Pierre LOONEN

Geduld is een schone zaak, maar soms wordt het beloond. Op 15 november 2015 publiceerde ik een artikel over o.a. Pierre Loonen, een van de criminele zoontjes van gerenommeerd borstelfabrikant Charles Loonen, in het bijzonder over zijn deportatie in 1943 naar Buchenwald. Ik beloofde toen er nog op terug te komen.
Op 17 februari 2017, na 15 maanden dus, kreeg ik zowaar antwoord van het ITS-Bad Arolsen, tussen Dortmund en Kassel, met enkele pagina’s gedetailleerde tekst en nog een 24 scans van documenten hem betreffende. Hier een samenvatting.

Eerder al, op 10 november 2015, ontving ik antwoord van het Archiv Buchenwald met de mededeling dat hij op 18.9.1943 in KZ Buchenwald werd geïnterneerd (eingeliefert) onder registratienummer 21019, en op 15.1.1944 op transport werd gesteld naar KL Lublin (bij KL Majdanek). En op 25 november 2015 volgde een bericht van het Archival Information Research Laboratory, State Museum of Majdanek met identieke persoonsgegevens.
Daar bovenop  kreeg ik nu een afschrift van een brief dd. 18.5.1963 van de Poolse Association des Combattants de la Liberté et la Démocratie (Zwiazek Bojowników o Wolność i Demokracę) aan de F.N.D.I.R.P.*), Amicale d’Auschwitz, 10 Rue Leroux, Paris 16ème, dat er geen persoonsgerelateerde gegevens beschikbaar zijn over de gedeporteerden van Buchenwald naar Majdanek, alleen algemene omstandigheden van transport en verblijf in Lublin/Majdanek. Mogelijk is het op grond van deze brief dat Pierre LOONEN officieel als overleden werd geregistreerd, al zal er een eerdere verklaring zijn geweest die een tweede huwelijk van Marguerite DEMEREAU met Pierre Lucien George SIMON op 29.9.1956 in Désertines (Allier) mogelijk maakte.
______________
*) F.N.D.I.R.P. = Fédération nationale des Déportées et Internés, Résistants et Patriots,
website: http://www.fndirp.asso.fr/

In de bijlage van ITS Bad Arolsen wordt uitgebreid stilgestaan bij het Gestapo-systeem van internering en tewerkstelling, al daterend sinds de Reichstagsbrand van 1933, in 1943 resulterend in het kamp Dora (buitenkamp van Buchenwald, dat sinds ±1.11.1944 kamp Mittelbau ging heten) met 60.000 geïnterneerden, vnl. uit de USSR, Polen en Frankrijk.
De bijlage bevat ook een groot aantal verwijzingen naar andere instellingen, musea en archieven ter zake. Ik vat de feitelijke persoonsgegevens even samen:

Pierre LOONEN (geb. 23.6.1884, Tracy-le-Mont, Oise, wonende 3 Rue St.Jenoch (lees: Senoch), Paris 17e, gehuwd met Marguerite DEMEREAU) werd op 4 juli 1942 door de Sicherheitspolizei-Paris gearresteerd (Kategorie: politisch, Schutzhaft), kwam op 18.9.1943 in Buchenwald aan en werd op 23.10.1943 tewerkgesteld in kamp Dora, van waaruit hij op 15.1.1944 werd overgeplaatst naar Majdanek.
Vanaf daar ontbreekt elk spoor. Velen zijn tijdens dat laatste, inderhaast geïmproviseerde transport onderweg reeds gestorven, anderen in Majdanek zelf. De betreffende archieven zijn verbrand of anderszins verloren geraakt.
Op een van de kaarten met uitgereikte persoonlijke bezittingen (Eigentumsverwaltung) staat zijn handtekening (Die Richtigkeit anerkannt). Op een andere kaart staat hij geregistreerd als Rentner, Vertreter. Op een lijst uit Buchenwald van 18.9.1943 staat hij vermeld als Mechaniker.

Wat nog rest ter naspeuring, zijn drie gegevens:

  • 1. Is hij inderdaad in Lublin aangekomen of onderweg reeds bezweken? Die vraag zal vermoedelijk nooit kunnen worden beantwoord, want het tüchtig registreren vond niet meer plaats en veel archiefmateriaal uit Lublin is vlak voor de bevrijding vernietigd of later spoorloos verdwenen (of berust nog in een of andere Moskovitische bunker).
  • 2. Is er een document op grond waarvan blijkt dat de Burgerlijke Stand in Frankrijk hem officieel heeft gekwalificeerd als “vermist” en/of “overleden”? Dat moet toch ergens te vinden zijn.
  • 3. In september 1956 hertouwt zijn vrouw Marguerite, zelf levend teruggekeerd uit Ravensbrück. Die huwelijksacte heb ik al wel opgevraagd, maar nog niet ontvangen. In de bijlagen zal toch iets moeten staan over de verdwijning van haar eerste echtgenoot, hoop ik.
Kortom: we zijn er nog niet, maar het dossier is sinds vandaag wel aanmerkelijk rijker geworden.

Anna Vondelstraat 2A/2

Ik zie aankomen dat het tweede deel over de Anna Vondelstraat nogal uitgebreid gaat worden. Daarom dat ik het nu eerst laat voorafgaan door een toponymische voorbeschouwing om alvast wat basisgegevens te kunnen aanreiken. In alfabetiche volgorde enkele relevante straatnamen en andere toponiemen.

Anna Vondelstraat
Verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelstraat.
Vernoemd naar Anna van den Vondel (±1620-1675),
dochter van Joost van den Vondel.
1882-1884: “geprojecteerde straat“.
1884-29 nov.1986: Anna Vondelstraat.
vanaf 29 nov.1986: Anna van den Vondelstraat (om verwarring met “Vondelstraat” te voorkomen).
Huisnummers en postcodes: nrs. 1-25 (1054 GX) en 2-30 (1054 GZ).

Heiligeweg
1345-heden: Verbindingsweg tussen de Kapel ter Heilige Stede (Kalverstraat) en het dorp Sloten, via de huidige Stadhouderskade en de overtoomse overlaat. Het tracé liep min of meer van de kapel via het Koningsplein, Leidsestraat, de voormalige Heiligewegspoort, Overtoom, Sloterweg.
De poort sloot om 22 uur; vandaar:
Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de overtoom.
Drinken we zoete melk met room, zoete melk met brokken,
Tien uur slaat de klokke. (en dus niet, zoals mij steeds voorgehouden, “Nardje mag niet jokken“.)
Het was niet alleen de toegangsweg vanuit Haarlem en Sloten tot de bedevaartsplek van het Mirakel van Amsterdam, maar tot ± 1500 tevens de enige landverbinding tussen Amsterdam en het Kennemerland.
Momenteel loopt de Heiligeweg nog slechts tussen Kalverstraat en Singel. De noordzijde van de Heiligeweg, langs de Overtoomse Vaart, heet sinds 1901 Overtoom. De zuidzijde heette van 1875-1901 Vondelkade (zie onder), daarna Overtoom.

