De ene ontkenning is de andere niet

Gelukkig leverde de tweede ronde van de Franse parlementsverkiezingen nog iets opmerkelijks op. Taalkundig gezien dan. Op de officiële overheidssite, waar de resultaten worden gemeld, stond daags na 18 juni te lezen: En raison des arrondis à la deuxième décimale, la somme des pourcentages peut ne pas être égale à 100% (http://elections.interieur.gouv.fr/legislatives-2017/FE.html), oftewel: Door de afronding op twee decimalen is de som der percentages niet noodzakelijkerwijs 100,00%.

Het interessante zit hem in de woordvolgorde: peut ne pas être égale, in plaats van ne peut pas être égale. In het Nederlands zijn beide varianten vertaalbaar als: kan niet gelijk zijn, of De som der percentages kan niet precies 100 zijn, maar dat is vreselijk dubbelzinnig. De officiële Franse tekst heeft gelijk. Die bedoelt aan te geven dat de mogelijkheid bestaat dat de optelsom van de vermelde percentage niet precies 100,00 is. Een van de twee lezingen van de Nederlandse vertaling zou aangeven dat het onmogelijk is (“kan niet“) dat de som der delen precies 100,00 is.

Het probleem zit in de plaats van het ontkennende woord niet, iets preciezer gezegd in het bereik van dat woord niet. Als in een Nederlandse samengestelde zin dat woord tussen beide delen van de samenstelling staat, zoals onze woordvolgorderegels ook vereisen, dan kan dat niet slaan op ofwel het linker, ofwel het rechter deel. Een geijkt voorbeeld van die homonymie is de zin

(1) Ik lust die dropjes niet omdat ze bruin zijn.

In de periode na publicatie van het profschrift “Negatieve zinnen” van Albert Kraak (1966) raakte de interesse in het verschijnsel ontkenning, in combinatie met de zich snel ontwikkelende transformationeel-generatieve grammatica, in een stroomversnelling, zowel in de wetenschappelijke linguïstische discours als in onderwijsmethoden. Ik meen dat de dropjeszin te vinden is in “Je weet niet wat je weet” van Marjolein van Dort e.a. In die taalmethode hameren de auteurs erop dat een goede taalbeheersing onder meer vereist dat je eenduidig communiceert en je dus homoniemen zo veel mogelijk dient te vermijden. Zeg daarom liever:

(1a) Ik lust die dropjes niet, want ze zijn bruin (het bereik van niet is nu evident het linker zinsdeel, links van de komma), ofwel
(1b) Ik lust die dropjes wel, maar niet omdat ze bruin zijn (het bereik van niet is nu evident het rechter zinsdeel, rechts van de komma).

Grappig: een dag later (20 juni) kreeg ik van de Gemeente Den Haag per post de mogelijkheid toegestuurd mij permanent te registreren voor Nederlandse verkiezingen. Daarbij moest ik wel even een vinkje zetten voor de volzin:

(2) Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.
Dat is dus te analyseren als:

(2a) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet] [in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen] of als
(2b) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik] [niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.]
De interpretatie van (2a) ontgaat mij evenwel (bedoel ik dan: ik neem elders in de EU wel deel, maar dat wil ik hier effe niet verklaren?). Overigens is de homonymie eenvoudig te vermijden door een komma te plaatsen, net voor of net na het woord niet.

Ook zinnen met een modaal hulpwerkwoord (kunnen, zullen, willen, moeten, mogen, laten) zijn te beschouwen als samengestelde zinnen: een soort voorzin met dat hulpwerkwoord enerzijds en de eigenlijke mededeling anderzijds.

(3) Ik kan die dropjes niet eten valt dan te parafraseren als
(3a) Het kan niet zo zijn, dat ik die dropjes eet, of
(3b) Het kan zo zijn, dat ik die dropjes niet eet.

Het probleem van het bereik van de ontkenning is dan weliswaar opgelost door het links of rechts van de komma te plaatsen, maar een bijkomend probleem is nu de interpretatie van kan. In (3a) geeft kan een zekerheid aan, namelijk de absolute onmogelijkheid om dropjes te eten, terwijl het in (3b) op een waarschijnlijkheid duidt (“Mogelijkerwijs eet ik die dropjes niet“).

Niet overtuigd? Kijk dan eens naar de (in de dieptestructuur) samengestelde zin

(4) Hij kan gemist worden. De twee interpretaties zijn respectievelijk:
(4a) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist, en
(4b) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist.

Daar schieten we dus niets mee op. De dubbelzinnigheid zit hem in de twee betekenissen van kunnen: “mogelijk, toegestaan zijn” tegenover “waarschijnlijk, eventueel“. Nog iets scherper: in (4a) is hij er wel, maar hebben anderen net zo lief dat hij vertrekt “toestemming”), maar in (4b) is hij er niet, maar mogelijkerwijs wordt dat ontdekt, want hij zou er eigenlijk wel moeten zijn (“waarschijnlijkheid”). Kunnen is een niet zo simpel Nederlands werkwoord.

Terug naar de ontkenning, en dan ook meteen maar in een aantal Europese talen. Waar het Nederlands dus een homonieme zin als “De optelsom kan niet gelijk zijn aan 100,00” kent, heeft het Frans de oplossing gevonden door het ontkennend element (“ne“) te koppelen aan/te plaatsen voor ofwel het linker zinsdeel (“ne peut pas être“), ofwel aan het rechter zinsdeel (“Peut ne pas être“), waarmee volstrekte eenduidigheid is gecreëerd. Vergelijk dat maar met bijvoorbeeld een zin als

(5) Pourquoi une même personne ne peut pas être jugée deux fois pour le même fait? (http://www.liberation.fr/societe/2014/02/04/un-principe-du-droit-intraitable_977929) (“Waarom kan een en dezelfde persoon niet tweemaal voor hetzelfde feit terechtstaan?”, oftewel het beruchte non bis idem).
Kunnen betekent hier niet een waarschijnlijkheid, maar een zekerheid: “het kan niet zo zijn/het is onmogelijk dat“.

Italianen doen het op vergelijkbare wijze:

(6a) Il totale può non essere uguale a 100 (mogelijkerwijs, eventueel)
(6b) Il totale non può non essere uguale a 100 (zeker niet, uitgesloten)

Het Tsjechisch heeft een vergelijkbare manier om eenduidigheid te verkrijgen: het ontkennende element (“ne-“) zit vast aan het bijbehorende werkwoord:

(7a) Součet nemůže rovnat 100% (de niet-bedoelde lezing)
      (Het totaal niet kan gelijken 100%)
(7b) Součet může nerovnat 100% (de bedoelde lezing)
      (Het totaal kan niet gelijken 100%)

Het Duits zit enerzijds in hetzelfde (woordvolgorde-)schuitje als het Nederlands:

(8) Die Summe kann nicht genau 100 sein, met als verkeerde lezing:
(8a) Es kann nicht so sein daß die Summe genau 100 ist

Ook zin (8) is immers homoniem, maar het Duits kan daaraan ontsnappen door een ander modaal hulpwerkwoord te kiezen:

(8b) Die Summe möchte das 100% nicht gleich sein

waarmee de bedoelde Franse versie correct is weergegeven.

