Ouderenzorg

Terwijl in Nederland de politieke partijen over elkaar heen buitelen om voor de verkiezingen van maart 2017 hun meest 65+’vriendelijke gezicht te tonen (van de plannen voor een Nationaal Zorgfonds ben ik overigens een verklaard voorstander), beginnen ze in Frankrijk de messen te slijpen voor de presidentsverkiezingen in april/mei 2017. Links hangt knock-out in de touwen, dus het zal wel een keus worden tussen Fillon (rechts-liberaal) en Le Pen (rechts-populistisch). Ik heb als Nederlander hier geen stemrecht, maar als 65+’er werd er toch aan mij gedacht.

De gemeente Haute-Amance, departement 52-Haute-Marne, een conglomeraat van vier dorpen waaronder Rosoy-sur-Amance, telt momenteel circa 1.000 inwoners, waarvan het merendeel, schat ik zo, boven de 65 is. Het gemeentebestuur overstijgt alle Parijse perikelen door zich niet met verkiezingsretoriek bezig te houden, maar houdt het op handhaving van de traditionele waarden. Dat ging al honderden jaren goed, dus waarom er iets aan veranderen?
De uitnodiging (ambtelijk-bureaucratisch correct gedateerd op 07 november) was helaas opgemaakt met dat vreselijke comic sans lettertype, waarvan ik dacht dat dat was voorbehouden aan mavo-pubermeisjes of olijke bakvissen.

Niettemin, afgelopen weekend vond derhalve de traditionele maaltijd plaats, waarvoor het gemeentebestuur best een paar duizend euro in het budget had willen vrijmaken (plus nog eens vervoerfaciliteiten voor wie slechts ter been was, of geen rijbewijs (meer) had), om de sociale cohesie van de vele 65+’ers te versterken.
Voor de eerste keer schoof ik aan.

En ik kwam bedrogen uit. Ik had een gezapig samenzijn verwacht van rollators, krukken, braces, mitella’s, en oudjes die normaal gesproken het huis niet meer uit komen, maar die voor dit gratis hapje door de mantelzorg of andere attente dorpsbewoners erheen waren gesleept. Niets was echter minder waar. Er bleken zich rond de 150 bejaarden te hebben verzameld, de meeste mannen kalend, de meeste vrouwen voor de gelegenheid gisteren nog net naar de kapper geweest; sommigen kwiek, anderen zorgelijk krom lopend, velen voortdurend naar de wc moetend, en in plaats van dat het voornamelijk ging over wie er de afgelopen maanden allemaal waren overleden, welke kwalen een bedenkelijk niveau aan het bereiken waren en de gebrekkige straatverlichting ’s avonds, werd er aan de tafeltjes heel conviviaal gekouterd over de oogst van afgelopen zomer, de ontwikkelingen in het dorp, de vele mogelijkheden in de nabije toekomst. Er werden moppen getapt, recepten besproken, kleinkinderen voor het voetlicht gehaald, kortom een veel positievere grondhouding dan waarop ik had gerekend.

En waar ik een traditioneel menu had verwacht van de gebruikelijke apéro (slechte witte wijn met een scheut cassis erdoor die gelukkig net in de aanbieding was), een kartonnen wegwerpbordje met slappe, koude, vette, rijkelijk met zout bestrooide friet als poedersuiker op de kerststol, geserveerd met een ondefinieerbaar stukje kip, of worst, of een zwartgeblakerd speklapje, en een keuze uit één of twee soorten kaas als dessert, dat alles met een plastic vanzelf brekend vorkje en geen mes, want aan de zijkant van het vorkje zitten toch immers karteltjes, had het gemeentebestuur nou eens flink uitgepakt. Geheel tegen de traditionele xenofobische houding van Franse dorpen, waar zelfs alles uit naburige departementen al als indringerig wordt beschouwd, was er dit maal een traiteur uit Lavoncourt, departement 70-Haute-Saône, in de arm genomen.
Wat het allemaal heeft gekost, weet ik uiteraard niet, maar uit het feit dat invités welkom waren tegen betaling van €30 pp. leid ik af dat er per couvert zeker een dergelijk bedrag mee was gemoeid.
Ik geef toe, het aperitief bestond, zoals verwacht, uit een keus tussen witte-wijn-met-cassis of rosé-pamplemousse met plastic bordjes vol  borrelnootjes assorti die je voor minder dan een euro per bakje bij de Colruyt of LeClerc weghaalt, maar waarmee toch in ieder geval de gewenste temperatuur kon worden bereikt.

