekt overigens op die website, althans het geeft een dode link, maar dan kun je op https://www.youtube.com/watch?v=DTV92wqYjfA constateren dat dat land met bijna 3 minuten wel een van de langste aller landen heeft. Alhoewel, ik herinner me dat een of andere malloot in de organisatie van een schaatstoernooi het in zijn hoofd haalde om van het Sovjet-volkslied (of de huidige Russische variant ervan) alle 12 coupletten te laten schallen ter ere van de goudenmedaillewinnaar; duur: dik 3½ minuut. Frank Snoeks kon er zijn besmuikte humor wel over kwijt, en de drie op het ereschavot stonden er wat lacherig bij te kijken.

Ik schat dat de meeste nationale volksliederen in vierkwartsmaat staan, wat voor een mars ook een must is. Polen heeft weliswaar als volkslied de “Mars van Dąbrowski“, maar het is een mazurka in driekwartsmaat, met in het refrein de tekst “Marsz, marsz, Dąbrowski “. Hoe dat marcheert, weet ik niet. Het Britse “God save the Queen” is een gaillarde in statige driekwartsmaat, zoals ik in een eerder bericht al heb toegelicht.
Nederland en Friesland hebben de eigenaardigheid van een wisselend metrum. Italië lijkt dat ook te hebben, maar halverwege verandert niet de vierkwartsmaat, maar wel de toonsoort en het ritme.

Wat ik misschien wel het meest opmerkelijke vind, besefte ik toen ik heel lang geleden Christian Chivu, die toen nog in Nederland bij de verkeerde club speelde, voor een interlandwedstrijd vol overgave het nieuwe, post-Ceauşescu volkslied zag meezingen. Het was zoals wij het nu zo goed kennen van Gianluigi Buffon, de absolute meester van de dramatische volksliedvertolking.
Maar wat mij opviel, was dat dat nieuwe Roemeense volkslied in mineur was. Het zal toch niet waar wezen. Er schijnen verhalen te bestaan dat er een muzikaal verband is tussen dat Roemeense en het Israëlische volkslied, dat eveneens in mineur is trouwens. Het derde trieste land dat maar niet Europees wil worden is Turkije: ook al een volkslied in mineur. Geen wonder dat het voetbal van die landen nooit tot grote hoogte zal stijgen als je je wedstrijden al in mineur moet beginnen.

Elk nationaal volkslied kent wel zijn eigen verhaal over oorsprong, verspreiding, verguizing, verheerlijking en onaantastbaarheid. In dat laatste verband: voor een vertolking van een volkslied toon je enig respect en van een nationaal volkslied blijf je af. De betekenis ervan is voor te veel mensen te groot. Ik vond het dan ook misschien wel Bernard Huijbers’ grootste misser ooit dat hij Lied tegen de Derde Wereldoorlog (“Wij die met eigen ogen de wereld zien verscheurd”), een van Oosterhuis’ betere teksten, toonzette op de melodie van het Wilhelmus. Zoiets vond en vind ik dus niet kunnen. Gelukkig dat Antoine Oomen enige tijd later er een magnifieke andere composite onder zette. Die zal wel ergens op internet of via een andere bron te beluisteren zijn. Probeer bijvoorbeeld eens HIER.

Behalve informatie bij Wikipedia is er in 2000 een voortreffelijke verzameling van nationale volksliederen bijeengebracht door Margreet Fogteloo en Bert Wiskie. Een ruim 5 cm dikke pil waarin rond de 200 nationale volksliederen onder de loep worden genomen met tekst en Nederlandse vertaling erbij, plus de bladmuziek van 23 ervan in een apart boekje en een audio-cd met 25 uitvoeringen. Dat alles in een kartonnen doos. In ons antiquariaat Lu & approuvé hebben we er een exemplaar van in de verkoop (€ 32,75 plus € 2,25 bijdrage in de verzendkosten).

Of je nationale volksliederen mooi vind of niet, laat ik hier buiten beschouwing.
Zoals ik Bach verafgood en Beethoven haat, is voor mij de appreciatie van om het even welk volkslied geen punt van discussie. Het ging mij in dit bericht om andere waarden ervan.

