Fake News

Wat is er toch geworden van Mohammed Saïd al-Sahaf, alias Comical Ali, de voormalige Minister van Informatie van Irak onder Saddam Hoessein? Hij moet nu achter in de 70 zijn en naar verluid woont hij met zijn familie in Abu Dabi. Maar ik mis zijn dagelijkse conferences, nu die van Trump nòg minder serieus te nemen zijn.

Hij was een wonderbaarlijke verschijning op tv. Iemand die de grootst mogelijke onzin met de grootst mogelijke vanzelfsprekendheid en overtuigingskracht den volke kond wist te doen. Liegen op een manier dat je het het liefst zou geloven. Anders dan Goebbels of Trump die, hoewel gewiekst, met hun optredens weerzinwekkend overkwamen en -komen, wist Sahaf iets van sympathie te kweken, al was het maar door de kolderieke inhoud van zijn beweringen. Zie voor de vergelijking met Trump ook het artikel van Jan Wierenga in Het Dagblad van het Noorden van 25 januari jl.

In Nederland is het niet ongebruikelijk dat ex-ministers her en der wat gaan bijschnabbelen om hun al te karige pensioen wat op te krikken en/of omdat ze volstrekt mediageil zijn. Welnu, mochten we Sahaf op het spoor komen, dan stel ik voor hem in Nederland te benoemen tot:

 

  • - persvoorlichter van de Rijksvoorlichtingsdienst, in het bijzonder om de voortgang van de formatiebesprekingen te verduidelijken;
  • - woordvoerder van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit, om elk mogelijke vergelijking tussen het voorkomen van fipronil en Iraaks gifgas te ontkrachten;
  • - perschef van de KNVB om het gekonkel achter de schermen naar de vergetelheid te kletsen;
  • - woordvoerder van de NAM om dier onschuld aan de Groningse aardgasschade met kracht van argumenten aan te tonen.

Weet iemand hem te bereiken om ons zo aan een wat beter tv-amusement te helpen?

 

 

 

Dames!

Het is niet terecht nog langer schamper te doen over damesvoetbal. Niet zozeer omdat Nederland vandaag Europees kampioen is geworden – dat hadden de Deensen ook kunnen worden, en van mij ook best wel mogen worden, maar om de kwaliteit van het vertoonde spel, bijna doorheen het hele toernooi. En om de prettige en enthousiaste ambiance tijdens en rond de wedstrijden.

Wat we bij hockey, volleybal, zwemmen, schaatsen, handbal, wielrennen, atletiek, …, al lang heel normaal vinden, zal dat nu ook bij voetbal het geval zijn: de gelijkwaardigheid tussen de mannen- en vrouwentak in de sport. Al valt te vrezen dat het vrouwenvoetbal over niet al te lange tijd ook ten prooi zal vallen aan Het Grote Geld en meisje Miedema voor € 222.000.000 naar Parijs vertrekt (maar welk Emiraat zal die emancipatiesprong durven wagen?).

De mannen hebben het bijna dertig jaar laten liggen, met slechts wat verloren finaleplaatsen en eervol brons. De vrouwen moeten nu maar de kar gaan trekken.

En ik mag hopen dat het nu eindelijk is afgelopen met die mannenbobo’s als Van Praag en Van Breukelen, die zelfs bij dit vrouwentoernooi zich prominent wensen te manifesteren. Zij hebben hun tijd en hun kansen gehad. Hoewel… Als dat betekent dat we voortaan Erica Terpstra op de hoogste trede gaan zien staan glunderen, mocht ze even niet op snoepreis zijn, weet ik niet wat we ermee zijn opgeschoten.
Maar vooralsnog: hulde, dames!

(foto: Karin Mulder – RTV Drenthe)

Even geduld a.u.b. (2)

Wederom een lange periode van radiostilte. Ditmaal komt dat op het conto van onze verhuizing binnen Boxmeer die mij dag in dag uit volledig beheerst. Maar de hoop is dat er na 1 augustus wat rust in de tent komt.

Je kent het misschien wel: al die sores rond het uitruimen, schoonmaken, bijwerken van het oude huurhuis om het in lege en toonbare staat op te leveren, en tegelijkertijd al het geregel en gedoe met het spiksplinternieuwe appartement waar alles op alles zit te wachten, afspraken (stucadoor, keuken plaatsen, vloerbedekking leggen) vaak slechts vertraagd worden nagekomen, waardoor de hectiek alleen maar toenmeent. En dan nog maar afwachten of telefoon/internet het snel zullen gaan doen.

Inmiddels 5 kilo afgevallen.

Kortom, heb nog even geduld ende versaget niet. Het genoegen van het uitgesteld verlangen, noem ik dat altijd maar.

Tot gauw.