Heiligewegsevaart
Waterloop die de Heiligeweg scheidt in een noorderlijk pad en een zuidelijke weg.
1625: Op de kaart van Van Berckenrode (zie detail hiernaast) aangeduid als “Vaart na den Overtoom“.
Later werd deze vaart Overtoomse Vaart genoemd, meestal kortweg aageduid als Overtoom

Luiebrug
Eerste brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, dus waar nu Nassaukade overgaat in Stadhouderskade en waar van 1923-1983 het GVB-hoofdkantoor stond.
Zo genoemd omdat hij maar traag open en dicht ging.
De brug verdween uiteraard bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1904.

overtoom (overhaal)
1432-1809: Handbediende, mechanische overhaal om schepen van de Schinkel naar de Kostverlorenvaart te hevelen.
1809-1942: De overhaal vervangen door een schutsluis.
1942-heden: De schutsluis vervangen door brug 199.

Overtoom (straat)
Verbindingsweg van ±1.800 meter lengte tussen de overtoomse overlaat en de huidige Stadhouderskade.
1345-1901: Heiligeweg (zie hierboven).
1875-1901: Vondelkade (zie hieronder).
1901-heden: Overtoom (foto: briefkaart uit ±1920).

Overtoom (water)
Waterloop over de hele lengte van de Overtoom (straat).
1345-: Heiligewegsevaart (zie hierboven).
-1902: Overtoomse Vaart.
1903: Demping van de Overtoom. Zie video “Gedempte grachten…“; even doorspoelen naar fragment tussen 12’47″ en 14’25″.
Gravure gezien vanaf de Luiebrug, in westelijke richting.

Pestbrug
Tweede brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, gelegen tussen de 2e Constantijn Huygensstraat en de Anna Vondelstraat, niet ver van de melkfabriek en de RIVA-Fordgarage aan de Overtoom. Via die brug bereikte men het Pesthuis, oftewel Buitengasthuis, later Wilhelminagasthuis.
De brug werd ook wel “latjesbrug” (vanwege de lattenconstructie) of eufemistisch “Gasthuisbrug” genoemd. “Je moet over de latjesbrug” betekende overigens dat je je moest melden in het gekkenhuis dat in het Buitengasthuis was gevestigd…
De passagiers op de schuit op de voorgrond gingen wellicht schuitje varen, theetje drinken verderop.

Vondelbrug
Amsterdamse brug 200 over het Vondelpark die de Eerste Constantijn Huygensstraat verbindt met de Van Baerlestraat.
1942-1947: ontwerp en begin aanleg, door de oorlog onderbroken.
1947: officiële opening. Zie o.m. Polygoonfilm op YouTube.
1958: ook trams (lijn 2 en 3) rijden over de brug, waardoor lijn 2 niet meer door de P.C. Hooftstraat hoeft, die nu verder tramloos blijft.

Vondelkade
1875-1901: benaming van het zuidelijk deel van de Heilige Weg langs de Overtoomse Vaart tussen de huidige Stadhouderskade en ongeveer Anna van den Vondelstraat, destijds de gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel.
Omdat de verwachting was dat ook de (nog niet tot de openbare weg behorende) noordzijde Vondelkade zou gaan heten, kregen de percelen aan de zuidzijde alleen oneven huisnummers.
1901-heden: Overtoom.
Zie annotatie op internet, waar ook interessant beeldmateriaal is te vinden.
Foto uit ±1901 genomen vanaf de Luiebrug. Te zien is het begin van de dempingswerkzaamheden.

Vondelkerk
R.K. kerkgebouw in de as van de Vondelstraat, ontworpen door architect Pierre Cuijpers als onderdeel van een stedebouwkundige eenheid van de Vondelstraat e.o.
Gebouw in neogotische stijl. Eerste steen 1872, in 1880 ingewijd als parochiekerk “Allerheiligst Hart van Jezus“.
Sinds 1977 buiten gebruik als kerk, daarna enige tijd gekraakt. Momenteel voornamelijk in gebruik als cultureel centrum en officieel aangewezen trouwlocatie van de gemeente Amsterdam. Meer info: zie HIER.

Vondelpark
In 1865 aangelegd langwerpig “Rij- en Wandelpark” tussen Stadhouderskade en Amstelveenseweg in Engelse landschapsstijl. Twee jaar later werd aan de hoofdingang Stadhouderskade een standbeeld van Joost van den Vondel geplaatst. Vlak daarbij ligt het Vondelparkpaviljoen waar van 1972-2012 het Filmmuseum was gevestigd. Momenteel biedt het als VondelCS (=cum suis) onderdak aan AVROTROS.
Eigen foto: “In het Vondelpark. Maart 1950″.

Vondelkerkstraat
Doodlopende verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelpark, tussen Reyer Anslostraat en Frederiksstraat. Toegang tot Vondelpark voor voetgangers en fietsers.
Zie AT5-uitzending over deze straat.
Naar verluid (AT5) is de straat vernoemd naar het kapelletje aan de Heilige Weg (=Overtoom), waar Vondel placht te bidden als zijn drukproeven in de nabijgelegen drukkerij werden gedrukt.

Vondelstraat
Straat ten noorden van het Vondelpark vanaf het Leidsebosje naar de Anna van den Vondelstraat.
Vernoemd naar dichter Joost van den Vondel (1587-1679).
1864-heden: Vondelstraat (tot aan Vondelkerk).
tot 1896: Verlengde Vondelstraat (vanaf Vondelkerk).
1896-heden: Vondelstraat.

_______________________

Eerder bericht: Anna Vondelstraat 1/2

 

Stop de besparing

Eigenlijk was ik dik vier jaar geleden al gewaarschuwd. In mijn artikel over doucheplassen staan bij de onderste twee gedachtestipjes mijn schokkende ervaringen met de NV Brabant Water die mij 20x zoveel berekende per verbruikt kuub water dan de folder aangaf. Helaas voegen zich daarbij alle leveranciers van gas, water en elektra, zowel in Frankrijk als in Nederland. Mijn conclusie: hoe meer je bespaart, hoe meer je betaalt. Dus bespaar je de moeite, wellicht krijg je nog geld terug ook.

Natuurlijk gaat dit lijnrecht in tegen mijn maatschappelijke en milieuopvattingen, maar als overheid en geprivatiseerde nutsbedrijven de handen ineen hebben geslagen om de consument een poot uit te draaien, kan ik het niet laten de kont tegen de krib te gooien.
Wat voorbeelden.

Op gluiperige wijze is er de afgelopen 10, 20 jaar een kentering opgetreden in de facturering door de nutsbedrijven (gas, water, elektra; Nederland, Frankrijk). Elke lezer kan dat bij zichzelf verifiëren. Ik geef hier ten bewijze wat praktijkvoorbeeldjes:

Mei 2007 (ik woonde toen net permanent in Frankrijk), kwartaalrekening elektriciteit:
verbruik € 65,90; rekeningtotaal incl.btw, opcenten e.d. € 121,08.
De verbruikskosten belopen dus 54,4% van het rekeningtotaal.

Vanaf dat moment tot in 2011 zien we de balans stiekem steeds verschuiven, aanvankelijk tot ongeveer 50-50. Huidige situatie, factuur van augustus 2016:
verbruik € 44,04; rekeningtotaal incl.btw, opcenten e.d. € 114,45.
De verbruikskosten belopen dus nog maar 38,5% van het rekeningtotaal.

Dat is dus het loon van de dagelijkse inspanning om stroom te besparen: € 21 minder verbruikt om daarvan nog geen € 7 op je factuur terug te zien.

De oorzaak is klip en klaar: tegenover de met veel trompetgeschal her en der verspreide juichtonen dat de energiekosten omlaag gaan, (hier in Frankrijk zelfs wel met 0,5% !), staan de continu sterke stijgingen van taxes en btw, van landelijke, gemeentelijke en departementale/provinciale heffingen, waar je maar met moeite een vinger achter kunt krijgen. Overigens is dat gejuich inmiddels per 1.1.2017 verstomd. Vergelijk de afbeelding bovenaan met die hier links.