Dit is op vergelijkbare wijze ook in het Engels goed mogelijk:

(9) The total cannot be equal to 100 heeft als parafrases:
(9a) It’s impossible that the total is/be equal to 100 (de verkeerde lezing dus), of:
(9b) The total may/might not be equal to 100, waarbij may, of sterker nog: might, de eventualiteit van de uitspraak “niet gelijk aan 100” benadrukt.

Dat statistieken voornamelijk uit leugens bestaan, heeft als een van de oorzaken dat genoemde feiten multi-interpretabel zijn, dus niet eenduidig, en dat komt dan weer maar al te vaak op het conto van gebrekkig taalgebruik waarbij homoniemen een misleidende rol kunnen spelen, zoals bij de ontkenning in samengestelde zinnen.

 

Macron

Als mij als “insider” wordt gevraagd hoe ik de Franse verkiezingsuitslagen van 2017 beoordeel, kan ik daarop geen eenduidig of simpel antwoord geven. Niet omdat ik een en ander niet zou volgen – dat doe ik wel degelijk, maar eerder omdat ik niet kan voorzien wat Macron c.s. ervan gaan maken, en al helemaal niet omdat de Franse situatie niet los gezien kan worden van die in andere landen binnen en buiten Europa.

In mijn Nieuwjaarsbericht 2017 waarschuwde ik voor naderende verkiezingen (NL-F-D), gealarmeerd als ik was door de ontwikkelingen in de USA. En daar kwam het Verenigd Koninkrijk ook nog eens ongevraagd bij. Met Duitsland in september voor de boeg kunnen we al een beetje de balans opmaken.

Bovenal blijkt hoe het vigerende kiesstelsel in elk land zijn genadeloze consequenties heeft. Van de twee uitersten: een de facto eenpartijenstelsel (in China en Rusland) tot het nog steeds sterk naar verzuiling riekende heelveelpartijenstelsel (Nederland) kan rustig worden gezegd dat ze hun nadelen hebben.

Bij een eenpartijenstelsel valt er niks te kiezen, maar daar lijken de Russen (tsaar, Lenin, Stalin, Brezjnjev, Poetin) wel aan gewend en misschien ook stiekem wel van gediend; toen Gorbatsjov daar iets aan leek te willen veranderen, kostte dat hem de kop, en de hele Sovjet-Unie met hem.

Bij een tweepartijenstelsel als in Amerika, gevoegd bij het principe van “the winner takes it all” zien we al tijden lang de situatie (zie Gore en H.Clinton) dat degene met de meeste stemmen de verliezer is, maar, erger nog, dat er een zodanige 50-50 verdeling is, dat het land sterk verdeeld blijft. En Obama kan ervan meepraten hoe verlammend het werkt als je in congres en senaat geen meerderheid hebt.

Bij een ietsmeerpartijenstelsel komt het op coalitievorming aan. Vraag ze in België en Spanje maar wat dat kan betekenen, of vraag het Rutte, Buma, Pechtold en Klaver.

Maar we hadden het over Frankrijk.
Na de presidentsverkiezingen placht ik hier her en der tegen Fransen te zeggen dat het desastreuzer had gekund, waarop doorgaans instemmend werd geknikt. Hoewel: bij mij in de streek liep het Front National met 35-45% van de stemmen fier voorop. Nu Macron lijkt af te stevenen op een meerderheid in de Assemblée (met zo vele nieuwe, onervaren, en mogelijk nog onbedorven parlementsleden), krijgt hij de handen vrij om zijn beleid uit te venten. fijn in ieder geval dat hij zei “Let’s make the planet great again” in plaats van De Gaulles slogan “Vive la France – vive la République“.

Toch is de Franse situatie niet geheel zorgenvrij: van de 47.571.350 kiesgerechtigden kwamen er 23.170.218 opdagen. Het regende niet. Integendeel: het was prachtig weer alom in den lande. “Ach ja, mensen gingen liever op het terras zitten“, zei mijn fysiotherapeut vanmorgen tegen me.
Van die dik 23 miljoen stemmers, van welke groep ik de leeftijdsopbouw niet weet, stemden er ook nog eens 354.391 blanco en 161.263 ongeldig. Ga dan liever op het terras zitten. Een opkomst onder de 50 procent is zorgelijk; Nederlandse TK-verkiezingen scoren toch meestal tussen de 70 en 80 procent.

Er is echter wel een verklaring voor. In Frankrijk is de presidentsverkiezing de belangrijkste. Hoe hij (zij) het in de jaren erop allemaal fikst, dat moeten ze in Parijs zelf maar uitzoeken. Anders dan in Nederland zijn de te kiezen a.s. parlementariërs behoorlijk onbekende personen – niet bepaald stemmentrekkers. Vergelijk ze liever maar met de kandidaten voor de Nederlandse Provinciale-Statenverkiezing, of de Waterschapsverkiezingen, waarvoor je ook geen lange rijen in het stemlokaal kunt verwachten. Bovendien is het zo dat in Frankrijk, en al helemaal buiten Parijs, men niks moet hebben van die kamerleden, die minder worden gezien als (mede-)beleidsbepalers, maar eerder als baantjesjagers en zakkenvullers. Dat neemt overigens niet weg dat men in Frankrijk niet echt geporteerd is van lieden waaraan schandaaltjes kleven. Veel van de Franse presidenten (minus De Gaulle, geloof ik) of presidentskandidaten (Strauss-Kahn bijvoorbeeld, of Fillon), worden genadeloos afgerekend op hun grillen. Men is hier niet zo gediend van typen als Berlusconi, en ook Bill Clinton zou hier een zware sigaar gerookt hebben.

Ik vertel het maar niet tegen mijn Franse gesprekspartners, want ik krijg het ze toch niet uitgelegd: in Nederland is de politieke partij met kwantitatief en kwalitatief de meeste schandalen de grootste van het land, op de voet gevolgd door een partij die geen partij is, maar zulks wel met abjecte standpunten die Marine le Pen niet zou durven uitdragen. En dat ‘s lands derde partij een christelijke is, is voor Fransen al helemaal middeleeuws.

 

Overstapjes

De foto hiernaast behoort niet tot de selecte categorie “iconische foto’s”, maar het is er wel een van adembenemende schoonheid: die twee tramstellen van lijn 2 in de Leidsestraat, opdoemend vanuit de ochtendmist in de herfst (koplampen ontstoken, warme jassen aan) in hun fletse kleuren. Het is de voorpagina van Overstapjes, het boek dat René Platjouw in 1989 publiceerde ten bate van de Stichting Blijfhuis. Alleen de coverfoto al is de moeite van de aanschaf van het boekje waard.