Daarna verscheen er een aantal gangen die zowel qua opmaak als qua ingrediënten meer dan voortreffelijk te noemen waren. Toen de burgemeester, vanwege zijn te lage leeftijd niet toelaatbaar, maar als rondlopend bediende zeer gewaardeerd, het startsein had gegeven, nam de geamuseerdheid rechtevenredig toe met het aantal achterovergeslagen glazen. Aanvankelijk, naast de onontbeerlijke flessen mineraalwater, zeer goede Pinot blanc uit de Elzas en vanaf gang zoveel een niet al te goedkope rode Bordeaux. Het eerste gerecht, een  toastje met een soort kaasbitterbal en een schaaltje met champignons en escargots op een leien bord, alles keurig gegarneerd, werd gevolgd door een  bord met een fors stuk zalm (alleen, ik eet geen vis, maar mijn portie vond aan de tafel gretig aftrek).

Daarop volgde tot mijn grote verrassing een tussendoortoetje: een potje met mango-ijs, verse (hoe kan dat?) aardbeien, een knapperige wafel en een plastic pipetje met een of andere Bretonse likeurachtige drank. Jammer genoeg moesten we het lege potje inleveren -ik had er nog wel iets nuttigs mee kunnen doen, maar dat is wellicht te Hollands gedacht.

Dit was niet het echte dessert, want daarna brachten de ongeveer 20 vrijwillige serveerders borden rond met een dik stuk varkenshaas met een rijk garnituur. Het verbaast me wat al die Franse bejaarden bij zo’n maaltijd weten te verstouwen, maar alles ging op. Men vertelde me dat er tot slot nog een echt dessert zou volgen, maar omdat Franse maaltijden uitblinken in langdurigheid (het begin was om 12:30 stipt en het was inmiddels 16:30) excuseerde ik me omdat ik nog een afspraak had waar ik naartoe moest. Ik had voldoende foto’s gemaakt en in feite wilde ik geen minuut missen van Utrecht-Feyenoord die een kwartier later begon, en waarvan het inderdaad de moeite was er de eerste minuten niet van te missen. De laatste ook niet, trouwens, zeg ik met enige opluchting.

Ik wist intussen wel genoeg en was zeer tevreden over dit gemeente-initiatief en zeker ook over de feitelijke uitvoering ervan. Henk Krol zou er zijn vingers bij hebben afgelikt.

Kortom, ik weet nog niet op wie ik in Nederland in maart ga stemmen; zal wel een van de Zorgfondspartijen worden. In Frankrijk hoef ik komend jaar gelukkig niet te stemmen op rechts of op rechts, maar afgelopen zondag in Hortes zat de stemming er alvast goed in.

 

 

Kunstoogst

Ik ben verzot op aardappelen, dat mag intussen wel bekend zijn.
Nu intussen de oogst 2016 boven de grond komt, krijg ik er zo maar een artistieke bijvangst bij. Daar ik dit jaar niet aan de door mij verafgode Nicola kon komen, waagde ik een poging met een rij Monalisa en een rij Franceline.
Het resultaat verbaast.

De Monalisa, iets minder vastkokend dan de Nicola, schijnt vooral rond de Middellandse zee populair te zijn. Een gladde, gele aardappel waarvan sommige een respectabel gewicht van 4 ons halen, zoals hier links op de foto’s. Ik vind het qua smaak een wat doorsnee-aardappel die op geen enkele wijze correspondeert met de glimlach die haar naamgeefster zo beroemd maakte. Maar toch goed te eten.

De rode Franceline is van een ander kaliber. Vastkokend, stevige smaak, maar naast vele langwerpige, gladde exemplaren zitten er ook veel amorfe knollen tussen die zich lastig laten schillen. Hetzelfde euvel als bij de Franse Ratte en de Nederlandse Opperdoezer, maar die kun je ook ongeschild bereiden en eten.