 

 

Kunst-en-meeragenda 2016

Fransen zijn tuk op afkortingen, meer nog dan Nederlanders, lijkt het wel. En als zo’n afkorting dan ook nog een homoniem blijkt te zijn, is het dubbel genieten.
Ik bedoel dan niet van die perongelukke homoniemen zoals wij die kennen van HBO, HR en PSP. Een schrandere slimneus uit Langres heeft bedacht dat ML niet alleen staat voor
Musées de Langres, maar sinds 2013 ook voor het Maison de Lumière, het Huis der Verlichting, geopend bij de viering van de 300e geboortedag van Denis Diderot, afkomstig uit Langres.

Dat museum is gevestigd in het tussen 2009 en 2013 schitterend gerenoveerde Hôtel du Breuil de Saint-Germain. Kosten bijna € 1½ miljoen, maar het is de moeite. Als je tenminste houdt van de versmelting van kunsten en wetenschappen, filosofie en cartografie, een soort van renaissance van de Renaissance waarop wij tot op de dag van vandaag voortborduren; een interdisciplinaire bloei waarvan wij, gemerkt of ongemerkt, nog steeds profiteren. Voor een gedegen uitleg over gebouw en museum, ingericht rond leven en werk van Diderot, kun je deze PDF raadplegen.

Langres biedt meer, zoals ik vorig jaar ook al opmerkte. Een breed scala aan culturele evenementen staat er op het zomerprogramma van mei-oktober 2016.
Zonder veel moeite zijn de details op internet te vinden.

Daaronder ook het concours Peintres & Sculpteurs dans la rue op 26 en 27 augustus. Voor de artiesten zijn in de diverse categorieën prijzen tot € 500 te winnen, en bovendien worden er op zondag 28 augustus kunstwerken openbaar verkocht.


Komend weekend, 16 en 17 juli, is er tussen Langres en Jussey het traditionele evenement Art au Vert: 15 Franse, Nederlandse en Britse artiesten houden open huis en tonen in hun ateliers nieuwer en ouder werk van allerhande snit en kwaliteit. Omdat mij de eer te beurt viel om het juli-uitstapje van de plaatselijke oldtimerclub Les Pistons du Bassigny te verzorgen, heb ik georganiseerd dat we in drie groepen langs een aantal artiesten gaan rijden. Er hebben zich inmiddels ongeveer 60 deelnemers met 25 oude auto’s aangemeld, dus de regio -zie het overzicht hieronder- staat een heuse parade van klassieke voertuigen te wachten, en de ateliers kunnen rekenen op een voor hen ongekende invasie van kunstliefhebbers.

Niet ver van Langres, in Bourbonne-les-Bains, is er dit jaar ook weer traditiegetrouw een opeenvolging van culturele activiteiten.
Ik licht er eerst even de 41e salon de peinture & sculpture uit, een expositie in Centre Borvo van schilder Pierre Bassard en beeldhouwster Ellen Beljaars, die nog tot 24 juli loopt.
Op die zondag heeft ook Bourbonne-les-Bains zijn jaarlijkse Peintres dans la Rue, waar professionelen en amateurs de hele dag op straat hun schilderwerk maken en vertonen (en verkopen).

 

En nu maar hopen dat het hier eens een paar dagen niet regent en onweert;
te veel gedonder.

 

 

Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch

Wie er ƒ 0,40 voor over heeft: in 1895 verscheen de Amsterdamsche Tentoonstelling Marsch, gecomponeerd voor piano door ene C.S.
Ik heb die partituur al tientallen jaren liggen, en naar het schijnt is niemand ooit op het idee gekomen er iets over te schrijven.
Daarom geef ik maar even een aanzet, in de hoop dat deze merkwaardige compositie wat bredere aandacht zal krijgen.

 

 

Evident is dat C.S., achter welke initialen vermoedelijk Charles Stanley schuilgaat, het stuk heeft gecomponeerd ter gelegenheid van de Wereldtentoonstelling van 1895 in Amsterdam. De frontpagina laat daarover geen misverstand bestaan.

