Voor boer en tuinder

Wie dit jaar op het land, in de tuin of in/op de vensterbank probeert een goede oogst uit de moestuin te halen, weet er ongetwijfeld alles van: het is, zowel in Nederland als in Frankrijk, een moeilijk jaar met zeer wisselende resultaten. De grote boosdoener: het weer.

 

Het afgebeelde KNMI-staatje jokt een beetje, althans, het geeft de metingen in De Bilt weer. Het Randstaddenken. In Zuid-Oost-Nederland was juli veel heter, en in Rosoy al helemaal: wekenlang tussen de 32 en 40 graden overdag. Daar valt op den duur niet tegenop te sproeien.

Globaal gesproken waren dit jaar tot nu de verschillen tussen Nederland en Frankrijk overigens niet zo groot: maart-april te koud en juli te heet en te droog. Ondanks het vele extra werk (binnen of in kasjes opkweken, later wel tweemaal per dag water geven) was het resultaat maar magertjes.

Helemaal niks: de snijbonen kwamen niet eens op; vermoedelijk te vroeg de boontjes in de grond gestopt. Hetzelfde geldt voor de rucola en de kervel: te vroeg gezaaid. Kropsla, diverse soorten, verlept en verdroogd. Tuinbonen helemaal opgevreten door zwarte luis. Perziken (nectarines): geen vrucht te bekennen.

Bijna helemaal niet: de sperziebonen; minder dan de helft kwam op en geeft nu maar bitter weinig opbrengst. Wel mooie haricots nains en heel lekker, overigens. Aardbeien lijken het goed te doen, maar er zit maar weinig echt helemaal rijp fruit aan.

 

Redelijk: de kapucijners (in tegenstelling tot vorig jaar!); de zwarte bessen, frambozen en zelfs de appelbomen, waar vorig jaar helemaal niets aan kwam; bijna waren ook die verdroogd, maar met regelmaat emmers water er omheen leegkiepen en uiteindelijk nogal wat regendagen in augustus deden de appeltjes mooi rood kleuren en, hoewel het nog wat vroeg is, lijkt het erop dat ze gezond, onaangetast en lekker zijn.

Heel goed: de kerstomaatjes, de uien, de komkommer (nauwgezet bewaterd tot ze zowat in een modderbad stonden) en in de kruidenkasjes de lavas, munt, bieslook en peterselie. Ook de wijnperzik, in tegenstelling tot de gewone perzik, lijkt een goede oogst te gaan geven. Nog even geduld aub.
En niet te vergeten, voor het eerst geprobeerd, de rode peper. 

Dat is een verhaal apart. Vorig jaar had ik groene pepers. Die deden het goed, maar ik vond ze niet pedis genoeg. Dus nu maar bij wijze van experiment dit jaar cayenneplantjes gekocht. Cayennepeper, of Spaanse peper, of rode peper, of Lombok pedis, het is van hetzelfde laken een pak. Chilipeper lijkt een verzamelnaam te zijn voor vele soorten hete peper.
Het procédé is nogal simpel: koop een paar plantjes bij een tuincentrum, kweek die binnen op tot de grond buiten warm genoeg is (15º of zo minstens) en plant ze dan uit. Normaal water geven. Na enige tijd komen er kleine, witte bluumkes in en niet veel later, het is dan augustus, groeien er vanzelf pepertjes aan. Eerst groen, maar na verloop van tijd kleuren ze rood.
Zijn ze eenmaal helemaal rondom en van boven tot onder rood, dan pluk je ze met steeltje en al af, rijg je er een paar aan een nylon of ijzeren draadje (door het steeltje steken – niet door de vrucht zelf) en hang je ze te drogen. Nooit in de koelkast bewaren (schimmel en rot) en ook nooit invriezen (worden slap en verliezen hun pittigheid). Gewoon aan de lucht drogen en als ze goed droog aanvoelen, kun je ze lang in een glazen potje met deksel erop bewaren. De zaadjes zijn het scherptst van smaak; als je die verwijdert, had je net zo goed groene pepers kunnen telen, of een potje zwarte peper bij de Colruyt kunnen kopen, daar is ook smaak noch kraak aan.
En mocht je vinden dat we er maar weinig aan de waslijn hebben hangen, zo nodig ik je uit één klein zaadje ervan even op je tong te komen leggen. Dan houd je voor de rest van de dag wel je mond. Bovendien zitten er nog veel meer aan te komen.