Ter compensatie haalde ik vanmorgen dit muilezelkonijnenhondje uit de grond, op de foto’s rechts.
Even van genieten, en dan maar gauw opeten.

 

 

NON à Hollande

Dit is geen slogan voor de naderende presidentiële verkiezingen in Frankrijk, al zal die titel velen charmeren. Nee, het is mijn kruistocht tegen het gebruik van “Hollande” voor “Nederland” of “Pays-Bas“. Op tribunes (“Hup Holland Hup”; “Holland spreekt een woordje mee”), op vrachtwagens (“MAASTRICHT – HOLLAND”, of, zoals hiernaast: “SOEST – HOLLAND”, of, zoals hieronder, gespot tussen Parijs en Rouen: “ROOSENDAAL – HOLLAND”) en alom in Frankrijk (“Vous êtes hollandais?”).

Mijn antwoord op die laatste vraag is steevast: nee. En dan heb ik wat uit te leggen, maar dat doe ik dan volgaarne met een mengeling van plezier en grimmigheid.

 


Voor de duidelijkheid: ik ben geboren in Oss (Noord-Brabant), heb lang gewoond in Amsterdam (Noord-Holland), later in Venray (Limburg), Eindhoven en Boxmeer (beide Noord-Brabant) en sinds 2007 in Rosoy-sur-Amance (Haute-Marne). Als ik iets ben, ben ik Brabander, en paspoortmatig Nederlander. Vraagt iemand hier mij of ik een Hollander ben, dan vraag ik quasi verbaasd of de vraagsteller het fijn zou vinden om als Bask te worden betiteld. Immers, in deze streek strekt de evidente xenofobie zich uit tot binnen de landsgrenzen: alles wat uit Parijs komt (goud) of Marseille (zilver) of Baskenland (brons) is per definitie onbetrouwbaar en abject. Dus ik heb dan al iets minder uit te leggen.

Staan we dan nog steeds op goede voet en komt de vraagsteller hier over de vloer, dan laat ik volgaarne het volgende filmpje zien:

https://www.youtube.com/watch?v=eE_IUPInEuc

Waarna iedereen lacht, ik niets meer hoef uit te leggen en nooit meer een Hollander zal heten.

 

Kunst-en-meeragenda 2016

Fransen zijn tuk op afkortingen, meer nog dan Nederlanders, lijkt het wel. En als zo’n afkorting dan ook nog een homoniem blijkt te zijn, is het dubbel genieten.
Ik bedoel dan niet van die perongelukke homoniemen zoals wij die kennen van HBO, HR en PSP. Een schrandere slimneus uit Langres heeft bedacht dat ML niet alleen staat voor
Musées de Langres, maar sinds 2013 ook voor het Maison de Lumière, het Huis der Verlichting, geopend bij de viering van de 300e geboortedag van Denis Diderot, afkomstig uit Langres.

Dat museum is gevestigd in het tussen 2009 en 2013 schitterend gerenoveerde Hôtel du Breuil de Saint-Germain. Kosten bijna € 1½ miljoen, maar het is de moeite. Als je tenminste houdt van de versmelting van kunsten en wetenschappen, filosofie en cartografie, een soort van renaissance van de Renaissance waarop wij tot op de dag van vandaag voortborduren; een interdisciplinaire bloei waarvan wij, gemerkt of ongemerkt, nog steeds profiteren. Voor een gedegen uitleg over gebouw en museum, ingericht rond leven en werk van Diderot, kun je deze PDF raadplegen.

Langres biedt meer, zoals ik vorig jaar ook al opmerkte. Een breed scala aan culturele evenementen staat er op het zomerprogramma van mei-oktober 2016.
Zonder veel moeite zijn de details op internet te vinden.

Daaronder ook het concours Peintres & Sculpteurs dans la rue op 26 en 27 augustus. Voor de artiesten zijn in de diverse categorieën prijzen tot € 500 te winnen, en bovendien worden er op zondag 28 augustus kunstwerken openbaar verkocht.