Als je het stuk beluistert, merk je een historisch correct feit op: de mars bevat een passage die is ontleend aan Tollens’ hoogstandje “Wien Neêrlands bloed”, tot 1932 min of meer het nationale volkslied, maar even later ook een passage met een variatie op het Wilhelmus, dat vanaf 1932 het officiële volkslied werd (naar verluidt op aandringen van de SGP in de Tweede Kamer). We weten ook dat Wilhelmina, ook al was zij toen nog pas 15, een voorliefde voor het Wilhelmus had.

Dat had ook te maken met de heruitgave in 1871 van Valerius’ Gedenck-Clanck uit 1626 door theoloog A.D. Loman Sr. (jawel, die van de Lomanstraat), waarmee tal van liederen uit die bundel weer ‘herontdekt’ werden en aan populariteit gingen winnen.

Wat dat allemaal met Amsterdam heeft te maken, weet ik niet, tenzij Nederland bestaat uit Amsterdam en wat provincie eromheen.

Ik heb de partituur getranscribeerd en op YouTube geplaatst.

 

Wie o wie kan over dit curieuze stuk muziek wat meer informatie verschaffen?

 

 

Salò en het gedonder in Keulen (vervolg)

In de uitzending van Per seconde wijzer van 12 februari werd mij een lijstje van negen schuinsmarcheerders in de schoot geworpen bij een vraag die werd ingeleid met de bekende sigaar uit eigen doos die Bill Clinton in 1995 aan Monica Lewinsky serveerde. Clinton kwam ermee weg, zelfs in het zo preutse Amerika, zelfs bij zijn carrièrebeluste echtgenote. En wij kunnen er wel een beetje lacherig en schouderophalend op reageren.
Bij Strauss-Kahn en de anderen begint het allengs wat bedenkelijker vormen aan te nemen.

Moeiteloos kan ik het rijtje nog uitbreiden met machtige figuren als Jeltsin, Mitterand, en natuurlijk Berlusconi. Op een iets lager niveau speelt ook Nederland een bescheiden bijrol: het gonst van de geruchten rond koning Willem III en Prins Bernhard, en meer recent bij premiers als Lubbers en Balkenende, staatssecretaris Jack de Vries, bisschop Gijsen.
De grootste gemene deler van al deze gevallen is dat politieke of financiële macht leidt tot machtsmisbruik en opvallend vaak tot seksuele uitspattingen. En daar ligt nu precies de link met Salò.

Maar -tegenwerping- de binnenkomende vluchtelingen zijn toch allesbehalve gezagsdragers? Nee en ja.

Nee: Concreet beschouwd staan ze onderaan de ladder en mogen ze al blij zijn als hun de sobere bed-bad-broodregeling ten deel valt. Dat dat tot spanningen kan leiden, met hun recente vluchtoorzaak en -gevaren in het achterhoofd, is niet bijster vreemd. Maar als een soort tweederangsburgers hebben ze het inderdaad niet voor het zeggen.

Ja: kenmerk van xenofobie, waarvan islamofobie een onderdeel vormt, is dat de authentieke bevolking in binnendringers een gevaar ziet, van welke snit of aard dan ook; zij verstoren de bestaande orde en rust, en nemen daarmee en stuk van de regie over. Dat heet dan: onveiligheid. De binnendringer, het zo vaak in films en literatuur optredende motief, vormt in feite, maar zeker in het denkpatroon van bestaande vooroordelen, een machtsfactor waartegen het eigen volk zich niet denkt te kunnen weren, onschuldig en machteloos als het zich voelt.

De hier bovenaan genoemde voorbeelden van stoute gezagsdragers hebben, in dat licht bezien, een totaal ongewenst neveneffect. Want wat nu opvalt, is dat er vanuit diverse hoeken (van PVV en VVD tot een heel scala aan media) een argument tegen de vluchtelingeninstroom wordt gezocht in hun potentiële ontucht. De zondebok wordt afgeschilderd als een seksbeluste crimineel, het liefst al bij voorbaat, als het maar om Arabieren gaat, ongeacht of die uit Syrië of Marokko komen; immers, Berbers en Arabieren zijn één pot nat: ze komen hier profiteren van onze meisjes en uitkeringen. Mijn dochter kan niet meer veilig naar school rijden. Borstvergroting. Misschien hebben de islamofoben te veel naar Drs. P geluisterd die, in het kader van een KRO-radioserie over fruit, de banaan onder de loep nam zonder dat woord ook maar één keer te noemen, maar wel door alle regels erop te laten rijmen. Het lied heet dus “Orgaan” en bevat de volgende strofe:

De ongedwongen Arabier kan zich laten gaan
Bij voorbeeld in het speelkwartier van zijn karavaan
Want daar ontspant men zich van harte en simultaan
Niet dat angstvallige aparte, maar zwaan-kleef-aan

Het vluchtelingendrama leidt daarnaast tot anti-AZC-protesten vanwege “te veel en te lang”, “Vol = vol”. In WO-I nam Nederland echter wel 1 miljoen Belgische vluchtelingen op (maar die spraken een soort Nederlands, waren doorgaans gewoon katholiek en wilden ook graag weer terugkeren naar hun thuisland). Tussen 1935 en 1940 wilde Nederland niet meer dan tussen de 25.000 en 30.000 Duits-joodse vluchtelingen opnemen omdat het zijn neutraliteit wilde waarborgen. Ook een argument. Van de 140.000 joden in Nederland werden er vervolgens meer dan 100.000 weer Nederland uitgedeporteerd. De geschiedenis strooit met getallen en statistieken en ieder kan er zijn gevoeg mee doen.

Waarom monden macht en angst vanuit onmacht zo haast vanzelfsprekend uit in seks? Ik leg weer de link met Salò.
In de woorden van Pasolini: “Salò is de enige film die over de werkelijkheid gaat”. Dat had hij ten tijde van Berlusconi met kracht van feiten kunnen staven, maar nu tijdens wat wij zo vlot ‘vluchtelingencrisis’ noemen al evenzeer.
En ter verduidelijking verklaart hij: “Seks in Salò is de metafoor van de macht. Alle seksualiteit die in Salò aanwezig is, vormt ook een metafoor van de verhouding tussen machthebbers en die aan hen zijn onderworpen. In andere woorden is het de al dan niet gedroomde uitbeelding van wat Marx ‘het tot handelswaar maken van de mens’ noemt: de reductie van het lichaam tot een voorwerp middels uitbuiting. In mijn film speelt derhalve de seks de metaforische rol van het verschrikkelijke”. – Zie hier voor meer (in het Italiaans).

Ik kan niet waarmaken dat er in Keulen (en enkele meer noordelijke steden) geen gedonder is geweest, maar waarom zijn er geen beelden van? Waarom zijn er geen daders of verdachten opgepakt (“er zijn 17 verdachten in beeld”; dat is alles)? Zou er misschien dan toch sprake zijn van een opgeklopte hysterie en fantoomdenken, zoals wij nog wel kennen van Oude Pekela of de Clown van Enschede, waar puntje bij paaltje helemaal niets van waar bleek te zijn? Kom met bewijzen vooraleer te (ver)oordelen en de vluchtelingen bij voorbaat collectief te stigmatiseren en criminaliseren, onze huidige aangepaste variant op de Kristallnacht.

Ik laat het niet bij deze deprimerende klaagzang. Ik wil wel twee aanzetten geven tot een iets realistischer en menselijker optreden jegens mensen die om welke reden dan ook liever in Nederland verblijven dan in hun thuisland.

Remedie 1: Zonder een cordon sanitair rond de PVV voor te staan, propageer ik het wat selectiever publiceren in deze kwesties en het niet meeliften op populistische prietpraat; kom in de pers en op bijeenkomsten liever maar met talloze voorbeelden van geslaagde opvang. Laten we er maar van uitgaan dat ruim 99,9% van de mannelijke vluchtelingen geen sekspiraten zijn – vrouwen en kinderen tellen we niet mee, want die doen dat soort dingen immers toch niet.

Remedie 2: Spreek niet langer over vage grote aantallen van anonieme vluchtelingen/gelukzoekers, maar focus op één persoon of één familie en probeer die te volgen van de reden tot ontvluchten tot de opvang ergens in Europa. Dat is ook precies mijn insteek geweest bij mijn historische miniroman Hortes 1636: niet de 600 inwoners van Hortes collectief laten afslachten, maar één lid van één Hortse familie de camera laten voeren en via hem alle anderen te schilderen. Evenzo was dat mijn insteek bij mijn jongste WO-I-boek La vérité et son image: de documenten van één vader van één familie uit Rosoy vanuit diverse optieken aan het woord laten en zo de hele oorlog tot leven brengen. Want het kleine leed is groter dan de Grote Oorlog.