Tot besluit nog het verhaal van de aardappelen. Mijn geweldige oogst nicola’s van vorig jaar (eind september oogstte ik 170 kilo) maakte het mij mogelijk er tot begin augustus van te eten. Dit jaar zag ik van een aardappelveldje af om fysieke redenen, maar achteraf was dat maar goed ook: het is voor de aardappel een vervelend jaar qua klimaat. Ik hoor het van dorpsgenoten hier, maar ook van professionele boeren in Nederland. Ze willen dit jaar niet. Wat er te koop is, zijn importnicola’s uit Israel, maar die hoef ik dus niet. Misschien kan ik in september of oktober nog wel 50 of 100 kilo uit Nederland weghalen, maar de prijs zal er naar zijn. Net als die van de Nederlandse snijbonen momenteel, weet mijn kwaliteitsgroenteman uit Boxmeer te melden.

Wie met de seizoenen mee leeft, moet niet zeuren, maar aanvaarden dat het ene wel en het andere niet doet wat je ervan verwacht.
Alles heeft zijn tijd – alles heeft zijn prijs.

 

 

Langres fait son mieux

Vanuit Rosoy bezien is Langres de dichtstbijzijnde grote stad. Nou ja, niet overdrijven, met z’n 7.500 inwoners is het bijna viermaal zo klein als de gemeente Boxmeer. Vanouds is het ook een heel Nederlandse stad: zomer en winter is het vol met Nederlanders, vaak op weg tussen het moederland en de Spaanse costa’s.
Maar ondanks de vele potenties die de vestingstad heeft, zien we in toenemende mate een leegloop, vooral van de middenstand, terwijl het stadsbestuur er toch veel aan doet er een bruisende, en vooral cultureel gezien aantrekkelijke plaats van te maken. Langres fait son mieux – Langres doet zijn best.

Om dat laatste te onderstrepen:
ik beperk me hier even tot de culturele agenda van het zomerseizoen 2015.

Versierde en verlichte straten en pleinen, tal van festivals en exposities, veel voor de jeugd, maar ook voor de toeristen – het kan niet op.

 

 

 

Er zijn drie ruimtes waar het meeste valt te beleven, cultureel gezien dan:

- Het museum (Musée d’Art et d’Histoire) met een permanent gedeelte van oude opgravingen tot moderne kunst en steeds ook nog een wisseltentoonstelling;

- het Maison de Lumière, in 2013 geopend ter gelegenheid van de 300ste geboortedag van Denis Diderot, en geheel gewijd aan de periode van de Verlichting.

Voor beide: zie ook http://www.musees-langres.fr/.

- de gemeentelijke bibliotheek/mediatheek (Bibliothèque Arland) met een vrij grote collectie boeken en tijdschriften alsmede wisselende tentoonstellingen en culturele activiteiten voor de jeugd; zie de website.

Uit de culturele folder 2015 van Langres staan hierboven een paar voorbeelden.
Mocht je dus alsnog met camper of caravan naar het zuiden trekken en onderweg belanden op camping Navarre in Langres, verzuim dan niet een en ander te bezoeken.

 

 

De bron van de Maas

Een stroompje water dat uit een weiland vloeit. Meer is het niet. Je kunt er wijdbeens overheen gaan staan zonder natte voeten te krijgen. Verwacht dus geen spectaculaire waterval die uit rotsen naar beneden klettert – alles en iedereen is klein begonnen, en aan het einde houd je er een meer dan fatsoenlijke Maasstad aan over.
We praten over de “Source numéro 1 de la Meuse”, vlak bij Pouilly-en-Bassigny, gemeente Le Châtelet-sur-Meuse, op 25 km ten noorden van Rosoy-sur-Amance.
Er valt wel een en ander over te vertellen.

Zo heeft de stad Rotterdam in feite niets meer met de ruim 900 km lange Maas te maken, na de vele omleidingen van de West-Nederlandse loop van de Maas, net zoals Parijs alleen historisch bepaald aan de Seine ligt, maar feitelijk aan de Marne, en Rosoy-sur-Amance niet aan de Amance ligt (die pas verderop zo heet), maar aan de Ruisseau des Joncs.