Komend weekend, 16 en 17 juli, is er tussen Langres en Jussey het traditionele evenement Art au Vert: 15 Franse, Nederlandse en Britse artiesten houden open huis en tonen in hun ateliers nieuwer en ouder werk van allerhande snit en kwaliteit. Omdat mij de eer te beurt viel om het juli-uitstapje van de plaatselijke oldtimerclub Les Pistons du Bassigny te verzorgen, heb ik georganiseerd dat we in drie groepen langs een aantal artiesten gaan rijden. Er hebben zich inmiddels ongeveer 60 deelnemers met 25 oude auto’s aangemeld, dus de regio -zie het overzicht hieronder- staat een heuse parade van klassieke voertuigen te wachten, en de ateliers kunnen rekenen op een voor hen ongekende invasie van kunstliefhebbers.

Niet ver van Langres, in Bourbonne-les-Bains, is er dit jaar ook weer traditiegetrouw een opeenvolging van culturele activiteiten.
Ik licht er eerst even de 41e salon de peinture & sculpture uit, een expositie in Centre Borvo van schilder Pierre Bassard en beeldhouwster Ellen Beljaars, die nog tot 24 juli loopt.
Op die zondag heeft ook Bourbonne-les-Bains zijn jaarlijkse Peintres dans la Rue, waar professionelen en amateurs de hele dag op straat hun schilderwerk maken en vertonen (en verkopen).

 

En nu maar hopen dat het hier eens een paar dagen niet regent en onweert;
te veel gedonder.

 

 

Zwaluwen, alweer

Net als voorgaande jaren was het eind juni, begin juli weer zover: het nest jonge zwaluwen is uitgevlogen. Een kwartet, dit jaar, na weken op een klutje te hebben gezeten in een nieuw gebouwd nest, nog hoger tegen de zoldering, nog onbereikbaarder voor katten en camera’s. Eenmaal buiten houdt pa hen nog een tijdje aan het lijntje.

Wat mij, al observerende, blijft verbazen, is hoe zwaluwen, net als katten, olifanten en de hele ark van Noë vol, in staat zijn bepaalde dingen te “weten”, zonder dat er een gedegen opleiding aan vooraf is gegaan.
Dat begint al met het bouwen van het nest: het ouderpaar gaat al weken voor het eieren leggen aan de slag met het uitzoeken van een geschikte veilige plek, en het onverdroten aanrukken van takjes en kleibrokjes om een nest te bouwen, groot en stevig genoeg om de verwachte aanwas te kunnen herbergen. Dan moet er toch een zeker besef bestaan van tijd, van een gedachtelijn van “als…, dan…”, van oorzaak en gevolg. Daarvoor hebben wij in het onderwijs jaren nodig om het kinderen bij te brengen, dat soort logica en argumentatieleer.
Vervolgens het feit dat de eieren bebroed dienen te worden, en als de kleintjes zijn uitgekomen, dat ze moeten worden gevoed.

Het kwartet jonkies weet, spontaan, lijkt het, dat ze hun bekjes moeten opensperren om het aangevlogen voedsel in ontvangst te nemen. Dat doen ze zó spontaan en in een soort automatisme, dat ze dat ook doen als de camera flitst.

En ook “weten” ze al dat ze hun eigen nest niet moeten bevuilen, maar dat ze zich op zijn tijd even moeten omkeren, en zich gedragen als het tweetal op Brueghels spreekwoordenschilderij (“uit hetzelfde gat schijten”).
Instinct, noemen we dat, maar ook dat moet toch ergens vandaan komen, want uit ervaring kunnen ze het nog niet weten.

Na de vlieglessen is hun radar zo goed ontwikkeld, dat ze niet alleen niet tegen elkaar aanvliegen en dat ze met grote snelheid door een klein raampje van een stal- of garagedeur kunnen vliegen, maar ook dat ze weten dat ze moeten gaan overwinteren in Afrika en daar, zonder GPS, naartoe kunnen vliegen. Misschien koersen ze wel op de buitentemperatuur en houden ze de warmere luchtlagen aan. Dat is eventueel nog verklaarbaar. Minder evident is dat ze na hun trektocht van 9000 km het volgende voorjaar weer terug weten te keren naar hun vorige nest. Wie heeft ze dat verteld?

