De ene ontkenning is de andere niet

Gelukkig leverde de tweede ronde van de Franse parlementsverkiezingen nog iets opmerkelijks op. Taalkundig gezien dan. Op de officiële overheidssite, waar de resultaten worden gemeld, stond daags na 18 juni te lezen: En raison des arrondis à la deuxième décimale, la somme des pourcentages peut ne pas être égale à 100% (http://elections.interieur.gouv.fr/legislatives-2017/FE.html), oftewel: Door de afronding op twee decimalen is de som der percentages niet noodzakelijkerwijs 100,00%.

Het interessante zit hem in de woordvolgorde: peut ne pas être égale, in plaats van ne peut pas être égale. In het Nederlands zijn beide varianten vertaalbaar als: kan niet gelijk zijn, of De som der percentages kan niet precies 100 zijn, maar dat is vreselijk dubbelzinnig. De officiële Franse tekst heeft gelijk. Die bedoelt aan te geven dat de mogelijkheid bestaat dat de optelsom van de vermelde percentage niet precies 100,00 is. Een van de twee lezingen van de Nederlandse vertaling zou aangeven dat het onmogelijk is (“kan niet“) dat de som der delen precies 100,00 is.

Het probleem zit in de plaats van het ontkennende woord niet, iets preciezer gezegd in het bereik van dat woord niet. Als in een Nederlandse samengestelde zin dat woord tussen beide delen van de samenstelling staat, zoals onze woordvolgorderegels ook vereisen, dan kan dat niet slaan op ofwel het linker, ofwel het rechter deel. Een geijkt voorbeeld van die homonymie is de zin

(1) Ik lust die dropjes niet omdat ze bruin zijn.

In de periode na publicatie van het profschrift “Negatieve zinnen” van Albert Kraak (1966) raakte de interesse in het verschijnsel ontkenning, in combinatie met de zich snel ontwikkelende transformationeel-generatieve grammatica, in een stroomversnelling, zowel in de wetenschappelijke linguïstische discours als in onderwijsmethoden. Ik meen dat de dropjeszin te vinden is in “Je weet niet wat je weet” van Marjolein van Dort e.a. In die taalmethode hameren de auteurs erop dat een goede taalbeheersing onder meer vereist dat je eenduidig communiceert en je dus homoniemen zo veel mogelijk dient te vermijden. Zeg daarom liever:

(1a) Ik lust die dropjes niet, want ze zijn bruin (het bereik van niet is nu evident het linker zinsdeel, links van de komma), ofwel
(1b) Ik lust die dropjes wel, maar niet omdat ze bruin zijn (het bereik van niet is nu evident het rechter zinsdeel, rechts van de komma).

Grappig: een dag later (20 juni) kreeg ik van de Gemeente Den Haag per post de mogelijkheid toegestuurd mij permanent te registreren voor Nederlandse verkiezingen. Daarbij moest ik wel even een vinkje zetten voor de volzin:

(2) Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.
Dat is dus te analyseren als:

(2a) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik niet] [in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen] of als
(2b) [Door het zetten van het vinkje hiernaast verklaar ik] [niet in een ander EU land aan de Europese Parlementsverkiezingen deel te nemen.]
De interpretatie van (2a) ontgaat mij evenwel (bedoel ik dan: ik neem elders in de EU wel deel, maar dat wil ik hier effe niet verklaren?). Overigens is de homonymie eenvoudig te vermijden door een komma te plaatsen, net voor of net na het woord niet.

Ook zinnen met een modaal hulpwerkwoord (kunnen, zullen, willen, moeten, mogen, laten) zijn te beschouwen als samengestelde zinnen: een soort voorzin met dat hulpwerkwoord enerzijds en de eigenlijke mededeling anderzijds.

(3) Ik kan die dropjes niet eten valt dan te parafraseren als
(3a) Het kan niet zo zijn, dat ik die dropjes eet, of
(3b) Het kan zo zijn, dat ik die dropjes niet eet.