Dat alles kan overigens geen verklaring zijn voor de armetierige wijze waarop de Maasbron in Pouilly wordt geafficheerd, geëntoureerd en toeristisch wordt geëxploiteerd. Een knullig bordje, wellicht met Europese subsidie gefinancierd, wijst de weg; ter plekke bevindt zich een houten, deels verrot bankje en een tweetal in 1980 opgerichte gedenkzuilen die er niet in slagen de grootsheid van de innige “Franse-Belgische-Hollandse” vriendschap te symboliseren:
op de ene zuil een bronzen plaquette met de nationale wapens van de drie landen, over de merkwaardigheid waarvan ik elders al opmerkingen heb geplaatst, en op de andere een plaquette met de loop van de Maas van Pouilly tot Rotterdam, een staaltje van accurate cartografie waarvoor elke 17e-eeuwse cartograaf zich diep zou schamen.
Het is allemaal goed bedoeld, zeker als je de achterliggende historie kent. Die staat, in vloeiend Waals, en meer gedetailleerd dan objectief, beschreven in een artikel in het Waalse dagblad Le Soir van 8 februari 1991.
Dat de Maasbron in dat artikel wordt gelokaliseerd op 486 meter hoogte, moet te wijten zijn aan een defecte hoogtemeter van de Luikse pastoor-geograaf Justin Évrard: het hoogste punt vlak bij de bron bevindt zich op 407 meter boven zeeniveau.
Het meest teleurstellend vind ik echter dat de Maasbron zelf in feite helemaal niets voorstelt. Het is een miezerig stroompje dat eerder eraan doet denken dat de plaatselijke boer de kraan niet goed heeft dichtgedraaid.

Waar haalt de Maas zijn water dan vandaan? Immers in Limburg en Noord-Brabant mag je haar toch wel een serieuze rivier noemen. Welnu, zoals gebruikelijk kent ook de Maas een groot aantal affluenten – ik noem alleen al de Sambre, de Lesse, de Ourthe, de Geul, de Roer, de Niers, de Dieze. Onderweg zijn er wat interessante weetjes over de Maas te melden: net ten zuiden van Neufchâteau verdwijnt de rivier deels ondergronds, waardoor zij tijdelijk een stuk smaller lijkt. In Frankrijk en België wordt de Maasstroom gebruikt voor elektriciteitsopwekking en bovendien in het Belgische Tihange voor de koeling van de kerncentrale aldaar. Meer noordelijk vormt ze de huidige Belgisch-Nederlandse landsgrens, tevens grens tussen Vlaams en Nederlands Limburg. In afnemende mate is de Maas al vanaf de middeleeuwen gebruikt voor transportdoeleinden, aanvankelijk vooral wijn; later, vanaf midden 19e eeuw, vormde zich met name in Wallonië heel wat (ijzer-)industrie langs de Maas, waarvan de stroom niet alleen geschikt was om te transporteren, maar ook om te koelen en, erger nog, om te lozen. Nederland ruimt als ontvangende natie en een gegeven paard de rommel wel op.

Hierboven noemde ik de “Source numéro 1 de la Meuse” bij Pouilly. Die IGN-aanduiding doet toch minstens vermoeden dat er ook een “Source numéro 2″ zou moeten zijn, en die is er ook, zij het helemaal niet aangegeven in de omgeving. Bezie nevenstaand kaartje. Rechts onderaan die “eerste” bron. Maar als je rechts van Pouilly de D130a naar het noorden afloopt, kom je op 401 meter hoogte bij een “Sce”, oftewel source, waar de Ruisseau de la Coudre begint. Nadat die een paar kilometer verderop uitmondt in een meer, voegt hij zich (zie het rode cirkeltje) bij de Maas. Dat meer met zijn drie dammetjes is overigens een kunstmatig aangelegd reservoir voor de plaatselijke brandweer. De drie kleine meertjes links van de rode cirkel zijn ook kunstmatig aangelegd, en wel door dorpsbewoners van Malroy om lekker te kunnen vissen.

Bij de bron van de Coudre staat, ook weer midden in een weiland, een zuiltje. Als je het prikkeldraad trotseert en er goed naar gaat kijken, zie je tot je stomme verbazing er het opschrift “LA MEUSE – Fontaine de Val” op staan. Tussen het prikkeldraad door loopt het water dan westwaarts. De Coudre? De Meuse? Wíe heeft er ooit wàt bepaald, en waarom?

Detail: onderaan die zuil zie je een rond voorwerp zitten met het opschrift “Nivellement général – I.G.N.”. Dat is een van de ruim 450.000 merktekens in Frankrijk waarop de exacte hoogte staat aangegeven (ten opzichte van het zeeniveau in Marseille). Het IGN, het Franse nationale geografisch/cartografisch instituut, heeft die merktekens tussen 1962 en 1969 aangebracht of vernieuwd. Bij dit exemplaar is het ronde middenplaatje waarop die hoogte in meters tot op 3 decimalen nauwkeurig staat ingeslagen echter verdwenen. Houd het maar op ± 401 meter.