Fascinerend blijft het. Dan maar voor lief nemen dat je de garagevloer en de daarop staande auto’s wat vaker moet reinigen.

 

 

 

 

 

 

 

Vide-grenier 2016

Kenmerkend voor het Franse plattelandsleven is dat er in honderd jaar niet veel verandert. Zo ook met de jaarlijkse vide-greniers in Rosoy en omliggende dorpen. Ook in 2016 weer rond half mei. Opzet en uitvoering als in 2013 en 2014 met als enige verschil dat het ditmaal droog was, maar wel koud. Wat minder exposanten, maar weer wel een gemiddelde omzet. Een hoop gesleep en gedoe, maar oer-gezellig, als je van het oeverloze geklets houdt.

Zo rond half zeven beginnen de eersten hun tafels op te tuigen en in te richten. Bij een enkele stand met één hand, in de andere hand een half lege fles bier; zij zijn al merk- en vooral hoorbaar dronken. Al, of nog steeds, want misschien hebben ze de nacht ervoor wel doorgehaald.
Vrijwlligers hebben daags ervoor al de cateringfaciliteiten klaargezet: de tent met tafels en zitbanken voor het eten van 12 tot 2 en het natafelen van 2 tot 12, de bar, buffet/buvette met biertap en dubele friteuse, waarvan de olie maar niet op temperatuur wil komen,
de houtgestookte barbecue waarop de worsten en speklapjes pauselijk witte rookpluimen veroorzaken, het mobiele toilet, waarvan bijna niemand gebruik maakt – bij voorkeur piest men in de open lucht ergens tegen boom of heg. Vrijwilligers breken alles daags erna weer keurig en in opperbeste stemming af.

 

De Dauphine staat er niet alleen als trekpleister: om alle troep van zolder naar beneden te krijgen, moet ze er immers even uit, en mocht het regenen, dan installeren we onze handel binnen in de garage. Maar net als ieder jaar was het ook nu weer raak: talloze mensen komen haar van dichtbij bekijken, vertellen omstandig dat ze er vroeger ook eentje hadden gehad, of hun ouders.
De inmiddels traditionele conversatie:

- Is ze te koop.
- Jawel.
- Werkelijk?
- Ja, maar na mijn dood.
- Wanneer zal dat zijn?
- Dat heeft u zelf in de hand.

Hilariteit alom.

Wat ook al van alle tijden is: bij dit soort evenementen, met 14 juillet is het niet anders, merk je hoe vastgeroest en bekrompen het sociale dorpsleven is. Niet doordat ongeveer de helft van de passanten Nederlanders blijken te zijn, die onderling meest oppervlakkige wetenswaardigheden met elkaar uitwisselen (merkwaardig genoeg waren er dit jaar weinig Belgen of Engelsen te bespeuren), maar wel door de vaste groepjes van buren, of van vrienden, die elkaar opzoeken en maar niet uitgepraat raken, terwijl daarentegen opvalt dat sommige lieden uit het dorp steevast hun gezicht niet laten zien. Ze horen tot de sociale outcast, of zijn lid van de verkeerde jagersclan, terwijl leden van de rivaliserende clan nu juist de hele organisatie van de dag verzorgen, of zij die om wat voor reden dan ook ervoor kiezen hun gezicht niet te laten zien, inclusief enkele burgemeesters en ex-burgemeesters.
Zij zijn de prominent afwezigen.

 

 

2e Conférence – Chaumont

Op dinsdag 1 december houd ik mijn volgende lezing over La vérité et son image op het Departementaal Archief van de Haute-Marne te Chaumont/Choignes in het kader van de lezingencyclus “Mardis aux Archives”.

Een lezing met lichtbeelden en expo van curiosa uit 1914-1918.


Aanvang 18.00 uur.

_______________________

vorig bericht: http://nardloonen.nl/2015/10/29/1ere-conference-vic-sur-aisne/

 

1ère Conférence – Vic-sur-Aisne

Het is niet echt naast de deur, maar wie er een rit voor over heeft, kan op zaterdag 7 november vanaf 18.15 uur mijn lezing bijwonen over La vérité et son image, te houden in Vic-sur-Aisne, Salle polyvalente, 19 Rue Lucien Damy (achter het kasteel).