Het moet echter gezegd dat de rest van Overstapjes het ook zeker loont te kijken of je het nog ergens antiquarisch op de kop kunt tikken. De ondertitel: “Een tramrit door de geschiedenis van lijn 2″ dekt eigenlijk maar de helft van de lading. Inderdaad wordt lijn 2 onder de loep genomen. Na een inleiding over de voorlopers, de paardetrams van de AOM, volgt het boek lijn 2 met al haar ontwikkelingen vanaf de start in december 1903 tot en met de verlenging naar Slotervaart in de jaren-’80. Dat is de “tramrit door de geschiedenis”. Maar er is nog een tweede tramrit: de eerste 230 foto’s, soms van briefkaarten, soms persoonlijke foto’s uit diverse collecties, zijn keurig gerangschikt volgens de route van lijn 2: van de Dam (later van het Centraal Station) tot het Hoofddorpplein (later Slotervaart). Zo bezien rijd je als het ware de tramroute waarbij alle bezienswaardigheden in historisch perspectief aan je ogen voorbijrollen; een geslaagde compositie.

Waarom lijn 2 en niet 1 of 25 of zo? Meer nog dan lijn 1 passeert lijn 2 plekken van Amsterdam in al zijn facetten: het centrum (Dam, Nieuwezijds, Spui, Leidsestraat; maar dat doet lijn 1 ook), vervolgens Stadhouderskade, Hobbemastraat, P.C. Hooftstraat, hetgeen later over de nieuwe Vondelbrug: Overtoom en Van Baerlestraat werd; dan via het museumkwartier de statige Willemsparkweg en Koninginneweg op, en voorbij de Amstelveenseweg diep Nieuw-West in. Daarmee biedt lijn 2 haar passagiers een rijke schakering van wat Amsterdam heeft te bieden, en zulks, in Overstapjes, in historisch perspectief.

Er kleven ook wat minpuntjes aan het boekje. Zo ontgaat het mij waarom het boekje Overstapjes heet. Overstappen van wat op wat dan? En waarom een verkleinwoord?
Verder heb ik nergens een verantwoording of toelichting kunnen vinden van de omslagfoto. Het is in de Leidsestraat, weet ik, en via andere bronnen weet ik dat hij in 1955 moet zijn gemaakt.
Ook vermeldt de tekst niet dat de 476 een tot motorwagen omgebouwde bijwagen was, die bovendien oorspronkelijk op lijn 1 dienst deed, getuige bovenstaande foto op de Amstelveenseweg (bron: amsterdamsetrams.nl) en in 1948-1949 ook nog op lijn 10 (bron: amsterdamsetrams.nl).
Na foto 230 volgen er nog 18 foto’s, deels in het hoofdstuk “Het materieel van lijn 2″. Het is een wat willekeurig ogende selectie van op zich wel interessant beeldmateriaal, maar het laat zich in het geheel van het boek moeilijk inpassen.
Merkwaardig, maar voor mij zeer welkom, is foto 149 van de nog niet gedempte Overtoom, waarbij slechts wordt vermeld dat het niet het gedeelte is dat door lijn 2 wordt bereden. Wat is dan de portee van het plaatsen van die foto?
Op bladzij 7 meldt Platjouw tot tweemaal toe dat lijn 2 de elite-lijn werd genoemd. Bedoelt hij de elite van de villa’s aan de Koninginneweg? Het blijft gissen. En onderaan die bladzij: “Van een elite-lijn heeft lijn 2 zich opgewerkt tot een lijn van internationale allure”. Toe maar.
Het hoofdstuk over de materieelbeschrijving, 3 bladzijden tekst en 7 bladzijden foto’s, komt er wat karig van af, maar het boekje wil ook geen wetenschappelijk naslagwerk zijn, eerder een unieke collectie foto’s die min of meer rond lijn 2 zijn geselecteerd.

In dat laatste is René Platjouw zeer zeker geslaagd: de rood-gele draad van lijn 2 neemt je mee naar Amsterdam tussen 1872 en 1989; een fotocollectie met veel trams, maar met nog veel meer aan tijdsbeelden die velen zullen boeien.

Terechte kampioen


Het is lang geleden dat ik heb gehuild, maar vandaag lukte dat spontaan.
Terecht, na 34 speelronden onafgebroken aan kop.

 


Het was wel wat gecompliceerd, net op de dag dat in Rosoy de jaarlijkse vide-grenier was, maar met wat passen en meten kon ik het nuttige met het aangename combineren.

Zijkanter 6

Eind 1999, begin 2000 verzorgde ik voor de BLOS-radio, de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting, sinds vorig jaar onderdeel van Omroep Land van Cuijk, een serie columns. Het waren vijfminutenpraatjes over voetbal, waarbij ik steeds probeerde ook taalkundig of stilistisch iets aparts te doen en er een bijpassend uitleidend muzieknummer bij te vinden.
De columns kregen de titel “De zijkanter”, en de opnamen zijn bewaard gebleven. Van tijd tot tijd zal ik een Zijkanter hier doen herleven.
Elke uitzending bestond uit een vaste introtune van een minuut, een midibestandje van een of ander computerspelletje, meen ik, maar dat herinner ik me niet meer, gevolgd door een ingesproken tekst en uitgeleid met een muzieknummer dat enigszins aan de tekst was gerelateerd.

Hier staat Zijkanter 6 (oktober 1999) weergegeven, afgesloten met het nummer Arom Yim, een hit uit Thailand van circa 1990 over de welbekende Thaise glimlach, referend aan het meewarig karakter van de tekst. Het bijzondere aan de tekst is dat die bestaat uit één enkele zin. Als ik meer tijd had gekregen dan vijf minuten, had die zin nog wel langer kunnen worden dan de 823 woorden die hij nu omvat.
De betreffende uitzending is integraal te beluisteren op YouTube.

