Exit Dauphine

laatste nachtje slapen

Met bloedend hart heb ik vorige week afscheid moeten nemen van mijn Dauphine, de auto die ik in 1992 in talloze onderdelen weghaalde uit de Aveyron (12) in Zuid-Frankrijk, toen ik daar op bezoek was bij Bernard Huijbers en Annelou Koens en die ik sindsdien onophoudelijk koesterde.

Eenmaal rijdend heeft de auto mij ruim 38.000 kilometers vreugde bezorgd – zeg maar: eenmaal de wereld rond. En ellende, want er is altijd wel iets kapot of niet naar tevredenheid. Maar mijn fysieke toestand maakte het steeds moeilijker de nodige reparaties en al het andere onderhoud zelf te verzorgen, zeker doordat ik geen brug heb.

Het chassis dateert van 10 oktober 1960. Diverse onderdelen zijn van eerdere of latere datum. Het spuitwerk, in de kleur 789, Rouge Estafette oftewel Rouge Montijo, is in 1995 in Heijen (Limburg) professioneel verricht; de lak ziet er nog steeds geweldig strak en glimmend uit. Maar de auto heeft dan ook altijd binnen gestaan en mocht alleen naar buiten als het niet regende (roestvorming!).
De verkoop, inclusief de vele reserveonderdelen, leverde een redelijk bedrag op, ruim genoeg in ieder geval om een goede nieuwe camera te kopen, omdat mijn huidige op een kwade dag elektronisch helemaal de geest had gegeven. Dat is een troost.

laatste rit

Ook prettig is dat de Dauphine is gekocht door een van de (bestuurs-)leden van Les Pistons de Bassigny, de oldtimerclub hier in de buurt waarvan ik al jaren lid ben en waarvoor ik ook als hoffotograaf werkzaam ben. Het betekent dat ik weliswaar niet meer over het eigendom van de Dauphine beschik, maar dat zij nog vaak voor mijn ogen zal verschijnen. Een soort afscheid dus dat geen afscheid is.
_____________________
Het eerste van een viertal artikelen over ontstaan en geschiedenis van deze Dauphine is HIER te vinden.

Domweg de Amstel uit

Ik zou er nooit op zijn teruggekomen, die duik van motorwagen 263 van lijn 4 die vanuit de Bakkerstraat domweg de Amstel in dook, als ik niet bij toeval het themanummer over verkeer in Amsterdam van het maandblad Ons Amsterdam uit februari 1951 in handen kreeg, waarin onderstaande foto prijkt. Die foto is er eentje uit een reeks foto’s die van dat ongeval bewaard zijn gebleven; ik heb er inmiddels 7 kunnen opsporen, en wie er goed naar kijkt, kan er ook veel details op ontdekken.
Het nummer van Ons Amsterdam is om nog een andere reden interessant, dus ik wijd er maar even een apart berichtje aan.

Allereerst de 263 die uit de Amstel wordt getrokken. Die kraanwagen is ook al voor een deel te zien op een van de foto’s uit mijn eerdere bericht. Ons Amsterdam meldt op p.70: “Kort na de oorlog bleek het mogelijk uit een dump voor een spotprijs een 15-tons Mack-kraanwagen aan te schaffen. Het gevaarte was practisch in staat van nieuw en werd in de blauwe politiekleur overgespoten. Al spoedig bleek de wagen een onschatbare aanwinst voor de politie te zijn en het aantal gevallen, waarin zij spoedig en voldoende hulp heeft verschaft, is legio”.

Tien jaar later, in 1960, werd de 263 als een van de laatst overgebleven grootbordeswagens, gesloopt. Zie het uitgebreide artikel van Cor Fijma over de hele reeks Amsterdamse grootbordessers.

De eigenlijke reden waarom ik genoemd themanummer van Ons Amsterdam aanschafte, was de door mij eerder al, onder het kopje ‘Stoplichten’, opgeworpen vraag of de verkeerslichten op de hoek Overtoom-Anna Vondelstraat er begin jaren-’50 al stonden, maar niet werkten, of dat zij opnieuw werden geplaatst en in werking traden. Ik krijg de indruk dat ze er al stonden, maar een tijd lang buiten werking waren. Ik citeer Ons Amsterdam, p.48-49, een artikel van W.F. Tielrooy: “In 1942 kwam weliswaar de reeds in 1939 geprojecteerde installatie Overtoom tot stand, doch deze is maar zeer korte tijd over de hele linie in werking geweest; tot op vandaag de dag (februari 1951 dus. ljml) zijn nog steeds niet alle lichten in bedrijf! Al spoedig bleek toch dat de intensiteit van het verkeer de aanleg van deze installatie niet rechtvaardigde, met als gevolg nodeloos oponthoud en terecht klachten van de zijde van de weggebruikers. Ook thans nog zou de politie, niettegenstaande het motorisch verkeer ongeveer de dubbele intensiteit heeft van voor de oorlog, vermoedelijk niet tot signalering van de Overtoom, afgezien dan van van de kruispunten Overtoom/Stadhouderskade en Overtoom/1e Constantijn Huygensstraat, en wellicht óók nog afgezien van het kruispunt Overtoom/J.P. Heijestraat, overgaan.
Rest over het tijdvak 1940-1945 nog te vertellen, dat in het kader van de verduisteringsmaatregelen de lampen der verkeerssignalen tijdens duisternis in plaats van op 220 V op 60 V brandden, dat de lichtsignalen op een groot aantal kruispunten moesten worden gedoofd tengevolge van het door het publiek als schoenzolen aanwenden van de rubber matten van de verkeersdrempels en dat tenslotte eind 1944 alle installaties uitvielen, daar het Gemeente-Energiebedrijf de stroomvoorziening staakte”.
Ze stonden er dus vermoedelijk al, op het kruispunt Anna Vondelstraat, maar gingen na 1951 ‘opeens’ branden, en dat was wat mij toen zo fascineerde.
Overigens vermeldt het artikel ook dat in Amsterdam in oktober 1947 alle verkeerslichten weer in werking waren, behalve nou juist die op de Overtoom.

Dit alles dus ter aanvulling van eerdere berichten.

 

 

 

Anna Vondelstraat 2B/2

Het valt niet mee thuis terug te keren in het huis dat wij in 1948 betrokken. Afgelopen maand, gelogeerd in het recent geopende Pillows Hotel op Anna van den Vondelstraat 2-6, hadden wij vanuit de speciaal gevraagde kamers op nr. 2 vrij zicht op onze voormalige woonst recht tegenover ons.
We hebben die ook bezocht, van onder tot boven en we kwamen unaniem tot twee tegengestelde reacties.

- Huis
Natuurlijk is het niet zonder emoties dat je alles na meer dan 60 jaar weer onder ogen krijgt, de lange trappen vanwege de hoge plafonds, de kamers en de maatvoering, ondanks alles wat er in al die jaren aan is veranderd. Dat is goed ter afsluiting van een periode. Daar staat tegenover dat we al relativerend de vele tekortkomingen beseften van de zo kleine ruimte waarin wij destijds acht jaar hadden moeten verblijven, ook al ziet het huis er van binnen en van buiten nu piekfijn uit. Aandrang om er weer in te mogen trekken hadden we dan ook allerminst. Wie er een literaire schildering van verlangt, verwijs ik naar het verhaal De elektriseermachine van Wimshurst van W.F. Hermans, waarvan de sfeer van het vijftigerer jaren Oud-West zo treffend en identiek staat beschreven.

Toch waren er details waarvan de weemoed nog wel even zal blijven hangen. Ik beperk me hier tot 1950, het jaar waarin mijn moeder met hernia op bed lag en ik, noodgedwongen en 3½ jaar oud, de hele dag in de box, met mijn door moeder gebreide rood-witte trui, voor het raam moest blijven staan, schuin uitkijkend op de Overtoom, en daar alle tramstellen van lijn 1 zag voorbijkomen. Misschien heb ik daar wel mijn passie voor trams aan overgehouden; toch nog iets positiefs. Een paar weken terug stond ik dus in diezelfde hoek om weer even naar de Overtoom te kijken, met het uitzicht zoals op onderstaande ingekleurde prentbriefkaart. 

- Vondel zelf
Toen ik later wèl los mocht rondlopen en ik me stierlijk verveelde, had het gezin voor mij altijd wel iets spannends in petto. Hoogtepunt was dat ze mij naar het beeld van Vondel in het Vondelpark lieten lopen of steppen, met de mededeling dat als de klok van de Vondelkerk het hele uur sloeg, Vondel een bladzij omsloeg van het boek waarin hij aan het schrijven was.