Blijft de vraag: begint de Maas nu bij bron 1 of bij bron 2, of bestaan er ook rivieren met een duobron, zoals HIER ook wordt gesuggereerd? Sterker nog: in de literatuur over de Maasbron en op oude kaarten worden 5 bronnen aangemerkt als “de enige echte”; naast genoemde twee ook een bron vlak bij de kerk van Pouilly, eentje ten zuiden van Andilly, die nu “La Rivière” heet en in het dorpje Meuse (52140) waar het water van alle vijf de bronnen bij elkaar komt
Ik hanteer voorlopig even twee bronnen om daar achter te komen. Later volgt er een meer doortimmerd stuk:

De eerste is mijn oudste neef Bas, geoloog, die mij aan de nodige informatie heeft geholpen. Hij hanteert een nuchtere, wetenschappelijke beslistheorie: als twee stromen samenkomen, is die met het grootste debiet de “echte” rivier en is de ander te betitelen als affluent. Of ik dus maar even ter plekke wou gaan kijken en debietmeten om tot een verantwoord besluit te komen. Aan het einde van de hier uiterst droge julimaand 2015 toog ik derwaarts, parkeerde de auto op het kaartje net links van de R van Ruisseau de la Coudre, nadat ik eerder bij de Chap. (“Chapelle”) van Malroy al door twee bewoners was verjaagd omdat ik mij op hun privéterrein bevond. Door akkerlanden, en dwars door een grote strook kreupelhout, voornamelijk bestaande uit wilde braamstruiken en akelige brandnetels, volgde ik de oostelijke oever van het brandweermeer tot ik uiteindelijk op de plaats van bestemming belandde: de confluent van beide waterlopen van dit tweestromenland.
En ja hoor, ik kon de Maas zo maar oversteken, zelfs zonder te springen, want er liep minder water door dan er bij ons uit de kraan komt, en de Coudre stond helemaal droog. Van rechts op de foto komt de Maas aangestroomd en van boven naar onder, in het zonlicht, de Coudre. Althans de bedding van beide, en debiet meten was absoluut onmogelijk. In november of maart nog maar eens proberen, al zal het dan nog minder makkelijk te bereiken zijn.
Een andere beslissende wetenschappelijke factor kan natuurlijk ook zijn: welke bron ligt het hoogste, en/of: welke bron ligt het verste van de monding verwijderd. 

Tweede bron: Justin Évrard die, gewapend met pikhouweel en wichelroede rond 1970 ertoe kwam de huidige “Source numéro 1″ bloot te leggen en die later met een aantal gedenktekens te laten opfleuren. Voor hem was het criterium welke bron het verste van de monding af ligt doorslaggevend om tot de conclusie te komen dat die Source de echte bron van de Maas vormt, want die ligt iets verder van Rotterdam verwijderd. Zijn activiteit heeft ertoe geleid dat het deze bron is die nu alom als de echte bron wordt aangemerkt. Dat hij er qua hoogte (486 in plaats van 407 meter) nogal naast zat, doet daar niets aan af. Bovendien kan het ook nog een fout in het krantenartikel van Le Soir zijn geweest.

Ik ga mijn zoektocht vervolgen. Zowel in het veld als in gesprekken met lokale bevolking als in de betreffende literatuur, want vooralsnog zitten er te veel losse eindjes aan de argumenten die ik heb aangetroffen.

 

 

Waterscheidingen

Als randstedeling zul je er niet wakker van liggen, maar wie in de buurt van een der grote Europese waterscheidingen woont, kent de enorme impact ervan. Vlak bij ons in Rosoy, 10 km in noordwestelijke richting, ligt zelfs een heus ‘drielandenpunt’, de scheiding tussen de afwateringen naar de Middellandse Zee, het Kanaal en de Noordzee. Echt een toeristische attractie is het niet, maar het is wel interessant en destijds was het van vitaal belang.

Klik eerst even op nevenstaand kaartje. Het groene huisje onder de as van Strasbourg, dat ben ik. Iets ten noordwesten daarvan is het bedoelde drielandenpunt. Wij zitten dus net aan de Middellandse-Zeekant van de rode lijn. Over dat drielandenpunt (“le point triple en Haute-Marne“) is trouwens een verhelderend artikel van Jean Gallier op internet geplaatst.
Op de kaart is eigenlijk een heleboel te zien wat je misschien nog nooit hebt beseft, zoals het enorm grote stroomgebied van de Donau en de secundaire scheidingen die in Nederland lopen. Het is een van die kaarten waarop ik nauwelijks raak uitgekeken.