Mijn hier in de kop aangehaalde voorbeeld van de waterfactuur had mij dus op het correcte spoor gezet. Terwijl wij in Boxmeer nauwelijks water verbruiken (1 à 1½ kuub/maand) werd er een maandbedrag van € 9 door Brabant Water geïncasseerd. Reden voor mij om te bellen en stug vol te houden dat dat dus neerkwam op 1 euro per kuub. Maar dat mocht ik zo niet zien. Maar dat brachten zij wel in rekening. Dus voortaan maar alle kranen ‘s nacht open laten staan, tweemaal per dag ieder gezinslid in een warm bad van 200 liter, en je zult zien: de prijs per kuub daalt drastisch. En vergeet niet ‘s zomers de tuin uitbundig te sproeien met kraanwater. Voor een enkele euro meer per maand, kun je opeens 10 tot 20 keer zoveel water verkwisten. Hulde.

Voor gas en stroom geldt iets vergelijkbaars. De prijzen in de folder zijn dus nog lang niet de helft van wat je er uiteindelijk voor betaalt.

Een voorbeeld om het allemaal nog ingewikkelder te maken (je ziet mij al gloeien van de pret) is een landelijke uitvinding hier in Frankrijk.
Men hanteert hier voor elektra, net als in Nederland, twee abonnementsvormen: basis (dag en nacht, zomer en winter één en het zelfde tarief, momenteel € 0,0898 per kWh; maal 2½ dus op uw factuur); daarnaast de piek/dalregeling (hier nu resp. € 0,0979 en € 0,0738 per kWh, nauwelijks verschil dus met nog de aantekening dat in Nederland het daltarief loopt van 21 tot 7 uur en za/zo 24 uur lang, terwijl dat in Frankrijk is van 22-6 uur, ook za/zo; al met al een weinig aantrekkelijke optie want je betaalt jaarlijks ook nog eens wat meer aan abonnementskosten). Als een konijn uit de hoed hebben ze hier al tijdenlang een derde mogelijkheid: de Option Tempo, waarvan ik momenteel gebruik maak. Ik ga die nu uitleggen, als u er nog bent.

Voor het gemak is het jaar verdeeld in 365 dagen. Daarvan zijn er 300 blauw, 43 wit en 22 rood. Het abonnement is op maandbasis €  0,24 duurder dan het basisabonnementstarief, dus te verwaarlozen. Niet te verwaarlozen zijn de prijsverschillen. Zie onderstaande tabel.

De blauwe dagen, die het hele jaar door kunnen vallen, waaronder alle zondagen, zijn dus aanmerkelijk goedkoper dan die van basis- of piek/dalabonnementen.

De witte dagen kunnen ook het hele jaar door vallen, maar nooit op zondag, en zijn qua prijs ongeveer gelijk aan die van basis- of piek/dalabonnementen.

De rode dagen vallen alle tussen 1 november en 31 maart, maar nooit op zondag. Dan kost elke kWh opeens 1½ tot 4½ keer zo veel als het basistarief.

Wat de kleur van de dag is, kun je daags tevoren vanaf 12 uur online bekijken en vanaf 18 uur op je meter.

Het argument van de nutsbedrijven is dat men op zeer koude dagen piekbelasting door het sterkere stroomverbruik van bedrijven wil voorkomen door particulieren tot zuinigheid te dwingen. Dat werkt bij mij ook wel: over het hele jaar heen verbruik ik dagelijks ±8, maar op rode dagen weet ik dat terug te dringen tot 2 of 3. Kwestie van meer koken en stoken op hout, boiler uit tot zondag, en dan ook de was doen, alleen lampen aan daar waar je bent, al die apparaten op de spaarstand -vlak dat niet uit, dat sluimerverbruik- gewoon de stekker eruit, tenzij je ze echt gebruikt, enz. enz. Dat alles draagt niet alleen bij aan je bewust omgaan met energieverbruik, maar ook tot besparing van kosten.

Dat dacht ik tenminste.

Aanvankelijk leverde het me op jaarbasis een ± € 250 lagere stroomrekening op. Dat is de moeite om wat bewust met de zaken om te gaan. Gewaarschuwd echter door wat ik bij recente jaarafrekeningen in Nederland en kwartaalafrekeningen in Frankrijk begon te bevroeden, is dat door de hierboven geschetste verschuiving tussen de vaste en variabele kosten opeens dramatisch gekelderd. Over de laatste 7 jaren nog maar € 150 (niet per jaar, maar in totaal!) en over 2016 nog maar een schamele € 15. Daarvoor ga ik me dus niet in allerhande bochten wringen, stekkers eruit trekken, kaarsjes aan voor de warmte en het licht, enzovoort.

Ik ga dus tot 1 november nog lekker profiteren van al die goedkope, blauwe dagen, en per dan weer fluks over naar gewoon basis. Minder zorgen aan de kop bij (mag ik hopen) gelijkblijvende kosten.

Ik ben benieuwd of er lezers met soortgelijke, of juist tegengestelde ervaringen zijn.

 

 

 

Anna Vondelstraat 1/2

Anna Vondelstraat 1, Amsterdam Oud-West, werd in 1882 gebouwd toen de Anna Vondelstraat nog niet bestond. Daarover meer in dl.2 dat eind februari hier zal verschijnen.
In oktober 1948 kwam de familie Loonen, vader, moeder en zes kinderen, daar te wonen op de tweede (woonkamer, keuken) en derde verdieping (3 slaapkamers). Over de weinig florissante situatie van dat onderkomen heb ik onder de titel Schaalvergroting in november 2012 al bericht.
Hoog tijd voor wat meer diepte-informatie.

In 1882 liet slachter A.J.W. Helleganger (what’s in a name!) een spiksplinternieuw slachthuis bouwen aan de Overtoom 101, gemeente Nieuwer-Amstel, later, na de annexatie door Amsterdam hernummerd tot Overtoom 217. Boven de varkensslachterij bevatte het hoekpand drie verdiepingen met bovenwoningen. Bouwtekeningen zijn te vinden in de beeldbank Amsterdam, met zoekopdracht “Anna Vondelstraat 1″. Voor het grootste gedeelte lag dat pand om de hoek van de Overtoom aan “een geprojecteerde straat”, de Anna Vondelstraat, die tussen 1890 en 1894 werd volgebouwd en de Overtoom ging verbinden met de Vondelstraat.

De Overtoom was toen nog niet gedempt; dat gebeurde pas twintig jaar later. Het zal den slachter wel van logistiek belang zijn geweest dat hij zijn varkens per boot kon laten aanvoeren, en het uitgebeende vleesch weer kon verschepen. Misschien zag hij de bui al hangen, want rond 1900 deed hij de zaak over aan Gerrit Pol, die er een vleeschhouwerij van maakte, d.w.z. dat hij de geslachte en uitgebeende koeien en varkens van het abattoir betrok en er zelf eindproducten van maakte, waaronder fijne vleeswaren. Ik vermoed dus ook dat de koeien voor de deur eerst naar het abattoir gingen; Pol slachtte niet aan huis. Overigens, de Beeldbank heeft de foto niet gedateerd (vermoedelijk tussen 1900 en 1920), en evenmin verklaard hoe daar opeens huisnr. 29 te zien is, in plaats van 217. Ik probeer dat nog wel uit te vissen.