 

Hoewel mij dat wat vreemd voorkwam voor een stenen beeld, was mijn geloof in Vondels almacht even groot als mijn geloof in Sinterklaas, dus een half uur vantevoren stepte ik derwaarts om er maar zeker van te zijn dat ik niets van het schouwspel zou missen, ook als Vondel zich iets in de tijd vergiste. Maar ja, je zult het altijd zien, steeds was het zo dat op het moment suprème, als de torenklok sloeg, ik uit verveling net even was afgeleid door een voorbijrijdende fietser, een ijscoman (van CJamin) die bij de kerk stond of, het ergste van alles, een loslopende hond. Dan sloeg de klok en was ik dus weer eens te laat. Onbewogen zat Vondel op zijn volgende bladzij verder te schrijven en ik kon teleurgesteld naar huis, waar ze drie kwartier van mij af waren geweest en geïnteresseerd vroegen of ik het nu eindelijk eens wèl had gezien. Nee? Volgende keer beter.

- Paardentram
Misschien is het niet verkeerd het verdere verhaal te vertellen vanuit de trams in de Vondelparkbuurt en de Overtoom, te beginnen bij de paardentram vanaf 10 oktober 1872 tot de gelede tramstellen vanaf juni 1957. Veel van de afbeeldingen in het vorige artikel zijn hierbij van nut.
Tussen 1873 en 1880 werd de Vondelkerk gebouwd, het nog steeds prachtige ontwerp van Pierre Cuypers, dat tot 1977 als kerk in gebruik is gebleven. De kerk verrees aan het einde van de Vondelstraat, gezien vanaf de Stadhouderskade. Daar reed sinds 10 oktober 1872 omnibuslijn DV van de AOM, de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij. DV staat voor Dam-Vondelstraat via de Leidschestraat. Een omnibus was een soort personenwagon op wielen, voortgetrokken door een of meer paarden. Omdat het plaveisel in Amsterdam nogal hobbelig was met klinkers en kinderhoofdjes, besloot men in januari 1877 rails aan te leggen om een wat comfortabeler rit te kunnen rijden. Vanaf dat moment mag je dus eigenlijk pas spreken van een paardentram.

Toen tussen 1880 en 1896 de Vondelstraat (als Verlengde Vondelstraat) achter de Vondelkerk werd aangelegd, met op nummer 77-79 dat prachtige woonhuis Oud Leyerhoven I van Cuypers aan de Vondelparkzijde, waar hij tot 1894 zelf in heeft gewoond, werd ook de paardentram doorgetrokken langs de ingang van de Hollandsche Manege, om precies te zijn op 22 juni 1893. De lijn werd op 27 juli 1903 opgeheven.

 

Op 8 augustus 1877 startte de paardentramlijn LO, die liep van het Leidscheplein via de Vondelkade (het eerste deel van de Overtoom aan de zuidzijde van het water) tot iets voorbij de overhaal aan het begin van de Amstelveenscheweg. LO staat dus voor Leidseplein-Overtoom.
Nevenstaande foto moet ongeveer zijn gemaakt op de hoek van de Anna Vondelstraat; zij is bijzonder vanwege de nog niet gedempte Overtoomse Vaart, de paardentram op rails, de Pestbrug iets verderop, en helemaal links op de voorgrond, naast het aanplakbord, de krul.

- Krul
Een krul (zie de uitvoerige website en die van Joost de Vree) is een openbaar urinoir of pissoir voor mannen, waarvan er in Amsterdam nog een veertigtal staan. De krul op de foto hierboven zal zijn verwijderd bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1903, maar hij is nog vaagjes in de verte te zien op de foto hiernaast van de Anna Vondelstraat richting Overtoom, waardoor wij die foto kunnen dateren tussen 1896 (voltooiing bouw huizen Anna Vondelstraat) en 1903 (demping Vaart).
Een ander interessant detail op deze foto is dat op nr.1, rechts, bijna achteraan, een loopplankje is te zien waaroverheen de kolenboer zijn karretje met steenkool het huis in kon rijden, antraciet, eierkolen en briketten.
Tussen 1884 en 1896 werd de Anna Vondelstraat stukje bij beetje volgebouwd, eerst alleen nr.1, later in groepjes de andere oneven nummers, eerst 1a, dan 3 en 5 architectonisch in spiegelbeeld, daarna 7-9-11 met de patrijspoorten, ten slotte 13 tot 25, het hoekpand met de Vondelstraat, stuk voor stuk, alsmede de even nummers 2 t/m 30. Daarmee kreeg de Vondelstraat dus een verbinding met de Overtoom. Nummer 2 is later herbouwd, neem ik aan, want het heeft de stijl van de jaren-’20.

- Veranderingen Overtoom
Per 1.1.1900 werd de AOM door de gemeente Amsterdam genaast en ging verder als GTA (Gemeentetram Amsterdam) en vanaf 1943, na een fusie met de Gemeenteveren, als GVB (Gemeente Vervoer Bedrijf), dat nu nog steeds het stadsvervoer in Amsterdam in handen heeft. Maar rond 1900 voltrokken zich nog meer ontwikkelingen, die eigenlijk los van elkaar stonden, maar min of meer toevallig samenkwamen. Een daarvan was de demping van een aantal Amsterdamse grachten en vaarten, waaronder in 1903 de Overtoom. Over die dempingen is een illustratieve video (eigenlijk slide show) te zien. Voor de passage over de Overtoom even doorscrollen naar 12’45″, doorlopend tot 14’25″. De foto hierboven van de krul en de paardentram is een screen shot uit deze video. Er is weinig fantasie nodig om te beseffen dat deze demping enorme invloed had op het karakter van de Overtoom, zijn bewoners, zijn activiteiten en het vervoer.

Wat dat laatste betreft: de rails van de paardentram werd verlegd naar het midden van de nieuwe straatweg, maar tevens (andere ontwikkeling) werd op 20 februari 1904 de paardentram vervangen door een elektrische tram, die sindsdien niet meer lijn LO heette, maar lijn 1, zoals nu nog steeds, met als lijnkleur het nog steeds bestaande diagonale geel-groen. Diagonaal betekent: vanaf Centraal Station naar Zuid en West rijdend. Dat hebben bijvoorbeeld lijn 2 en 16 dus ook; verticaal betekent vanaf Centraal Station naar Oost-Zuidoost.
Zie de door mij ingekleurde lijnkleuren van lijn 1 op onderstaande foto uit 1957.
Het heet dat die lijnkleuren destijds zijn ingevoerd om aan het analfabete deel van de bevolking duidelijk te maken welke tramlijn er aan kwam. Mooi systeem, dat elders in Nederland en Europa echter bijna overal is opgeheven, maar Amsterdam handhaaft het systeem, ook voor de metrolijnen.

Wie werkelijk is geïnteresseerd in historie, routes en data van alle bus-/tram-/veer- en metrolijnen in Amsterdam raadplege primair het standaardwerk: H.J.A. Duparc, Lijnenloop openbaar vervoer Amsterdam 1839-1989, Amsterdam : Gemeentevervoerbedrijf Amsterdam. 96 pagina’s op A4-formaat om van te smullen. Voor minder dan een tientje her en der nog spaarzaam aangeboden. Mijn exemplaar verkoop ik niet.

- Middenstand
Was voor de middenstand vanaf 1515 de overhaal bij de Schinkel het centrum van activiteit, met herbergen, koffie- en theehuizen, kroegen, marktkramen e.d., dus daarheen ging men schuitje varen, theetje drinken…, later werd de ruim anderhalve kilometer Overtoom vanaf de Stadhouderskade zoetjesaan volgebouwd met woonhuizen, gast-/rusthuizen, winkelpanden en fabrieksgebouwen, zeker toen in 1895 het Overtoomgedeelte van Anna Vondelstraat tot Amstelveenseweg tot de gemeente Amsterdam ging behoren. Daarvóór was het gemeente Nieuwer-Amstel, maar met Koninklijke Goedkeuring werd het in 1896 door Amsterdam geannexeerd.