Dat het een echt drielandenpunt is, blijkt onder meer uit de twee foto’s hiernaast. De linker foto heb ik genomen op de weg van Langres naar Rosoy, oftewel de N19 van Parijs naar Basel. Daar loopt de scheiding tussen het Kanaal en de Middellandse Zee. De rechter foto nam ik iets ten noorden van ons, op de D417 van Montigny-le-Roi naar Bourbonne-les-Bains, waar de scheiding tussen de Noordzee en de Middellandse Zee loopt. Pal noord van dat bord, aan de Noordzeezijde dus, ontspringt de Maas, waarover ik in een ander bericht nog te spreken kom. Ook de Marne en de Seine ontspringen aan die kant van de rode lijn; de Saône iets meer naar het oosten aan de andere kant. Het Plateau van Langres is dus met recht bron en oorsprong te noemen van belangrijke wegen, van Rotterdam tot aan Marseille, met en passant ook nog eens Parijs en Boxmeer die er deels hun grootheid aan ontlenen.

Ik had het over een grote impact van een waterscheiding. Die is er voornamelijk op logistiek vlak: het transport per spoor en over water. Hoewel je per auto rijdend niet veel hoogteverschil merkt (maar ga er maar eens fietsen; dan piep je wel anders!) tussen de 200 meter hoogte in de omtrek en de 420 meter van de waterscheiding, is er een serieus probleem.
Het treinstation van Culmont-Chalindrey, 12 km van Rosoy vandaan, is een belangrijk knooppunt: daar kruisen de noord-zuidlijn Luxemburg-Marseille en de oost-westlijn Basel-Parijs elkaar. Beide verbindingen moeten dus een waterscheiding passeren en treinen houden niet van geaccidenteerd terrein, zeker niet de 19e-eeuwse stoomtreinen. Gevolg is dat voor deze twee lijnen, rijdend vanuit Culmont naar het noorden of het westen, een lange tunnel is gegraven waardoorheen de treinen de waterscheiding (lees: het hoogteverschil) op doenlijke wijze kunnen passeren.

Voor de binnenscheepvaart, tot in de 20e eeuw nog een voornaam goederentransportmiddel, zijn de problemen zo mogelijk nog complexer. Om reistijd te bekorten en de rivieren überhaupt bevaarbaar te maken, werden er her en der kanalen aangelegd van de ene rivier naar de andere, zoals in Nederland het Maas-Waalkanaal bijvoorbeeld. Maar je voelt hem al: als je een kanaal graaft tussen de Marne, die afwatert op het Kanaal, en de Saône, die afwatert op de Middellandse Zee, dan loopt het water naar twee kanten weg en liggen de schepen met hun buikje op de bodem droog te zwemmen. Met alleen twee sluizen kom je er ook niet, want er moet toch een aanmerkelijk hoogteverschil worden overbrugd (verkeerd woord, maar ik bedenk zo gauw geen ander). Dik 150 jaar geleden bedachten Franse ingenieurs wat daarop. En nog voor de eeuwwisseling was het project af en konden de schepen van zeg maar Parijs zo naar Lyon varen. In de buurt van Langres werden er in het kanaal 114 (!) sluizen aangelegd om geleidelijk het hoogteverschil te compenseren. Maar ook 114 sluizen voorkomen niet dat de zaak in het midden (dus op het hoogste punt) zoetjes aan leegloopt. Dus legde men rond Langres vier meren aan, bassins, gevoed door kleine lokale riviertjes en regenwater, die aan beide zijden van het hoogste punt het waterniveau kunnen reguleren. Ik heb overigens twee van die meren wel eens helemaal droog zien staan, ik meen tijdens die vreselijk hete zomer van 2003. Aan die meren heeft Langres het epitheton “Land van de vier meren” overgehouden. Dankzij Photoshop kun je die HIER op één foto zien. Ze staan ook ingetekend op het vieze bord hierboven: drie meren links, aan de kant van de Marne, en eentje rechts, aan de kant van de Saône.

Maar op dat bord zie je nog iets heel markants, in het midden onder die groene berg: de Tunnel de Balesmes van 8,420 km lengte. Het schijnt de langste kanaaltunnel van Frankrijk te zijn, voor mijn part de langste ter wereld, niet te verwarren met de Kanaaltunnel van Calais naar Dover, want daar rijden de auto’s onder het water door, maar bij Balesmes varen de boten onder de auto’s door, sterker nog: zelfs pal onder de kerk van Balesmes-sur-Marne door. Om tè grote hoogteverschillen te vermijden, namen de ingenieurs het initiatief op het moment suprème ondergronds te gaan en dat was bepaald geen sinecure: vlak bij Balesmes ligt de tunnel 100 meter onder het maaiveld en zelfs 125 meter lager dan de stad Langres.
Ik ben er nog nooit doorheen gevaren, maar ik heb het van horen zeggen: aan één kant loopt er langs het ondergrondse gedeelte een trottoir ten behoeve van de trekvaart, waar overheen arme loonslaven een boot konden voorttrekken. Loontrekkers dus.