Zoon Johan Pol nam rond 1920 de zaak over en hij was van 1948-1956 onze slager-op-de-hoek. Ik bewaar er prima herinneringen aan. We hadden uiteraard geen koelkast, dus elke dag moest iemand van ons even het eten van de dag gaan halen, tot ±1950 met distributiebonnen, later in de vrije verkoop.

Toen wij het huis betrokken had daar een zekere heer Weehuizen gewoond, werkzaam bij de N.V. Werkspoor. Ik heb van hem nog enige correspondentie liggen, met name vanwege zijn klacht uit november 1947, gericht aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken aan de Stadhouderskade. Hij beklaagt zich omstandig over het feit dat hij als huurder van de eigenaar, mejuffrouw E. Frank, wonende op de Stalinlaan, te horen kreeg dat die voornemens was de maandelijkse huur voor Anna Vondelstraat 1-II en -III exorbitant te verhogen van ƒ 35,= naar ƒ 60,=. Kort daarvoor was het hele pand Anna Vondelstraat 1 getaxeerd op ƒ 10.000,= (ik bied nu graag het dubbele ter verkrijging!), hetgeen een huurprijs van ca. ƒ 35,=/maand billijkte.

Ruim een maand later komt het Prijzenbureau met een soort Salomonsoordeel dat mede was gebaseerd op de overweging dat een maandhuur van ƒ 60,= “boven het op 9 mei 1940 (!) voor soortgelijke objecten gebruikelijke huurpeil ligt“. Als “hoogst toelaatbare huurprijs” noemt het Prijzenbureau een bedrag van ƒ 42,50 met de toevoeging “dat ten aanzien van het gebruik van electrische stroom, gas en verwarming niet meer in rekening mag worden gebracht dan de kosten van het werkelijk gebruik“. De eigenaresse gaat prompt akkoord en dat zal inhouden dat mijn vader enige maanden later ook datzelfde bedrag aan huur moest gaan betalen.

Naar huidige maatstaven van woningcorporaties hield mejuffrouw Frank zich vrij lang opvallend koest. Maar in januari 1952 stuurt zij mijn vader een kort briefje (“Met alle hoogachting“) dat zij zich genoodzaakt voelt de huur per 1 februari 1952 in één klap met 15% te verhogen tot ƒ 48,30 hetgeen gelijkstaat aan een jaarlijkse verhoging van 4%.

Over wat voor een pand hebben we het eigenlijk?
Via een stoepje voor de voordeur (hier op een foto uit 1949) kwam je in een halletje met rechts de trap naar boven en links een vrij grote ruimte die een driedubbele functie had: allereerst konden we daar de fietsen stallen, verder was er achterin een luik waardoor de steenkool werd gestort die de bewoners gebruikten om de kolenhaard te stoken, ten slotte stond er een piano waarop de zus van mejuffrouw Frank, Annie Zieren-Frank pianolessen gaf. Op de dagen dat zij lessen gaf, moesten wij de fietsen uit de ruimte halen (eerst het vloerkleed opzij rollen!). Mevrouw Zieren was, net als haar zus en nog een andere zus, blind, hetgeen haar niet belemmerde uitstekend pianolessen te geven. Met haar handen voelde ze of je vingerzetting wel deugde. Zij genoot landelijk wel enige bekendheid, niet in het minst bij het koninklijk huis: van Wilhelmina kreeg zij ooit eens een vleugel cadeau en Juliana inviteerde haar diverse malen op Soestdijk om kinderliedjes te komen begeleiden. Geboren in 1890 haalde zij de respectabele leeftijd van 103 jaar. Van haar is nog een NOS-radiointerview te beluisteren en op internet tref je nog een bericht over haar aan. Verder wijdde het Goois Weekblad van 7-8 november 1984 een paginagroot artikel aan de toen 94-jarige pianiste.

Drie van mijn zussen en mijn broer hebben pianoles bij haar gevolgd; ik was nog te jong, maar ik herinner me wel dat je eerst vanaf de begane grond de ene etude van Czerny na de andere hoorde spelen, waarna die boven in onze huiskamer nog eens dunnetjes werden verder gestudeerd.

Dan maar de trap op. Op 1 hoog woonde de familie Chung. Hij een Chinees waarvan ik niet weet of hij uit Indië was gerepatrieerd; in ieder geval was zijn Nederlands een garantie voor bijna geen communicatie. Mevrouw Annie Chung-Marx sprak met een sterk Duits accent, hetgeen haar in die tijd, en dan nog wel in Amsterdam, ongetwijfeld van de straat hield. Zij hadden één zoon, Kok Han, ongeveer van mijn leeftijd, maar dikke vriendjes zijn we nooit geworden. Het frequentste contact dat wij met de Chungs hadden was het toilet, het enige dat er aanwezig was op de 1e, 2e en 3e verdieping. Het had twee deuren, eentje voor de Chungs, de andere voor ons. Zij en wij moesten dus steeds twee deuren op het haakje doen, hetgeen wel eens achterwege bleef. De anekdote die mij het meest is bijgebleven is dat mijn vader op een dag de wc-bril had gevernist. Pa Chung, die het woord “NAT” niet kende, ging erop zitten en riep toen: “Annie, ikke zitte vasseplak!”

Nog maar een trap op, die uitkwam op een halletje. Rechts de keuken, klein, maar afdoende, met een aanrecht (ik weet niet of er ook warm water was), een gasfornuis op stadsgas, want aardgas was er nog lang niet, en een voorraadkast. Vanuit het halletje rechtdoor was de woonkamer, ik schat zo 6×4 meter. Die moest niet alleen plaats bieden aan 8 personen, maar ook had mijn vader op het pandhuis of bij veiling De Zwaan een compleet ameublement gekocht, zwaar en massief, geproduceerd door H. Pander & Zonen te ‘s-Gravenhage. Het omvatte een groot buffet, een ovale uitschuifbare eettafel met tussenblad, twee zware stoelen met leuningen en vier zonder leuningen (twee van ons moeten dus op keukenstoeltjes hebben gezeten), een theetafel en wat bijzettafeltjes. Het meeste daarvan staat nu bij mij in Rosoy, met aanmerkelijk meer rumte eromheen. Via de hijsbalk was alles vakkundig omhoog getakeld, samen met een djatihouten bureau, twee rookstoelen en een piano. Later kwam er nog een radio/grammofoonmeubel bij met ingebouwde luidsprekers. Hoe het er allemaal in heeft gepast, is me nog steeds een raadsel. Eigenlijk geen wonder dat Van der Schaal het niet wilde geloven.

In het halletje links liep de trap naar zolder, met daaronder een bergkast. Op die zolder waren drie slaapkamers, eentje voor mijn ouders, met een lampetkan op een toilettafeltje, eentje voor mijn oudste twee zussen met een wastafel die koud stromend water leverde, behalve ‘s winters, want dan waren de leidingen steevast bevroren, en eentje voor het jongere kroost: een tweepersoonsbed voor mijn jongste twee zussen en een stapelbed waar mijn broer bovenin lag en ik onderin. Die kamer was daarmee compleet gevuld; voor enig meubilair of een wastafel was er absoluut geen plek. Mijn oudste zussen konden door het dakraam in de goot aan de tuinzijde klimmen om te zonnen, huiswerk te maken of de was te drogen te hangen aan provisorisch bevestigde waslijnen aldaar.