Flitspassage

Twintig seconden. Langer duurt het niet, en dan is het hele peloton voorbijgeflitst. Daar sta je dan van half negen tot half drie op te wachten. Gelukkig reden er drie koplopers 4’10″ vooruit. En het lange wachten (later kom je de weg niet meer op en bovendien wil je een gunstige plek hebben) werd ietwat gecompenseerd door de reclamekaravaan die aan het festijn voorafgaat. Die heeft een lengte van ruim twintig minuten, dus dan weet je wel waarom het draait. Maar omdat het hele circus dik twee kilometer van mijn huis passeerde, wilde ik het schouwspel niet missen.

Mijn fysiotherapeute had me daags tevoren nog geprobeerd wat moed in te praten. “Misschien zie je wel een grote valpartij vlak voor je neus, dan duurt het wat langer“. Maar dat gebeurde niet.
Ik had mijn meest toepasselijke shirt aangetrokken: de gele trui met tekening van de kubist Fernand Léger (“Je ne te demande pas si ta grand-mère fait du vélo” – “Bemoei je met je eigen zaken“), ooit eens in Musée d”Orsay gekocht, in de hoop dat dat in de tv-uitzending in beeld zou komen. Maar dat gebeurde niet. De uitzending begon pas toen de renners net de zware klim naar Langres bedwongen, 15 kilometer verderop.

Er valt op de hele kermis wel wat af te dingen. Dat geldt vooral die reclamekaravaan. Wij hebben onze carnavalsoptochten en bloemencorso’s, maar dit is andere koek, namelijk pure commercie zonder ook maar de minste artistieke aspiratie. Het herinnerde mij, bij 34 graden langs de kant van de N19, vrij spontaan aan de viering op 1 juli van de afschaffing van de slavernij. Hoewel grootverdieners, vertolken de renners van deze tour dezelfde rol als de slaven van weleer. Balkenendes VOC-mentaliteit indachtig zijn zij het die het commerciële circus kleur en jeu moeten geven. En inkomsten. Twintig minuten lang trekken de potsierlijke voertuigen voor hen uit, spiegeltjes en kraaltjes, prullaria en hebbedingetjes, petjes, sleutelhangers, tasjes, tegoedbonnetjes-als-je-maar-eerst-betaalt, roerstaafjes,… in de berm werpend voor het gretig toesnellende publiek, dat er ter plekke om staat te vechten (maar ik was op mijn stek gelukkig alleen), er vervolgens thuis niks mee kan doen en in een la legt en ze na jaren weggooit. Dan, als toetje, flitsen de coureurs een tijdje later voorbij, gedirigeerd door hun stalorders, want ook voor de wielerploegen valt er veel te winnen of te verliezen. Vlak daarvoor bungelen een aantal onbeduidende pionnen die genadiglijk een tijdje wat vooruit mogen rijden om de sponsor veel in beeld te laten komen. Het zijn de goedbetaalde slaven van de moderne economie.
Moet je er dan maar niet naar kijken en je er niet voor interesseren? Dan geldt dat evenzeer voor de Olympische Spelen, een WK-voetbal, langebaanschaatsen, of welke profsportbeoefening dan ook. Citius, altius, fortius. Graaien zonder grenzen. Maar het publiek vraagt om brood en spelen. Dus kijkt het. Dus betaalt het.

Wat mij, aan de andere kant, als groot bewonderaar van logistieke operaties, enorm fascineert, is de hele organisatie rond de Tour. Dat begint al bij het vaststellen van het parcours een jaar eerder (wie het meest betaalt, krijgt de Tour door de stad). Maar dan, tijdens de etappes, de hele logistiek van tourboek tot wegafzettingen, perscontacten en helikopters, alles tot in de puntjes geregeld en op het oog ook vlekkeloos uitgevoerd. Een draaiboek om van te smullen. In de uren voordat de reclamekaravaan verschijnt, zijn alle zijwegen geblokkeerd, rijden er tientallen gendarmes op hun indrukwekkende motoren met blauwe zwaailichten zenuwachtig heen en weer, bijvoorbeeld om mij te zeggen dat ik mijn auto 20 cm verder de berm in moet zetten, want er moet minimaal 150 cm naast het wegdek vrij blijven. Voorts passeren en talloze auto’s van ploegen, radio, tv, met allemaal belangrijke mensen erin op weg naar een belangrijke aankomst in Troyes, in halfopen busjes worden de rondemissen verscheept waarvan er uiteindelijk twee hun lippenstift op de wangen van een bezwete Brit mogen afdrukken. En als de laatste renner is voorbijgeflitst volgen er ongelogen honderden auto’s, ploegenwagens, materiaalwagens (allemaal dus prima reclame voor Škoda), ambulances, brandweerauto’s, auto’s met lieden van radio, tv en schrijvende pers… er komt geen einde aan.