Een beetje in het hol van de leeuw is het wel, want Vic speelt in het boek een weinig opbeurende hoofdrol: de plaats waar Eugène Parisot zijn vuurdoop onderging tijdens zijn maandenlange verblijf van februari tot augustus 1915, wat hem ertoe bracht daar zijn testament op schrift te stellen.

Vic-sur-Aisne ligt midden in de frontlinie van 1914-1918. Er is in de omgeving nog heel veel wat eraan herinnert, waaronder enkele onnoemelijk grote begaafplaatsen en andere herdenkingspunten en exposities. Dat geldt zeker ook voor Compiègne (waar in 1918 de wapenstilstand werd getekend) en nog meer naar het westen het hele gebied langs de Somme.

Wie er serieus over denkt om aanwezig te zijn: er is in Vic-sur-Aisne geen hotelaccomodatie en geen B&B of zo. Maar er is voldoende keuze aan horeca in Compiègne (op 20 km ten westen van Vic) en in Soissons (op 20 km ten oosten van Vic).

Zie ook de aankondiging op evasion-aisne.com.

Wie wel zou willen, maar net die dag is verhinderd, krijgt nog een herkansing:
op dinsdag 1 december in het Departementaal Archief van de Haute-Marne in Chaumont, in het kader van de lezingenreeks “Mardis aux Archives”.
Nadere informatie daarover: http://nardloonen.nl/2015/11/20/2e-conference-chaumont/.

 

 

Maandrogen

Het is allerminst mijn bedoeling deze weblog te laten verworden tot een nederige kookrubriek à la Heel Frankrijk Bakt. Maar af en toe geef ik toch een kijkje in de keuken, want een goede (of mislukte) oogst is één ding, wat je er vervolgens mee doet is een ander chapiter. Waar ik eerder het al had over het maken van cointreau of het bewaren van aardappelen of het drogen van cayennepepers, wil ik het nu even kort hebben over zogenaamde maangedroogde kerstomaatjes.

Etiketten bevatten in hoofdzaak leugens, of ze zetten je toch minstens op een verkeerd been. Van wat in supermarkten voor grof geld wordt aangeprezen en verkocht als “zongedroogde tomaten” heeft het overgrote merendeel nooit de zon gezien, want het zijn kastomaten, en ze zijn niet in de zon gedroogd, maar gewoon en masse in de oven. Alleen op Sicilië e.o. is het theoretisch mogelijk tomaten aan de zon te drogen, maar die komen hier niet in de schappen te liggen.

Welnu, dit jaar in Rosoy dus een overvloed aan kerstomaatjes. Je kunt ze niet allemaal direct opeten en ook niet in hun geheel invriezen. Wel als je ze eerst zeeft en eventueel kruidt, en dan later gebruikt voor soep of pastasaus. Een mooi alternatief is om ze te maandrogen – het uitvoerbaar alternatief voor zondrogen.

- Men neme een forse hoeveelheid kerstomaatjes en snijdt die doormidden. Neem je grotere tomaten, snijd ze dan in vieren of zessen.
- Leg de partjes met het snijvlak naar boven in een ovenvaste schaal goed tegen elkaar aan.
- Maak een mengsel aan -zelf de hoeveelheden inschatten- van olijfolie met daarin een schep suiker, wat (zee-)zout, liefst verse thijm en basilicum en veel scherpe peper. De laatste keer mengde ik voor vier ovenschalen één middelgrote cayennepeper met zaadjes en al fijn gesnipperd erdoor; het resultaat was vlijmscherp en voorkwam dat de gasten bij de borrel het hele potje ineens leegaten. Heerlijk.
- Verwarm alvast de oven voor op 180-200°; met ventilatiewarmte is 180° zeker voldoende.
- Giet vervolgens het mengsel over de tomaatjes in de ovenschalen.
Ze hoeven niet helemaal onder te staan maar wel voor meer dan de helft.
Zet de schalen in de hete oven, de ovendeur dicht en de kookwekker op 10 à 15 minuten. Het is wel zaak dat je de olie behoorlijk ziet pruttelen voordat je de kookwekker zet.
Verder alleen kijken, niet de ovendeur openen, en dat geldt voor het hele verdere proces: ONDER GEEN BEDING DE DEUR OPENEN.
Ik weet eigenlijk ook niet precies waarom niet; ik vermoed dat de warmte, die het uitdrogen van de tomaatjes veroorzaakt, niet mag ontsnappen.