Zelf heb ik dat opgehokte verblijf nooit zo rampzalig gevonden, bij gebrek aan enig referentiekader. Voor mij was het dus “normaal”. De anderen hadden wel een referentiekader: dat van de Jappen-vrouwenkampen op Java cq. de werkkampen langs de Birmaspoorlijn. Het is voorstelbaar dat zij het gevoel hadden er in Anna Vondelstraat 1 op vooruit te zijn gegaan.

Desalniettemin heeft mijn vader bijna van meet af aan stad en land bewogen om een meer passende woonruimte beschikbaar te krijgen, direct via het CBH, indirect via zijn werkgever, de Marine op Kattenburg waar hij in een civiele functie tot zijn pensioen heeft gewerkt. Maar zelfs een persoonlijke interventie in augustus 1951 van H.C.W. Moorman, Staatssecretaris van Marine, die beloofde “nogmaals persoonlijk een beroep te doen op de Burgemeester van Amsterdam”, mocht niet baten. De woningschaarste was te nijpend.

Makelaar Lemmens te Amsterdam probeerde in september 1954 nog wat schot in de zaak te brengen: middels een kil schrijven verzoekt hij mijn vader “hoezeer het mij spijt” binnen drie weken de woning te ontruimen en te verlaten, in de verwachting “dat het U nu moge gelukken een woning te vinden die het U en Uw gezin mogelijk zal maken eindelijk eens menschwaardig te wonen“.

Ook dat mocht niet baten, al weet ik niet hoe het is gelukt om het nog bijna twee jaar uit te houden daar. Maar op 8 mei 1956 kwam van het CBH, na een wachttijd van 6 jaar, het felbegeerde voorrangsbewijs met een woonvergunning voor het pand Lomanstraat 6 hs+I.
Die verhuizing was vlot geregeld.

 ___________________

Volgend bericht: Anna Vondelstaat 2a

 

 

Stemming

Voor degenen die mijn vooruitzicht nog niet per mail hadden ontvangen, hier de bijbehorende afbeelding met nog de nodige toelichting. Weinig kerst. Weinig optimisme. Beetje hoop.

Mocht iemand erin zijn geïnteresseerd, dan geef ik hier de details. De afbeelding komt van mijn dashcam, gemaakt toen ik op 10 december na de zoveelste fysiotherapiesessie terugreed van Bourbonne-les-Bains zuidwaarts richting Rosoy-sur-Amance. Het was die ochtend, zo rond 10 uur, nog licht vriezend weer en de zon begon door de grondmist heen te breken, hetgeen fraai tegenlicht opleverde. Bomen, bermen en velden waren wat berijpt.
Kortom, geen witte kerst, zoals AH nu zijn kerststol ook feeststol is gaan noemen, om de Marokkanen, Turken en heidense negers niet als klant te verliezen (maar ik heb hier voor de feestdagen gewoon een Gâteau de Noël liggen – die ziet er precies zo uit), en we van Sylvana Simons ook geen Zwarte Piet meer mogen hebben. In plaats daarvan is zij zelf nu ze Zwartste Pietesse, exorbitanter opgesmukt dan ik me van enige Piet kan herinneren, dus waar hebben we het over. Zij is het onovertrefbare boegbeeld van de beroepsgroep.

Op weg van Bourbonne naar Rosoy, tussen Genrupt en Gyuonvelle (de coördinaten staan rechts onder in beeld, dus ga maar na), pikte ik er dit beeld uit. Onder het verkeersbord met de gevaarlijke ruk naar rechts stond dat dat pas over 600 meter was. Ik zeg: het is al in 2017. Daaronder stond nog een bord met max. 70 km/u, dus ik had de remparachute al uit, maar dat bord heb ik weggephotoshopt, omdat het me alleen aan mijn leeftijd deed herinneren, die in deze fase volstrekt irrelevant is, en ik niet de radarpolitie een verkeerd bewijs in handen wilde geven.

Op de weg word je vriendelijk gedwongen naar rechts te neigen. Nergens in Frankrijk staan die pijlen op de weg naar links. Daarvoor moet je naar Engeland, voor wat het waard is.
Het rode bord links trof ik diezelfde rit elders aan. Er stonden op die zaterdag nogal wat van die borden in de berm, zij het met de tekst CHASSE EN BATTUE EN COURS – DANGER (Drijfjacht in volle gang. Gevaarlijk). Daar waren dus de plaatselijke jachtverenigingen, die elkaar wel kunnen uitmoorden, bezig een gratis kerstmenu bij elkaar te schieten. Zolang ze maar niet op vossen jagen, vind ik alles best, maar ik gaf er wel een eigentijdse draai aan: Frankrijk, Nederland, Duitsland, wat staat ons te wachten in navolging van de USA; de waarschuwing is alvast gepost.

Van de afbeelding heb ik enkele Franse relaties ook een aangepaste versie gestuurd, want ze vertikken het om gewoon Nederlands te leren, zoals de meeste Nederlanders in Frankrijk zich hier met een tenenkrommend Frans durven te vestigen. Of zelfs helemaal zonder.

Bonjour, bij het weggaan. Pleur op, zou Rutte zeggen.
Bijvoorbeeld.

O ja, voor het roddelcircuit: die fysio probeert mijn linker hand, na een Dupuytren-operatie in oktober in de voortreffelijke Clinique de la Main in Dijon, weer een beetje functioneel te krijgen. Gelet op de ervaring met mijn rechter hand, vorig jaar, is een revalidatie van dik 8 maanden wel te voorzien. Don’t mention it.

 

 

Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Spookstad Doel

Anderhalf jaar geleden schreef ik over Een Kerncentrale Als Doel en noemde de leegloop van het dorp ter uitbreiding van de Antwerpse haven. Twee weken geleden bezocht ik de plek, letterlijk onder de rook van de kerncentrale aldaar. Het maakte onderdeel uit van ons tripje door Oost- en Zeeuwsch-Vlaanderen met een sterk Reynaert-tintje, want die zondag was de presentatie van Jaarboek 9 (2016) van Tiecelijn, in het stadsmuseum STEM van Sint-Niklaas. Via Hulst, de Woestijnestraat (van Hulst naar Nieuw-Namen), de Hulsterloostraat in Nieuw-Namen en het prachtig ogende Verdronken Land van Saeftinghe bereikten we Doel, een spookstad die verbaast. Let vooral ook op overstekende spookkinderen over 30 m.

Over de Reynaertconnectie kom ik spoedig nog te spreken; eerst maar even de ellende van alle dag. Het bezoekerscentrum van het Verdronken Land was helaas vanaf oktober tot april gesloten en op eigen gelegenheid de schorren en kwelders intrekken is levensgevaarlijk. Dus moesten we het doen met het werkelijk schitterend uitzicht vanaf de dijk over dat stukje Nederlands Vlaanderen dat eigenlijk gewoon bij België zou moeten horen, maar dan was Nederland de controle over de Westerschelde kwijt – u weet wel: Belgje pesten. Gevolg onder meer: het gênante gekibbel vanaf 2008 over de Hertogin Hedwigepolder; uitkomst: Nederland ontpoldert en Vlaanderen betaalt de kosten. Zo doe je dat.