En dan mogen de geamuseerde burgers in alle gepasseerde dorpen hun producties van nijvere huisvlijt uit de rubriek “Wat Onze Handen Kunnen Maken” gaan opruimen, waaraan ze ongetwijfeld meer tijd en energie hebben besteed dan aan de viering van 14 juillet, volgende week.

Ik heb langs de kant van de weg, zij het op amper 50 cm naast het wegdek, van alles staan filmen. Ingekort werd het dik 17 minuten. Die laat ik je graag zien via deze YouTube link.

De ene ontkenning is de andere niet

Gelukkig leverde de tweede ronde van de Franse parlementsverkiezingen nog iets opmerkelijks op. Taalkundig gezien dan. Op de officiële overheidssite, waar de resultaten worden gemeld, stond daags na 18 juni te lezen: En raison des arrondis à la deuxième décimale, la somme des pourcentages peut ne pas être égale à 100% (http://elections.interieur.gouv.fr/legislatives-2017/FE.html), oftewel: Door de afronding op twee decimalen is de som der percentages niet noodzakelijkerwijs 100,00%.

Het interessante zit hem in de woordvolgorde: peut ne pas être égale, in plaats van ne peut pas être égale. In het Nederlands zijn beide varianten vertaalbaar als: kan niet gelijk zijn, of De som der percentages kan niet precies 100 zijn, maar dat is vreselijk dubbelzinnig. De officiële Franse tekst heeft gelijk. Die bedoelt aan te geven dat de mogelijkheid bestaat dat de optelsom van de vermelde percentage niet precies 100,00 is. Een van de twee lezingen van de Nederlandse vertaling zou aangeven dat het onmogelijk is (“kan niet“) dat de som der delen precies 100,00 is.

Het probleem zit in de plaats van het ontkennende woord niet, iets preciezer gezegd in het bereik van dat woord niet. Als in een Nederlandse samengestelde zin dat woord tussen beide delen van de samenstelling staat, zoals onze woordvolgorderegels ook vereisen, dan kan dat niet slaan op ofwel het linker, ofwel het rechter deel. Een geijkt voorbeeld van die homonymie is de zin

(1) Ik lust die dropjes niet omdat ze bruin zijn.

In de periode na publicatie van het profschrift “Negatieve zinnen” van Albert Kraak (1966) raakte de interesse in het verschijnsel ontkenning, in combinatie met de zich snel ontwikkelende transformationeel-generatieve grammatica, in een stroomversnelling, zowel in de wetenschappelijke linguïstische discours als in onderwijsmethoden. Ik meen dat de dropjeszin te vinden is in “Je weet niet wat je weet” van Marjolein van Dort e.a. In die taalmethode hameren de auteurs erop dat een goede taalbeheersing onder meer vereist dat je eenduidig communiceert en je dus homoniemen zo veel mogelijk dient te vermijden. Zeg daarom liever:

(1a) Ik lust die dropjes niet, want ze zijn bruin (het bereik van niet is nu evident het linker zinsdeel, links van de komma), ofwel
(1b) Ik lust die dropjes wel, maar niet omdat ze bruin zijn (het bereik van niet is nu evident het rechter zinsdeel, rechts van de komma).

Grappig: een dag later (20 juni) kreeg ik van de Gemeente Den Haag per post de mogelijkheid toegestuurd mij permanent te registreren voor Nederlandse verkiezingen. Daarbij moest ik wel even een vinkje zetten voor de volzin:

(2) Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.
Dat is dus te analyseren als:

(2a) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet] [in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen] of als
(2b) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik] [niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.]
De interpretatie van (2a) ontgaat mij evenwel (bedoel ik dan: ik neem elders in de EU wel deel, maar dat wil ik hier effe niet verklaren?). Overigens is de homonymie eenvoudig te vermijden door een komma te plaatsen, net voor of net na het woord niet.

Ook zinnen met een modaal hulpwerkwoord (kunnen, zullen, willen, moeten, mogen, laten) zijn te beschouwen als samengestelde zinnen: een soort voorzin met dat hulpwerkwoord enerzijds en de eigenlijke mededeling anderzijds.

(3) Ik kan die dropjes niet eten valt dan te parafraseren als
(3a) Het kan niet zo zijn, dat ik die dropjes eet, of
(3b) Het kan zo zijn, dat ik die dropjes niet eet.

Het probleem van het bereik van de ontkenning is dan weliswaar opgelost door het links of rechts van de komma te plaatsen, maar een bijkomend probleem is nu de interpretatie van kan. In (3a) geeft kan een zekerheid aan, namelijk de absolute onmogelijkheid om dropjes te eten, terwijl het in (3b) op een waarschijnlijkheid duidt (“Mogelijkerwijs eet ik die dropjes niet“).