Het was voor die eenzame moeder langs de kant, die één zoontje bij de E-tjes had rondlopen en een ander bij de F-jes, waardoor ze, om geen van beiden voor te trekken, beurtelings ging kijken naar Jonathan en Eugène, bepaald geen lolletje om te moeten zien hoe haar jongste spruit, pas een dag of drie koortsvrij na een behoorlijke griepaanval, die het jongske meer dan een week van school en in bed had gehouden, waardoor het zich stierlijk ging vervelen en voor haar een waarlijk blok aan het been was geworden, zich wat onwennig op het lichtbevroren veld voortbewoog, hoewel aan alles te zien was dat hij een dusdanige conditionele achterstand had, dat het eigenlijk onverstandig was van die elftalleider, die ze overigens toch haast nooit sprak, iets wat binnen de vereniging een van de grote manco’s was, het contact tussen elftalleiding en ouders van de jongste jeugd, waarover ze wel eens iets had willen schrijven in het clubblad, maar waarvan ze toch maar weer had afgezien omdat ze vermoedde dat het toch niet geplaatst zou worden, en zo ja, dat het dan toch geen effect zou hebben, hem een hele wedstrijd te laten spelen terwijl de man toch kon zien dat het kind al na tien meter lopen zowat omviel van de duizeligheid, wat ook regelmatig gebeurde, waarbij het op een gegeven moment een open knietje opliep, zodat de pupil, huilend van de pijn en natuurlijk ook van de kou en de uitputting, naar de zijlijn strompelde met de kennelijke bedoeling zich alleen, maar dan ook uitsluitend door zijn bloedeigen moeder te laten behandelen, ook al wist hij dat zij geen ehbo-trommeltje bij zich had en zij dus niet in staat was die heilige pleister, die elke wond geneest en aan alle pijn een einde maakt, op het roodgekleurde knietje te plakken, waarna de dit keer falende spits zijn positie op het wit uitgeslagen veld weer zou kunnen innemen in de hoop er althans in de resterende tijd nog het beste van te maken, te scoren wellicht, desnoods net zo lucky als in het begin van het seizoen toen hij, bij de eerste thuiswedstrijd, op een gegeven moment niet goed oplette, waardoor hij een met de wind mee opvallend verre uittrap van de keeper, die eigenlijk best wel een waardeloze keeper was, maar niemand durfde daar iets van te zeggen, omdat niemand er ook maar over piekerde zelf in het doel te moeten gaan staan, zo maar plotseling en pijnlijk boven op zijn hoofd kreeg, van waar de bal met een onnavolgbare curve en vermoedelijk met een geraffineerde portie effect weer opsprong, verder voorwaarts draaide en tot bovenmatige verbijstering van de bezoekende keeper, die in grote vertwijfeling nog beide armpjes in de lucht stak om toch maar aan iedereen te laten zien dat hij in ieder geval nog wàt aan had proberen te doen, hoewel hij meteen al in de gaten had dat hij veel te ver voor zijn doel stond, zodat deze lucky kopbal onhoudbaar achter hem in het net zou ploffen, net onder de deklat van het kleine doeltje langs het net omlaag dwarrelde, op de grond nog wat sadistisch nahuppelde en toen, eenmaal uitgetold, een paar centimeter achter de doellijn, wat dus op dit halve veld eigenlijk de zijlijn was, bleef liggen als het rotsvaste bewijs van het feit dat hier van een loepzuivere goal sprake was, hetgeen ertoe leidde dat het hele team, het keepertje incluis, die eigenlijk, behalve dat hij niet goed kon keepen, ook best wel een ettertje was, want hij zat altijd in de kleedkamer op te scheppen over zijn spiksplinternieuwe keeperhandschoenen, of over zijn nieuwe mountain bike die veel duurder was dan die van alle andere jongens bij elkaar, of over weer iets anders, want hij had altijd wel wat om over op te scheppen, maar als je hem iets vroeg, dan gaf hij altijd niet thuis, dat het hele team dus als één man, als één jongetje eigenlijk, maar dat kun je zo niet zeggen, in volle vreugde op Eugène dook uit blijdschap over dit vroege, maar nu al bij voorbaat allermooiste doelpunt van het hele seizoen, met als gevolg dat de verbaasde, maar toch uiterst trotse doelpuntenmaker ten val kwam, en, eenmaal op de grond liggend, niet alleen bijkans werd verpletterd door zes deinende ploegmakkers, maar bovendien tot overmaat van ramp een schoen, die vermoedelijk vastzat aan de voet van zijn beste vriendje, midden in zijn gezicht kreeg, waardoor een van zijn voortanden afbrak hetgeen hem daags daarop bij de tandarts op een behoorlijk pijnlijke behandeling is komen te staan, iets wat hem heeft doen besluiten om voortaan na het scoren van alweer een goal direct naar de zijkant van het veld te snellen en bescherming te zoeken bij zijn leider of, liever nog, één keer in de veertien dagen, bij zijn eenzame moeder langs de kant, want alleen bij haar ben je veilig voor al dat onbesuisde geweld op het voetbalveld.

 

Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.

SALON-LAVOIR

Ik dacht dat de periode van de wasserettes wel zo’n beetje voorbij was, maar hoera, bij ons in de buurt, in Bourbonne-les-Bains, is er recentelijk weer eentje geopend. Die heet dus niet een wasserette, zoals ik eerder al eens uitlegde, maar een laverie automatique, of met een deftiger (en vermoedelijk Waals) woord: salon-lavoir. Was het vanaf de jaren-’60 een uitkomst voor hen die zich geen wasmachine konden veroorloven, vandaag de dag lijkt het meer iets voor haastelieden die geen tijd hebben om thuis de was te doen, vandaar ook die gratis Wi-Fi, zodat je je niet hoeft te vervelen onder de was, of voor mensen die tijdelijk elders verblijven waar geen wasmachine beschikbaar is.

Dat laatste verraadt ook waarom het nu juist in Bourbonne-les-Bains is dat die wasserette is geopend, en tevens waarom daarvoor reclame wordt gemaakt bij de receptie van mijn vaste fysiotherapeut aldaar. Bourbonne is vanouds een stad met thermale bronnen en baden, waar nog steeds tallozen hun heil zoeken om van allerhande akelige kwalen af te komen. Veel van het toerisme in die stad bestaat dus ook uit gebrekkigen die middels hydromassage, balnéothérapie, modderbaden (fangothérapie) of wat dies meer zij van hun artrose, ostéoporose op welke ouderdomskwaal dan ook hopen af te komen. Het is er een va et vient van oudjes die er ongelukkig op krukken binnengaan en gelukkig op krukken weer uitkomen. Omdat veel aangeboden arrangementen bestaan uit een meerdaagse kuur, tref je er een groot aantal hotels, B&B’s en huurappartementen aan.
Maar omdat lang niet alles door de verzekering wordt vergoed en Fransen ook op elke centime letten, doet zich de merkwaardige situatie voor dat er zich op de grote, gratis parkeerplaats nabij het fysiotherapiegebouw (la maison bleue) altijd een aantal campers bevindt waarin zieken en gebrekkigen de nacht doorbrengen tijdens hun behandelperiode in Valvital. Dat bespaart weer de kosten voor prijzige overnachtingen, die je voor een deel dan weer kunt besteden aan een bezoek aan de wasserette.

Het woord salon-lavoir refereert ook aan de lavoirs, de openbare wasplaatsen, die je in zowat elk Frans dorp aantreft. Ze zijn als zodanig niet meer in gebruik, maar in vervlogen tijden waren het de plekken waar de vrouwen van het dorp de was konden doen en oeverloos met elkaar konden kleppen en roddelen, iets waar Fransen nog steeds dol op zijn. Veel van die lavoirs zijn nog in de oude staat te bewonderen, soms omgetoverd tot kunstwerken, zoals hiernaast de lavoir te Vignory, soms volop van bloembakken voorzien, soms ook ommuurd, zoals de lavoir van Rosoy-sur-Amance die nu fungeert als salle-de fête. Immers, met de komst van rioleringen, begin 20e eeuw, liep er geen stromend water meer door de lavoirs en verloren zij hun oorspronkelijke functie.
Het loont werkelijk de moeite er tijd aandacht aan te besteden, als je door Frankrijk toert, want het zijn vaak beeldschone overblijfselen van een praktische en sociaal zeer welkome cultuur. Het waren eeuwenlang de wasserettes van elk dorp.