Voort ging het. Over slecht onderhouden binnenweggetjes, extra glibberig door de suikerbietenoogst, bereikten we Doel, het dorp met de twee gezichten. Het helpt niet om er W.F. Hermans’ Het behouden huis op na te lezen, al zijn er wel parallellen. Het ene gezicht is het gezicht van een spookstad, zoals je ook wel in Spanje, Italië of Syrië tegen kunt komen: verlaten en leeg -een eeuw geleden huisden er nog dik 2.000 inwoners-, ruiten verbrijzeld, muren op instorten of reeds verdwenen, kapotte daken als open vensters voor zinloos daglicht, een onderhouden kerkhof als enig teken van leven.

Het andere gezicht is eigenlijk frappanter. Nadat de vaste Doelbewoners waren vetrokken, vrijwillig, zij het onder dwang, werden de huizen door ± 200 krakers bezet. Die zorgden niet alleen voor wat stuiptrekkerig leven in het dorp, maar zij beijverden zich ook in het opleuken van zowat alle muren met de meest uiteenlopende graffiti, sommige zeer kunstig, andere wat oppervlakkig, sommige met een scherpe boodschap, andere met een schreeuw.

Wat mij terloops opviel, waren de vele Poolse en wat minder talrijke Roemeense opschriften bij de schilderingen. Maar de nabije Antwerpse haven is altoos een smeltkroes van culturen en nationaliteiten geweest. De neerlandicus in mij verwijst daarvoor maar kortheidshalve naar het prachtige Dwaallicht van Willem Elsschot uit 1946, net als ik.

Klim je de Scheldedijk op, dan krijg je er gratis nog een kwartet uitzichten bij:
- over de brede Schelde met zijn langzaam voortglijdende schepen,
- op de jachthaven die wonderwel druk bevolkt was, maar dan toch niet door Doelenaren,
- op de oude molen van Doel, nu met staande wieken als een silhouet tegen de spierwitte koeltorens van de centrale waaruit spierwitte rook richting Rijnmond afbuigt, en

 

- op Sinterklaas die net uit de auto stapt, samen met een gelukkig nog ongekuiste, echte Zwarte Piet, om doelgericht de plezierjachteigenaren te plezieren. En natuurlijk om mij een afgemeten bruggetje te bieden naar het volgende artikel over Sint-Niklaas en de onophoudelijke reeks Reynaert-evenementen aldaar.

 

 

Ouderenzorg

Terwijl in Nederland de politieke partijen over elkaar heen buitelen om voor de verkiezingen van maart 2017 hun meest 65+’vriendelijke gezicht te tonen (van de plannen voor een Nationaal Zorgfonds ben ik overigens een verklaard voorstander), beginnen ze in Frankrijk de messen te slijpen voor de presidentsverkiezingen in april/mei 2017. Links hangt knock-out in de touwen, dus het zal wel een keus worden tussen Fillon (rechts-liberaal) en Le Pen (rechts-populistisch). Ik heb als Nederlander hier geen stemrecht, maar als 65+’er werd er toch aan mij gedacht.

De gemeente Haute-Amance, departement 52-Haute-Marne, een conglomeraat van vier dorpen waaronder Rosoy-sur-Amance, telt momenteel circa 1.000 inwoners, waarvan het merendeel, schat ik zo, boven de 65 is. Het gemeentebestuur overstijgt alle Parijse perikelen door zich niet met verkiezingsretoriek bezig te houden, maar houdt het op handhaving van de traditionele waarden. Dat ging al honderden jaren goed, dus waarom er iets aan veranderen?
De uitnodiging (ambtelijk-bureaucratisch correct gedateerd op 07 november) was helaas opgemaakt met dat vreselijke comic sans lettertype, waarvan ik dacht dat dat was voorbehouden aan mavo-pubermeisjes of olijke bakvissen.

Niettemin, afgelopen weekend vond derhalve de traditionele maaltijd plaats, waarvoor het gemeentebestuur best een paar duizend euro in het budget had willen vrijmaken (plus nog eens vervoerfaciliteiten voor wie slechts ter been was, of geen rijbewijs (meer) had), om de sociale cohesie van de vele 65+’ers te versterken.
Voor de eerste keer schoof ik aan.

En ik kwam bedrogen uit. Ik had een gezapig samenzijn verwacht van rollators, krukken, braces, mitella’s, en oudjes die normaal gesproken het huis niet meer uit komen, maar die voor dit gratis hapje door de mantelzorg of andere attente dorpsbewoners erheen waren gesleept. Niets was echter minder waar. Er bleken zich rond de 150 bejaarden te hebben verzameld, de meeste mannen kalend, de meeste vrouwen voor de gelegenheid gisteren nog net naar de kapper geweest; sommigen kwiek, anderen zorgelijk krom lopend, velen voortdurend naar de wc moetend, en in plaats van dat het voornamelijk ging over wie er de afgelopen maanden allemaal waren overleden, welke kwalen een bedenkelijk niveau aan het bereiken waren en de gebrekkige straatverlichting ’s avonds, werd er aan de tafeltjes heel conviviaal gekouterd over de oogst van afgelopen zomer, de ontwikkelingen in het dorp, de vele mogelijkheden in de nabije toekomst. Er werden moppen getapt, recepten besproken, kleinkinderen voor het voetlicht gehaald, kortom een veel positievere grondhouding dan waarop ik had gerekend.

En waar ik een traditioneel menu had verwacht van de gebruikelijke apéro (slechte witte wijn met een scheut cassis erdoor die gelukkig net in de aanbieding was), een kartonnen wegwerpbordje met slappe, koude, vette, rijkelijk met zout bestrooide friet als poedersuiker op de kerststol, geserveerd met een ondefinieerbaar stukje kip, of worst, of een zwartgeblakerd speklapje, en een keuze uit één of twee soorten kaas als dessert, dat alles met een plastic vanzelf brekend vorkje en geen mes, want aan de zijkant van het vorkje zitten toch immers karteltjes, had het gemeentebestuur nou eens flink uitgepakt. Geheel tegen de traditionele xenofobische houding van Franse dorpen, waar zelfs alles uit naburige departementen al als indringerig wordt beschouwd, was er dit maal een traiteur uit Lavoncourt, departement 70-Haute-Saône, in de arm genomen.
Wat het allemaal heeft gekost, weet ik uiteraard niet, maar uit het feit dat invités welkom waren tegen betaling van €30 pp. leid ik af dat er per couvert zeker een dergelijk bedrag mee was gemoeid.
Ik geef toe, het aperitief bestond, zoals verwacht, uit een keus tussen witte-wijn-met-cassis of rosé-pamplemousse met plastic bordjes vol  borrelnootjes assorti die je voor minder dan een euro per bakje bij de Colruyt of LeClerc weghaalt, maar waarmee toch in ieder geval de gewenste temperatuur kon worden bereikt.

Daarna verscheen er een aantal gangen die zowel qua opmaak als qua ingrediënten meer dan voortreffelijk te noemen waren. Toen de burgemeester, vanwege zijn te lage leeftijd niet toelaatbaar, maar als rondlopend bediende zeer gewaardeerd, het startsein had gegeven, nam de geamuseerdheid rechtevenredig toe met het aantal achterovergeslagen glazen. Aanvankelijk, naast de onontbeerlijke flessen mineraalwater, zeer goede Pinot blanc uit de Elzas en vanaf gang zoveel een niet al te goedkope rode Bordeaux. Het eerste gerecht, een  toastje met een soort kaasbitterbal en een schaaltje met champignons en escargots op een leien bord, alles keurig gegarneerd, werd gevolgd door een  bord met een fors stuk zalm (alleen, ik eet geen vis, maar mijn portie vond aan de tafel gretig aftrek).