Niet overtuigd? Kijk dan eens naar de (in de dieptestructuur) samengestelde zin

(4) Hij kan gemist worden. De twee interpretaties zijn respectievelijk:
(4a) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist, en
(4b) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist.

Daar schieten we dus niets mee op. De dubbelzinnigheid zit hem in de twee betekenissen van kunnen: “mogelijk, toegestaan zijn” tegenover “waarschijnlijk, eventueel“. Nog iets scherper: in (4a) is hij er wel, maar hebben anderen net zo lief dat hij vertrekt (“toestemming”), maar in (4b) is hij er niet, maar mogelijkerwijs wordt dat ontdekt, want hij zou er eigenlijk wel moeten zijn (“waarschijnlijkheid”). Kunnen is een niet zo simpel Nederlands werkwoord.

Terug naar de ontkenning, en dan ook meteen maar in een aantal Europese talen. Waar het Nederlands dus een homonieme zin als “De optelsom kan niet gelijk zijn aan 100,00” kent, heeft het Frans de oplossing gevonden door het ontkennend element (“ne“) te koppelen aan/te plaatsen voor ofwel het linker zinsdeel (“ne peut pas être“), ofwel aan het rechter zinsdeel (“Peut ne pas être“), waarmee volstrekte eenduidigheid is gecreëerd. Vergelijk dat maar met bijvoorbeeld een zin als

(5) Pourquoi une même personne ne peut pas être jugée deux fois pour le même fait? (http://www.liberation.fr/societe/2014/02/04/un-principe-du-droit-intraitable_977929) (“Waarom kan een en dezelfde persoon niet tweemaal voor hetzelfde feit terechtstaan?”, oftewel het beruchte non bis idem).
Kunnen betekent hier niet een waarschijnlijkheid, maar een zekerheid: “het kan niet zo zijn/het is onmogelijk dat“.

Italianen doen het op vergelijkbare wijze:

(6a) Il totale può non essere uguale a 100 (mogelijkerwijs, eventueel)
(6b) Il totale non può non essere uguale a 100 (zeker niet, uitgesloten)

Het Tsjechisch heeft een vergelijkbare manier om eenduidigheid te verkrijgen: het ontkennende element (“ne-“) zit vast aan het bijbehorende werkwoord:

(7a) Součet nemůže rovnat 100% (de niet-bedoelde lezing)
      (Het totaal niet kan gelijken 100%)
(7b) Součet může nerovnat 100% (de bedoelde lezing)
      (Het totaal kan niet gelijken 100%)

Het Duits zit enerzijds in hetzelfde (woordvolgorde-)schuitje als het Nederlands:

(8) Die Summe kann nicht genau 100 sein, met als verkeerde lezing:
(8a) Es kann nicht so sein daß die Summe genau 100 ist

Ook zin (8) is immers homoniem, maar het Duits kan daaraan ontsnappen door een ander modaal hulpwerkwoord te kiezen:

(8b) Die Summe möchte das 100% nicht gleich sein

waarmee de bedoelde Franse versie correct is weergegeven.

Dit is op vergelijkbare wijze ook in het Engels goed mogelijk:

(9) The total cannot be equal to 100 heeft als parafrases:
(9a) It’s impossible that the total is/be equal to 100 (de verkeerde lezing dus), of:
(9b) The total may/might not be equal to 100, waarbij may, of sterker nog: might, de eventualiteit van de uitspraak “niet gelijk aan 100” benadrukt.

Dat statistieken voornamelijk uit leugens bestaan, heeft als een van de oorzaken dat genoemde feiten multi-interpretabel zijn, dus niet eenduidig, en dat komt dan weer maar al te vaak op het conto van gebrekkig taalgebruik waarbij homoniemen een misleidende rol kunnen spelen, zoals bij de ontkenning in samengestelde zinnen.

 

Macron

Als mij als “insider” wordt gevraagd hoe ik de Franse verkiezingsuitslagen van 2017 beoordeel, kan ik daarop geen eenduidig of simpel antwoord geven. Niet omdat ik een en ander niet zou volgen – dat doe ik wel degelijk, maar eerder omdat ik niet kan voorzien wat Macron c.s. ervan gaan maken, en al helemaal niet omdat de Franse situatie niet los gezien kan worden van die in andere landen binnen en buiten Europa.

In mijn Nieuwjaarsbericht 2017 waarschuwde ik voor naderende verkiezingen (NL-F-D), gealarmeerd als ik was door de ontwikkelingen in de USA. En daar kwam het Verenigd Koninkrijk ook nog eens ongevraagd bij. Met Duitsland in september voor de boeg kunnen we al een beetje de balans opmaken.

Bovenal blijkt hoe het vigerende kiesstelsel in elk land zijn genadeloze consequenties heeft. Van de twee uitersten: een de facto eenpartijenstelsel (in China en Rusland) tot het nog steeds sterk naar verzuiling riekende heelveelpartijenstelsel (Nederland) kan rustig worden gezegd dat ze hun nadelen hebben.