Tot op heden is de straat ook een aaneenschakeling van winkels en horecagelegenheden. Dat was in onze tijd (1948-1956) ook al zo: op de hoek slager Pol (nr.217), daarnaast delicatessenzaak Fa. Jules Hosman. Ik vermoed dat nevenstaande foto het interieur van Hosman is; het Stadsarchief vermeldt dat niet, maar ik herken de inrichting zeer goed.
Na 1950 werd de zaak Hosman overgenomen door levensmiddelenbedrijf E. Nummerdor (nr.215). Twee huizen verderop zat groentenboer C. Kroon (nr.207). “Aardappelen enz.”, vermeldt de telefoongids uit 1950; ik moest daar meermaals per week met een geëmailleerd emmertje naartoe om 3 kg gekrabde aardappelen te halen voor 8 personen, en van hem moest ieder van ons 300 gram groente dagelijks eten om aan te sterken; de andere kant op zaten een tabakszaak en een drankenhandel. Naast ons, op nr.1Ahs, zat iets van een drukkerij, waar we niks mee hadden, behalve dat het er altijd naar drukinkt stonk. Tegenover ons, zie bijvoorbeeld op bovenstaande prentbriefkaart, de derde afbeelding van boven, die uitkijkt op de Overtoom, een tamelijk louche en bouwvallige motorfietsenwerkplaats met scheefgetrokken voorgevel, waar een tijdje ook de BMW Isetta (driewieler met de neus als deur) en de Messerschmidt Kabinenroller (driewieler met die openklappende cockpit) werden verkocht, of alleen maar opgelapt als ze waren omgevallen in het verkeer.
Maar al met al was daarmee in veel van de dagelijkse behoeften voorzien. Daar bovenop kwam er nog veel langs de deur: de melkboer (met verse melk van de VAMI-fabriek, 50 meter voorbij groentenboer Kroon, naast de RIVA-garage die Opels verkocht), de schillenboer, de lompen-en-oud-ijzerboer (“oud inkoop – vodduh”), het draaiorgel (cent of stuiver van 2 hoog naar beneden gooien en dan maar zien of hij het muntje terugvond), de vuilnisophaal, ’s zomers de Sierkan (“roomijs en chocola”), dezelfde man die ’s winters als kolenboer langs de deuren ging, enzovoort. Kortom zo’n beetje zoals het vandaag de dag nog in Rosoy eraan toegaat.

- Stoplichten
Opeens waren ze er. Of misschien lieg ik, en waren ze er al vanaf 1942, maar gingen ze rond 1950 opeens weer branden, de stoplichten op de hoek Anna Vondelstraat-Overtoom. Langdurig kon ik op de stoeprand gaan zitten om er gebiologeerd naar te kijken, vooral naar die kleur groen (die in mijn beleving maar een paar seconden brandde om daarna 3 seconden oranje en heel veel minuten rood te geven). Het was een soort groen dat ik nog niet kende, maar die nu nog steeds in mijn geheugen staat gegrift, zoals ik nog steeds de elektrische geur ruik van de Blauwe Tram van de Spuistraat naar Zandvoort.

Op bovenstaande foto uit maart 1969 staan ze er nog, maar in 1972 zijn ze definitief verdwenen, die stoplichten.
Er zit een boeiend verhaal aan vast. Al voor de oorlog waren gemeente en politie helemaal in de ban geraakt van verkeerslichten, vanwege het toenemende verkeersaanbod en ter ontlasting van de agenten die met STOP-borden (in de oorlog werden dat HALT-borden, want de Duitschers waren niet te stoppen) de kruispunten bemanden. Een en ander leidde ertoe dat in 1942 een heuse groene golf werd ingericht op de Overtoom: acht stoplichten tussen Amstelveenseweg en Stadhouderskade, waaronder eentje op de hoek Anna Vondelstraat. De bedoeling was een groene golf te creëren voor het autoverkeer à 40 km/u. Maar helaas, vanaf 1942 was er nauwelijks nog autoverkeer op de Overtoom, en daarom werden de lichten afgesteld op den gemiddelden fietser, dus à 25 km/u. Zij brandden alleen in de spits, en vanaf 1943 helemaal niet meer vanwege elektriciteitstekort. Bovendien werden de rubberen luchtslangen of -matten, in de zijstraten vlak voor de Overtoom dwars geplaatst als voelers voor aankomend verkeer, door de bevolking gesloopt om er schoenzolen van te maken. Na de oorlog ging een aantal van de lichten weer functioneren.
Bijgaand schema uit 1957 laat het ontwerp zien van die groene golf, nu dus weer bij 40 km/u. Meer informatie ovder de Amsterdamse verkeerslichtregeling in het algemeen en de Overtoom in het bijzonder staat in het boek STOP. 100 jaar verkeer regelen in Amsterdam 1912-2012 (ISBN 9789461900838) door Sjoerd Linders die mij ook het hier weergegeven Overtoomschema toestuurde.
Nog veel meer informatie hieromtrent staat in het verkeersspecial van Ons Amsterdam uit februari 1951 (jaargang 3).

- Hotels
Begin jaren-’50 durfde een jong echtpaar het aan. Hun naam ligt ons op de lippen, maar wil maar niet tevoorschijn komen. In de hausse van recreatie en toerisme na de oorlog openden zij op Anna Vondelstraat 6 Hotel De Nederlanden. Nooit binnen geweest overigens. Zij hebben het tot zeker 1975 weten vol te houden, getuige bijgaande foto van de Beeldbank Amsterdam, waarop hun uithangbord nog zichtbaar is. Waarom zij ermee zijn gestopt, is mij niet bekend, maar de hotelfunctie bleef intact, want later vestigde zich daar Hotel De Filosoof, dat tot 1 november 2015 is blijven bestaan.
Dat hotel beschikte uiteindelijk over 38 kamers, waaruit ik afleid dat het was gevestigd in Anna Vondelstraat 2, 4 en 6, logistiek gezien een hele operatie, omdat nr. 2 een totaal ander bouwjaar en andere bouwstijl heeft dan de nummers 4 en 6. Van nummers 4 en 6 weet ik verder niet zo veel, maar van nummer 2, recht tegenover ons huis op nr.1, wel. Daar woonden destijds de familie Poot (ik meen op 1 hoog), waarvan dochter Joke staat afgebeeld rechts van mij op de foto uit 1949 in het eerste artikel. Een etage hoger woonde de familie Burgman. Zoon Freddy had ongeveer mijn leeftijd, en ik heb nog een foto uit ±1954 waarop Freddy en ik samen gezellig een ijsco eten, zo’n heerlijk blok vanille-roomijs met chocola eromheen van CJamin dat je voor een dubbeltje kon kopen. Wanneer de familiën Poot en Burgman zijn vertrokken, weet ik niet, maar wel dat van 1978 tot 1984 Anna Vondelstraat 2 huis en 1 hoog was bewoond door schrijver Hans Verhagen, die er niet de beste periode van zijn leven doormaakte (heroïne, alcohol). De Filosoof zal dus pas na 1984 nummer 2 bij het hotelcomplex kunnen hebben getrokken.
Toen ik in mei 2015 door de Anna Vondelstraat liep, viel mijn oog op de prachtige tekstschildering op de kopse kant van nummer 2, zowel naar inhoud als vormgeving beschouwd.
In augustus 2016 zag ik dat die tekst was verdwenen en nummer 2 een maagdelijk witte kopse kant had. Dat klopt met het gegeven dat Hotel De Filosoof, deel uitmakend van de Sandton-keten, was gesloten en zou worden verbouwd tot Hotel Pillows Anna van den Vondelstraat. De bedoeling was dat dat nieuwe hotel de deuren zou openen medio 2016, maar het werd 23 januari 2017, hetgeen mij niet verbaast, nu ik heb gezien wat er allemaal aan de drie belendende panden is gerenoveerd, een operatie die ettelijke miljoenen heeft gekost. Het management hoopt binnen 2 jaar rendabel te kunnen zijn.
Ambiance en styling zijn danig geüpgraded, aan de tuinzijde bevindt zich nu een grote serre met buffet en ontbijtruimte, het aantal kamers is teruggebracht van 38 naar 31, vermoedelijk deels door het installeren van een lift, en alles is stijlvol in grijs en blauw uitgevoerd. Ook op een luxe uitstraling is bepaald niet bezuinigd. Wie niet echt op de portemonnee hoeft te letten en goed ter been is (het hotel is qualitate qua niet senior-proof) zal er zich prima gehuisvest voelen, met uiterst sympathiek en voorkomend personeel en prima voorzieningen.
Ik had voor mijn drie nog levende zussen en mij twee kamers gereserveerd bij Pillows op nummer 2, dus precies tegenover onze voormalige etages 2 en 3 op nummer 1. De eerste foto van dit artikel is daarvan een bewijs. Met dat al was voor ons de cirkel rond, die begon in 1948 en dus met een ruime boog doorliep tot 2017, bijna 70 jaar na dato.

_____________________

Tenzij anders vermeld zijn alle afbeeldingen van de Beeldbank van het Stadsarchief Amsterdam, behalve de allereerste foto (van mij, feb.2017), die waar ik op sta (genomen door mijn vader, 1950 resp. 1953; in mijn bezit), het bonnetje van Nummerdor (in mijn bezit), en de laatste twee foto’s, genomen door mij in mei 2016 resp. feb.2017.