By the way: ook de Engelse hanteren Fransachtige woorden: de salon-lavoir, de Nederlandse wasserette, heet in het Engels een laund(e)rette.

 

 

Exit Dauphine

laatste nachtje slapen

Met bloedend hart heb ik vorige week afscheid moeten nemen van mijn Dauphine, de auto die ik in 1992 in talloze onderdelen weghaalde uit de Aveyron (12) in Zuid-Frankrijk, toen ik daar op bezoek was bij Bernard Huijbers en Annelou Koens en die ik sindsdien onophoudelijk koesterde.

Eenmaal rijdend heeft de auto mij ruim 38.000 kilometers vreugde bezorgd – zeg maar: eenmaal de wereld rond. En ellende, want er is altijd wel iets kapot of niet naar tevredenheid. Maar mijn fysieke toestand maakte het steeds moeilijker de nodige reparaties en al het andere onderhoud zelf te verzorgen, zeker doordat ik geen brug heb.

Het chassis dateert van 10 oktober 1960. Diverse onderdelen zijn van eerdere of latere datum. Het spuitwerk, in de kleur 789, Rouge Estafette oftewel Rouge Montijo, is in 1995 in Heijen (Limburg) professioneel verricht; de lak ziet er nog steeds geweldig strak en glimmend uit. Maar de auto heeft dan ook altijd binnen gestaan en mocht alleen naar buiten als het niet regende (roestvorming!).
De verkoop, inclusief de vele reserveonderdelen, leverde een redelijk bedrag op, ruim genoeg in ieder geval om een goede nieuwe camera te kopen, omdat mijn huidige op een kwade dag elektronisch helemaal de geest had gegeven. Dat is een troost.

laatste rit

Ook prettig is dat de Dauphine is gekocht door een van de (bestuurs-)leden van Les Pistons de Bassigny, de oldtimerclub hier in de buurt waarvan ik al jaren lid ben en waarvoor ik ook als hoffotograaf werkzaam ben. Het betekent dat ik weliswaar niet meer over het eigendom van de Dauphine beschik, maar dat zij nog vaak voor mijn ogen zal verschijnen. Een soort afscheid dus dat geen afscheid is.
_____________________
Het eerste van een viertal artikelen over ontstaan en geschiedenis van deze Dauphine is HIER te vinden.

De 6277 NK 52, voorheen 3324 LN 12 heet nu voortaan EL-490-SE, met streepjes ertussen. Ik reed er op 30 april nog een tijdje achteraan tijdens een uitstapje van de Pistons du Bassigny.

 

Domweg de Amstel uit

Ik zou er nooit op zijn teruggekomen, die duik van motorwagen 263 van lijn 4 die vanuit de Bakkerstraat domweg de Amstel in dook, als ik niet bij toeval het themanummer over verkeer in Amsterdam van het maandblad Ons Amsterdam uit februari 1951 in handen kreeg, waarin onderstaande foto prijkt. Die foto is er eentje uit een reeks foto’s die van dat ongeval bewaard zijn gebleven; ik heb er inmiddels 7 kunnen opsporen, en wie er goed naar kijkt, kan er ook veel details op ontdekken.
Het nummer van Ons Amsterdam is om nog een andere reden interessant, dus ik wijd er maar even een apart berichtje aan.

Allereerst de 263 die uit de Amstel wordt getrokken. Die kraanwagen is ook al voor een deel te zien op een van de foto’s uit mijn eerdere bericht. Ons Amsterdam meldt op p.70: “Kort na de oorlog bleek het mogelijk uit een dump voor een spotprijs een 15-tons Mack-kraanwagen aan te schaffen. Het gevaarte was practisch in staat van nieuw en werd in de blauwe politiekleur overgespoten. Al spoedig bleek de wagen een onschatbare aanwinst voor de politie te zijn en het aantal gevallen, waarin zij spoedig en voldoende hulp heeft verschaft, is legio”.

Tien jaar later, in 1960, werd de 263 als een van de laatst overgebleven grootbordeswagens, gesloopt. Zie het uitgebreide artikel van Cor Fijma over de hele reeks Amsterdamse grootbordessers.

De eigenlijke reden waarom ik genoemd themanummer van Ons Amsterdam aanschafte, was de door mij eerder al, onder het kopje ‘Stoplichten’, opgeworpen vraag of de verkeerslichten op de hoek Overtoom-Anna Vondelstraat er begin jaren-’50 al stonden, maar niet werkten, of dat zij opnieuw werden geplaatst en in werking traden. Ik krijg de indruk dat ze er al stonden, maar een tijd lang buiten werking waren. Ik citeer Ons Amsterdam, p.48-49, een artikel van W.F. Tielrooy: “In 1942 kwam weliswaar de reeds in 1939 geprojecteerde installatie Overtoom tot stand, doch deze is maar zeer korte tijd over de hele linie in werking geweest; tot op vandaag de dag (februari 1951 dus. ljml) zijn nog steeds niet alle lichten in bedrijf! Al spoedig bleek toch dat de intensiteit van het verkeer de aanleg van deze installatie niet rechtvaardigde, met als gevolg nodeloos oponthoud en terecht klachten van de zijde van de weggebruikers. Ook thans nog zou de politie, niettegenstaande het motorisch verkeer ongeveer de dubbele intensiteit heeft van voor de oorlog, vermoedelijk niet tot signalering van de Overtoom, afgezien dan van van de kruispunten Overtoom/Stadhouderskade en Overtoom/1e Constantijn Huygensstraat, en wellicht óók nog afgezien van het kruispunt Overtoom/J.P. Heijestraat, overgaan.
Rest over het tijdvak 1940-1945 nog te vertellen, dat in het kader van de verduisteringsmaatregelen de lampen der verkeerssignalen tijdens duisternis in plaats van op 220 V op 60 V brandden, dat de lichtsignalen op een groot aantal kruispunten moesten worden gedoofd tengevolge van het door het publiek als schoenzolen aanwenden van de rubber matten van de verkeersdrempels en dat tenslotte eind 1944 alle installaties uitvielen, daar het Gemeente-Energiebedrijf de stroomvoorziening staakte”.
Ze stonden er dus vermoedelijk al, op het kruispunt Anna Vondelstraat, maar gingen na 1951 ‘opeens’ branden, en dat was wat mij toen zo fascineerde.
Overigens vermeldt het artikel ook dat in Amsterdam in oktober 1947 alle verkeerslichten weer in werking waren, behalve nou juist die op de Overtoom.

Dit alles dus ter aanvulling van eerdere berichten.