Bij een eenpartijenstelsel valt er niks te kiezen, maar daar lijken de Russen (tsaar, Lenin, Stalin, Brezjnjev, Poetin) wel aan gewend en misschien ook stiekem wel van gediend; toen Gorbatsjov daar iets aan leek te willen veranderen, kostte dat hem de kop, en de hele Sovjet-Unie met hem.

Bij een tweepartijenstelsel als in Amerika, gevoegd bij het principe van “the winner takes it all” zien we al tijden lang de situatie (zie Gore en H.Clinton) dat degene met de meeste stemmen de verliezer is, maar, erger nog, dat er een zodanige 50-50 verdeling is, dat het land sterk verdeeld blijft. En Obama kan ervan meepraten hoe verlammend het werkt als je in congres en senaat geen meerderheid hebt.

Bij een ietsmeerpartijenstelsel komt het op coalitievorming aan. Vraag ze in België en Spanje maar wat dat kan betekenen, of vraag het Rutte, Buma, Pechtold en Klaver.

Maar we hadden het over Frankrijk.
Na de presidentsverkiezingen placht ik hier her en der tegen Fransen te zeggen dat het desastreuzer had gekund, waarop doorgaans instemmend werd geknikt. Hoewel: bij mij in de streek liep het Front National met 35-45% van de stemmen fier voorop. Nu Macron lijkt af te stevenen op een meerderheid in de Assemblée (met zo vele nieuwe, onervaren, en mogelijk nog onbedorven parlementsleden), krijgt hij de handen vrij om zijn beleid uit te venten. fijn in ieder geval dat hij zei “Let’s make the planet great again” in plaats van De Gaulles slogan “Vive la France – vive la République“.

Toch is de Franse situatie niet geheel zorgenvrij: van de 47.571.350 kiesgerechtigden kwamen er 23.170.218 opdagen. Het regende niet. Integendeel: het was prachtig weer alom in den lande. “Ach ja, mensen gingen liever op het terras zitten“, zei mijn fysiotherapeut vanmorgen tegen me.
Van die dik 23 miljoen stemmers, van welke groep ik de leeftijdsopbouw niet weet, stemden er ook nog eens 354.391 blanco en 161.263 ongeldig. Ga dan liever op het terras zitten. Een opkomst onder de 50 procent is zorgelijk; Nederlandse TK-verkiezingen scoren toch meestal tussen de 70 en 80 procent.

Er is echter wel een verklaring voor. In Frankrijk is de presidentsverkiezing de belangrijkste. Hoe hij (zij) het in de jaren erop allemaal fikst, dat moeten ze in Parijs zelf maar uitzoeken. Anders dan in Nederland zijn de te kiezen a.s. parlementariërs behoorlijk onbekende personen – niet bepaald stemmentrekkers. Vergelijk ze liever maar met de kandidaten voor de Nederlandse Provinciale-Statenverkiezing, of de Waterschapsverkiezingen, waarvoor je ook geen lange rijen in het stemlokaal kunt verwachten. Bovendien is het zo dat in Frankrijk, en al helemaal buiten Parijs, men niks moet hebben van die kamerleden, die minder worden gezien als (mede-)beleidsbepalers, maar eerder als baantjesjagers en zakkenvullers. Dat neemt overigens niet weg dat men in Frankrijk niet echt geporteerd is van lieden waaraan schandaaltjes kleven. Veel van de Franse presidenten (minus De Gaulle, geloof ik) of presidentskandidaten (Strauss-Kahn bijvoorbeeld, of Fillon), worden genadeloos afgerekend op hun grillen. Men is hier niet zo gediend van typen als Berlusconi, en ook Bill Clinton zou hier een zware sigaar gerookt hebben.

Ik vertel het maar niet tegen mijn Franse gesprekspartners, want ik krijg het ze toch niet uitgelegd: in Nederland is de politieke partij met kwantitatief en kwalitatief de meeste schandalen de grootste van het land, op de voet gevolgd door een partij die geen partij is, maar zulks wel met abjecte standpunten die Marine le Pen niet zou durven uitdragen. En dat ‘s lands derde partij een christelijke is, is voor Fransen al helemaal middeleeuws.

 

Overstapjes

De foto hiernaast behoort niet tot de selecte categorie “iconische foto’s”, maar het is er wel een van adembenemende schoonheid: die twee tramstellen van lijn 2 in de Leidsestraat, opdoemend vanuit de ochtendmist in de herfst (koplampen ontstoken, warme jassen aan) in hun fletse kleuren. Het is de voorpagina van Overstapjes, het boek dat René Platjouw in 1989 publiceerde ten bate van de Stichting Blijfhuis. Alleen de coverfoto al is de moeite van de aanschaf van het boekje waard.