De vooruitgang was evenwel niet te stuiten: er kwamen stoomschepen. Het gevolg laat zich raden: een binnenvaartstoomschipper die aan de ene kant het niet mechanisch geventileerde kanaal in voer, kwam er aan de andere kant geroosterd en geblakerd uit, ongeveer zoals wij het twee jaar geleden meemaakten bij een toeristisch tochtje met een stoomtrein in Zwitserland.

Vandaag de dag zijn het alleen nog pleziervaartuigen die het hele kanaal van de Marne tot de Saône vv. bevaren. Trek daar maar wat dagen voor uit, met die 114 sluizen en nog een aantal draaibruggen die je allemaal moet passeren.

Als het je boeit, kun je er op internet nog heel veel meer over lezen; nuttige tags staan hieronder vermeld. Ik laat het nu even hierbij, met de belofte het merkwaardige verhaal van de Maasbron binnenkort op deze weblog te publiceren.

 

 

Kunstenaars in de regio 2015

Zoals in de agenda 2015 is te zien, exposeren er ook dit jaar weer heel wat Nederlandse, Vlaamse en Britse kunstenaars in de regio tussen Langres en Vesoul. Naast de wat langer geopende expositie van Ellen Beljaars en René van Dijck, zijn er op 18 en 19 juli a.s. open dagen waaraan ruim 20 kunstenaars deelnemen.

 

Onder het motto Art au Vert exposeren deze kunstenaars zowel binnen als buiten oud en nieuw werk, gratis te bezichtigen. De route langs de 19 te bezoeken plaatsen, zie bijgaand overzicht, is wellicht te lang en te veelomvattend om in een weekend tijds alles te gaan bekijken, maar door gerichte keuzes te maken kun je er volop van genieten en nuttige contacten leggen of te onderhouden.
Meer uitvoerige informatie, met voorbeelden van werk van alle deelnemende kunstenaars, is te vinden op http://ellenbeljaars.nl/nl/2015-art-au-vert.  

Aanbevolen.

Mussen van het dak

De calore clamavi ad te, lector.
Terwijl de mussen van het dak vielen, kwamen we gisteren terug van vier dagen Nederland. De volgende ochtend bleken de vijf jonge zwaluwtjes vliegvaardig genoeg om het nest te verlaten waarin ze wekenlang opgepropt hadden moeten verblijven.
Maar met één ding hadden zij, noch hun ouders rekening kunnen houden: de enorme hitte van 38-40 graden overdag, die ertoe leidde dat ze zich niet, zoals twee jaar geleden, voor de meer geavanceerde vlieglessen op de dakrand konden opstellen alvorens airborne te gaan. Ze zouden aan de hete gegalvaniseerde goot hunne pootjes verbranden. Dus maar vooralsnog een plekje in de relatief koele garage gezocht – keuze te over.

Schrale troost: in Orvieto is het momenteel nog heter.

Wat mij overigens al een tijdje is opgevallen (maar misschien is het heel normaal), is dat ze al die tijd zijn uitgebroed, beschut, gevoederd en geïnstrueerd, kortom alle pre- en postnatale mantelzorg, niet door twee, maar door zeker vier volwassen zwaluwen. En ik weet ook niet eens of dat wel steeds dezelfde vier waren. Ze lijken allemaal zo op elkaar.

Misschien dat iemand mij iets meer kan vertellen over de educatieve instincten en processen van zwaluwen.

 

La vérité

Met enige regelmatig krijg ik de vraag waar mijn boek over WO-I blijft. Om u de waarheid te zeggen: de verhoopte verschijningsdatum van 1 juni 2015, op de dag af 100 jaar nadat Eugène Parisot in zijn notitieboekje te Vic-sur-Aisne zijn testament schreef, wordt gedwarsboomd door een wat vreemd Frans gebruik. Zoals de uitgever mij enige weken geleden zei: “Meneer Loonen, u moet begrijpen dat men hier in Frankrijk rond half mei begint met het voorbereiden van de grote vakantie”. Het gaat dus ergens in het najaar worden, na de rentrée, september of wellicht oktober.