 

 

 

Anna Vondelstraat 2B/2

Het valt niet mee thuis terug te keren in het huis dat wij in 1948 betrokken. Afgelopen maand, gelogeerd in het recent geopende Pillows Hotel op Anna van den Vondelstraat 2-6, hadden wij vanuit de speciaal gevraagde kamers op nr. 2 vrij zicht op onze voormalige woonst recht tegenover ons.
We hebben die ook bezocht, van onder tot boven en we kwamen unaniem tot twee tegengestelde reacties.

- Huis
Natuurlijk is het niet zonder emoties dat je alles na meer dan 60 jaar weer onder ogen krijgt, de lange trappen vanwege de hoge plafonds, de kamers en de maatvoering, ondanks alles wat er in al die jaren aan is veranderd. Dat is goed ter afsluiting van een periode. Daar staat tegenover dat we al relativerend de vele tekortkomingen beseften van de zo kleine ruimte waarin wij destijds acht jaar hadden moeten verblijven, ook al ziet het huis er van binnen en van buiten nu piekfijn uit. Aandrang om er weer in te mogen trekken hadden we dan ook allerminst. Wie er een literaire schildering van verlangt, verwijs ik naar het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst van W.F. Hermans, waarvan de sfeer van het vijftigerer jaren Oud-West zo treffend en identiek staat beschreven.

Toch waren er details waarvan de weemoed nog wel even zal blijven hangen. Ik beperk me hier tot 1950, het jaar waarin mijn moeder met hernia op bed lag en ik, noodgedwongen en 3½ jaar oud, de hele dag in de box, met mijn door moeder gebreide rood-witte trui, voor het raam moest blijven staan, schuin uitkijkend op de Overtoom, en daar alle tramstellen van lijn 1 zag voorbijkomen. Misschien heb ik daar wel mijn passie voor trams aan overgehouden; toch nog iets positiefs. Een paar weken terug stond ik dus in diezelfde hoek om weer even naar de Overtoom te kijken, met het uitzicht zoals op onderstaande ingekleurde prentbriefkaart. 

- Vondel zelf
Toen ik later wèl los mocht rondlopen en ik me stierlijk verveelde, had het gezin voor mij altijd wel iets spannends in petto. Hoogtepunt was dat ze mij naar het beeld van Vondel in het Vondelpark lieten lopen of steppen, met de mededeling dat als de klok van de Vondelkerk het hele uur sloeg, Vondel een bladzij omsloeg van het boek waarin hij aan het schrijven was.

 

Hoewel mij dat wat vreemd voorkwam voor een stenen beeld, was mijn geloof in Vondels almacht even groot als mijn geloof in Sinterklaas, dus een half uur vantevoren stepte ik derwaarts om er maar zeker van te zijn dat ik niets van het schouwspel zou missen, ook als Vondel zich iets in de tijd vergiste. Maar ja, je zult het altijd zien, steeds was het zo dat op het moment suprème, als de torenklok sloeg, ik uit verveling net even was afgeleid door een voorbijrijdende fietser, een ijscoman (van CJamin) die bij de kerk stond of, het ergste van alles, een loslopende hond. Dan sloeg de klok en was ik dus weer eens te laat. Onbewogen zat Vondel op zijn volgende bladzij verder te schrijven en ik kon teleurgesteld naar huis, waar ze drie kwartier van mij af waren geweest en geïnteresseerd vroegen of ik het nu eindelijk eens wèl had gezien. Nee? Volgende keer beter.

- Paardentram
Misschien is het niet verkeerd het verdere verhaal te vertellen vanuit de trams in de Vondelparkbuurt en de Overtoom, te beginnen bij de paardentram vanaf 10 oktober 1872 tot de gelede tramstellen vanaf juni 1957. Veel van de afbeeldingen in het vorige artikel zijn hierbij van nut.
Tussen 1873 en 1880 werd de Vondelkerk gebouwd, het nog steeds prachtige ontwerp van Pierre Cuypers, dat tot 1977 als kerk in gebruik is gebleven. De kerk verrees aan het einde van de Vondelstraat, gezien vanaf de Stadhouderskade. Daar reed sinds 10 oktober 1872 omnibuslijn DV van de AOM, de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij. DV staat voor Dam-Vondelstraat via de Leidschestraat. Een omnibus was een soort personenwagon op wielen, voortgetrokken door een of meer paarden. Omdat het plaveisel in Amsterdam nogal hobbelig was met klinkers en kinderhoofdjes, besloot men in januari 1877 rails aan te leggen om een wat comfortabeler rit te kunnen rijden. Vanaf dat moment, om exact te zijn: 9 januari 1877, mag je dus eigenlijk pas spreken van een paardentram.

Toen tussen 1880 en 1896 de Vondelstraat (als Verlengde Vondelstraat) achter de Vondelkerk werd aangelegd, met op nummer 77-79 dat prachtige woonhuis Oud Leyerhoven I van Cuypers aan de Vondelparkzijde, waar hij tot 1894 zelf in heeft gewoond, werd op 22 juni 1893 ook de paardentram doorgetrokken langs de ingang van de Hollandsche Manege. Deze lijn werd op 27 juli 1903 opgeheven, maar de rails bleven nog even liggen.

Op 8 augustus 1877 startte de paardentramlijn LO, die liep van het Leidscheplein via de Vondelkade (het eerste deel van de Overtoom aan de zuidzijde van het water) tot iets voorbij de overhaal aan het begin van de Amstelveenscheweg, de zogenaamde Dubbelebuurt. LO staat dus voor Leidseplein-Overtoom.
Nevenstaande foto, genomen vóór november 1901, moet ongeveer zijn gemaakt op de hoek van de Anna Vondelstraat; zij is bijzonder vanwege de nog niet gedempte Overtoomse Vaart, de paardentram op rails, de Pestbrug iets verderop, en helemaal links op de voorgrond, naast het aanplakbord, de krul.

- Krul
Een krul (zie de uitvoerige website en die van Joost de Vree) is een openbaar urinoir of pissoir voor mannen, waarvan er in Amsterdam nog een veertigtal staan. De krul op de foto hierboven zal zijn verwijderd bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1903, maar hij is nog vaagjes in de verte te zien op de foto hiernaast van de Anna Vondelstraat richting Overtoom, waardoor wij die foto kunnen dateren tussen 1896 (voltooiing bouw huizen Anna Vondelstraat) en 1903 (demping Vaart), vermoedelijk zelfs nog vóór november 1901, want er zijn geen tramrails zichtbaar.
Een ander interessant detail op deze foto is dat op nr.1, rechts, bijna achteraan, een loopplankje is te zien waaroverheen de kolenboer zijn karretje met steenkool het huis in kon rijden, antraciet, eierkolen en briketten.
Tussen 1884 en 1896 werd de Anna Vondelstraat stukje bij beetje volgebouwd, eerst alleen nr.1, later in groepjes de andere oneven nummers, eerst 1a, dan 3 en 5 architectonisch in spiegelbeeld, daarna 7-9-11 met de patrijspoorten, ten slotte 13 tot 25, het hoekpand met de Vondelstraat, stuk voor stuk, alsmede de even nummers 2 t/m 30. Daarmee kreeg de Vondelstraat dus een verbinding met de Overtoom. Nummer 2 is later herbouwd, neem ik aan, want het heeft de stijl van de jaren-’20.