Eerdere berichten in deze reeks:
Anna Vondelstraat 1
Anna Vondelstraat 2A

 

Pierre LOONEN

Geduld is een schone zaak, maar soms wordt het beloond. Op 15 november 2015 publiceerde ik een artikel over o.a. Pierre Loonen, een van de criminele zoontjes van gerenommeerd borstelfabrikant Charles Loonen, in het bijzonder over zijn deportatie in 1943 naar Buchenwald. Ik beloofde toen er nog op terug te komen.
Op 17 februari 2017, na 15 maanden dus, kreeg ik zowaar antwoord van het ITS-Bad Arolsen, tussen Dortmund en Kassel, met enkele pagina’s gedetailleerde tekst en nog een 24 scans van documenten hem betreffende. Hier een samenvatting.

Eerder al, op 10 november 2015, ontving ik antwoord van het Archiv Buchenwald met de mededeling dat hij op 18.9.1943 in KZ Buchenwald werd geïnterneerd (eingeliefert) onder registratienummer 21019, en op 15.1.1944 op transport werd gesteld naar KL Lublin (bij KL Majdanek). En op 25 november 2015 volgde een bericht van het Archival Information Research Laboratory, State Museum of Majdanek met identieke persoonsgegevens.
Daar bovenop  kreeg ik nu een afschrift van een brief dd. 18.5.1963 van de Poolse Association des Combattants de la Liberté et la Démocratie (Zwiazek Bojowników o Wolność i Demokracę) aan de F.N.D.I.R.P.*), Amicale d’Auschwitz, 10 Rue Leroux, Paris 16ème, dat er geen persoonsgerelateerde gegevens beschikbaar zijn over de gedeporteerden van Buchenwald naar Majdanek, alleen algemene omstandigheden van transport en verblijf in Lublin/Majdanek. Mogelijk is het op grond van deze brief dat Pierre LOONEN officieel als overleden werd geregistreerd, al zal er een eerdere verklaring zijn geweest die een tweede huwelijk van Marguerite DEMEREAU met Pierre Lucien George SIMON op 29.9.1956 in Désertines (Allier) mogelijk maakte.
______________
*) F.N.D.I.R.P. = Fédération nationale des Déportées et Internés, Résistants et Patriots,
website: http://www.fndirp.asso.fr/

In de bijlage van ITS Bad Arolsen wordt uitgebreid stilgestaan bij het Gestapo-systeem van internering en tewerkstelling, al daterend sinds de Reichstagsbrand van 1933, in 1943 resulterend in het kamp Dora (buitenkamp van Buchenwald, dat sinds ±1.11.1944 kamp Mittelbau ging heten) met 60.000 geïnterneerden, vnl. uit de USSR, Polen en Frankrijk.
De bijlage bevat ook een groot aantal verwijzingen naar andere instellingen, musea en archieven ter zake. Ik vat de feitelijke persoonsgegevens even samen:

Pierre LOONEN (geb. 23.6.1884, Tracy-le-Mont, Oise, wonende 3 Rue St.Jenoch (lees: Senoch), Paris 17e, gehuwd met Marguerite DEMEREAU) werd op 4 juli 1942 door de Sicherheitspolizei-Paris gearresteerd (Kategorie: politisch, Schutzhaft), kwam op 18.9.1943 in Buchenwald aan en werd op 23.10.1943 tewerkgesteld in kamp Dora, van waaruit hij op 15.1.1944 werd overgeplaatst naar Majdanek.
Vanaf daar ontbreekt elk spoor. Velen zijn tijdens dat laatste, inderhaast geïmproviseerde transport onderweg reeds gestorven, anderen in Majdanek zelf. De betreffende archieven zijn verbrand of anderszins verloren geraakt.
Op een van de kaarten met uitgereikte persoonlijke bezittingen (Eigentumsverwaltung) staat zijn handtekening (Die Richtigkeit anerkannt). Op een andere kaart staat hij geregistreerd als Rentner, Vertreter. Op een lijst uit Buchenwald van 18.9.1943 staat hij vermeld als Mechaniker.

Wat nog rest ter naspeuring, zijn drie gegevens:

  • 1. Is hij inderdaad in Lublin aangekomen of onderweg reeds bezweken? Die vraag zal vermoedelijk nooit kunnen worden beantwoord, want het tüchtig registreren vond niet meer plaats en veel archiefmateriaal uit Lublin is vlak voor de bevrijding vernietigd of later spoorloos verdwenen (of berust nog in een of andere Moskovitische bunker).
  • 2. Is er een document op grond waarvan blijkt dat de Burgerlijke Stand in Frankrijk hem officieel heeft gekwalificeerd als “vermist” en/of “overleden”? Dat moet toch ergens te vinden zijn.
  • 3. In september 1956 hertouwt zijn vrouw Marguerite, zelf levend teruggekeerd uit Ravensbrück. Die huwelijksacte heb ik al wel opgevraagd, maar nog niet ontvangen. In de bijlagen zal toch iets moeten staan over de verdwijning van haar eerste echtgenoot, hoop ik.
Kortom: we zijn er nog niet, maar het dossier is sinds vandaag wel aanmerkelijk rijker geworden.

Anna Vondelstraat 2A/2

Ik zie aankomen dat het tweede deel over de Anna Vondelstraat nogal uitgebreid gaat worden. Daarom dat ik het nu eerst laat voorafgaan door een toponymische voorbeschouwing om alvast wat basisgegevens te kunnen aanreiken. In alfabetiche volgorde enkele relevante straatnamen en andere toponiemen.

Anna Vondelstraat
Verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelstraat.
Vernoemd naar Anna van den Vondel (±1620-1675),
dochter van Joost van den Vondel.
1882-1884: “geprojecteerde straat“.
1884-29 nov.1986: Anna Vondelstraat.
vanaf 29 nov.1986: Anna van den Vondelstraat (om verwarring met “Vondelstraat” te voorkomen).
Huisnummers en postcodes: nrs. 1-25 (1054 GX) en 2-30 (1054 GZ).

Heiligeweg
1345-heden: Verbindingsweg tussen de Kapel ter Heilige Stede (Kalverstraat) en het dorp Sloten, via de huidige Stadhouderskade en de overtoomse overlaat. Het tracé liep min of meer van de kapel via het Koningsplein, Leidsestraat, de voormalige Heiligewegspoort, Overtoom, Sloterweg.
De poort sloot om 22 uur; vandaar:
Schuitje varen, theetje drinken, varen we naar de overtoom.
Drinken we zoete melk met room, zoete melk met brokken,
Tien uur slaat de klokke. (en dus niet, zoals mij steeds voorgehouden, “Nardje mag niet jokken“.)
Het was niet alleen de toegangsweg vanuit Haarlem en Sloten tot de bedevaartsplek van het Mirakel van Amsterdam, maar tot ± 1500 tevens de enige landverbinding tussen Amsterdam en het Kennemerland.
Momenteel loopt de Heiligeweg nog slechts tussen Kalverstraat en Singel. De noordzijde van de Heiligeweg, langs de Overtoomse Vaart, heet sinds 1901 Overtoom. De zuidzijde heette van 1875-1901 Vondelkade (zie onder), daarna Overtoom.

Heiligewegsevaart
Waterloop die de Heiligeweg scheidt in een noorderlijk pad en een zuidelijke weg.
1625: Op de kaart van Van Berckenrode (zie detail hiernaast) aangeduid als “Vaart na den Overtoom“.
Later werd deze vaart Overtoomse Vaart genoemd, meestal kortweg aageduid als Overtoom

Luiebrug
Eerste brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, dus waar nu Nassaukade overgaat in Stadhouderskade en waar van 1923-1983 het GVB-hoofdkantoor stond.
Zo genoemd omdat hij maar traag open en dicht ging.
De brug verdween uiteraard bij de demping van de Overtoomse Vaart in 1904.

overtoom (overhaal)
1432-1809: Handbediende, mechanische overhaal om schepen van de Schinkel naar de Kostverlorenvaart te hevelen.
1809-1942: De overhaal vervangen door een schutsluis.
1942-heden: De schutsluis vervangen door brug 199.

Overtoom (straat)
Verbindingsweg van ±1.800 meter lengte tussen de overtoomse overlaat en de huidige Stadhouderskade.
1345-1901: Heiligeweg (zie hierboven).
1875-1901: Vondelkade (zie hieronder).
1901-heden: Overtoom (foto: briefkaart uit ±1920).
Bekijk ook op Youtube de analyse door Kees Fens van het gedicht “Op de Overtoom” van Remco Campert. 

Overtoom (water)
Waterloop over de hele lengte van de Overtoom (straat).
1345-: Heiligewegsevaart (zie hierboven).
-1902: Overtoomse Vaart.
1903: Demping van de Overtoom. Zie video “Gedempte grachten…“; even doorspoelen naar fragment tussen 12’47″ en 14’25″.
Gravure gezien vanaf de Luiebrug, in westelijke richting.