Het moet echter gezegd dat de rest van Overstapjes het ook zeker loont te kijken of je het nog ergens antiquarisch op de kop kunt tikken. De ondertitel: “Een tramrit door de geschiedenis van lijn 2″ dekt eigenlijk maar de helft van de lading. Inderdaad wordt lijn 2 onder de loep genomen. Na een inleiding over de voorlopers, de paardetrams van de AOM, volgt het boek lijn 2 met al haar ontwikkelingen vanaf de start in december 1903 tot en met de verlenging naar Slotervaart in de jaren-’80. Dat is de “tramrit door de geschiedenis”. Maar er is nog een tweede tramrit: de eerste 230 foto’s, soms van briefkaarten, soms persoonlijke foto’s uit diverse collecties, zijn keurig gerangschikt volgens de route van lijn 2: van de Dam (later van het Centraal Station) tot het Hoofddorpplein (later Slotervaart). Zo bezien rijd je als het ware de tramroute waarbij alle bezienswaardigheden in historisch perspectief aan je ogen voorbijrollen; een geslaagde compositie.

Waarom lijn 2 en niet 1 of 25 of zo? Meer nog dan lijn 1 passeert lijn 2 plekken van Amsterdam in al zijn facetten: het centrum (Dam, Nieuwezijds, Spui, Leidsestraat; maar dat doet lijn 1 ook), vervolgens Stadhouderskade, Hobbemastraat, P.C. Hooftstraat, hetgeen later over de nieuwe Vondelbrug: Overtoom en Van Baerlestraat werd; dan via het museumkwartier de statige Willemsparkweg en Koninginneweg op, en voorbij de Amstelveenseweg diep Nieuw-West in. Daarmee biedt lijn 2 haar passagiers een rijke schakering van wat Amsterdam heeft te bieden, en zulks, in Overstapjes, in historisch perspectief.

Er kleven ook wat minpuntjes aan het boekje. Zo ontgaat het mij waarom het boekje Overstapjes heet. Overstappen van wat op wat dan? En waarom een verkleinwoord?
Verder heb ik nergens een verantwoording of toelichting kunnen vinden van de omslagfoto. Het is in de Leidsestraat, weet ik, en via andere bronnen weet ik dat hij in 1955 moet zijn gemaakt.
Ook vermeldt de tekst niet dat de 476 een tot motorwagen omgebouwde bijwagen was, die bovendien oorspronkelijk op lijn 1 dienst deed, getuige bovenstaande foto op de Amstelveenseweg (bron: amsterdamsetrams.nl) en in 1948-1949 ook nog op lijn 10 (bron: amsterdamsetrams.nl).
Na foto 230 volgen er nog 18 foto’s, deels in het hoofdstuk “Het materieel van lijn 2″. Het is een wat willekeurig ogende selectie van op zich wel interessant beeldmateriaal, maar het laat zich in het geheel van het boek moeilijk inpassen.
Merkwaardig, maar voor mij zeer welkom, is foto 149 van de nog niet gedempte Overtoom, waarbij slechts wordt vermeld dat het niet het gedeelte is dat door lijn 2 wordt bereden. Wat is dan de portee van het plaatsen van die foto?
Op bladzij 7 meldt Platjouw tot tweemaal toe dat lijn 2 de elite-lijn werd genoemd. Bedoelt hij de elite van de villa’s aan de Koninginneweg? Het blijft gissen. En onderaan die bladzij: “Van een elite-lijn heeft lijn 2 zich opgewerkt tot een lijn van internationale allure”. Toe maar.
Het hoofdstuk over de materieelbeschrijving, 3 bladzijden tekst en 7 bladzijden foto’s, komt er wat karig van af, maar het boekje wil ook geen wetenschappelijk naslagwerk zijn, eerder een unieke collectie foto’s die min of meer rond lijn 2 zijn geselecteerd.

In dat laatste is René Platjouw zeer zeker geslaagd: de rood-gele draad van lijn 2 neemt je mee naar Amsterdam tussen 1872 en 1989; een fotocollectie met veel trams, maar met nog veel meer aan tijdsbeelden die velen zullen boeien.

Terechte kampioen


Het is lang geleden dat ik heb gehuild, maar vandaag lukte dat spontaan.
Terecht, na 34 speelronden onafgebroken aan kop.

 


Het was wel wat gecompliceerd, net op de dag dat in Rosoy de jaarlijkse vide-grenier was, maar met wat passen en meten kon ik het nuttige met het aangename combineren.