Ik maak hier graag webruimte vrij voor het relaas van één zo’n Syriër in Nederland, en één verhaal zegt meer dan tienduizend vluchtelingen. Het Volkskrantartikel van 3 maart 2016 over de Urker zalmsnijder vervult daarvan een prima voorbeeld.

 

 

Salò en het gedonder in Keulen

Onlangs is er een DVD-box beschikbaar gekomen met daarin de gereviseerde versie van Salò (na een zeer ingrijpende kleurcorrectie) en een tweede DVD met een overvloed aan achtergondbeelden, foto’s en interviews rond die nu 40 jaar oude film. Ook in de box: een boekwerkje met teksten van en over Pasolini en Salò in het bijzonder. Deze gereviseerde versie leverde de eerste prijs op die de film ooit te beurt is gevallen.

Over Salò ga ik hier niet veel vertellen, want dat heb ik eerder al uitvoerig gedaan in een achtdelige serie. Hooguit verklap ik hier dat de box voor slechts € 17 is te bestellen bij de Cineteca di Bologna. Dat gaat per internet via http://cinestore.cinetecadibologna.it/bookshop/dettaglio/99.

Houd er wel rekening mee dat de Italiaanse portotarieven even schandalig zijn als de Nederlandse; ik moest € 20 bijbetalen voor de verzending per TNT. Maar dan loeveren ze erg snel, voor Italiaanse begrippen: drie dagen na bestelling had ik de box in de bus.

Al kijkende en lezende bekroop mij het akelige gevoel dat er een verband bestaat tussen Salò en de oudjaarsfestiviteiten in Keulen (en elders). Over dat gedonder moet ik nog even piekeren, maar ik kom er gauw mee voor de draad.

Louis Grijp

Een kort eerbetoon aan Louis Grijp die op 9 januari 2016 overleed. Een man die het Nederlands muzikaal cultureel erfgoed bestudeerde, koesterde, toegankelijk en onvergetelijk maakte.
Ik heb met hem enkele malen contact gehad bij mijn zoektocht naar (de oorsprong van) de muziek van het Ignatiuslied. Opvallend waren enerzijds zijn grote kennis van het oude Nederlandse lied, anderzijds zijn bereidheid om daarover omslachtig en vakkundig te communiceren, hetgeen mij tot een herziene beschouwing noopte.

Wat blijft is zijn nalatenschap van de Nederlandse Liederenbank die voor velen een bron van kennis en muzikaal genoegen zal zijn. Een ook mijn dankbaarheid voor iemand die de openbaring daarvan voorop zag staan.

Het lied klinkt voort.

Der Rosenkönig (Portugal 1986)

Het heeft me bijna drie jaar gekost om over Der Rosenkönig een enigszins samenhangend verhaal te schrijven. Dat heeft zo zijn oorzaken, want nog los van de klus zich te moeten inlezen in de acteurs en personages, is er nog een veel groter probleem: Der Rosenkönig is eigenlijk geen film, althans niet in traditionele zin, het is veeleer een verfilmd dramatisch epos, waarbij de teksten in beelden zijn gevangen. En dat vraagt om een heel andere benadering dan die bij “gewone” films.

 

Der Rosenkönig ging in première op het Rotterdams Film Festival op 1 februari 1986 en kenmerkt zich door een aantal zeer verschillende eigenschappen.

Zo was er, om te beginnen, geen script. Er werd min of meer uit de losse pols gespeeld en gesproken. In de uitvoering die ik heb, is dat afwisselend Portugees, Engels, Frans, Italiaans, Arabisch en Duits. Dat die uitvoering ook nog eens Engelse ondertitels heeft, is prettig voor mij (ik spreek/versta Portugees noch Arabisch), maar zonde van de beelden en, nog veel belangrijker, door regisseur Werner Schroeter ook absoluut verboden. Maar Schroeter is dood (2010) en de filmwereld doet met zijn nalatenchap wat zij wil. Zo kan ik je ook nog een Spaanstalig .srt-bestand leveren voor Spaanse ondertitels.