- Ervan uitgaande dat je dit allemaal ’s avonds doet, want overdag ben je in de tuin bezig en ’s avonds heb je nachtstroom: zet als de kookwekker afloopt de oven uit en ga naar bed. Het maandrogen begint.
- De volgende ochtend, als die andere wekker afloopt, open je de inmiddels langzaam en regelmatig afgekoelde oven en schep je zo veel Bonne Mamanpotjes als mogelijk met de tomaatjes + olie, zo dat de potjes nagenoeg tot de rand zijn gevuld. Vul ze eventueel bij met nog wat olijfolie – niemand die dat merkt. Ik span er altijd wat huishoudfolie overheen, want na oeverloos hergebruik zijn die dekseltjes ook niet meer op z’n vacuümst. Stiekem van tevoren wat ervan snoepen is toegestaan en zelfs aan te raden. Vergeet niet de potjes van tevoren goed schoon te hebben gemaakt.
- Etiketter de potjes (maand+jaar), anders raak je na maanden het spoor bijster.
- Nodig vrienden en kennissen uit en serveer de tomaatjes, eventueel op crackers, toastjes of stokbrood en de complimenten vliegen over tafel.

Twee alternatieven, want ik kan niet in ieders keuken kijken:

1. Je bent ongeduldig en kijkt niet op een paar centen meer of minder energieverbruik. Verwarm dan de oven op 60-70°, zet de ovenschalen erin en laat dat een uur of 6 doorduren. Ik heb het nog niet geprobeerd. De olie zal niet gaan koken, maar het drogen zal toch wel plaatsvinden, vermoed ik.

2. Een variant die ik ook nog niet heb geprobeerd, is de schalen in de oven van de cuisinière te zetten, die bij ons ook zo rond de 50-80° biedt. Vermoedelijk moet je dan wel de ovendeur op een kiertje laten staan, net als bij het (succesvol) drogen van peterselie en andere kruiden, anders weet ik niet waar dat vocht uit de tomaten moet blijven. Nadeel: de cuisinière is alleen in de winter aan en dan heb je geen verse tomaten, zodat je je moet behelpen met inferieure kasproducten en gedroogde kruiden, maar je benut wel de gratis warmte van zo’n multifunctionele houtkachel.

Zondrogen is een leugen. Maandrogen is een fluitje van een cent, de vettige afwas erna niet meegerekend.

 

 

 

Voor boer en tuinder

Wie dit jaar op het land, in de tuin of in/op de vensterbank probeert een goede oogst uit de moestuin te halen, weet er ongetwijfeld alles van: het is, zowel in Nederland als in Frankrijk, een moeilijk jaar met zeer wisselende resultaten. De grote boosdoener: het weer.

 

Het afgebeelde KNMI-staatje jokt een beetje, althans, het geeft de metingen in De Bilt weer. Het Randstaddenken. In Zuid-Oost-Nederland was juli veel heter, en in Rosoy al helemaal: wekenlang tussen de 32 en 40 graden overdag. Daar valt op den duur niet tegenop te sproeien.

Globaal gesproken waren dit jaar tot nu de verschillen tussen Nederland en Frankrijk overigens niet zo groot: maart-april te koud en juli te heet en te droog. Ondanks het vele extra werk (binnen of in kasjes opkweken, later wel tweemaal per dag water geven) was het resultaat maar magertjes.

Helemaal niks: de snijbonen kwamen niet eens op; vermoedelijk te vroeg de boontjes in de grond gestopt. Hetzelfde geldt voor de rucola en de kervel: te vroeg gezaaid. Kropsla, diverse soorten, verlept en verdroogd. Tuinbonen helemaal opgevreten door zwarte luis. Perziken (nectarines): geen vrucht te bekennen.