Zijkanter 6

Eind 1999, begin 2000 verzorgde ik voor de BLOS-radio, de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting, sinds vorig jaar onderdeel van Omroep Land van Cuijk, een serie columns. Het waren vijfminutenpraatjes over voetbal, waarbij ik steeds probeerde ook taalkundig of stilistisch iets aparts te doen en er een bijpassend uitleidend muzieknummer bij te vinden.
De columns kregen de titel “De zijkanter”, en de opnamen zijn bewaard gebleven. Van tijd tot tijd zal ik een Zijkanter hier doen herleven.
Elke uitzending bestond uit een vaste introtune van een minuut, een midibestandje van een of ander computerspelletje, meen ik, maar dat herinner ik me niet meer, gevolgd door een ingesproken tekst en uitgeleid met een muzieknummer dat enigszins aan de tekst was gerelateerd.

Hier staat Zijkanter 6 (oktober 1999) weergegeven, afgesloten met het nummer Arom Yim, een hit uit Thailand van circa 1990 over de welbekende Thaise glimlach, referend aan het meewarig karakter van de tekst. Het bijzondere aan de tekst is dat die bestaat uit één enkele zin. Als ik meer tijd had gekregen dan vijf minuten, had die zin nog wel langer kunnen worden dan de 823 woorden die hij nu omvat.
De betreffende uitzending is integraal te beluisteren op YouTube.

Het was voor die eenzame moeder langs de kant, die één zoontje bij de E-tjes had rondlopen en een ander bij de F-jes, waardoor ze, om geen van beiden voor te trekken, beurtelings ging kijken naar Jonathan en Eugène, bepaald geen lolletje om te moeten zien hoe haar jongste spruit, pas een dag of drie koortsvrij na een behoorlijke griepaanval, die het jongske meer dan een week van school en in bed had gehouden, waardoor het zich stierlijk ging vervelen en voor haar een waarlijk blok aan het been was geworden, zich wat onwennig op het lichtbevroren veld voortbewoog, hoewel aan alles te zien was dat hij een dusdanige conditionele achterstand had, dat het eigenlijk onverstandig was van die elftalleider, die ze overigens toch haast nooit sprak, iets wat binnen de vereniging een van de grote manco’s was, het contact tussen elftalleiding en ouders van de jongste jeugd, waarover ze wel eens iets had willen schrijven in het clubblad, maar waarvan ze toch maar weer had afgezien omdat ze vermoedde dat het toch niet geplaatst zou worden, en zo ja, dat het dan toch geen effect zou hebben, hem een hele wedstrijd te laten spelen terwijl de man toch kon zien dat het kind al na tien meter lopen zowat omviel van de duizeligheid, wat ook regelmatig gebeurde, waarbij het op een gegeven moment een open knietje opliep, zodat de pupil, huilend van de pijn en natuurlijk ook van de kou en de uitputting, naar de zijlijn strompelde met de kennelijke bedoeling zich alleen, maar dan ook uitsluitend door zijn bloedeigen moeder te laten behandelen, ook al wist hij dat zij geen ehbo-trommeltje bij zich had en zij dus niet in staat was die heilige pleister, die elke wond geneest en aan alle pijn een einde maakt, op het roodgekleurde knietje te plakken, waarna de dit keer falende spits zijn positie op het wit uitgeslagen veld weer zou kunnen innemen in de hoop er althans in de resterende tijd nog het beste van te maken, te scoren wellicht, desnoods net zo lucky als in het begin van het seizoen toen hij, bij de eerste thuiswedstrijd, op een gegeven moment niet goed oplette, waardoor hij een met de wind mee opvallend verre uittrap van de keeper, die eigenlijk best wel een waardeloze keeper was, maar niemand durfde daar iets van te zeggen, omdat niemand er ook maar over piekerde zelf in het doel te moeten gaan staan, zo maar plotseling en pijnlijk boven op zijn hoofd kreeg, van waar de bal met een onnavolgbare curve en vermoedelijk met een geraffineerde portie effect weer opsprong, verder voorwaarts draaide en tot bovenmatige verbijstering van de bezoekende keeper, die in grote vertwijfeling nog beide armpjes in de lucht stak om toch maar aan iedereen te laten zien dat hij in ieder geval nog wàt aan had proberen te doen, hoewel hij meteen al in de gaten had dat hij veel te ver voor zijn doel stond, zodat deze lucky kopbal onhoudbaar achter hem in het net zou ploffen, net onder de deklat van het kleine doeltje langs het net omlaag dwarrelde, op de grond nog wat sadistisch nahuppelde en toen, eenmaal uitgetold, een paar centimeter achter de doellijn, wat dus op dit halve veld eigenlijk de zijlijn was, bleef liggen als het rotsvaste bewijs van het feit dat hier van een loepzuivere goal sprake was, hetgeen ertoe leidde dat het hele team, het keepertje incluis, die eigenlijk, behalve dat hij niet goed kon keepen, ook best wel een ettertje was, want hij zat altijd in de kleedkamer op te scheppen over zijn spiksplinternieuwe keeperhandschoenen, of over zijn nieuwe mountain bike die veel duurder was dan die van alle andere jongens bij elkaar, of over weer iets anders, want hij had altijd wel wat om over op te scheppen, maar als je hem iets vroeg, dan gaf hij altijd niet thuis, dat het hele team dus als één man, als één jongetje eigenlijk, maar dat kun je zo niet zeggen, in volle vreugde op Eugène dook uit blijdschap over dit vroege, maar nu al bij voorbaat allermooiste doelpunt van het hele seizoen, met als gevolg dat de verbaasde, maar toch uiterst trotse doelpuntenmaker ten val kwam, en, eenmaal op de grond liggend, niet alleen bijkans werd verpletterd door zes deinende ploegmakkers, maar bovendien tot overmaat van ramp een schoen, die vermoedelijk vastzat aan de voet van zijn beste vriendje, midden in zijn gezicht kreeg, waardoor een van zijn voortanden afbrak hetgeen hem daags daarop bij de tandarts op een behoorlijk pijnlijke behandeling is komen te staan, iets wat hem heeft doen besluiten om voortaan na het scoren van alweer een goal direct naar de zijkant van het veld te snellen en bescherming te zoeken bij zijn leider of, liever nog, één keer in de veertien dagen, bij zijn eenzame moeder langs de kant, want alleen bij haar ben je veilig voor al dat onbesuisde geweld op het voetbalveld.