Die afwezigheid van een script had te maken met haast, en wel om een reden die ook niet alledaags en des films is: Schroeter had als een der hoofdpersonages wederom en beroep gedaan op Magdalena Montezuma (1942-1984; Duitse van origine) van wie ten tijde van de opnamen al bekend was dat ze ongeneeslijk ziek was. Voor hem was dat aanleiding haar niet te strak te binden aan een filmscript en bovendien, zo blijkt uit de aftiteling, de hele film aan haar op te dragen. Zij overleed enkele weken na de laatste filmopnamen.

Schrijnend genoeg was het ook voor de Italiaanse Antonio Orlando (1960-1989), hier rechts in beeld, de laatste speelfilm waarin hij zou acteren. Vóór Der Rosenkönig had hij in tientallen andere films en tv-series gespeeld, onder meer ook in Pasolini’s Salò, waarin hij de rol van Tonino speelt. Naar verluidt kwam hij bij een auto-ongeluk in Napels op 28 september 1988 om het leven.
Voor de derde hoofdrolspeler, Mostáfa Djadjam, links op de foto, van Algerijnse afkomst, was Der Rosenkönig de eerste grote speelfilm waarin hij als acteur optrad.

Vooral de naderende dood van Magdalena Montezuma overheerst de film, zonder er qua plot of beelden ook maar iets mee te maken te hebben.

Heeft de film wel een plot? Ja, eventueel. Verstrikt en verscholen in beelden, metaforen en symboliek valt er wel een soort van verhaal van te vertellen.
Anna Rahma en haar zoon Albert runnen een rozenkwekerij in een vervallen complex aan het strand van een Portugees dorpje. Exacte tijd en plaats zijn niet gegeven, maar ook niet bijster terzake doende. Het zal wel een dorpje aan zee, niet ver van Lissabon zijn, want de acterende kinderen komen uit Sintra en Montijo, twee gemeenten onder de rook van de Portugese hoofdstad.
Zowel uit de sfeerbeelden van het deprimerende pand vol rommel en spinnenwebben, als uit de schaarse informatie die we te horen krijgen, valt op te maken dat de handel niet echt floreert: in de hele film wordt er niets verkocht, terwijl de ene lening slechts met de andere kan worden 
afgelost.
Dan is er opeens Fernando. Waar hij vandaan komt, wordt niet duidelijk. Maar als hij in de kapel stiekem het offerblok licht (met de overbekende Italiaanse smoes “voor mijn zieke moeder”), wordt hij betrapt door Albert en prompt onstaat er tussen beiden een vreemdsoortige relatie. Fernando wordt ‘gehuisvest’ op het stro in de schaapstal en ondergaat de steeds verder gaande avances van Albert lijdzaam (of is het gewillig?).
Terwijl de moeder steeds dieper wegzinkt in haar persoonlijke en bedrijfsellende, die haar tot over de rand der waanzin voert, zet Albert alles op alles om Fernando tot het summum van zijn kwekerijkunst te brengen: Fernando moet de Rozenkoning worden, wat er kort en goed op neerkomt dat Albert in Fernando’s lijf diepe sneden kerft waarin hij rozen ent. In die uitdossing legt hij hem in de rozentuin op de grond. Fernando wordt, als object van een onbereikbaar verlangen, tot idool, waarin Albert zijn ‘vakmanschap’, het enten van rozen, weet te leggen, ook al vernietigt hij daarmee zijn eigen liefdesobject (geen onbekend literair motief!).

Maar voor het verhaal alleen hoef je de DVD niet te kopen, of te downstreamen, of naar de bioscoop te gaan. Het zijn de beelden die het hem doen. Telkens weer, tussen de scènes of vaak zelfs midden in scènes word je uit het verhaal en in de symboliek getrokken, waarvan zelfs de duiding het aflegt tegen de verrassing, verbazing, verdwazing. Daarbij zijn wel enkele constanten aan te geven:

Allereerst het kleurgebruik: het veelvuldig optredende rood; niet alleen van de rozen -de kwekerij heeft alleen rode rozen in de aanbieding-, maar ook van de kleding en, naar het einde toe, van het bloed. We kennen de symboliek van ‘rood’ genoegzaam.
Verder het blauw, koel en onbegrepen als het is, die blauwe zweem van dampende landschappen, de branding van de oceaan, de herhaaldelijk in beeld gebrachte close-ups van typisch Portugese ‘Delftsblauwe’ muurtegels.
En het zwart van de dood, het zwart dat we Anna enkele malen op haar gezicht en zelfs de piano zien smeren.