Daarop volgde tot mijn grote verrassing een tussendoortoetje: een potje met mango-ijs, verse (hoe kan dat?) aardbeien, een knapperige wafel en een plastic pipetje met een of andere Bretonse likeurachtige drank. Jammer genoeg moesten we het lege potje inleveren -ik had er nog wel iets nuttigs mee kunnen doen, maar dat is wellicht te Hollands gedacht.

Dit was niet het echte dessert, want daarna brachten de ongeveer 20 vrijwillige serveerders borden rond met een dik stuk varkenshaas met een rijk garnituur. Het verbaast me wat al die Franse bejaarden bij zo’n maaltijd weten te verstouwen, maar alles ging op. Men vertelde me dat er tot slot nog een echt dessert zou volgen, maar omdat Franse maaltijden uitblinken in langdurigheid (het begin was om 12:30 stipt en het was inmiddels 16:30) excuseerde ik me omdat ik nog een afspraak had waar ik naartoe moest. Ik had voldoende foto’s gemaakt en in feite wilde ik geen minuut missen van Utrecht-Feyenoord die een kwartier later begon, en waarvan het inderdaad de moeite was er de eerste minuten niet van te missen. De laatste ook niet, trouwens, zeg ik met enige opluchting.

Ik wist intussen wel genoeg en was zeer tevreden over dit gemeente-initiatief en zeker ook over de feitelijke uitvoering ervan. Henk Krol zou er zijn vingers bij hebben afgelikt.

Kortom, ik weet nog niet op wie ik in Nederland in maart ga stemmen; zal wel een van de Zorgfondspartijen worden. In Frankrijk hoef ik komend jaar gelukkig niet te stemmen op rechts of op rechts, maar afgelopen zondag in Hortes zat de stemming er alvast goed in.

 

 

Vellen

Een oordeel of een vonnis.
In alfabetische volgorde:

   Assad
   Duterte
   Erdogan
   Kim Jong-un
   Le Pen
   Mugabe
  Netanyahu
   Orbán
   Petry
   Poetin
   Porosjenko
   Trump
   Wilders 

Heb ik nog iemand vergeten?

Taalverloed (2/2)

Tot de wat meer excentrieke objecten van mijn verzamelwoede behoren edities van Kuifje, De sigaren van de farao in zo veel mogelijk verschillende talen. Er moeten er tegen de 30 van bestaan; ik sta nu op 18 stuks. Daaronder bevindt zich ook de uitvoering in het Afrikaans, en dat komt nu goed uit als ik verder ga over het onderwerp taalverandering.

Zoals bekend heeft het Afrikaans zich ontwikkeld vanuit het Nederlands van midden 17e eeuw, meer bijzonder vanuit o.a. het Amsterdams dialect. Daarvan getuigt bijvoorbeeld de vorm -ie voor verkleinwoorden, in plaats van het Nederlandse -je. Kuifje heet in Afrika dus Kuifie. De Afrikaners hadden, als relatief kleine en geïsoleerde gemeenschap, het probleem zich staande te moeten houden tegenover de sterke Britse invloed enerzijds, en die van de talen der oorspronkelijke bewoners als het Zulu en Xhosa anderzijds. Mede dat heeft ertoe geleid dat de ontwikkeling van het Afrikaans, ten opzichte van de ontwikkeling van het Nederlands, wordt gekenmerkt door een enorme versimpeling van grammatica (zoals: mannelijk, vrouwelijk en onzijdig bestaan niet meer, behalve voor mans- en vrouwspersonen) en spelling (bijvoorbeeld: ik ben, jij bent, hij is enz. is in het Afrikaans ek is, jy is, hy/sy is, ons is, julle is, hulle is. De Nederlandse au en ou vallen in het Afrikaans samen tot ou, de ij en y tot simpelweg y, de ch en g tot g, enzovoort). Maurice de Hond moet er de oude dag maar gaan slijten.

Toen ik in 2009 online de Afrikaanse versie van Kuifie, Die sigare van die farao bestelde en prompt ontving, kreeg ik er enige dagen later bijgaande e-mail overheen. Verreweg het meeste is voor Nederlanders moeiteloos te lezen.
Er staan woorden en uitdrukkingen die je niet rechtstreeks aan een Nederlandse variant kunt koppelen, zoals kraai koning, magdom, webtuiste (@ “web-tehuis”, “website”), rondrits (“surft“), aanlyn (“online“), twakvrye (“tobacco-free“), boksie (“hokje“, “box“), tiek (“aanvinken“, “tick“), spog met (“trots zijn op“), sowel as (“zoals“, “as well as“), maar die in het tekstverband toch voor zich spreken.

Ik heb die ervaring trouwens ook, zij het in mindere mate, met het Zweeds, een taal die ik niet beheers, maar toen ik er rondreed en een grote portie friet bestelde, patat voor de noorderlingen, skyfies voor de Afrikaners, heette dat stor strips. Een verkeersdrempel heette farthinder, een vergunning tillstånd en een ontbijt frukost. Dat lees je ook zo weg, zonder de taal te kennen, maar met wel wat kennis van Engels en Duits naast je Nederlands.
Maar anders dan het Zweeds, dat op relevante onderdelen grammaticaal afwijkt van het Nederlands, zijn Afrikaanse zinnen net zo gebouwd als Nederlandse.

En daarmee ben ik terug op waar ik in het vorige artikel was gebleven: de taalverandering van het Nederlands. Ik splits die in twee delen: taalversnelling en vocabulaire.

Taalverandering is niet iets van sinds de jaren-’60, maar van alle eeuwen, en voor gejammer over taalverloedering geldt hetzelfde. Maar het zijn niet zozeer de grammaticaregels die zijn veranderd. Ja, we zijn in onze standaardtaal de dubbele ontkenning kwijtgeraakt die het Afrikaans nog heeft behouden, net als het Frans, en als die dan toch weer terugkeert (“Ik heb nergens geen zin in“, “Ik heb dat nooit niet gedaan“), dan heet dat nu “incorrect taalgebruik”, maar ook: een versterking van de enkele ontkenning. Doe maar, in het spraakgebruik, maar schrijf het niet, zou ik zeggen.

Het verkeerd gebruik van hun en hen is het zondigen tegen een kunstmatige taalregel uit de 17e eeuw en is officieel nog steeds een taalfout, maar ik voorzie dat dat niet lang als zodanig in de ANS zal blijven staan, want teveel Nederlands sprekenden bedienen zich niet meer van hen, alles is hun aan het worden. Iets anders ligt dat bij het gebruik van hun als onderwerp (“Hun hebben gezegd“). Ook dat lijkt nauwelijks nog tegen te houden, maar zal, schat ik, toch nog langer als incorrect blijven worden aangemerkt. Vreemd wel een beetje, want in sommige (Zuid-Nederlandse) dialecten is het schering en inslag om bijvoorbeeld de naamvalsvormen hem en den als onderwerp te gebruiken om extra nadruk te geven en even over de grens kijkend zien we bondgenoten daarvoor: Op de vraag “Wie is daar?” kunnen wij zeggen: “Ik ben het“, met extra klemtoon op Ik. Maar in het Engels: “It’s me” en niet: “It’s I” en in het Frans: “C’est moi” in plaats van “C’est je“. Zo dom is het kennelijk dus ook weer niet.