- Veranderingen Overtoom
Per 1.1.1900 werd de AOM door de gemeente Amsterdam genaast en ging verder als GTA (Gemeentetram Amsterdam) en vanaf 1943, na een fusie met de Gemeenteveren, als GVB (Gemeente Vervoer Bedrijf), dat nu nog steeds het stadsvervoer in Amsterdam in handen heeft. Maar rond 1900 voltrokken zich nog meer ontwikkelingen, die eigenlijk los van elkaar stonden, maar min of meer toevallig samenkwamen. Een daarvan was de demping van een aantal Amsterdamse grachten en vaarten, waaronder in 1903 de Overtoom. Over die dempingen is een illustratieve video (eigenlijk slide show) te zien. Voor de passage over de Overtoom even doorscrollen naar 12’45″, doorlopend tot 14’25″. De foto hierboven van de krul en de paardentram is een screen shot uit deze video. Er is weinig fantasie nodig om te beseffen dat deze demping enorme invloed had op het karakter van de Overtoom, zijn bewoners, zijn activiteiten en het vervoer.
De werkzaamheden rond die demping hadden tot gevolg dat tijdelijk, d.w.z. van 27 november 1901 tot 4 december 1903, lijn LO niet over de Vondelkade kon rijden, maar werd verlegd naar Vondelstraat, waar de rails nog steeds aanwezig waren, en de Anna Vondelstraat, en dan linksaf verder de Overtoom op. Er hebben dus wel degelijk paardentrams gereden door de Anna Vondelstraat. De lijn LO werd per 20 februari 1904 opgeheven, althans gewijzigd in de elektrische tramlijn 1.
Al deze exacte data, en nog veel meer, zijn te vinden in  W.J.M. Leideritz, Van paardetram naar dubbelgelede. Zandvoort aan Zee : Minerva boekuitgaven 1966, in het bijzonder de aanhangsels I en II op p.169-175, een boek dat her en der nog antiquarisch verkijgbaar is voor prijzen tussen de € 3,00 en € 37,00(!).

Wat die overgang naar de elektrische tram betreft: de rails van de paardentram werd verlegd naar het midden van de nieuwe straatweg, maar tevens (andere ontwikkeling) werd dus op 20 februari 1904 de paardentram vervangen door een elektrische tram, die sindsdien niet meer lijn LO heette, maar lijn 1, zoals nu nog steeds, met als lijnkleur het nog steeds bestaande diagonale geel-groen. Diagonaal betekent: vanaf Centraal Station naar Zuid en West rijdend. Dat hebben bijvoorbeeld lijn 2 en 16 dus ook; verticaal betekent vanaf Centraal Station naar Oost-Zuidoost.
Zie de door mij ingekleurde lijnkleuren van lijn 1 op onderstaande foto uit 1957.
Het heet dat die lijnkleuren destijds zijn ingevoerd om aan het analfabete deel van de bevolking duidelijk te maken welke tramlijn er aan kwam. Mooi systeem, dat elders in Nederland en Europa echter bijna overal is opgeheven, maar Amsterdam handhaaft het systeem, ook voor de metrolijnen.

Wie werkelijk is geïnteresseerd in historie, routes en data van alle bus-/tram-/veer- en metrolijnen in Amsterdam raadplege primair het standaardwerk: H.J.A. Duparc, Lijnenloop openbaar vervoer Amsterdam 1839-1989, Amsterdam : Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. 96 pagina’s op A4-formaat om van te smullen. Voor minder dan een tientje her en der nog spaarzaam aangeboden. Mijn exemplaar verkoop ik niet.

- Middenstand
Was voor de middenstand vanaf 1515 de overhaal bij de Schinkel het centrum van activiteit, met herbergen, koffie- en theehuizen, kroegen, marktkramen e.d., dus daarheen ging men schuitje varen, theetje drinken…, later werd de ruim anderhalve kilometer Overtoom vanaf de Stadhouderskade zoetjesaan volgebouwd met woonhuizen, gast-/rusthuizen, winkelpanden en fabrieksgebouwen, zeker toen in 1895 het Overtoomgedeelte van Anna Vondelstraat tot Amstelveenseweg tot de gemeente Amsterdam ging behoren. Daarvóór was het gemeente Nieuwer-Amstel, maar met Koninklijke Goedkeuring werd het in 1896 door Amsterdam geannexeerd.

Tot op heden is de straat ook een aaneenschakeling van winkels en horecagelegenheden. Dat was in onze tijd (1948-1956) ook al zo: op de hoek slager Pol (nr.217), daarnaast delicatessenzaak Fa. Jules Hosman. Ik vermoed dat nevenstaande foto het interieur van Hosman is; het Stadsarchief vermeldt dat niet, maar ik herken de inrichting zeer goed.
Na 1950 werd de zaak Hosman overgenomen door levensmiddelenbedrijf E. Nummerdor (nr.215). Twee huizen verderop zat groentenboer C. Kroon (nr.207). “Aardappelen enz.”, vermeldt de telefoongids uit 1950; ik moest daar meermaals per week met een geëmailleerd emmertje naartoe om 3 kg gekrabde aardappelen te halen voor 8 personen, en van hem moest ieder van ons 300 gram groente dagelijks eten om aan te sterken; de andere kant op zaten een tabakszaak en een drankenhandel. Naast ons, op nr.1Ahs, zat iets van een drukkerij, waar we niks mee hadden, behalve dat het er altijd naar drukinkt stonk. Tegenover ons, zie bijvoorbeeld op bovenstaande prentbriefkaart, de derde afbeelding van boven, die uitkijkt op de Overtoom, een tamelijk louche en bouwvallige motorfietsenwerkplaats met scheefgetrokken voorgevel, waar een tijdje ook de BMW Isetta (driewieler met de neus als deur) en de Messerschmidt Kabinenroller (driewieler met die openklappende cockpit) werden verkocht, of alleen maar opgelapt als ze waren omgevallen in het verkeer.
Maar al met al was daarmee in veel van de dagelijkse behoeften voorzien. Daar bovenop kwam er nog veel langs de deur: de melkboer (met verse melk van de VAMI-fabriek, 50 meter voorbij groentenboer Kroon, naast de RIVA-garage die Opels verkocht), de schillenboer, de lompen-en-oud-ijzerboer (“oud inkoop – vodduh”), het draaiorgel (cent of stuiver van 2 hoog naar beneden gooien en dan maar zien of hij het muntje terugvond), de vuilnisophaal, ’s zomers de Sierkan (“roomijs en chocola”), dezelfde man die ’s winters als kolenboer langs de deuren ging, enzovoort. Kortom zo’n beetje zoals het vandaag de dag nog in Rosoy eraan toegaat.