Vervolgens de viezigheid, als ik er dat tenminste onder mag verstaan, van de overal in huis aanwezige spinnenwebben, de verfletste foto’s. Daarnaast de kikkers, in water gevangen, die schier doelloos wachten op wat er gaat komen. En niet op de laatste plaats het vuur: de brandende kapel, de verbrande foto’s, het stro in brand (aangestoken met de laatste lucifer uit een niet onbekend doosje), de hele rozenkwekerij in vlammen, de dorpskinderen die rond een stapel brandend hout dansen – dat allemaal is geen toeval meer.
Vergeet ook niet de muziek en ander geluid in het geheel te betrekken, de 19e-eeuwse operafragmenten; de gedeclameerde gedichten; de in de verte wegtrekkende treinen.
Dan is er het water, onontbeerlijk voor de mens, maar evenzeer voor een bloemenkwekerij. Bij voortduring zien we iemand de rozen besproeien, bossen rozen druipen van het water, de golven van de zee in de blauwe nacht aankomen op het strand.

Dat laatste krijgt nog een extra dimensie. Natuurlijk is het niet voor niets dat we die branding in totaal 23 maal kortstondig (meestal maar zo’n 4 seconden) in beeld krijgen, zonder enige tekst of uitleg. Maar in de helft van de gevallen biedt die branding nog iets meer: we zien Fernando aanspoelen aan het strand, de golven slaan nog over hem heen, maar de voetstappen in het zand lijken erop te wijzen dat hij, eenmaal aangespoeld in het vreemde land, naar het dorpje is getrokken. Vanuit zijn eigen perspectief is hij de Odysseus of andere literaire held, denk ook aan Yunan in “Il fiore delle 1001 notte” van Pasolini, die schipbreuk lijdt, naakt aanspoelt en dan belandt op een ‘gevaarlijk’ eiland waar hem een zware klus wacht. Vanuit het perspectief van moeder en zoon is hij de onverwachte indringer, het ook al zo vaak gebezigde literaire/filmische motief om spanning in de plot te brengen. Ik besprak het eerder al bij mijn verhaal over Tras el cristal van Villaronga, waar de plotsklaps binnendringende Angelo de hele huishouding op zijn kop zet, sterker nog, die het hele verhaal naar zich toetrekt. Zo is het in Der Rosenkönig ook min of meer: de opeens ten tonele verschenen Fernando drijft een wig tussen moeder en zoon, die er beiden wanhopig onder worden.

Dat er, en passant, een scene is waarin Albert ‘zijn’ Fernando tegen een boomstam plaatst en hem omstandig gaat staan wassen (“Waarom was je mij?” – “Omdat ik je moet wassen.”) levert in de wat langere artikelen over deze film de vreemde discrepantie op, dat de een Fernando hier vergelijkt met Sebastiaan, de ander met Christus. Voor beide opties is wat te zeggen, alhoewel beide symbolen uit de religie in hun terminale positie niet werden gewassen – integendeel. Fernando mist te veel eigenschappen die hem ondubbelzinnig met een van de twee zou kunnen identificeren.

De film roept meer emoties op dan begrip. Misschien vind ik het wel juist daarom een goede film, omdat ik hem niet begrijp, maar er lang en vaak naar kan kijken.

_________________________

Der Rosenkönig (Portugal 1986). Regie: Werner Schroeter. 110 minuten.
Alternatieve titel: Le roi des roses.
Details: http://www.imdb.com/title/tt0091871/
Geen ondertitels toegestaan, maar ze bestaan wel in Engels en Spaans.

Voor meer info: lees de bespreking door Dietrich Kuhlbrodt op http://www.filmzentrale.com/rezis/rosenkoenigdk.htm
en een bespreking op 16.internationales Forum des jungen Films (Berlin 1986), HIER als pdf te downloaden.