Tekst, afbeeldingen en opmaak zijn in principe af en alles is bij de uitgever ingeleverd.
Voor mij is het dus wel een teleurstelling, maar voor lezers wellicht minder. En omdat er tussen september en december twee lezingen staan gepland rond het boek waarvoor ik ben uitgenodigd, eentje tijdens een tentoonstelling 1915-2015 in Vic-sur-Aisne, en eentje op een thema-avond op het Departementaal Archief te Chaumont, komt het in zekeren zin misschien ook wel goed uit; de boeken zijn dan nog warm.

Als ik eenmaal het ISBN-nummer en de definitieve verkoopprijs weet, zal ik met een aankondiging en wervende mail komen.

Tot die tijd dus nog maar even geduld betrachten.

 

 

Zomaar een muur

Afgelopen zomer, toen ik het nodig vond een een extra isolerende wand te plaatsen in onze salon, kwam ik op het idee daarin twee nisjes te maken om er een deel van mijn kunstcollectie te exposeren. Het is niet zomaar een muur. Hij isoleert, jawel, maar is tevens een herdenkingsmuur.
Ik noem hem “de 11-oktoberwand”.

Voor een deel zie je er reeds bekende elementen: middenin hangt opa, Leonardus Walen, naar wie ik ben vermoemd. Het schilderij heb ik al in een van mijn eerste berichten getoond. Rechts van hem de buste die Marcel Joosen in 2013 van mij maakte, en waarover ik al iets heb gepubliceerd in het artikel Scheef perspectief.

Nieuw is het linker borstbeeldje. Het is een aardewerk afbeelding van Solange Parisot, in januari 2015 mij geschonken door Ellen Beljaars die de buste heeft gemaakt naar een foto van Solange uit december 1915, toen zij dus 15 jaar oud was.
Solange was de laatste bewoner van ons huis, voordat wij het kochten. Dat wil zeggen, 14 jaar daarvoor was zij, 84 jaar oud, naar het bejaardentehuis in Bourbonne-les-Bains gegaan, maar zij hield haar huis aan om er te kunnen terugkeren als zij weer beter was. Maar zij werd niet beter, want ze was niet ziek. Zij was in 1900 geboren op 11 oktober, precies de dag waarop ook ik in 1946 ben geboren. Vandaar “de 11-oktoberwand”.

Solange was het oudste kind van Eugène Parisot en Louise Millot. En daarmee is het bruggetje gemaakt naar mijn voorgenomen publicatie van de correspondentie van de familie uit 1914-1918; hij aan het front in weinig florissante omstandigheden, de overige familieleden in Rosoy, in een al even treurige ambiance. Ik heb daarover al eerder bericht, zodat ik nu kan volstaan met een update.

Inmiddels zijn alle tekstdocumenten getranscribeerd, d.w.z. van de handgeschreven papieren heb ik tekstdocumenten gemaakt, en daaromheen veel begeleidende teksten en registers. Ook de layout is inmiddels zo goed als voltooid: het worden tussen de 180 en 200 bladzijden A4-liggend, met ruim 80 illustraties en over de 200 voetnoten, op het randje van een wetenschappelijke plublicatie. En helemaal in het Frans (dat ik door diverse francofonen hier heb laten controleren en verbeteren).
De bedoeling is dat het boek zal verschijnen op 1 juni 2015, op de dag af 100 jaar nadat Eugène Parisot, hier rond die tijd poserende op de Place de la Mairie in Vic-sur-Aisne, in zijn zakboekje zijn testament schreef, omdat het hem te heet onder de voeten werd. Meer daarover in mijn eerdere artikelen rond La Grande Collecte.

Velen zullen het herkennen: resteert nog het probleem van een uitgever die de klus op zich wil nemen. Met twee ben ik in gesprek, een in Frankrijk en een in Nederland, want ik denk in beide landen wel geïnteresseerden te kunnen bereiken, en dan is een co-productie met twee ISBN-nummers handig voor promotie en verspreiding.

Als die laatste hobbel is genomen, zal ik met een wervende tekst komen om het boek aan de man/vrouw te brengen. Nog even geduld dus.

 

 

 

Aardappelen en wolfsmelk

Mijn in 2011 bij infonu.nl gepubliceerde en frequent geraadpleegde artikel Aardappelen lang bewaren had tot doel de condities te schetsen waaronder je met je eigen aardappeloogst de winter goed kunt doorkomen. Nu ik met de oogst van 2014 bezig ben, lijkt het me niet onverstandig aan dat artikel wat opmerkelijkheden en adviezen toe te voegen, met name om ervoor te zorgen dat je bij het oogsten niet meteen al een groot deel van de aardappels kunt afschrijven.