Pestbrug
Tweede brug over de Overtoomsche Vaart, vanuit de stad gezien, gelegen tussen de 2e Constantijn Huygensstraat en de Anna Vondelstraat, niet ver van de melkfabriek en de RIVA-Fordgarage aan de Overtoom. Via die brug bereikte men het Pesthuis, oftewel Buitengasthuis, later Wilhelminagasthuis.
De brug werd ook wel “latjesbrug” (vanwege de lattenconstructie) of eufemistisch “Gasthuisbrug” genoemd. “Je moet over de latjesbrug” betekende overigens dat je je moest melden in het gekkenhuis dat in het Buitengasthuis was gevestigd…
De passagiers op de schuit op de voorgrond gingen wellicht schuitje varen, theetje drinken verderop.

Vondelbrug
Amsterdamse brug 200 over het Vondelpark die de Eerste Constantijn Huygensstraat verbindt met de Van Baerlestraat.
1942-1947: ontwerp en begin aanleg, door de oorlog onderbroken.
1947: officiële opening. Zie o.m. Polygoonfilm op YouTube.
1958: ook trams (lijn 2 en 3) rijden over de brug, waardoor lijn 2 niet meer door de P.C. Hooftstraat hoeft, die nu verder tramloos blijft.

Vondelkade
1875-1901: benaming van het zuidelijk deel van de Heilige Weg langs de Overtoomse Vaart tussen de huidige Stadhouderskade en ongeveer Anna van den Vondelstraat, destijds de gemeentegrens tussen Amsterdam en Nieuwer-Amstel.
Omdat de verwachting was dat ook de (nog niet tot de openbare weg behorende) noordzijde Vondelkade zou gaan heten, kregen de percelen aan de zuidzijde alleen oneven huisnummers.
1901-heden: Overtoom.
Zie annotatie op internet, waar ook interessant beeldmateriaal is te vinden.
Foto uit ±1901 genomen vanaf de Luiebrug. Te zien is het begin van de dempingswerkzaamheden.

Vondelkerk
R.K. kerkgebouw in de as van de Vondelstraat, ontworpen door architect Pierre Cuijpers als onderdeel van een stedebouwkundige eenheid van de Vondelstraat e.o.
Gebouw in neogotische stijl. Eerste steen 1872, in 1880 ingewijd als parochiekerk “Allerheiligst Hart van Jezus“.
Sinds 1977 buiten gebruik als kerk, daarna enige tijd gekraakt. Momenteel voornamelijk in gebruik als cultureel centrum en officieel aangewezen trouwlocatie van de gemeente Amsterdam. Meer info: zie HIER.

Vondelpark
In 1865 aangelegd langwerpig “Rij- en Wandelpark” tussen Stadhouderskade en Amstelveenseweg in Engelse landschapsstijl. Twee jaar later werd aan de hoofdingang Stadhouderskade een standbeeld van Joost van den Vondel geplaatst. Vlak daarbij ligt het Vondelparkpaviljoen waar van 1972-2012 het Filmmuseum was gevestigd. Momenteel biedt het als VondelCS (=cum suis) onderdak aan AVROTROS.
Eigen foto: “In het Vondelpark. Maart 1950″.

Vondelkerkstraat
Doodlopende verbindingsstraat tussen Overtoom en Vondelpark, tussen Reyer Anslostraat en Frederiksstraat. Toegang tot Vondelpark voor voetgangers en fietsers.
Zie AT5-uitzending over deze straat.
Naar verluid (AT5) is de straat vernoemd naar het kapelletje aan de Heilige Weg (=Overtoom), waar Vondel placht te bidden als zijn drukproeven in de nabijgelegen drukkerij werden gedrukt.

Vondelstraat
Straat ten noorden van het Vondelpark vanaf het Leidsebosje naar de Anna van den Vondelstraat.
Vernoemd naar dichter Joost van den Vondel (1587-1679).
1864-heden: Vondelstraat (tot aan Vondelkerk).
1881 tot 1896: Verlengde Vondelstraat (vanaf Vondelkerk).
1896-heden: Vondelstraat.

_______________________

Eerder bericht: Anna Vondelstraat 1/2
Volgend bericht: Anna Vondelstraat 2B/2

Stop de besparing

Eigenlijk was ik dik vier jaar geleden al gewaarschuwd. In mijn artikel over doucheplassen staan bij de onderste twee gedachtestipjes mijn schokkende ervaringen met de NV Brabant Water die mij 20x zoveel berekende per verbruikt kuub water dan de folder aangaf. Helaas voegen zich daarbij alle leveranciers van gas, water en elektra, zowel in Frankrijk als in Nederland. Mijn conclusie: hoe meer je bespaart, hoe meer je betaalt. Dus bespaar je de moeite, wellicht krijg je nog geld terug ook.

Natuurlijk gaat dit lijnrecht in tegen mijn maatschappelijke en milieuopvattingen, maar als overheid en geprivatiseerde nutsbedrijven de handen ineen hebben geslagen om de consument een poot uit te draaien, kan ik het niet laten de kont tegen de krib te gooien.
Wat voorbeelden.

Op gluiperige wijze is er de afgelopen 10, 20 jaar een kentering opgetreden in de facturering door de nutsbedrijven (gas, water, elektra; Nederland, Frankrijk). Elke lezer kan dat bij zichzelf verifiëren. Ik geef hier ten bewijze wat praktijkvoorbeeldjes:

Mei 2007 (ik woonde toen net permanent in Frankrijk), kwartaalrekening elektriciteit:
verbruik € 65,90; rekeningtotaal incl.btw, opcenten e.d. € 121,08.
De verbruikskosten belopen dus 54,4% van het rekeningtotaal.

Vanaf dat moment tot in 2011 zien we de balans stiekem steeds verschuiven, aanvankelijk tot ongeveer 50-50. Huidige situatie, factuur van augustus 2016:
verbruik € 44,04; rekeningtotaal incl.btw, opcenten e.d. € 114,45.
De verbruikskosten belopen dus nog maar 38,5% van het rekeningtotaal.

Dat is dus het loon van de dagelijkse inspanning om stroom te besparen: € 21 minder verbruikt om daarvan nog geen € 7 op je factuur terug te zien.

De oorzaak is klip en klaar: tegenover de met veel trompetgeschal her en der verspreide juichtonen dat de energiekosten omlaag gaan, (hier in Frankrijk zelfs wel met 0,5% !), staan de continu sterke stijgingen van taxes en btw, van landelijke, gemeentelijke en departementale/provinciale heffingen, waar je maar met moeite een vinger achter kunt krijgen. Overigens is dat gejuich inmiddels per 1.1.2017 verstomd. Vergelijk de afbeelding bovenaan met die hier links.

Mijn hier in de kop aangehaalde voorbeeld van de waterfactuur had mij dus op het correcte spoor gezet. Terwijl wij in Boxmeer nauwelijks water verbruiken (1 à 1½ kuub/maand) werd er een maandbedrag van € 9 door Brabant Water geïncasseerd. Reden voor mij om te bellen en stug vol te houden dat dat dus neerkwam op 1 euro per kuub. Maar dat mocht ik zo niet zien. Maar dat brachten zij wel in rekening. Dus voortaan maar alle kranen ‘s nacht open laten staan, tweemaal per dag ieder gezinslid in een warm bad van 200 liter, en je zult zien: de prijs per kuub daalt drastisch. En vergeet niet ‘s zomers de tuin uitbundig te sproeien met kraanwater. Voor een enkele euro meer per maand, kun je opeens 10 tot 20 keer zoveel water verkwisten. Hulde.

Voor gas en stroom geldt iets vergelijkbaars. De prijzen in de folder zijn dus nog lang niet de helft van wat je er uiteindelijk voor betaalt.

Een voorbeeld om het allemaal nog ingewikkelder te maken (je ziet mij al gloeien van de pret) is een landelijke uitvinding hier in Frankrijk.
Men hanteert hier voor elektra, net als in Nederland, twee abonnementsvormen: basis (dag en nacht, zomer en winter één en het zelfde tarief, momenteel € 0,0898 per kWh; maal 2½ dus op uw factuur); daarnaast de piek/dalregeling (hier nu resp. € 0,0979 en € 0,0738 per kWh, nauwelijks verschil dus met nog de aantekening dat in Nederland het daltarief loopt van 21 tot 7 uur en za/zo 24 uur lang, terwijl dat in Frankrijk is van 22-6 uur, ook za/zo; al met al een weinig aantrekkelijke optie want je betaalt jaarlijks ook nog eens wat meer aan abonnementskosten). Als een konijn uit de hoed hebben ze hier al tijdenlang een derde mogelijkheid: de Option Tempo, waarvan ik momenteel gebruik maak. Ik ga die nu uitleggen, als u er nog bent.