 

Exit ReVox

Nadat vorige maand mijn Dauphine ten prooi was gevallen aan de voorjaarsopruimwoede, is het nu de beurt aan het ReVox tape deck waarvan ik na 45 jaar nauwelijks nog gebruik maak. Eigenlijk komt dat doordat de banden beginnen te slijten (rek en slijpsel) en het, net als oude super-8 films en cassettebandjes, veiliger is de oude opnamen te digitaliseren voor de eeuwigheid.

Dat ik die ReVox kocht, was de zoveelste invloed van Bernard Huijbers op mij. Hij wist mij in de jaren-’60 ervan te overtuigen dat ReVoxen de beste bandrecorders waren, dat een Quad versterker het topmerk voor de huiskamer was en dat elektrostatische boxen het summum van luisterplezier waarborgden. En dus kocht ik van mijn goed betaalde vakantiebaantje een Quad 33-303 combinatie, die het nu, 50 jaar later, nog steeds naar tevredenheid doet en zich ook nog steeds kwalitatief kan meten met wat er momenteel verkrijgbaar is. Toen ik in 1972 als invaldocent op het Ignatiuscollege weer genoeg had gespaard, schafte ik de ReVox A77 aan (Bernard had de oudere A76, die nog op buizen werkte, in plaats van de getransistoriseerde A77), en half jaren-’70 was er geld genoeg in kas om twee elektrostatische Janszen boxen aan te schaffen. Ook die doen hun werk nog steeds naar behoren.

Het nadeel van de ReVox is niet het apparaat zelf, maar de banden, die na zovele jaren ernstig kwaliteitsverlies vertonen. De opnamen zelf zijn niet aangetast, maar het materiaal van de banden is sterk aan het achteruitgaan, zodat het raadzaam is digitale kopieën te maken voor het te laat is. Een nadeeltje van de ReVox zelf is dat er maar zes maanden garantie op werd gegeven, die bovendien alleen in Nederland geldig was. Dat steekt wel erg schril af bij de levenslange garantie die de firma Transtec gaf op de Quad-apparatuur, al moet gezegd dat Transtec inmiddels failliet is.

Wat ik in een paar dagen nog aan oud geluidsmateriaal heb weten te redden, levert ook wel stof op voor deze blog. Ik noem allereerst een aantal radiocolumns die ik rond 1990 voor de Boxmeerse Lokale Omroep Stichting over voetbal maakte onder de titel De Zijkanter. Vervolgens enkele hoorspelen van Theun de Vries, destijds opgenomen van de radio, en een lang interview met hem. Verder een NOS-radiouitzending uit 1985 over de gevaren van hydrazine, de zeer giftige noodbrandstof van F16-straaljagers, een onderwerp waar ik destijds een hele studie van heb gemaakt. En ten slotte een goede opname van Muzeldicht, het vierde nummer op het 45-toerenplaatje Ambrozijn en Groggelgijn. Dat nummer, waarover ik EERDER al schreef, heb ik inmiddels op YouTube geplaatst. Zoek daar maar op “Muzeldicht”.

Al met al zitten er voor deze weblog weer een aantal artikelen-uit-de-oude-doos in het vat.

Het ReVox A77 tape deck, met een aantal accessoires als bandreparatiesets en lege metalen spoelen van 26½ cm, is vanaf nu te koop. Over de marktconforme prijs kunnen we het nog wel hebben.