- Stoplichten
Opeens waren ze er. Of misschien lieg ik, en waren ze er al vanaf 1942, maar gingen ze rond 1950 opeens weer branden, de stoplichten op de hoek Anna Vondelstraat-Overtoom. Langdurig kon ik op de stoeprand gaan zitten om er gebiologeerd naar te kijken, vooral naar die kleur groen (die in mijn beleving maar een paar seconden brandde om daarna 3 seconden oranje en heel veel minuten rood te geven). Het was een soort groen dat ik nog niet kende, maar die nu nog steeds in mijn geheugen staat gegrift, zoals ik nog steeds de elektrische geur ruik van de Blauwe Tram van de Spuistraat naar Zandvoort.

Op bovenstaande foto uit maart 1969 staan ze er nog, maar in 1972 zijn ze definitief verdwenen, die stoplichten.
Er zit een boeiend verhaal aan vast. Al voor de oorlog waren gemeente en politie helemaal in de ban geraakt van verkeerslichten, vanwege het toenemende verkeersaanbod en ter ontlasting van de agenten die met STOP-borden (in de oorlog werden dat HALT-borden, want de Duitschers waren niet te stoppen) de kruispunten bemanden. Een en ander leidde ertoe dat in 1942 een heuse groene golf werd ingericht op de Overtoom: acht stoplichten tussen Amstelveenseweg en Stadhouderskade, waaronder eentje op de hoek Anna Vondelstraat. De bedoeling was een groene golf te creëren voor het autoverkeer à 40 km/u. Maar helaas, vanaf 1942 was er nauwelijks nog autoverkeer op de Overtoom, en daarom werden de lichten afgesteld op den gemiddelden fietser, dus à 25 km/u. Zij brandden alleen in de spits, en vanaf 1943 helemaal niet meer vanwege elektriciteitstekort. Bovendien werden de rubberen luchtslangen of -matten, in de zijstraten vlak voor de Overtoom dwars geplaatst als voelers voor aankomend verkeer, door de bevolking gesloopt om er schoenzolen van te maken. Na de oorlog ging een aantal van de lichten weer functioneren.
Bijgaand schema uit 1957 laat het ontwerp zien van die groene golf, nu dus weer bij 40 km/u. Meer informatie ovder de Amsterdamse verkeerslichtregeling in het algemeen en de Overtoom in het bijzonder staat in het boek STOP. 100 jaar verkeer regelen in Amsterdam 1912-2012 (ISBN 9789461900838) door Sjoerd Linders die mij ook het hier weergegeven Overtoomschema toestuurde.
Nog veel meer informatie hieromtrent staat in het verkeersspecial van Ons Amsterdam uit februari 1951 (jaargang 3).

- Hotels
Begin jaren-’50 durfde een jong echtpaar het aan. Hun naam ligt ons op de lippen, maar wil maar niet tevoorschijn komen. In de hausse van recreatie en toerisme na de oorlog openden zij op Anna Vondelstraat 6 Hotel De Nederlanden. Nooit binnen geweest overigens. Zij hebben het tot zeker 1975 weten vol te houden, getuige bijgaande foto van de Beeldbank Amsterdam, waarop hun uithangbord nog zichtbaar is. Waarom zij ermee zijn gestopt, is mij niet bekend, maar de hotelfunctie bleef intact, want later vestigde zich daar Hotel De Filosoof, dat tot 1 november 2015 is blijven bestaan.
Dat hotel beschikte uiteindelijk over 38 kamers, waaruit ik afleid dat het was gevestigd in Anna Vondelstraat 2, 4 en 6, logistiek gezien een hele operatie, omdat nr. 2 een totaal ander bouwjaar en andere bouwstijl heeft dan de nummers 4 en 6. Van nummers 4 en 6 weet ik verder niet zo veel, maar van nummer 2, recht tegenover ons huis op nr.1, wel. Daar woonden destijds de familie Poot (ik meen op 1 hoog), waarvan dochter Joke staat afgebeeld rechts van mij op de foto uit 1949 in het eerste artikel. Een etage hoger woonde de familie Burgman. Zoon Freddy had ongeveer mijn leeftijd, en ik heb nog een foto uit ±1954 waarop Freddy en ik samen gezellig een ijsco eten, zo’n heerlijk blok vanille-roomijs met chocola eromheen van CJamin dat je voor een dubbeltje kon kopen. Wanneer de familiën Poot en Burgman zijn vertrokken, weet ik niet, maar wel dat van 1978 tot 1984 Anna Vondelstraat 2 huis en 1 hoog was bewoond door schrijver Hans Verhagen, die er niet de beste periode van zijn leven doormaakte (heroïne, alcohol). De Filosoof zal dus pas na 1984 nummer 2 bij het hotelcomplex kunnen hebben getrokken.
Toen ik in mei 2015 door de Anna Vondelstraat liep, viel mijn oog op de prachtige tekstschildering op de kopse kant van nummer 2, zowel naar inhoud als vormgeving beschouwd.
In augustus 2016 zag ik dat die tekst was verdwenen en nummer 2 een maagdelijk witte kopse kant had. Dat klopt met het gegeven dat Hotel De Filosoof, deel uitmakend van de Sandton-keten, was gesloten en zou worden verbouwd tot Hotel Pillows Anna van den Vondelstraat. De bedoeling was dat dat nieuwe hotel de deuren zou openen medio 2016, maar het werd 23 januari 2017, hetgeen mij niet verbaast, nu ik heb gezien wat er allemaal aan de drie belendende panden is gerenoveerd, een operatie die ettelijke miljoenen heeft gekost. Het management hoopt binnen 2 jaar rendabel te kunnen zijn.
Ambiance en styling zijn danig geüpgraded, aan de tuinzijde bevindt zich nu een grote serre met buffet en ontbijtruimte, het aantal kamers is teruggebracht van 38 naar 31, vermoedelijk deels door het installeren van een lift, en alles is stijlvol in grijs en blauw uitgevoerd. Ook op een luxe uitstraling is bepaald niet bezuinigd. Wie niet echt op de portemonnee hoeft te letten en goed ter been is (het hotel is qualitate qua niet senior-proof) zal er zich prima gehuisvest voelen, met uiterst sympathiek en voorkomend personeel en prima voorzieningen.
Ik had voor mijn drie nog levende zussen en mij twee kamers gereserveerd bij Pillows op nummer 2, dus precies tegenover onze voormalige etages 2 en 3 op nummer 1. De eerste foto van dit artikel is daarvan een bewijs. Met dat al was voor ons de cirkel rond, die begon in 1948 en dus met een ruime boog doorliep tot 2017, bijna 70 jaar na dato.

_____________________

Tenzij anders vermeld zijn alle afbeeldingen van de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, behalve de allereerste foto (van mij, feb.2017), die waar ik op sta (genomen door mijn vader, 1950 resp. 1953; in mijn bezit), het bonnetje van Nummerdor (in mijn bezit), en de laatste twee foto’s, genomen door mij in mei 2016 resp. feb.2017.

Eerdere berichten in deze reeks:
Anna Vondelstraat 1
Anna Vondelstraat 2A