Bijna helemaal niet: de sperziebonen; minder dan de helft kwam op en geeft nu maar bitter weinig opbrengst. Wel mooie haricots nains en heel lekker, overigens. Aardbeien lijken het goed te doen, maar er zit maar weinig echt helemaal rijp fruit aan.

 

Redelijk: de kapucijners (in tegenstelling tot vorig jaar!); de zwarte bessen, frambozen en zelfs de appelbomen, waar vorig jaar helemaal niets aan kwam; bijna waren ook die verdroogd, maar met regelmaat emmers water er omheen leegkiepen en uiteindelijk nogal wat regendagen in augustus deden de appeltjes mooi rood kleuren en, hoewel het nog wat vroeg is, lijkt het erop dat ze gezond, onaangetast en lekker zijn.

Heel goed: de kerstomaatjes, de uien, de komkommer (nauwgezet bewaterd tot ze zowat in een modderbad stonden) en in de kruidenkasjes de lavas, munt, bieslook en peterselie. Ook de wijnperzik, in tegenstelling tot de gewone perzik, lijkt een goede oogst te gaan geven. Nog even geduld aub.
En niet te vergeten, voor het eerst geprobeerd, de rode peper. 

Dat is een verhaal apart. Vorig jaar had ik groene pepers. Die deden het goed, maar ik vond ze niet pedis genoeg. Dus nu maar bij wijze van experiment dit jaar cayenneplantjes gekocht. Cayennepeper, of Spaanse peper, of rode peper, of Lombok pedis, het is van hetzelfde laken een pak. Chilipeper lijkt een verzamelnaam te zijn voor vele soorten hete peper.
Het procédé is nogal simpel: koop een paar plantjes bij een tuincentrum, kweek die binnen op tot de grond buiten warm genoeg is (15º of zo minstens) en plant ze dan uit. Normaal water geven. Na enige tijd komen er kleine, witte bluumkes in en niet veel later, het is dan augustus, groeien er vanzelf pepertjes aan. Eerst groen, maar na verloop van tijd kleuren ze rood.
Zijn ze eenmaal helemaal rondom en van boven tot onder rood, dan pluk je ze met steeltje en al af, rijg je er een paar aan een nylon of ijzeren draadje (door het steeltje steken – niet door de vrucht zelf) en hang je ze te drogen. Nooit in de koelkast bewaren (schimmel en rot) en ook nooit invriezen (worden slap en verliezen hun pittigheid). Gewoon aan de lucht drogen en als ze goed droog aanvoelen, kun je ze lang in een glazen potje met deksel erop bewaren. De zaadjes zijn het scherptst van smaak; als je die verwijdert, had je net zo goed groene pepers kunnen telen, of een potje zwarte peper bij de Colruyt kunnen kopen, daar is ook smaak noch kraak aan.
En mocht je vinden dat we er maar weinig aan de waslijn hebben hangen, zo nodig ik je uit één klein zaadje ervan even op je tong te komen leggen. Dan houd je voor de rest van de dag wel je mond. Bovendien zitten er nog veel meer aan te komen.

Tot besluit nog het verhaal van de aardappelen. Mijn geweldige oogst nicola’s van vorig jaar (eind september oogstte ik 170 kilo) maakte het mij mogelijk er tot begin augustus van te eten. Dit jaar zag ik van een aardappelveldje af om fysieke redenen, maar achteraf was dat maar goed ook: het is voor de aardappel een vervelend jaar qua klimaat. Ik hoor het van dorpsgenoten hier, maar ook van professionele boeren in Nederland. Ze willen dit jaar niet. Wat er te koop is, zijn importnicola’s uit Israel, maar die hoef ik dus niet. Misschien kan ik in september of oktober nog wel 50 of 100 kilo uit Nederland weghalen, maar de prijs zal er naar zijn. Net als die van de Nederlandse snijbonen momenteel, weet mijn kwaliteitsgroenteman uit Boxmeer te melden.

Wie met de seizoenen mee leeft, moet niet zeuren, maar aanvaarden dat het ene wel en het andere niet doet wat je ervan verwacht.
Alles heeft zijn tijd – alles heeft zijn prijs.