Voor het gemak is het jaar verdeeld in 365 dagen. Daarvan zijn er 300 blauw, 43 wit en 22 rood. Het abonnement is op maandbasis €  0,24 duurder dan het basisabonnementstarief, dus te verwaarlozen. Niet te verwaarlozen zijn de prijsverschillen. Zie onderstaande tabel.

De blauwe dagen, die het hele jaar door kunnen vallen, waaronder alle zondagen, zijn dus aanmerkelijk goedkoper dan die van basis- of piek/dalabonnementen.

De witte dagen kunnen ook het hele jaar door vallen, maar nooit op zondag, en zijn qua prijs ongeveer gelijk aan die van basis- of piek/dalabonnementen.

De rode dagen vallen alle tussen 1 november en 31 maart, maar nooit op zondag. Dan kost elke kWh opeens 1½ tot 4½ keer zo veel als het basistarief.

Wat de kleur van de dag is, kun je daags tevoren vanaf 12 uur online bekijken en vanaf 18 uur op je meter.

Het argument van de nutsbedrijven is dat men op zeer koude dagen piekbelasting door het sterkere stroomverbruik van bedrijven wil voorkomen door particulieren tot zuinigheid te dwingen. Dat werkt bij mij ook wel: over het hele jaar heen verbruik ik dagelijks ±8, maar op rode dagen weet ik dat terug te dringen tot 2 of 3. Kwestie van meer koken en stoken op hout, boiler uit tot zondag, en dan ook de was doen, alleen lampen aan daar waar je bent, al die apparaten op de spaarstand -vlak dat niet uit, dat sluimerverbruik- gewoon de stekker eruit, tenzij je ze echt gebruikt, enz. enz. Dat alles draagt niet alleen bij aan je bewust omgaan met energieverbruik, maar ook tot besparing van kosten.

Dat dacht ik tenminste.

Aanvankelijk leverde het me op jaarbasis een ± € 250 lagere stroomrekening op. Dat is de moeite om wat bewust met de zaken om te gaan. Gewaarschuwd echter door wat ik bij recente jaarafrekeningen in Nederland en kwartaalafrekeningen in Frankrijk begon te bevroeden, is dat door de hierboven geschetste verschuiving tussen de vaste en variabele kosten opeens dramatisch gekelderd. Over de laatste 7 jaren nog maar € 150 (niet per jaar, maar in totaal!) en over 2016 nog maar een schamele € 15. Daarvoor ga ik me dus niet in allerhande bochten wringen, stekkers eruit trekken, kaarsjes aan voor de warmte en het licht, enzovoort.

Ik ga dus tot 1 november nog lekker profiteren van al die goedkope, blauwe dagen, en per dan weer fluks over naar gewoon basis. Minder zorgen aan de kop bij (mag ik hopen) gelijkblijvende kosten.

Ik ben benieuwd of er lezers met soortgelijke, of juist tegengestelde ervaringen zijn.

 

 

 

Anna Vondelstraat 1/2


Anna Vondelstraat 1, Amsterdam Oud-West, werd in 1882 gebouwd toen de Anna Vondelstraat nog niet bestond. Daarover meer in dl.2 dat begin maart hier zal verschijnen.
In oktober 1948 kwam de familie Loonen, vader, moeder en zes kinderen, daar te wonen op de tweede (woonkamer, keuken) en derde verdieping (3 slaapkamers). Over de weinig florissante situatie van dat onderkomen heb ik onder de titel Schaalvergroting in november 2012 al bericht.
Hoog tijd voor wat meer diepte-informatie.


In 1882 liet slachter A.J.W. Helleganger (what’s in a name!) een spiksplinternieuw slachthuis bouwen aan de Overtoom 101, gemeente Nieuwer-Amstel, later, na de annexatie door Amsterdam hernummerd tot Overtoom 217. Boven de varkensslachterij bevatte het hoekpand drie verdiepingen met bovenwoningen. Bouwtekeningen zijn te vinden in de beeldbank Amsterdam, met zoekopdracht “Anna Vondelstraat 1″. Voor het grootste gedeelte lag dat pand om de hoek van de Overtoom aan “een geprojecteerde straat”, de Anna Vondelstraat, die tussen 1890 en 1894 werd volgebouwd en de Overtoom ging verbinden met de Vondelstraat.

De Overtoom was toen nog niet gedempt; dat gebeurde pas twintig jaar later. Het zal den slachter wel van logistiek belang zijn geweest dat hij zijn varkens per boot kon laten aanvoeren, en het uitgebeende vleesch weer kon verschepen. Misschien zag hij de bui al hangen, want rond 1900 deed hij de zaak over aan Gerrit Pol, die er een vleeschhouwerij van maakte, d.w.z. dat hij de geslachte en uitgebeende koeien en varkens van het abattoir betrok en er zelf eindproducten van maakte, waaronder fijne vleeswaren. Ik vermoed dus ook dat de koeien voor de deur eerst naar het abattoir gingen; Pol slachtte niet aan huis. Overigens, de Beeldbank heeft de foto niet gedateerd (vermoedelijk tussen 1900 en 1920), en evenmin verklaard hoe daar opeens huisnr. 29 te zien is, in plaats van 217. Ik probeer dat nog wel uit te vissen.

Zoon Johan Pol nam rond 1920 de zaak over en hij was van 1948-1956 onze slager-op-de-hoek. Ik bewaar er prima herinneringen aan. We hadden uiteraard geen koelkast, dus elke dag moest iemand van ons even het eten van de dag gaan halen, tot ±1950 met distributiebonnen, later in de vrije verkoop.

Toen wij het huis betrokken had daar een zekere heer Weehuizen gewoond, werkzaam bij de N.V. Werkspoor. Ik heb van hem nog enige correspondentie liggen, met name vanwege zijn klacht uit november 1947, gericht aan het Prijzenbureau voor Onroerende Zaken aan de Stadhouderskade. Hij beklaagt zich omstandig over het feit dat hij als huurder van de eigenaar, mejuffrouw E. Frank, wonende op de Stalinlaan, te horen kreeg dat die voornemens was de maandelijkse huur voor Anna Vondelstraat 1-II en -III exorbitant te verhogen van ƒ 35,= naar ƒ 60,=. Kort daarvoor was het hele pand Anna Vondelstraat 1 getaxeerd op ƒ 10.000,= (ik bied nu graag het dubbele ter verkrijging!), hetgeen een huurprijs van ca. ƒ 35,=/maand billijkte.

Ruim een maand later komt het Prijzenbureau met een soort Salomonsoordeel dat mede was gebaseerd op de overweging dat een maandhuur van ƒ 60,= “boven het op 9 mei 1940 (!) voor soortgelijke objecten gebruikelijke huurpeil ligt“. Als “hoogst toelaatbare huurprijs” noemt het Prijzenbureau een bedrag van ƒ 42,50 met de toevoeging “dat ten aanzien van het gebruik van electrische stroom, gas en verwarming niet meer in rekening mag worden gebracht dan de kosten van het werkelijk gebruik“. De eigenaresse gaat prompt akkoord en dat zal inhouden dat mijn vader enige maanden later ook datzelfde bedrag aan huur moest gaan betalen.

Naar huidige maatstaven van woningcorporaties hield mejuffrouw Frank zich vrij lang opvallend koest. Maar in januari 1952 stuurt zij mijn vader een kort briefje (“Met alle hoogachting“) dat zij zich genoodzaakt voelt de huur per 1 februari 1952 in één klap met 15% te verhogen tot ƒ 48,30 hetgeen gelijkstaat aan een jaarlijkse verhoging van 4%.

Over wat voor een pand hebben we het eigenlijk?
Via een stoepje voor de voordeur (hier op een foto uit 1949) kwam je in een halletje met rechts de trap naar boven en links een vrij grote ruimte die een driedubbele functie had: allereerst konden we daar de fietsen stallen, verder was er achterin een luik waardoor de steenkool werd gestort die de bewoners gebruikten om de kolenhaard te stoken, ten slotte stond er een piano waarop de zus van mejuffrouw Frank, Annie Zieren-Frank pianolessen gaf. Op de dagen dat zij lessen gaf, moesten wij de fietsen uit de ruimte halen (eerst het vloerkleed opzij rollen!). Mevrouw Zieren was, net als haar zus en nog een andere zus, blind, hetgeen haar niet belemmerde uitstekend pianolessen te geven. Met haar handen voelde ze of je vingerzetting wel deugde. Zij genoot landelijk wel enige bekendheid, niet in het minst bij het koninklijk huis: van Wilhelmina kreeg zij ooit eens een vleugel cadeau en Juliana inviteerde haar diverse malen op Soestdijk om kinderliedjes te komen begeleiden. Geboren in 1890 haalde zij de respectabele leeftijd van 103 jaar. Van haar is nog een NOS-radiointerview te beluisteren en op internet tref je nog een bericht over haar aan. Verder wijdde het Goois Weekblad van 7-8 november 1984 een paginagroot artikel aan de toen 94-jarige pianiste.