Het probleem van het bereik van de ontkenning is dan weliswaar opgelost door het links of rechts van de komma te plaatsen, maar een bijkomend probleem is nu de interpretatie van kan. In (3a) geeft kan een zekerheid aan, namelijk de absolute onmogelijkheid om dropjes te eten, terwijl het in (3b) op een waarschijnlijkheid duidt (“Mogelijkerwijs eet ik die dropjes niet“).

Niet overtuigd? Kijk dan eens naar de (in de dieptestructuur) samengestelde zin

(4) Hij kan gemist worden. De twee interpretaties zijn respectievelijk:
(4a) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist, en
(4b) Het kan zo zijn dat hij wordt gemist.

Daar schieten we dus niets mee op. De dubbelzinnigheid zit hem in de twee betekenissen van kunnen: “mogelijk, toegestaan zijn” tegenover “waarschijnlijk, eventueel“. Nog iets scherper: in (4a) is hij er wel, maar hebben anderen net zo lief dat hij vertrekt (“toestemming”), maar in (4b) is hij er niet, maar mogelijkerwijs wordt dat ontdekt, want hij zou er eigenlijk wel moeten zijn (“waarschijnlijkheid”). Kunnen is een niet zo simpel Nederlands werkwoord.

Terug naar de ontkenning, en dan ook meteen maar in een aantal Europese talen. Waar het Nederlands dus een homonieme zin als “De optelsom kan niet gelijk zijn aan 100,00” kent, heeft het Frans de oplossing gevonden door het ontkennend element (“ne“) te koppelen aan/te plaatsen voor ofwel het linker zinsdeel (“ne peut pas être“), ofwel aan het rechter zinsdeel (“Peut ne pas être“), waarmee volstrekte eenduidigheid is gecreëerd. Vergelijk dat maar met bijvoorbeeld een zin als

(5) Pourquoi une même personne ne peut pas être jugée deux fois pour le même fait? (http://www.liberation.fr/societe/2014/02/04/un-principe-du-droit-intraitable_977929) (“Waarom kan een en dezelfde persoon niet tweemaal voor hetzelfde feit terechtstaan?”, oftewel het beruchte non bis idem).
Kunnen betekent hier niet een waarschijnlijkheid, maar een zekerheid: “het kan niet zo zijn/het is onmogelijk dat“.

Italianen doen het op vergelijkbare wijze:

(6a) Il totale può non essere uguale a 100 (mogelijkerwijs, eventueel)
(6b) Il totale non può non essere uguale a 100 (zeker niet, uitgesloten)

Het Tsjechisch heeft een vergelijkbare manier om eenduidigheid te verkrijgen: het ontkennende element (“ne-“) zit vast aan het bijbehorende werkwoord:

(7a) Součet nemůže rovnat 100% (de niet-bedoelde lezing)
      (Het totaal niet kan gelijken 100%)
(7b) Součet může nerovnat 100% (de bedoelde lezing)
      (Het totaal kan niet gelijken 100%)

Het Duits zit enerzijds in hetzelfde (woordvolgorde-)schuitje als het Nederlands:

(8) Die Summe kann nicht genau 100 sein, met als verkeerde lezing:
(8a) Es kann nicht so sein daß die Summe genau 100 ist

Ook zin (8) is immers homoniem, maar het Duits kan daaraan ontsnappen door een ander modaal hulpwerkwoord te kiezen:

(8b) Die Summe möchte das 100% nicht gleich sein

waarmee de bedoelde Franse versie correct is weergegeven.

Dit is op vergelijkbare wijze ook in het Engels goed mogelijk:

(9) The total cannot be equal to 100 heeft als parafrases:
(9a) It’s impossible that the total is/be equal to 100 (de verkeerde lezing dus), of:
(9b) The total may/might not be equal to 100, waarbij may, of sterker nog: might, de eventualiteit van de uitspraak “niet gelijk aan 100” benadrukt.

Dat statistieken voornamelijk uit leugens bestaan, heeft als een van de oorzaken dat genoemde feiten multi-interpretabel zijn, dus niet eenduidig, en dat komt dan weer maar al te vaak op het conto van gebrekkig taalgebruik waarbij homoniemen een misleidende rol kunnen spelen, zoals bij de ontkenning in samengestelde zinnen.

 

One thought on “De ene ontkenning is de andere niet

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>