Nog een verschuiving: van de d-woorden naar de w-woorden: daaraan wordt waaraan, dat wordt wat enzovoort. Dat is een zoetjesaanbeweging vanaf de middeleeuwen tot op de dag van vandaag. Momenteel is de situatie zo dat “Het hogedrukgebied wat boven de Britse eilanden ligt” nog steeds officieel fout is (al is het nog iets minder erg dan het ook gehoorde “Het hogedrukgebied die boven de Britse eilanden ligt”), maar zeker in gesproken taal begint het al een meerderheidspositie in te nemen. Dat is nog niet het geval met “De man wie daar loopt“, maar ik voorvoel dat dat een kwestie van tijd is. Had Cruijff niet het fraaie startschot gelost met zijn orakel: “Cocu is een speler wie je van voren en van achter ken gebruiken“?

Fouten als “De meisje schepte er genoegen in diegene nog eens extra te jennen…” zijn voorbeelden van gebrekkige taalbeheersing, niet van taalverandering. Een loeder dus.

Nogmaals derhalve: taalverandering en taalfouten uiten zich niet primair in grammaticaregels, zoals die afgrijselijke, modieuze haarziekte, maar bijvoorbeeld in taalversnelling, de laatste eeuw vooral door de verbreiding en versnelling van media voor communicatieoverdracht. We kennen dat verschijnsel sterk in krantenkoppen, waar lidwoorden en voorzetsels worden weggelaten om een kortere kop in een grotere letter boven de kolommen te krijgen, met hilarische dubbelzinnigheden als gevolg: uit de rubriek Ruggespraak van het tijdschrift Onze Taal:

  • ROOKVERBOD IN KOELKAST
  • DRIEKWART VAN TURKEN VAST TIJDENS RAMADAN
  • PROEFTIJD VOOR AGENTEN NA DIEFSTAL WIJN
  • WEER GEEN STROP VOOR DE HORECA

en ik herinner me uit de tijd dat er verzet was tegen de aanleg van de Amsterdamse metro en de bouw van de Stopera de kop bij een oproep van actievoerders, ik meen in Het Parool,

  • SCHORT SLOOP NIEUWMARKT OP

hetgeen op een titel van een horrorverhaal zou kunnen duiden. Versnelling: ja. Verloedering: nee. Humor: ja. Duidelijke communicatie: nee.

En de door mij eerder geciteerde pagina op Teletekst van 6 juni 2015:

  • KOENDERS UIT ONVREDE IN MOSKOU 

Bij de voorzetsels is er een taalversnelling zichtbaar die al vanaf de middeleeuwen werkt, en in het Duits (kraft, laut, stoltz,…) evenzeer als in het Nederlands. Een van de bekendste recente voorbeelden is de versnelling van “in de richting van” tot “richting“: “Wij vertrokken richting Parijs“. Dit richting-verschijnsel zien we niet alleen in veel Europese talen optreden, maar ik heb destijds onderzocht bij welke Nederlandse zelfstandige naamwoorden nog meer. Het werd een rijtje van 17:

  • begin deze eeuw
  • bestemming New York
  • eind(e) van deze eeuw
  • halte Koningsplein
  • hartje centrum
  • hoek Kerkstraat
  • kantje boord
  • klokke zeven
  • klokslag 9 uur
  • lank(e) de voorgevel (vnl. Vlaams)
  • midden de mensen (vnl. Vlaams)
  • omgeving Westerkwartier
  • punt strafschopgebied
  • rand(je) buitenspel
  • richting het zuiden
  • spijt uw toezegging
  • station Weesp

en vast nog wel meer. Versnelling dus, geen verloedering.

Om minder tijd te verkwisten bij het typen van woorden worden er in toenemende mate afkortingen of iconen gebruikt: “@” voor “voor wat betreft“, “wss voor “waarschijnlijk“, “ff” voor “eventjes“, zoals ik hier in het Frans vaak inkortingen zie als promo, info, apéro, maar ook meer rebusachtige notaties als “+info” (“plus d’informations“; “meer informatie“) of “K7“voor “cassette“. Men doet maar. Ook dat lijkt mij geen reden om van verloedering te spreken. Kennelijk heerst de gedachte: hoe sneller, hoe beter, als het maar wordt begrepen. En dat is communicatief gezien volstrekt in orde.

Daarmee raak ik aan de meest voorkomende soort taalfouten: die van de spelling.
Halverwege mijn vorige artikel schreef ik over het vermeende onderscheid tussen prescriptieve (voorschrijvende) en descriptieve (beschrijvende) grammatica’s. Als er één terrein is waarop de Nederlandse grammatica volstrekt prescriptief is, dan is dat de spelling. Al sedert 1804 (Siegenbeek) streeft men in het Nederlands taalgebied naar één uniforme spelling. Dat heeft sindsdien voortdurend veel voeten in de aarde en het ondervindt steeds enorme weerstand. De herzieningen in de laatste eeuw (1948 “Niet zoo, maar zo“; 1954 het Groene Boekje; 1995 het tweede Groene Boekje; 2006 verdere herziening) zijn steeds bedoeld om verplicht voor te schrijven hoe er in Nederland dient te worden gespeld. Overheid, landelijke dagbladen, uitgeverijen en het onderwijs moeten er zich aan conformeren, ook al staat er geen gevangenisstraf of andere sanctie op overtreding. Hooguit drukken spelfouten je rapportcijfer-Nederlands.

Ik laat me wel eens ontvallen dat wat mij betreft spellingsregels kunnen worden afgeschaft. De wal zal het schip wel keren als blijkt dat de communicatiewaarde afneemt als men er maar op losspelt. Ik echter behoud me het recht voor een croquette lekkerder te vinden dan een kroket, om een geaccentueerde gesloten klinker met een accent grave te schrijven (dè, hèt, nòg) en geaccentueerde open klinkers met een accent aigu (één, logé, vóórkomen, zó), om af te zien van die vreselijke tussen-n; ik houd het op kattevoer; wij hebben maar één kat en die tussen-n hoor je toch niet.

Los daarvan is het vaker zo, dat spelfouten worden gemaakt uit dommigheid, onvermogen of desinteresse onder het mom van “as je maar begrijpt wat er wort bedoelt“. Eerder al besteedde ik aandacht aan de mededeling in onze brievenbus:

Op 20-3 komen wij de glazewassers
Bij uw langs
heb uw intressen, plak dan a.u.b.
dit briefje duiddelijk op uw raam,
of deur, kosten hiervan in overleg
De Glazewassers

De boodschap was duidelijk, de PR-waarde was voor mij strikt negatief.

Er ligt op dit punt in eerste instantie een grote taak bij de opvoeders: ouders ten opzichte van hun kinderen, het onderwijs, van basisschool tot universiteit, de media, van publieke omroep (de commerciëlen zenden toch alleen maar Amerikaanse bagger uit) tot en met uitgeverijen en de landelijke dagbladen. Zij bekleden een voorbeeldfunctie, en zij zijn het die daarnaast de attitude kunnen uitdragen dat verzorgd en correct taalgebruik niet voor de bühne is of iets louter voor luxe intellectuelen, maar voor een betere communicatie van ons allemaal, met zorg en aandacht te koesteren, ook al kost dat wat meer tijd. Aan Pauline Cornelisse en Wim Daniëls hebben we niet genoeg, zo blijkt.

In daardie lig gesien is daar vir “gedoogtaal” (Arjen Hoogervorst in zijn reactie) geen plek in ons taallandskap nie.