Drie van mijn zussen en mijn broer hebben pianoles bij haar gevolgd; ik was nog te jong, maar ik herinner me wel dat je eerst vanaf de begane grond de ene etude van Czerny na de andere hoorde spelen, waarna die boven in onze huiskamer nog eens dunnetjes werden verder gestudeerd.

Dan maar de trap op. Op 1 hoog woonde de familie Chung. Hij een Chinees waarvan ik niet weet of hij uit Indië was gerepatrieerd; in ieder geval was zijn Nederlands een garantie voor bijna geen communicatie. Mevrouw Annie Chung-Marx sprak met een sterk Duits accent, hetgeen haar in die tijd, en dan nog wel in Amsterdam, ongetwijfeld van de straat hield. Zij hadden één zoon, Kok Han, ongeveer van mijn leeftijd, maar dikke vriendjes zijn we nooit geworden. Het frequentste contact dat wij met de Chungs hadden was het toilet, het enige dat er aanwezig was op de 1e, 2e en 3e verdieping. Het had twee deuren, eentje voor de Chungs, de andere voor ons. Zij en wij moesten dus steeds twee deuren op het haakje doen, hetgeen wel eens achterwege bleef. De anekdote die mij het meest is bijgebleven is dat mijn vader op een dag de wc-bril had gevernist. Pa Chung, die het woord “NAT” niet kende, ging erop zitten en riep toen: “Annie, ikke zitte vasseplak!”

Nog maar een trap op, die uitkwam op een halletje. Rechts de keuken, klein, maar afdoende, met een aanrecht (ik weet niet of er ook warm water was), een gasfornuis op stadsgas, want aardgas was er nog lang niet, en een voorraadkast. Vanuit het halletje rechtdoor was de woonkamer, ik heb het inmiddels nagemeten: 6 bij een kleine 5 meter. Die moest niet alleen plaats bieden aan 8 personen, maar ook had mijn vader op het pandhuis of bij veiling De Zwaan een compleet ameublement gekocht, zwaar en massief, geproduceerd door H. Pander & Zonen te ‘s-Gravenhage. Het omvatte een groot buffet, een ovale uitschuifbare eettafel met tussenblad, twee zware stoelen met leuningen en vier zonder leuningen (twee van ons moeten dus op keukenstoeltjes hebben gezeten), een theetafel en wat bijzettafeltjes. Het meeste daarvan staat nu bij mij in Rosoy, met aanmerkelijk meer rumte eromheen. Via de hijsbalk was alles vakkundig omhoog getakeld, samen met een djatihouten bureau, twee rookstoelen en een piano. Later kwam er nog een radio/grammofoonmeubel bij met ingebouwde luidsprekers. Hoe het er allemaal in heeft gepast, is me nog steeds een raadsel. Eigenlijk geen wonder dat Van der Schaal het niet wilde geloven.

In het halletje links liep de trap naar zolder, met daaronder een bergkast. Op die zolder waren drie slaapkamers, eentje voor mijn ouders, met een lampetkan op een toilettafeltje, eentje voor mijn oudste twee zussen met een wastafel die koud stromend water leverde, behalve ‘s winters, want dan waren de leidingen steevast bevroren, en eentje voor het jongere kroost: een tweepersoonsbed voor mijn jongste twee zussen en een stapelbed waar mijn broer bovenin lag en ik onderin. Die kamer was daarmee compleet gevuld; voor enig meubilair of een wastafel was er absoluut geen plek. Mijn oudste zussen konden door het dakraam in de goot aan de tuinzijde klimmen om te zonnen, huiswerk te maken of de was te drogen te hangen aan provisorisch bevestigde waslijnen aldaar.

Zelf heb ik dat opgehokte verblijf nooit zo rampzalig gevonden, bij gebrek aan enig referentiekader. Voor mij was het dus “normaal”. De anderen hadden wel een referentiekader: dat van de Jappen-vrouwenkampen op Java cq. de werkkampen langs de Birmaspoorlijn. Het is voorstelbaar dat zij het gevoel hadden er in Anna Vondelstraat 1 op vooruit te zijn gegaan.

Desalniettemin heeft mijn vader bijna van meet af aan stad en land bewogen om een meer passende woonruimte beschikbaar te krijgen, direct via het CBH, indirect via zijn werkgever, de Marine op Kattenburg waar hij in een civiele functie tot zijn pensioen heeft gewerkt. Maar zelfs een persoonlijke interventie in augustus 1951 van H.C.W. Moorman, Staatssecretaris van Marine, die beloofde “nogmaals persoonlijk een beroep te doen op de Burgemeester van Amsterdam”, mocht niet baten. De woningschaarste was te nijpend.

Makelaar Lemmens te Amsterdam probeerde in september 1954 nog wat schot in de zaak te brengen: middels een kil schrijven verzoekt hij mijn vader “hoezeer het mij spijt” binnen drie weken de woning te ontruimen en te verlaten, in de verwachting “dat het U nu moge gelukken een woning te vinden die het U en Uw gezin mogelijk zal maken eindelijk eens menschwaardig te wonen“.

Ook dat mocht niet baten, al weet ik niet hoe het is gelukt om het nog bijna twee jaar uit te houden daar. Maar op 8 mei 1956 kwam van het CBH, na een wachttijd van 6 jaar, het felbegeerde voorrangsbewijs met een woonvergunning voor het pand Lomanstraat 6 hs+I.
Die verhuizing was vlot geregeld.

 ___________________

Volgend bericht: Anna Vondelstaat 2a

 

 

Stemming

Voor degenen die mijn vooruitzicht nog niet per mail hadden ontvangen, hier de bijbehorende afbeelding met nog de nodige toelichting. Weinig kerst. Weinig optimisme. Beetje hoop.

Mocht iemand erin zijn geïnteresseerd, dan geef ik hier de details. De afbeelding komt van mijn dashcam, gemaakt toen ik op 10 december na de zoveelste fysiotherapiesessie terugreed van Bourbonne-les-Bains zuidwaarts richting Rosoy-sur-Amance. Het was die ochtend, zo rond 10 uur, nog licht vriezend weer en de zon begon door de grondmist heen te breken, hetgeen fraai tegenlicht opleverde. Bomen, bermen en velden waren wat berijpt.
Kortom, geen witte kerst, zoals AH nu zijn kerststol ook feeststol is gaan noemen, om de Marokkanen, Turken en heidense negers niet als klant te verliezen (maar ik heb hier voor de feestdagen gewoon een Gâteau de Noël liggen – die ziet er precies zo uit), en we van Sylvana Simons ook geen Zwarte Piet meer mogen hebben. In plaats daarvan is zij zelf nu ze Zwartste Pietesse, exorbitanter opgesmukt dan ik me van enige Piet kan herinneren, dus waar hebben we het over. Zij is het onovertrefbare boegbeeld van de beroepsgroep.

Op weg van Bourbonne naar Rosoy, tussen Genrupt en Gyuonvelle (de coördinaten staan rechts onder in beeld, dus ga maar na), pikte ik er dit beeld uit. Onder het verkeersbord met de gevaarlijke ruk naar rechts stond dat dat pas over 600 meter was. Ik zeg: het is al in 2017. Daaronder stond nog een bord met max. 70 km/u, dus ik had de remparachute al uit, maar dat bord heb ik weggephotoshopt, omdat het me alleen aan mijn leeftijd deed herinneren, die in deze fase volstrekt irrelevant is, en ik niet de radarpolitie een verkeerd bewijs in handen wilde geven.

Op de weg word je vriendelijk gedwongen naar rechts te neigen. Nergens in Frankrijk staan die pijlen op de weg naar links. Daarvoor moet je naar Engeland, voor wat het waard is.
Het rode bord links trof ik diezelfde rit elders aan. Er stonden op die zaterdag nogal wat van die borden in de berm, zij het met de tekst CHASSE EN BATTUE EN COURS – DANGER (Drijfjacht in volle gang. Gevaarlijk). Daar waren dus de plaatselijke jachtverenigingen, die elkaar wel kunnen uitmoorden, bezig een gratis kerstmenu bij elkaar te schieten. Zolang ze maar niet op vossen jagen, vind ik alles best, maar ik gaf er wel een eigentijdse draai aan: Frankrijk, Nederland, Duitsland, wat staat ons te wachten in navolging van de USA; de waarschuwing is alvast gepost.

Van de afbeelding heb ik enkele Franse relaties ook een aangepaste versie gestuurd, want ze vertikken het om gewoon Nederlands te leren, zoals de meeste Nederlanders in Frankrijk zich hier met een tenenkrommend Frans durven te vestigen. Of zelfs helemaal zonder.