Het is, qua groenten- en fruitopbrengst, maar een even onvoorspelbaar als grillig seizoen: het varieert van een matige tot helemaal geen opbrengst aan wortelen, uien, appels, perziken, frambozen, kapucijners en snijbonen tot een overvloed aan komkommers, aardbeien, wijnperziken, sperziebonen en aardappelen. Daar tussenin zitten de kruiden, groene pepers en tomaten. Het zal voor een deel wel aan het weer hebben gelegen, en aan verkeerde of verkeerd getimede werkzaamheden. Maar anderen in het dorp hebben vergelijkbare ervaringen opgedaan in 2014.

Des te verrassender is het dat de aardappelen (Nicola’s) het dit jaar zo verbluffend goed doen. Al heb ik nog lang niet de helft van de oogst gerooid, het betreft immers een laat ras dat doorgaans pas eind september de grond uit moet, nu al valt de kwantiteit en de kwaliteit in positieve zin op. En dat brengt mij ertoe even aandacht te schenken aan iets uiterst belangrijks voordat je überhaupt kunt denken aan “aardappelen lang bewaren”.

Vorig jaar moest ik de teleurstelling verwerken dat meer dan een derde van de oogst bleek te zijn aangevreten door ondergronds ongedierte. De een hier in het dorp zegt dat het mulots waren, bosmuizen of grote veldmuizen, anderen beweren bij hoog en bij laag dat het courtilières waren, in het Nederlands veenmollen of aardkrekels (en daarvan heb ik er bij het rooien ook twee betrapt – het gaat niet meer zo goed met ze), hoe dan ook, beesten die ondergrondse gangen maken en onderweg alles op- en aanvreten wat ze tegenkomen: plantenwortels, knollen, regenwormen. En in plaats van dan een hele aardappel op te eten zoals wij altijd hebben geleerd (“netjes je hele bord leegeten”) hollen ze een stuk van de aardappel uit en graven dan verder tot ze de volgende tegenkomen.

Zo niet dit jaar. Het was me al opgevallen dat ik nergens in het aardappelveld die typische verticale ronde ingangen zag waardoor die dieren in en uit gaan, terwijl ik die gaten wel op andere landjes zag. Dat aardappelveldje ligt aan de rand van het dorp, dus niet aan huis in de tuin, en de vrouw die het stuk land ernaast bewerkte liet mij een paar weken terug de door haar gerooide aardappelen zien: francelines of chéries, zo’n typisch Franse rode vastkokende aardappel. Ook heerlijk. Maar tevreden was zij allerminst: ongeveer de helft bleek te zijn aangevreten door hetzelfde ongedierte dat mij een jaar ervoor ook parten speelde.

Waarom dit jaar dan niet? Waarom is nu nog geen 5% van de oogst na het rooien al slecht bruikbaar, waarvan nota bene het merendeel is beschadigd doordat ik er per ongeluk met de riek in prikte of met de spitspa doorheen sneed? Wetenschappelijk kan ik niks bewijzen, maar proefondervindelijk ben ik wel wat wijzer geworden. Het een hoeft het ander trouwens ook niet uit te sluiten.

In mijn weblogartikel over mollen verjagen heb ik aangegeven dat mollen het niet bepaald hebben op de stank van een oplossing van wolfsmelk (euphorbia). Heb je één plant daarvan in je tuin, dan heb je er het volgend jaar tienduizend; stop bladeren en stengels in een ton of grote bidon, vul die met water, en giet het mengsel na enige uren of weken in molsgaten en mollengangen. Ze vluchten alle kanten op vanwege de stank.

Dat bracht mij op het idee om in de rijen gepote aardappelen om de zeven meter een uit de tuin gespitte wolfsmelkplant te plaatsen. Ze overleefden de transplantatie en vermenigvuldigen zich daar inmiddels ook welig en talrijk, zoals je kunt zien aan het jong spruitsel op de voorgrond. En dus (bijna) geen aangevreten aardappelen meer.

Voor de goede orde: op de foto hiernaast een gave Nicola (A), een aangevreten exemplaar (B) en een rottende (C).
De gave exemplaren kun je goed conserveren tot maart-april. Lees het hier bovenaan genoemde infonu-artikel. De aangevreten aardappelen zijn voor directe consumptie nog wel bruikbaar: snijd het beschadigde deel ruim weg en de rest kun je gewoon eten. Voor rottende aardappelen geen pardon: weggooien, en wel subiet. Afhankelijk van de lokale verordeningen al dan niet in de gft-bak of bij het huishoudelijk afval, net als tomatenafval.

Ik ben uiterst benieuwd of er onder ons meerdere Maarten ‘t Harts zijn die op dit punt enige eigen ervaring of aanvulling kunnen aandragen. Laat maar horen.