Bonjour, bij het weggaan. Pleur op, zou Rutte zeggen.
Bijvoorbeeld.

O ja, voor het roddelcircuit: die fysio probeert mijn linker hand, na een Dupuytren-operatie in oktober in de voortreffelijke Clinique de la Main in Dijon, weer een beetje functioneel te krijgen. Gelet op de ervaring met mijn rechter hand, vorig jaar, is een revalidatie van dik 8 maanden wel te voorzien. Don’t mention it.

 

 

Sint en Piet en Reinaert en Tiecelijn

Zoals in het vorige artikel reeds aangekondigd vond op zondag 4 december in Sint-Niklaas de presentatie plaats van het Jaarboek Tiecelijn 2016, een jaarlijks terugkerend evenement, de laatste tijd in de theaterzaal van het Stadsmuseum STEM. Het past in de rijke Reinaerttraditie in het Waasland, vooral in Sint-Niklaas, maar zeker ook elders in Oost-Vlaanderen.

 

Het betrof het 9e Jaarboek; in 2008 besloot de redactie het al 20 jaargangen lopende driemaandelijks tijdschrift Tiecelijn voortaan in de vorm van een Jaarboek uit te brengen – minder werk, minder kosten. De presentatie ervan bestaat uit een of meer voordrachten in een stemmig aangeklede theaterzaal waar tussen de 100 en 200 medewerkers en belangstellende Reinaerdofielen een uur of meer worden geamuseerd met nuttige, diepgaande, schalkse en culturele optredens. Voor de aanwezige steunende leden ligt na afloop het Jaarboek klaar (enorme besparing portokosten; het jongste nummer weegt 1.135 gram en veel leden wonen ook nog eens buiten België), samen met een toepasselijk geschenk, zoals in 2007 een genummerd exemplaar van de houtsnede van Wim de Cock die ook de frontillustratie van jaargang 20 sierde. Zie hiernaast.
Inmiddels is de verzameling artikelen die door de jaren heen in Tiecelijn op bijna 8.000 pagina’s zijn gepubliceerd een niet te passeren bron van kennis en informatie voor iedereen die zich met de Reinaertstudie bezighoudt.

In 2013 memoreerde ik hier in een artikel al dat er rond de Reinaert een heel commercieel en toeristisch circuit is ontstaan. Ik noemde en roemde daar onder meer Reynaertgebak, Reynaertbonbons en Reynaertbier (ik blijf hardnekkig Reinaert met een i schrijven; anderen houden het op Reynaert met een y. Geef spellingvrijheid een kans).
Maar in feite is de hele streek ruim rondom Sint-Niklaas vergeven van de verwijzingen naar Reinaert en andere personages uit het werk. Het blijft ontegenzeggelijk levende materie, en nog eens vol verrassingen ook.
In een van de kroegen aan de Grote Markt, met trots melden de bewoners dat het qua oppervlak het grootste marktplein van België is, kreeg ik geheel onverwacht een fles Ysengrin geserveerd (net als Reynaert Grand Cru 9,5 %) met een glas van Domein Reynaert. Flesje + glas te bekomen aan €10; voor niets gaat de zon op.
Onze Reinaerttekst meldt niet voor niets dat Reinaert en Isegrim familie van elkaar zouden zijn geweest. Wie betaalt daarvoor de prijs?

Ik zie daarentegen geen verband tussen Sinterklaas en Reinaert, behalve dat beide zich overduidelijk manifesteren in Sint-Niklaas: Voor het oude gemeentehuis op de Grote Markt prijkt een groot beeld van de goedheiligman,

 

 

 

 

en aan het einde van de grote middengang van datzelfde gemeentehuis treffen we een aantal glas-in-loodramen aan met Reinaertmotieven.

 

 

 

Met de rug naar het gemeentehuis zie je links voor je de Reinaert Galerij, een niet overdadig groot winkelcentrum, terwijl op deze 4e december de ene Sint na de andere het marktplein oversteekt. En alle Pieten zijn zo zwart als Tiecelijn, een van Wodans luisterraven en boodschappers.

 

 

 

 

Op zoek naar Reynaertgebak en Reynaertbonbons, die nog maar bij vier meester-banketbakkers in Sint-Niklaas verkrijgbaar zijn, passeerde ik de befaamde chocolaterie Wauters, waar alleen maar eetbare Sinterklaasmemorabilia werden aangeboden. Een volgend pleidooi voor absolute spellingvrijheid.


Sint-Niklaas verenigt twee grote personages die met elkaar hoegenaamd niets te maken hebben, behalve dat Reinaert er meesterlijk-listig in slaagt anderen de zwarte piet toe te spelen.

 

Spookstad Doel

Anderhalf jaar geleden schreef ik over Een Kerncentrale Als Doel en noemde de leegloop van het dorp ter uitbreiding van de Antwerpse haven. Twee weken geleden bezocht ik de plek, letterlijk onder de rook van de kerncentrale aldaar. Het maakte onderdeel uit van ons tripje door Oost- en Zeeuwsch-Vlaanderen met een sterk Reynaert-tintje, want die zondag was de presentatie van Jaarboek 9 (2016) van Tiecelijn, in het stadsmuseum STEM van Sint-Niklaas. Via Hulst, de Woestijnestraat (van Hulst naar Nieuw-Namen), de Hulsterloostraat in Nieuw-Namen en het prachtig ogende Verdronken Land van Saeftinghe bereikten we Doel, een spookstad die verbaast. Let vooral ook op overstekende spookkinderen over 30 m.

Over de Reynaertconnectie kom ik spoedig nog te spreken; eerst maar even de ellende van alle dag. Het bezoekerscentrum van het Verdronken Land was helaas vanaf oktober tot april gesloten en op eigen gelegenheid de schorren en kwelders intrekken is levensgevaarlijk. Dus moesten we het doen met het werkelijk schitterend uitzicht vanaf de dijk over dat stukje Nederlands Vlaanderen dat eigenlijk gewoon bij België zou moeten horen, maar dan was Nederland de controle over de Westerschelde kwijt – u weet wel: Belgje pesten. Gevolg onder meer: het gênante gekibbel vanaf 2008 over de Hertogin Hedwigepolder; uitkomst: Nederland ontpoldert en Vlaanderen betaalt de kosten. Zo doe je dat.

Voort ging het. Over slecht onderhouden binnenweggetjes, extra glibberig door de suikerbietenoogst, bereikten we Doel, het dorp met de twee gezichten. Het helpt niet om er W.F. Hermans’ Het behouden huis op na te lezen, al zijn er wel parallellen. Het ene gezicht is het gezicht van een spookstad, zoals je ook wel in Spanje, Italië of Syrië tegen kunt komen: verlaten en leeg -een eeuw geleden huisden er nog dik 2.000 inwoners-, ruiten verbrijzeld, muren op instorten of reeds verdwenen, kapotte daken als open vensters voor zinloos daglicht, een onderhouden kerkhof als enig teken van leven.

Het andere gezicht is eigenlijk frappanter. Nadat de vaste Doelbewoners waren vetrokken, vrijwillig, zij het onder dwang, werden de huizen door ± 200 krakers bezet. Die zorgden niet alleen voor wat stuiptrekkerig leven in het dorp, maar zij beijverden zich ook in het opleuken van zowat alle muren met de meest uiteenlopende graffiti, sommige zeer kunstig, andere wat oppervlakkig, sommige met een scherpe boodschap, andere met een schreeuw.

Wat mij terloops opviel, waren de vele Poolse en wat minder talrijke Roemeense opschriften bij de schilderingen. Maar de nabije Antwerpse haven is altoos een smeltkroes van culturen en nationaliteiten geweest. De neerlandicus in mij verwijst daarvoor maar kortheidshalve naar het prachtige Dwaallicht van Willem Elsschot uit 1946, net als ik.

Klim je de Scheldedijk op, dan krijg je er gratis nog een kwartet uitzichten bij:
- over de brede Schelde met zijn langzaam voortglijdende schepen,
- op de jachthaven die wonderwel druk bevolkt was, maar dan toch niet door Doelenaren,
- op de oude molen van Doel, nu met staande wieken als een silhouet tegen de spierwitte koeltorens van de centrale waaruit spierwitte rook richting Rijnmond afbuigt, en

 

- op Sinterklaas die net uit de auto stapt, samen met een gelukkig nog ongekuiste, echte Zwarte Piet, om doelgericht de plezierjachteigenaren te plezieren. En natuurlijk om mij een afgemeten bruggetje te bieden naar het volgende artikel over Sint-Niklaas en de onophoudelijke reeks Reynaert-evenementen aldaar.